Preekschets Genesis 11:27
Genesis 11:27
Zesde zondag na Pinksteren
En dit zijn de nakomelingen van Terach.
Schriftlezing: Genesis 11:27-12:3
Het eigene van de zondag
Een (volgende) zondag in de zomer.
Liturgische aanwijzingen
Als lezing uit het Nieuwe Testament valt te denken aan teksten die over Jezus spreken als eerstgeborene of zijn ‘pars pro toto’ benadrukken; bijvoorbeeld Romeinen 8:29-32; 5:12-21; Kolossenzen 1:15-19. Liederen: LvdK Psalm 113; 115; 123; Gezang 3; 132; 210; 216.
Geraadpleegde literatuur
F.H. Breukelman, Bijbelse theologie, het eerstelingschap van Israël, Kampen 1992.
Uitleg
Het thema van Genesis is ‘de eerstgeborene’. Dat thema wordt uiteengezet in een aantal boekdelen. Deel I begint in Genesis vijf en eindigt met Genesis 11:26. Deze inzet, de wording van de mens via de lijn der eerstgeborenen, wordt in de volgende delen in allerlei facetten uitgewerkt: wat het betekent om de eerstgeborene te zijn; wie zich eigenlijk zo mogen noemen; wat de verhouding is van de eerstgeborene ten opzichte van de anderen in het gezin: de verhouding met de vader, de verhouding ten opzichte van zijn broers. En ook andersom: hoe de vader en de broers staan ten opzichte van de eerstgeborene. En hoe de eerstgeborene de wereld redt. Ieder volgend deel in het boek Genesis begint – hoe afwijkend het woord töledöt ook vaak wordt vertaald: geschiedenis, nakomelingen, enzovoort – telkens met een zin die vertelt hoe de töledöt, de wording van de mens, wordt voortgezet. Aan het slot van elk deel worden sommigen met dit woord uit het verhaal geschreven. Hun töledöt valt verder buiten het bestek van de hoofdlijn die gevolgd wordt. Zo worden in Genesis 25:12 en verder, en Genesis 36:1 en vervolg, respectievelijk Ismaël en Esau uit het verhaal geschreven. Aan het begin van het nieuwe deel wordt dan duidelijk met wie de hoofdlijn van het verhaal wordt voortgezet. Bijvoorbeeld Genesis 25:19 ‘Dit is de wording van Isaak… ’, het begin van deel III. En de wording van Isaak ligt, zoals we vorige week al hebben gesignaleerd, in de toekomst: in de wording van zijn zoon Jakob. Vandaar dat deel III vervolgens geheel over het leven van Jakob gaat. Zoals ‘de wording van Jakob’ (Gen. 37:2) – deel IV – dus het leven van Jozef beschrijft. En zo wordt in ‘de wording van T erach ’ (Gen. 11: 27) – deel II – het leven van Abraham beschreven; het deel dat nu aan de orde is.
In dit verband nu over de betekenis van het eerstelingschap van en in Israël; en met die naam bedoel ik in deze preekserie steeds het totale joodse volk, zoals het zich wereldwijd en in alle tijden manifesteert. Als we de inhoud van het eerstelingschap nalopen, dan blijkt dat de eerstgeborene de rechterhand van de vader is. Hij is zijn Ben-jamin. In de patriarchale tijd representeert de oudste daardoor (de wil van) de vader ten opzichte van broeders en zusters. Maar ook andersom: de eerstgeborene te zijn, betekent ook de verantwoordelijkheid hebben om de broeders en zusters bij de vader te representeren. Het meest bijzondere van het ‘eerstgeboorterecht’ van en in Israël is echter dat de eerstgeborene degene is die in het bijzonder aan de Here God is gewijd en degene is die ‘de zegen’ draagt. Dat wil zeggen: de HERE is met hem. Hiertoe bovenal is hij de eerstgeborene, hij is als eerste gekozen. En via hem komt de zegen van God naar allen. Zijn roeping is om in dat kader ‘kanaal’ te zijn.
Dat het eerstelingschap vooral een roeping is en geen natuurrecht, wordt in de Genesis-verhalen voortdurend onderstreept. De eerstgeborene is the chosen, de uitverkorene. Dat blijkt geen biologisch, maar vooral een theologisch gegeven te zijn. We merken dat vooral, als in plaats van Ismaël juist Isaak wordt geroepen, als in plaats van Esau juist Jakob wordt aangewezen als de zegen-drager. Je kunt zelfs de achtste in een gezin zijn, maar door God aangewezen worden als de verkorene (David). Elke eerstgeborene moet door deze verhalen beseffen dat hij niet de verkorene is op grond van zijn biologisch eerstgeboorterecht, maar dat elk eerstgeboorteschap een roeping is, een verantwoordelijkheid. Het zal erom gaan deze roeping waar te maken: zo open en eerlijk met God en de naaste te leven dat de beloofde zegen als door een zuiver kanaal naar alle mensen toestroomt. Tegelijk merken we in de verhalen dat Gods keuzes de menselijke tekorten en fouten overstijgen. Het leven van de eerstgeborenen is bepaald niet altijd vroom en onberispelijk te noemen. Niettemin zijn zij de gezegenden ook huns ondanks, of zelfs tot hun beschaming. Dat blijkt bijvoorbeeld als Abram zich in Egypte met bedrog overeind probeert te houden, maar uiteindelijk toch als de ‘ambtsdrager’ die hij is, wordt ontmaskerd.
In het spoor van de eerstgeborenen (Abraham, Isaak, Jakob, Israël) is er dus zegen voor de ‘andere gezinsleden’, de volkeren. Zeventig volken der aarde worden in Genesis 10 genoemd, waarbij het getal zeventig symbool staat voor alle volken.Israël als eerstgeborene in dit volkerengezin heeft zijn roeping te vervullen. Deze bijzondere positie heeft Israël onder de volkeren tot op de huidige dag. Nergens in de bijbel wordt gezegd dat deze positie inmiddels zou zijn opgeheven. Via Israël zegent God de wereld, openbaart Hij zich aan de wereld, komt zijn Woord naar de volkeren. In Israël gaat het Hem van meet af aan om alle volkeren.
Dat is dan ook de grote pretentie die uit de bijbelverhalen spreekt: de ‘wording van de mens’, de redding van de wereld (Noach, Jozef), geschiedt via deze eerstgeborene. En die pretentie brengt de bijbel, en vooral het concrete Israël, in conflict met anderen. Tegenover Israël en Jeruzalem stellen zich immers andere rijken en plaatsen op, die zichzelf als redders der wereld zien: Egypte, Griekenland, Rome, Mekka, Genève. In Genesis 12:1-3 klinkt het woord ‘zegen’ vijfvoudig tot de eerstgeborene Abram. Die vijfvoudige zegen bepaalt ten slotte zelfs de identiteit van hem en zijn vrouw wanneer God aan hun beider namen een he toevoegt: de Hebreeuwse letter ‘h’ met de getalswaarde vijf.
Aanwijzingen voor de prediking
God heeft ervoor gekozen deze wereld vast te houden via een eerstgeborene. Om die ene draait ons bestaan, precies zoals Genesis vijf dat beschreef. Gelet op de betekenis van het eerstelingschap (zie uitleg), krijgen we nu antwoord op de vele vragen die we vorige week stelden. De algemene betekenis geeft min of meer het belang aan van de maatschappelijke positie van de eerstgeborene. Hij is de rechterhand van zijn vader, met medewerking van hem en via hem, bestuurt de vader zijn ‘huis’. We begrijpen echter dat deze positie geen recht is waarop de eerstgeborene zich kan laten voorstaan, maar een voorrecht dat hem een grotere verantwoordelijkheid geeft dan anderen: noblesse oblige. Die verantwoordelijkheid houdt ook in dat hij de anderen en hun meningen bij de vader vertegenwoordigt en aan de orde stelt. De anderen, broeders en zusters, staan dus niet buitenspel! Het is niet zo dat hun leven, c.q. ons leven, er in feite niet toe doet. Integendeel! Het is juist een taak van de eerstgeborene ervoor te zorgen dat allen (bij de vader) tot hun recht komen. Vanuit zijn eerstgeboorterecht’ behoort hij niet exclusief – de andere leden van het gezin uitsluitend – maar juist inclusief te denken. Zijn leven is een leven ten dienste van alle anderen. In dit verband valt te denken aan het begrip pars pro toto, dat wil zeggen: het deel staat voor het geheel. Maar veel nauwer nog luistert het eerstelingschap als het gaat om de zegen die de eerstgeborene met zich meedraagt. Dat is een betekenis die ver boven de maatschappelijke rol uitgaat. Vijfmaal klinkt ten opzichte van Abram het woord zegen. Dat woord blijkt nauw verbonden te zijn met het eerstgeboorteschap. Zegen wil zoveel zeggen als:
Op het volk Israël rust hierdoor een bijzondere verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid is ook altijd verstaan. Op het loofhuttenfeest is en wordt er altijd gebeden om de verzoening van de zonden van alle volken. Er wordt in tempel en synagoge universeel gedacht en gezegend. Priester zijn in Israël betekent niet alleen priester zijn voor Israël, maar in en via Israël voor alle volken. In de bijbel treft ons de toenemende verantwoordelijkheid in Israël naarmate je dichter bij de kern van het volk staat. Dragen allen de genoemde verantwoordelijkheid (ook de vrouwen), de mannen staan nog weer dichter bij de heilige kern. Onder hen meer in het bijzonder de eerstgeborenen. De laatsten kunnen nog weer worden ‘ gelost’, omdat de stam van de Levieten zich pars pro toto geheel aan de dienst des HEREN geeft. Onder de Levieten heeft het huis van Aaron nog weer een grotere verantwoordelijkheid. En onder deze priesters is er de eenzame hogepriester. In het hart van het volk weet de laatste zich hogepriester voor alle priesters, voor alle Levieten, voor alle eerstgeborenen, voor alle mannen, voor alle vrouwen en de kinderen van Israël, voor alle volken. Dus luistert het zeer nauw hoe hij leeft. Dat ‘het oordeel begint bij het huis Gods’ weet hij als geen ander. Hij staat het dichtst bij het Vuur. Jaloezie van vrouwen in Israël op de mannen, of van de volken op de kinderen van Israël, slaat in dit verband nergens op.
Als Jezus geen jood was, zou het geen zin hebben dat we Hem als christenen met de inhoud van dit eerstelingschap verbinden. Maar wij belijden Hem – zie vorige week – als de Verwekker van dit volk en tegelijk het Hart van dit volk. Alle betekenissen van het eerstelingschap zijn op Hem van toepassing, gaan van Hem uit. En zo staat Hij pars pro toto voor ons allen. Hij representeert ons allemaal bij de Vader. Maar ook andersom: Hij representeert de Vader bij ons. En Hij is het kanaal waardoor Gods zegen via het volk Israël naar alle volken toestroomt. In Hem is de HERE onder ons aanwezig. Hij is, meer dan wie ook, de Eerstgeborene, the Chosen.