2 Samuël 18:33Twaalfde zondag na PinksterenToen ontroerde de koning; hij ging naar het bovenvertrek van de poort en weende. En terwijl hij heen en weer liep, sprak hij: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik in uw plaats gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!Schriftlezing: 2 Samuël 18:1-19:8Geraadpleegde literatuurF.O. van Gennep, Naam geven wat ik zoek, Baarn 1991, 116-121.UitlegAls Absalom in 2 Samuël 13 het toneel betreedt, is dat als zoon van David, maar vooral als de broer van Tamar. Tamar wordt verkracht door haar - en Absa- loms - halfbroer, Amnon. Als de gelegenheid zich
Het volledige Premium-artikel lezen?
Dit artikel is voor Premium-leden.
Log in en lees onbeperkt alles op Theologie.nl. Nog geen lid?
Krijg toegang tot ruim 11.500 artikelen, waaronder verdiepende vakinhoud, preekschetsen, exegeses, kindermomenten en preekvoorbeelden.
Bekijk Premium >
InloggenLid worden