Preekschets Daniël 5:25-28
Daniël 5:25-28
Drieëntwintigste zondag na Pinksteren
Dit is wat er geschreven staat: Mene, mene, tekel, ufarsin.
En dit is wat het betekent: mene – God heeft de dagen van uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; tekel – u bent gewogen en te licht bevonden; peres – uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en Perzen gegeven.
Schriftlezing: Daniël 5
Het eigene van de zondag
Zie bij 5 november. Ging het in de vorige schets over de houding van de gemeente tegenover de antimachten, in de voor deze zondag gekozen tekst komt een ander aspect van de confrontatie van de heilige God van Israël met de machthebbers aan de orde: het oordeel over de machten.
Uitleg
Het verhaal is gesitueerd in de tijd waarin het Babylonische rijk op zijn laatste benen loopt en de stad wordt ingenomen door de Meden en de Perzen in 539 voor Christus (5.30).
Belsassar was de zoon van Nabonidus, de laatste koning van Babel. Tijdens diens afwezigheid oefende hij de regeermacht uit. In die zin is het verklaarbaar dat de schrijver van Daniël 5 hem ‘koning’ noemt. De aanduiding ‘vader’ voor Nebukadnessar moet wel in ruimere zin verstaan worden, zoals een Assyrische inscriptie melding maakt van Jehu uit het huis van Omri (Aalders). Belsassar wordt getekend als de man die zich vergrijpt aan het heilige, in concreto het tempelgerei dat Nebukadnessar als buit naar Babel had meegenomen. Maar terwijl deze tegenover de God van de tempel een zeker respect had betoond, laat Belsassar zien dat elke vorm van eerbied hem vreemd is. De lezers uit de tweede eeuw hebben in de heiligschennis van deze koning hun eigen situatie herkend, namelijk de vergrijpen van Antiochus Epifanes aan de tempel en de thora (zie 1 Makk. 1:20-64; ook Heliodorus in 2 Makk. 3).
Een en ander vindt plaats tijdens een feestmaal in Babel. Niet alleen de mannen, ook de harem van de koning is aanwezig (vgl. Ester 1). Het ‘beneveld door de wijn’ van de
Dat het om meer gaat dan de geste van een dronken koning, blijkt uit het slot van vers 4. De heiligschennis gaat gepaard met loftuitingen op hun goden. Zo wordt de God van Israël uitgedaagd. De schrijver laat door de opmerking ‘goden van goud, zilver, koper, ijzer, hout en steen’, uitkomen dat de levende God met deze goden niet te vergelijken is (vgl. 5:23; Jes. 44:6-20; Ps. 115).
De schrijvende hand en het schrift op de wand roepen schrik en angst op. Ineens is de lol eraf (vs. 5; zie voor de bewoordingen ook Jes. 21:3, Ez. 21:6-7; Nah. 2:10). De verzen 8-12 tekenen de machteloosheid van de wijzen, de bezweerders, zoals ze genoemd worden. Ondanks de hoge beloning die in het vooruitzicht gesteld wordt, zijn ze niet in staat het schrift te ontcijferen (vgl. Dan. 2). Daartegenover staat Daniël die op instigatie van de koningin-moeder geroepen wordt. Opvallend, hoe vaak in het Oude Testament op cruciale punten vrouwen optreden als instrumenten van God, vergelijk Debora, Ruth, Rachab, de weduwen bij Elia en Elisa enzovoort! In dit geval een vrouw uit Babel. Voor deze heidense vrouw is Daniël een man in wie de geest van de heilige góden woont. Voor de goede verstaander: Daniëls wijsheid komt van God. Het is de Geest die wijsheid en inzicht geeft. Daniël doet denken aan Jozef (Gen. 41). Opvallend is de vrijmoedigheid waarmee hij de koning tegemoet treedt. Hij maakt zijn boodschap niet afhankelijk van een beloning en kan daarom juist in soevereine vrijheid een geschenk aannemen.
Wat is bedoeld met het schrift en wat hebben de wijzen gelezen? Ik volg de interpretatie van Beek. Men moet zich de spreuk voorstellen in de Aramese letters zonder klinkers. Voor de doorsneelezer duiden de medeklinkers gewichten aan: een mine, een sikkel, een halve mine en een halve mine. Zo zullen de wijzen van Babel de spreuk geïnterpreteerd hebben. Wellicht is ook te denken aan de op elkaar volgende koningen van Babel, van zwaargewicht tot lichtgewicht. Maar wie anders vocaliseert, komt anders uit. Daniël leest geen geldswaarden, maar werkwoorden. Hij brengt God ter sprake. De levende God weerstaat hoogmoedigen zoals Nebukadnessar ervaren heeft (Dan. 4). Een thema dat in de bijbel steeds weer terugkeert (vgl. 1 Sam. 2:110; Luc. 1:46-55; 1 Petr. 5:6). De kern van Belsassars zonde is niet het drinkgelag, zelfs niet de spot, maar het feit dat hij God niet verheerlijkt. De schijnbaar zinloze letters worden dan een onheilspellende aankondiging van het gericht over een mens die gewogen en te licht bevonden is. Het woord peres (gedeeld) wijst tegelijk op de Perzen als instrument van Gods oordeel.
Het gericht over de machthebbers getuigt van Gods rechtzettend handelen. Babel en de anti-machten zullen vallen.
Aanwijzingen voor de prediking
Over de tekst heb ik gepreekt in de tijd dat in Nederland de discussie oplaaide over heiligschennis en godslastering. Daarbij dien je je bewust te zijn van al te snelle associaties en vooral van het gevaar om het kwaad van Belsassar, casu quo de wereld, uit té vergroten en zelf als gemeente buiten schot te blijven. Om die zij-wij tegenstelling te boven te komen, is het zaak te bedenken dat de christelijke gemeente altijd weer kind is van haar tijd. De Babelcultuur van de trotse torens betekent altijd weer dat de cultus geperverteerd wordt en het heilige verloren gaat.
Het schrift aan de wand in Daniël 5 roept de vraag op: wat zijn vandaag in de kerk en de wereld tekenen aan de wand? Al scheer je hier langs de rand van de natuurlijke theologie, die vraag moet niet ontweken worden. Geloofservaring en -interpretatie staan niet los van de gewone werkelijkheid en geven er een eigen dimensie aan. Overigens maakt Daniël 5 ons wel duidelijk dat alleen het profetische woord het ware inzicht kan geven in de situatie waarin we coram Deo staan. Aan de hand van het verschil tussen de bezweerders en de profeet kan duidelijk gemaakt worden hoe je tot dit inzicht komt. Angst en onzekerheid laten zich niet bezweren door de wijzen van de wereld. Je blijft dan al snel steken in geld en gewicht. Maar wie het leven bekijkt met een economische bril en het gewicht van een mens afmeet aan zijn banksaldo is blind voor de presentie van God in gericht en genade. Ware wijsheid, inzicht in het geheim van het leven, is gave van Gods Geest die je leert rekenen met God en zijn Woord. De profetische roeping van de kerk is: God ter sprake brengen (vgl. Ps. 100:3a).
Op de weegschaal van de Heer komt het aan op de vraag of we God de eer gegeven hebben. Calvijn noemde het eren van God de bestemming van het mensenleven. Zijn uitleg in de Catechismus van Genève (1,7) kan ons bewaren voor een moralistische invulling. Het gaat om vertrouwen en gehoorzaamheid, om de erkenning van de Here als de bron van alle goed: Want de gloria Dei is het heil van mensen.
Profetie is nooit’vrijblijvend, maar roept tot omkeer. Een preek over Daniël 5 moet ook een appel inhouden. Visser (Visser, 91) herinnert in verband met dit hoofdstuk aan de diepzinnige spreuk die je kon vinden op joodse lijkwagens zoals die lang voor de oorlog door Amsterdam reden: ‘Bekeer je één dag voor je dood’. Het risico van appellerend preken is dat het al snel wettisch wordt. Woorden als oordeel en gericht roepen al snel misverstanden op.’ Het is goed om duidelijk te maken dat de aankondiging van het oordeel geschiedt bij de gratie van Gods geduld.
Men kan als contrast tegenover het schrift van Daniël 5 wijzen op vier andere Aramese woorden, gesproken op Golgota toen het nacht werd in de middag (Mat. 27:46). Daar gaat de Rechter zelf aan het recht ten onder … Zie hier de schalen die ten volle wegen èn vloek.èn zegen’, (Gez. 177:3, 4 LvdK). Deze christologische spits neemt de ernst en de geladenheid van Daniël 5 niet weg. Integendeel, juist in het licht van dit oordeel is het appel des te indringender: Zie toe, hoe ge hoort…! (Hebr. 12:25).
Liturgische aanwijzingen
Ook hier kan men het hoofdstuk in twee gedeelten lezen en de lezing onderbreken met een lied (Ps. 2 of 75). Als eventuele evangelielezing is te denken aan Lucas 1:46-55. Als epistellezing noem ik Hebreeën 12:25-29.
Mogelijke liederen zijn Psalm 95 (vooral vs. 3, 97, 82:3); verder de Gezangen 289; 326; 483.
Geraadpleegde literatuur
M.A. Beek, Wegen der prediking, Amsterdam 1959, 364366; H. Breit e.a., Calwer Predigthilfen IV, Stuttgart 1965.