Preekschets Genesis 42:21
Genesis 42:21
Negentiende zondag na Pinksteren
… en ze zeiden tegen elkaar:
‘Dit is onze straf,
omdat we ons niets hebben aangetrokken
van de smeekbeden van onze broer,
terwijl we toch zagen dat hij doodsbenauwd was.’
Schriftlezing: Genesis 42
Het eigene van de zondag
We stellen deze zondag in het licht van Simchat Thora, vreugde der wet, dat de joden op 1 oktober 2010 vieren. De Jozefverhalen brengen ons de leerweg van de Thora dicht op de huid en leren ons het vreugdevolle ervan inzien, ook al gaat het door schade en schande heen.
Uitleg
In Genesis 42 zijn we in de diepste crisis beland. De zonen van Jakob hebben de ware broederschap verloochend door hun broer Jozef als slaaf naar Egypte te verkopen en bovendien hebben ze een vals getuigenis gesproken tegenover hun vader. Zo is er een situatie ontstaan waarin het goede land van melk en honing ver te zoeken is. Er heerst honger in Kanaän en Jakob is getraumatiseerd door het verlies van zijn zoon Jozef. De toekomst van Israël is in gevaar en Gods belofte lijkt krachteloos geworden.
Op dat moment treedt Jakob handelend op. Terwijl zijn zonen elkaar machteloos zitten aan te kijken, kijkt Jakob verder dan zijn neus lang is. Hij ziet dat er in Egypte koren te koop is (tweemaal het ww. r’h in vs. 1) en hij geeft zijn zonen opdracht af te dalen, opdat ‘we zullen leven en niet sterven’ (vgl. ook vs. 18 en 20). Met dit ingrijpen van Jakob komt er een bevrijdingsproces op gang door een diep dal heen. Er blijkt een leerweg nodig om te ontdekken waar het op aankomt in het leven. De ogen moeten verder opengaan (vgl. bijv. hoe het ww. r’h verder functioneert in vs. 21 en in 45:12,13) en pas als zij de ware broederschap leren zien zullen ze ook hun broeder Jozef herkennen (vs. 7).
De thematiek van de broederschap neemt dus een centrale plaats in. Het woord ‘Ach (broeder) komt twintigmaal voor in hoofdstuk 42. De broers van Jozef moeten dezelfde weg gaan als Jozef: afdalen naar Egypte en daar gevangen genomen worden (vs. 17). Jozefs benauwdheid wordt ook hun eigen benauwdheid (tweemaal tsara in vs. 21). Zij zien zich genoodzaakt zich net als hij te gedragen als slaven (vs. 10,11,13). Ze buigen voor hun broer zoals zijn droom ooit voorspelde (Gen. 37:5-10). Jozef test hen in hun oprechtheid (tweemaal het woord ‘toetsen’ in vs. 15,16). Het woord ken (oprecht, eerlijk) komen we vijfmaal tegen in Genesis en wel in dit hoofdstuk. Uit het ophalen van de jongste broer, Benjamin, moet hun oprechtheid blijken. Of is hij als tweede zoon van Rachel, Jakobs liefste, soms ook een uitgestotene geworden, net als Jozef zelf? Dat de broers tegenover Jozef erkennen dat ze een twaalftal vormen (vs. 13,32) en inzien dat ze zich schuldig hebben gemaakt door Jozef te verstoten (vs. 21) betekent dat hun omkeer gestalte begint te krijgen. Maar pas als ze Benjamin bij Jozef brengen en ze echt als twaalftal bij elkaar zijn, kan Jozef zijn ware gezicht laten zien.
Terwijl Jozef zich als een echte Egyptenaar opstelt (‘bij het leven van farao’, vs. 15,16), laat hij toch ook merken dat hij God vreest (vs. 18). Hij is erop uit dat zijn vader en broers zullen leven. Hij is hun tot zegen door graan mee te geven en het betaalde geld terug te geven. Zij die hun broer verkocht hebben voor geld krijgen van diezelfde broer hun geld mee. Hij wil niet verdienen aan hen zoals zij aan hem. Dat dit genade is, hebben de broers nog niet in de gaten. Ze zijn bang voor de verdenking dat ze nu ook nog het gebod ‘gij zult niet stelen’ hebben overtreden. ‘Waarom doet God ons dit aan?’ vragen ze zich dan af. Niet wetend dat het allemaal te maken heeft met hun heilzaam pijnlijke leerweg. Als Benjamin later zogenaamd de beker van Jozef heeft gestolen (Gen. 44) zal duidelijk worden dat ze voor deze broer met hun leven willen instaan en hebben ze hun levensles geleerd. Zij zijn niet meer als Kaïn, maar ze zijn hun broeders hoeder geworden.
In vers 13 en 32 zeggen de broers dat één broer er niet meer is. Het is natuurlijk vol ironie dat ze dat uitgerekend tegen Jozef zelf zeggen. Maar hiermee wordt tegelijkertijd het trauma van Jakob getekend. Jakob kan door dat trauma zijn zoon Benjamin niet loslaten. Hij noemt zichzelf kinderloos (vs. 36) en lijkt dus te wanhopen aan Gods belofte aan Abraham. Door zijn weigering om Benjamin mee te geven lijkt de zaak weer te stagneren. Blijkbaar kan hij zijn verloren zoon Jozef pas terugvinden als hij Benjamin durft los te laten. Ruben probeert zijn vader te overreden door uit te spreken dat hij bereid is desnoods zijn eigen twee zoons te offeren. Daarmee lijkt hij zich volledig te diskwalificeren.
Aanwijzingen voor de prediking
Bij uitleg en verkondiging vanuit Genesis 42 gaat het er om de hoorders mee te krijgen op de leerweg van de Thora. Misschien is het goed daarom eerst de vraag te stellen hoe zij naar hun eigen leven kijken. Ziet de hoorder zichzelf als volleerd en gearriveerd mens of als iemand die nog een hoop te leren heeft? De kerk is ook een leerhuis en dit verhaal is een verhaal vol leerzame wegwijzing. En dan niet zoals de routeplanner in je auto, maar wegwijzing waarin het hele weerbarstige leven is inbegrepen. Het gaat om vallen en opstaan en door schade en schande wijs worden.
De hoorder moet gelokt worden om in het verhaal met de broers mee te lopen, want zo kan hij ook zijn eigen leven als leerschool gaan verstaan. Er kunnen in die leerschool allerlei diepe levensthema’s ter sprake komen: verliezen en vinden, angst en vertrouwen, schuld en vergeving, leven en dood, waarheid en leugen. Dat doet allemaal mee in Genesis 42. De kunst is om één lijn te kiezen en niet alles tegelijk te willen be(s)preken.
Wat vanuit pastoraal oogpunt aandacht moet krijgen, is het trauma van het verlies van een kind. De predikant die dit niet zelf heeft meegemaakt, kan niet peilen wat dit betekent en zal tastend en voorzichtig moeten spreken. Maar hij kan wel aanstippen dat zo’n trauma kan leiden tot het projecteren van je angst op een van je andere kinderen, zodat die te weinig een eigen leerweg kan gaan. Dit lijkt bij Jakob zo te zijn in zijn omgang met Benjamin. Aan de ene kant treedt hij doortastend op door tien van zijn zoons op pad te sturen, maar aan de andere kant staat hij de toekomst in de weg door Benjamin krampachtig vast te houden. Ingrijpende verliezen zadelen ons op met bittere raadsels en alle praat over levenslessen en ‘God zal er wel een bedoeling mee hebben’ is dan misplaatst, maar ergens tussen de puinhopen wijst de Thora een weg ten leven. Daar waar Jakob zijn verantwoordelijkheid neemt voor leven in de toekomst blijkt een leerweg van verzoening en broederschap te ontstaan.
Het afdalen van de broers naar Egypte blijkt ook een afdalen in hun eigen hart te zijn en dat leidt tot toenemend zelfinzicht. Soms moet je jezelf lelijk tegenkomen, voordat je weer verder kunt. Elke kerkganger zal herkennen dat dat niet gemakkelijk is, maar desondanks bevrijdend. Daarbij is het belangrijk dat je in jezelf ook het verlangen bespeurt naar een nieuw begin, naar oprecht en integer mens-zijn. Datzelfde verlangen ontdekken we gaandeweg immers ook bij de broers van Jozef. Het is het verlangen naar leven uit de Thora: dat je weer werkelijk broeders en zusters bent, dat je je naaste recht doet en dat je eerlijk leeft.
Jozef heeft zijn eigen trauma van uitgestoten-zijn. Daarom kan hij zich nog niet toevertrouwen aan zijn broers. Ook hij heeft een weg te gaan, voordat hij zijn ware gezicht durft te laten zien. Maar daarin wil hij godvrezend zijn en toont hij zijn wijsheid (vgl. Spr. 1:7; 9:10).
Het leven is voor de broers een pijnlijk slijpproces. Maar geslepen worden maakt ook dat je kunt gaan glanzen. De zinloosheid wint het niet. Afdalen en weer opklimmen en weer afdalen, ups en downs, dat is de weg van de broers – en van wie niet? Je ware gevoelens onder ogen zien en je verdriet, angst, schuld en wraakgevoelens loslaten, daar gaat het om. Dan kun je je verlangen naar verzoening en een nieuw begin het volle pond geven. Die weg wijst de Thora in dit weerbarstige en ingewikkelde leven. Dan ontdek je het goede te midden van het kwaad en kom je God op het spoor tussen de puinhopen.
Liturgische aanwijzingen
Het verdient aanbeveling om de lezing in drieën te knippen (vs. 1-17, 18-28, 29-38), afgewisseld met een lied. Verzen uit Gezang 478 en 480 (LB) kunnen daarbij een rol spelen of ‘Het lied van Jozef en zijn broeders’ (zie hieronder). Als evangelielezing is Matteüs 5:1-11 geschikt in verband met het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het zuiver van hart willen zijn. De zaligsprekingen horen ook bij de vreugde der wet.
Het lied van Jozef en zijn broeders (bij Gen. 42)
(t. Simon Dingemanse, m. Willem Vogel, Gezang 252 LvdK)
(na vers 1-17:)
Waar is het brood te vinden,
het ware levensbrood?
Dat broeders als beminden,
verwekt uit Jakobs schoot,
elkaar herkennen mogen
als zegen van omhoog,
geen ruggen meer gebogen
maar rechtop oog in oog?
Het brood van overleven
ligt in het lage land.
De diepte is gegeven
bij Jozef, hoog van stand.
Gevangenschap verduren
en argwaan bovendien.
Drie dagen blinde muren,
de broeder ongezien.
(na vers 18-28:)
Al is er veel te dragen
door vijandschap en schuld,
al zijn er grote vragen
en is nog niets onthuld,
toch wil de koning geven
meer dan alleen maar brood.
Hij gunt hen goed te leven
tot eer van Israëls God.
Maar eerst moeten de broeders
allen verzameld zijn,
en voor elkaar de hoeders
en plaatsbekleders zijn.
De jongste zoon moet komen,
ontbreken mag er geen
Zo staat het in zijn dromen:
zij samen, elf plus één.
(na vers 29-38:)
En Jakob ziet zijn zonen,
maar twaalf min twee is tien.
Hoe kan het leven lonen
met zonen ongezien?
Nu wankelt zijn vertrouwen
op toekomst in zijn land.
Hij wil de jongste houden,
zoon van zijn rechterhand.
Waar is het brood te vinden,
het ware levensbrood?
O God, leid uw beminden
naar leven uit de dood.
Dat wij herkennen mogen
uw zegen van omhoog,
geen mensen meer gebogen,
maar in uw Naam verhoogd.