Menu

Premium

Petrus’ verslag aan ‘Jeruzalem’

Alternatief bij 12e zondag van de zomer (Handelingen 11,1-18)

De passage uit Handelingen van vandaag beschrijft de kroon op het werk van Petrus bij Cornelius. De kracht van God die in de profeten en in Jezus werkte om wonderen en tekenen te doen onder het volk Israël, werd in Jeruzalem zichtbaar in het genezend werk van Petrus. Nu wordt Petrus gestuurd als instrument om het heil Gods ook beschikbaar te stellen aan alle (heiden)volken. Dit alles wordt als werk van Gods Geest beschreven. Het is een verhaal dat haaks staat op onze gedachten over de maakbaarheid van het leven – en de kerk!

Jezus’ woorden vlak vóór zijn opneming ten hemel gaan in vervulling (Hand. 1,8). Na Jeruzalem (2,41) en Samaria (8,14) ontvangen nu ook de (heiden)volken het woord van God. Dit is een geweldige climax van het verhaal. Petrus die zelf bij zijn roeping (Luc. 5,6) had geleerd Gods overvloed te ontvangen, houdt door zijn verkondiging mensen in het leven. Zoals de uitbreiding naar Samaria door Jeruzalem bevestigd werd (8,14-15), zo ook hier. Maar deze grensovergang naar de (heiden) volken is uiteraard gecompliceerder.

Geen lokaal incident

Het was niet alleen voor de betrokkenen zelf, maar ook voor de apostelen in Jeruzalem en de gemeente in Judea, die het gerucht uit Caesarea hadden gehoord, duidelijk dat de doop van Cornelius en zijn huisgenoten geen lokaal en individueel incident was (zoals de doop van de eunuch in 8,36-37) maar een gebeuren met algemene strekking. Over de betekenis daarvan viel dus nog wel te strijden. In Caesarea waren het Petrus’ Joodse metgezellen die getuigenis gaven van het werk dat God in hun midden deed, met de woorden dat zij de gave van de Geest ontvangen hadden (10,45). Maar zover is ‘Jeruzalem’ nog niet. De apostelen houden het voorlopig bij de feitelijke constatering dat het getuigenis vrucht heeft voortgebracht, namelijk dat ook de (heiden)volken het woord van God ontvangen hadden (1,1). Maar zij blijken open voor Petrus’ getuigenis van het werk Gods.

Terug in Jeruzalem moet Petrus zich dus verantwoorden voor dit grensoverschrijdende gebeuren. Hij vertelt precies wat hem overkomen is en concludeert in een retorische vraag dat hij God niet kan weren, omdat God aan hen dezelfde gave heeft geschonken zoals ook aan ons (11,17): wie ben ik en hoe was ik in de positie om God te weren? Eensgezind concluderen allen daarop: ‘Dus ook aan de (heiden)volken heeft God de omkeer tot leven gegeven’ (11,18). Met de vermelding van deze opeenvolgende geloofsconclusies (1,1; 11,18) met steeds een variant en toevoegingen geeft Lucas aan hoe het geloofsinzicht zich verdiept totdat allen ‘God kunnen bijhouden’.

Dat het God is die dit ter verwerkelijking van zijn bedoeling teweeggebracht heeft en dat het niet een besluit van mensen is geweest, is kern van dit verhaal. Petrus’ zes metgezellen, die net als zijn critici uit de besnijdenis (10,45) zijn, zijn deelgenoten én getuigen. Petrus buigt met zijn retorische vraag voor Gods
autoriteit en hiermee is zijn taak eigenlijk voltooid. Degene die het werk onder de volken, waarvan Petrus de grondslag gelegd heeft, gaat uitvoeren – Saulus – is al geroepen en staat al klaar.

Een nieuw begin van de Geest

Wanneer Petrus gaat vertellen dat de Geest volkomen onverwachts, terwijl hij het woord verkondigde, op Cornelius en zijn huisgenoten kwam, verwijst hij naar het begin van de Pinksterdag in Jeruzalem, waarop zij zelf de Geest ontvingen. Die ervaring herinnerde hem aan de woorden van Jezus. Door de gedeelde ervaring van de Geest die hij net als hen had ontvangen, past Petrus deze woorden van Jezus nu toe op alle ‘heidenen’.

Wat hij en zijn hoorders toen ervaren hadden (2,1-4), heeft hij nu weer beleefd met deze ‘heidenen’. Ze staan allemaal op het ene fundament van de Geest, zonder enige discriminatie. Petrus concludeert in de vorm van een vraag dat hij God niet kan tegenhouden, ‘weren’, omdat God ‘aan hen dezelfde gave heeft geschonken zoals ook aan ons’ (11,17). Ook al is de vraag een retorische, op deze wijze wordt er niet iets van bovenaf met gezag opgelegd. Er wordt vooral een aanbod gedaan, een aanbod dat je niet wilt afwijzen. Het is Gods gave die mensen tot leden maakt van de Messiaanse gemeenschap.

Stil voor God

Na deze woorden past maar één reactie: ‘Toen ze dat hoorden, werden zij stil’ (1,18). Op Petrus’ getuigenis van het genadige werk van God valt een stilte die uitmondt in een ‘verheerlijken van God’, de mooiste en zuiverste respons die er is. Omdat het God was die in Caesarea gehandeld heeft, wordt ook Hij daarvoor gedankt. Dit zwijgen betekent ook een instemming met wat God gedaan heeft. Door te zwijgen wordt het conflict op een ander niveau gebracht. De ene God verenigt de zo verschillende mensen. Alleen zo is er een vaste basis voor eenheid binnen de Jezus-gemeente. Voor de oergemeente in Jeruzalem betekent dit een transformatie. Gedreven door de universele missie van God wordt ze geroepen zich te bevrijden uit de beklemming van haar etnocentrische afzondering.

De volle implicaties hiervan en de praktische en principiële problemen van het samengaan van Joden en ‘heidenen’ in de gemeente van Jezus zullen later op het apostelconcilie besproken worden. Daar zal de controverse definitief geregeld worden en zal ook de tegenstem publiekelijk ten gehore gebracht worden (15,1-29). Maar de ‘heidenmissie’ is nu gelanceerd. Gods heil is voor iedereen, zonder etnische barrières. Nu is het de tijd dat het evangelie de wereld in mag: ‘een woord van Stilte herkomstig’, zoals het in de latere brief van Ignatius van Antiochië aan de Magnesiërs (I,8,2) geformuleerd is.

Deze exegese is opgesteld door Jos de Heer.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken