Preekschets 2 Koningen 4:27
2 Koningen 4:27
Achtste zondag na PinKsieren
‘Laat haar maar, ze heeft verdriet. En ik wist daar niets van, de Heer heeft het voor mij verborgen gehouden.’
Schriftlezing: 2 Koningen 4:8-37
Het eigene van de zondag
In de zoektocht naar ambivalentie in de omgang van profeten met God komen we deze dag terecht bij Elia’s leerling en opvolger Elisa. Weliswaar is Elisa’s verzet tegen
Uitleg
Elisa staat niet bekend om zijn lange redevoeringen in de Naam van God. Hij is meer een man van de daad dan van het woord. Een man die de Heer zonder aarzelen lijkt te volgen en in zijn Naam vooral heel veel wonderlijke tekens doet
Hij wordt steeds ‘man van God’ genoemd en in de woorden van de Sunamitische vrouw ‘heilig’. Het geeft zijn bijzondere status aan. Hij is een ‘afgezonderde’, een man van andere orde dan de gewone stervelingen. Het verklaart de onderlinge afstand die hij en de vrouw in het verhaal lange tijd houden.
Het intro tot de eigenlijke geschiedenis (vs. 8-10) maakt duidelijk dat wij in de vrouw uit Sunam met een voornaam persoon van doen hebben. In vers 8 wordt zij, letterlijk vertaald, een ‘grote vrouw’ genoemd. Zij heeft een sterke wil die zich uit in haar nadrukkelijke uitnodiging aan Elisa om, zo vaak hij op doorreis langs hen trekt, bij haar en haar man zijn intrek te nemen. Elisa maakt er regelmatig gebruik van (vs. 8). Het is haar initiatief om een eigen opkamertje voor hem te bouwen, in overeenstemming met zijn aparte status, die om distantie vraagt.
In vers 11-17 horen we van de eerste confrontatie tussen de hoofdpersonen van deze geschiedenis. Elisa en de vrouw spreken over een mogelijke beloning voor haar gastvrijheid. Dit gesprek wordt echter niet rechtstreeks gevoerd. Elisa’ knecht Gehazi is de bemiddelende persoon. Hij brengt vraag en antwoord over. Er blijft steeds afstand tussen de profeet en de vrouw. Zelfs als de vrouw in vers 15 rechtstreeks geroepen wordt om de belofte van een zoon in ontvangst te nemen, doet zij dat vanuit de deuropening. Elisa heeft, zoals gezegd, behoefte om iets terug te doen voor de gastvrijheid van de vrouw. Het typeert haar dat zij dit aanbod afwijst. Zij heeft geen bemiddeling bij koning of legeroverste nodig (vs. 13), zelfs in deze moeilijke tijden (vgl. 8:2-6). ‘In het midden van mijn volk woon ik’, zegt zij zelfbewust. In haar gemeenschap helpt men elkaar. Maar de knecht legt de kwetsbare plek van de vrouw bloot (vs. 14): zij heeft geen zoon en haar man is oud. Op de aankondiging van de geboorte van een zoon reageert zij aanvankelijk afwijzend. ‘Neen’ (vs. 16). Zij leeft liever zonder belofte dan met een valse. Maar Elisa (in de Naam van God?) zet door en de zoon wordt geboren (vs. 17).
In vers 18-20 voltrekt zich het drama. De jongen gaat naar zijn vader, die bezig is met de maaiers (!). Als de jongen door pijn overmand wordt, reageert de vader laconiek en’stuurt hem meteen door naar de moeder. Zijn afzijdigheid doet de handelwijze van de Sunamitische des te sterker uitkomen..
Verrassend is de onderkoelde en voortvarende wijze waarop de vrouw reageert op haar zoons dood en zich voorbereidt op de reis naar Elisa (vs. 21-24). Op zich horen we geen spoor van emotie. Zij legt haar zoon op het bed van de profeet en sluit de deur (vs. 21). Het lijkt een symbolische handeling. Zij geeft haar zoon als het ware aan de profeet en God terug. Maar niet berustend. Het is een weloverwogen daad; impliciet doordrenkt van verwijt, dat in vers 28 tot ontlading komt. Haar man vertelt zij niets. Hij.sputtert tegen als zij aankondigt naar de profeet te gaan, maar zij sust hem. ‘Alles is goed’ (vrede). Slechts uit één detail blijkt haar onderhuidse emotie, om niet te zeggen paniek: de haast die zij wil maken in vers 22 en vervolgens de dringende aansporingen aan het adres van de knecht om op te schieten, in vers 24. Zij zadelt zelf de ezel.
Van de tweede confrontatie tussen de vrouw en de profeet horen we in de verzen 25-30 in het domein van Elisa, op de Karmel. De man van God ziet haar al van verre aankomen en stuurt zijn knecht er opnieuw (vgl. vs. 12) op af. Maar ‘deze Sunamitische’ laat zich nu niet meer op afstand houden. Zij liegt tegen de knecht (‘alles is wel, in vrede’) om tot de profeet zelf door te dringen.
Eenmaal bij hem aangekomen, laat zij haar emoties dé vrije loop (vs. 27). Zij grijpt hem bij de voeten, in een daad van aanbidding en wanhoop, die maakt dat hij geen kant meer uit kan. Als de knecht wil ingrijpen omdat zo de heiligheid van de profeet wordt aangetast, houdt Elisa hem tegen. Hij kijkt tot in haar ziel. En deze is ‘bitter’ (mara), pijnlijk bedroefd. Het slaat op hem over. God heeft het voorval voor hem verborgen en het niet verteld (terwijl Elisa altijd alles lijkt te weten, bijv’. 5:26 en 6:12). Hier klinkt zijn eigen verwijt nog voor zij het hare heeft verwoord.’ Dat klinkt in vers 28, teruggrijpend op haar woorden van vers 16: ‘Heb ik soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: u moet bij mij geen hoop wekken?’ Zij zegt niet dat de jongen dood is, maar Elisa begrijpt het. Opnieuw wil hij zijn knecht inschakelen om een keer te brengen in het verhaal. Niet dat hij het belang en de urgentie van de zaak niet begrijpt; zijn knecht mag onderweg niet eens de tijd nemen om te groeten … Elisa’s staf, als werktuig dat de eigenaar vertegenwoordigt, moet Gehazi op de jongen leggen (vs. 29). Maar de moeder van de jongen houdt stug vast aan de profeet zelf. ‘Zowaar de HEER leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten’ (vs. 30). Het zijn exact de woorden die Elisa bij het afscheid van Elia gesproken heeft (2 Kon. 2:4). En de profeet staat op en gaat mee.
In de verzen 31-37 horen we het wonder van de opwekking zelf. Maar het gaat niet zomaar. Gehazi slaagt niet. Als Elisa. zelf tot handelen overgaat, doet hij dit achter gesloten deuren (vs. 33). Elisa richt zich als enige rechtstreeks tot de HEER en het is opvallend hoe hard hij moet werken om leven in de jongen terug te brengen. Veel meer dan Elia in het vergelijkbare verhaal van de weduwe van Sarefat in 1 Koningen 17:8-24. Nadrukkelijk moet Elisa’s eigen lichaam het wonder van de terugkeer van levenswarmte in de jongen ‘oproêpen. Elisa geeft zichzelf. Er wordt zelfs nog een pauze ingelast (vs. 35) waarna het hele ritueel herhaald wordt. Als de jongen zeven maal geniest heeft (als teken dat de levensadem teruggekeerd is), opent hij eindelijk de ogen.
Het slot volgt dan onmiddellijk: de Sunamitische wordt geroepen, valt deze keer uit dankbaarheid voor zijn voeten, en gaat haars weegs.
Opvallend is de verborgenheid van de Heer in deze geschiedenis. Of het de Heer is die leven geeft en leven neemt, wordt niet onthuld. God wordt in elk geval met het sterven niet direct in verband gebracht. Wellicht is het daarom dat de profeet van niets wist. Wel wordt expliciet gemaakt dat God zich in de strijd tegen onrecht en dood laat betrekken en dat Hij de dood uiteindelijk de baas is.
Aanwijzingen voor de prediking
2 Koningen 4 is een tekst die bij veel hoorders emoties zal oproepen. Mensen die zelf onverwacht een verlies te verwerken hebben gekregen, zullen zich extra aangesproken voelen door het gedrag van de vrouw. Zij is onvoorstelbaar sterk en doelbewust. Achter haar schijnbaar emotieloos handelen, zijn haar woede en wanhoop herkenbaar. Ze drijven haar tot de onverwachte gang naar de profeet, haar vastberadenheid om hem mee te krijgen en haar verwijt. Zij richt zich niet direct tot God. Die komt in deze hele geschiedenis slechts aan de zijlijn (vs. 27, 30 en 33) ter sprake.
Er blijft een aantal vragen openstaan. Heeft Elisa op last van God het kind beloofd? Is het kind conform de wil van God overleden? Het benoemen van deze vragen lijkt mij in de prediking van groot belang, omdat de hoorders hun eigen vragen daarin zullen herkennen.
De tekst geeft het antwoord niet. Maar vast staat dat de Sunamitische gelooft in de levende God. Zij blijft in de persoon van de man van God een beroep op de Heer doen en Hem te hulp of zelfs ter verantwoording roepen. Ondanks de ellende verbreekt zij de relatie met de Heer niet. De profeet (als man van God) staat tussen de gewone sterveling en God in. Hij vertegenwoordigt de mens in bijvoorbeeld het verwijt aan God (Hoe kan dit?) en in het gebed en vertegenwoordigt God in de bemiddeling van zijn levenopwekkende kracht. Vooral de wijze waarop, is daarbij interessant. De heilige man van God, die in de omgang met gewone stervelingen afstand betracht, moet zijn eigen lichaam met het dode lichaam van de jongen tot in het uiterste verbinden om er leven in terug te brengen. Daarin is deze geschiedenis een paasverhaal. In de directe confrontatie met de dood, wordt leven geboren.
Zo is God hier de ongekende, de verborgene. Zelfs voor zijn heilige profeet. Ons zoeken naar Gods wegen in de wereld en in het persoonlijk leven wordt daarin gereflecteerd. Maar er zijn niet alleen vragen. We kunnen bij Hem terecht. Hij zal ons ook in ons verwijt en onze klacht niet afwijzen. En uiteindelijk is Hij degene die leven geeft en bewaart en daarbij tot in het uiterste nabij is.
Ten slotte is het goed stil te staan bij de wijze waarop mensen de Eeuwige vertegenwoordigen. Dat wij voor elkaar kunnen bidden als getroffenen geen woorden meer hebben en dat wij in de gave van onszelf wonderen kunnen verrichten.
Liturgische aanwijzingen
Een andere vrouw die door wanhoop gedreven de Man van God haast clandestien benadert en aanraakt, is de bloedvloeiende vrouw in Marcus 5:24-34. Ook zij vindt dankzij haar hardnekkigheid genezing. Voor liederen verwijs ik naar het LvdK Gezang 9 en 280. In GvL sluiten lied 659 en 644 aan.
Geraadpleegde literatuur
H.A.Brongers, 2 Kortingen