Menu

Premium

Preekschets Genesis 4:9a

Genesis 4:9a

Derde zondag na Pinksteren

Toen vroeg de Heer: ‘Waar is Abel, je broer?’

Schriftlezing: Genesis 4:1-16

Het eigene van de zondag

Het leven van de mens als man en zijn ‘helper die tegenover hem is’, drukt het goede van het niet-alleen-zijn uit. In Genesis 4 gaat het om de ‘mens en zijn broeder’, de naaste. Ook die relatie laat een breuk zien die effect heeft op het leven van de mens voor Gods aangezicht.

Uitleg

Ofschoon Genesis 3 vaak met ‘zondeval’ wordt aangeduid, komen de woorden ‘zonde’ en ‘vallen’ er niet in voor. Zij worden pas hier genoemd, wanneer Kaïns gezicht betrekt als hij meent dat zijn gave niet door de Ene wordt opgemerkt. Letterlijk staat er dat ‘zijn gezicht valt’ om aan te duiden dat Kaïn niet meer naar Abel kijkt, hem niet meer naast zich duldt. Hij verbreekt de communicatie van aangezicht tot aangezicht. Dat wordt in het volgende vers ‘zonde’ genoemd. Daar (vs. 7) zit overigens nog een vertaalkeuze. Of je vertaalt zo, dat de zonde als externe belager (en verleider?) aan de deur ligt. Of je betrekt het ‘aan de deur liggen’ niet op de zonde, maar op Kaïn: ‘Als je niet goed doet lig je aan de deur van de zonde’ (Karel Deurloo). Bij de tweede interpretatie geeft de Ene aan dat als Kaïn niet goed zou handelen, de volgende stap de zonde zou zijn – hoe ga je daar als mens mee om?

Het tweede deel van dit vers hangt ook af van een vertaalkeuze: of je betrekt de begeerte op zonde zodat je vertaalt dat de zonde ‘als een belager aan je deur ligt, zijn hartstocht op jou gericht’. Of je laat deze zin niet op zonde slaan, maar op het thema ‘de mens en zijn broeder’. Dan zou je met Deurloo kunnen vertalen: ‘Op jou (Kaïn) is hij (Abel) gericht en je zult over hem heersen’. De jongste broer is gericht op de oudste, zoals de vrouw het in Genesis 2:16 van haar man moet hebben – ook hier: hoe ga je daar als mens mee om?

Kaïn slaat deze woorden in de wind en trekt met Abel het veld in. Vers 8 lijkt niet af. Reden waarom onder andere de Septuaginta aanvult: ‘Kom, laten we naar het veld gaan.’ De nbg en de nbv volgen de lxx, de nb niet. De beweging van ‘binnen’ (de offerplaats, in die zin het ‘heiligdom’) naar ‘buiten’ (het open veld in) moet voor Kaïn duidelijk maken dat het geloof in de Ene en onze verantwoordelijkheden zich verder uitstrekken dan onze handelingen in het heiligdom. Geloof is niet slechts een zaak tussen God en ziel, maar heeft alles te maken met jouw betrekking tot jouw broeder.

Als Kaïn zijn broer heeft vermoord en God hem tot de orde roept, reageert Kaïn met de bekende uitspraak: ‘Ben ik mijns broeders hoeder?’ Genesis 2:15 klinkt hierin door met hetzelfde werkwoord: ‘hoeden’, ‘bewaren’. Zoals de mens hoeder van de tuin was, zo zou Kaïn hoeder van zijn broeder moeten zijn. Evenals men overigens in het taaleigen van de Thora met hetzelfde werkwoord de geboden bewaart, of de sabbat. In het Nederlands zou ‘in ere houden’ misschien een goede vertaling zijn.

De derde vervloeking na die van de slang en de akker klinkt. Kaïn schrikt daarvan en geeft aan de misdaad/schuld niet te kunnen dragen. Die dubbele connotatie heeft ‘awon. De nbv kiest voor ‘straf, de nb voor ‘misdaad’, terwijl de nbg ze beide probeert te combineren: ‘Mijn misdaad is te groot om de straf te dragen.’ De tekst lijkt een interpretatieverschil weer te geven over wat nu de consequentie is van de daad van Kaïn. Zijn woorden duiden een onvergeeflijke zonde aan waardoor de relatie met de Eeuwige teloorgaat: ‘Voor uw aanschijn verberg ik mij.’ In het antwoord van de Ene blijkt hier echter geen sprake van te zijn. Het zijn Kaïns woorden zich van de Ene af te keren, maar dat is niet in het oordeel inbegrepen. In het vervolg blijkt dat de Ene het heeft over een straf die te dragen is.

Daarom moet het ‘Zo niet’ in vers 15 echt duidelijk klinken (in nbv is dit weggelaten), om de angst van Kaïn weg te nemen. Kaïn staat hier namelijk niet alleen voor de oerangst voor de vicieuze cirkel van geweld, maar des te krachtiger staat hij hier voor de hoop dat het opgeven van geweld mogelijk is. Wat Kaïn heeft gedaan, kan en mag niet eindeloos doorgaan, de ene moord zal de andere niet uitlokken – een krachtig ‘zo niet’ tegen iedere spiraal van geweld. Het ‘Niet moorden zul je’ dat de Ene bij monde van Mozes aan het volk laat weten (Ex. 20:13), klinkt eigenlijk al.

Het teken dat Kaïn krijgt, is dus geen teken van een moordenaar, want Kaïn werd juist – zij het pijnlijk – begenadigd. Helaas is dit in eeuwen kunst- en literatuurgeschiedenis veelvuldig over het hoofd gezien en blijft Kaïn slechts de verpersoonlijking van het morele kwaad.

Aanwijzingen voor de prediking

Het is een uitdaging om de tekst niet klassiek te lezen als oorzaak van de vele ellende. Dan komen we historiserend toch weer uit bij een boze God die ons eens en vooral heeft veroordeeld tot een dolend bestaan, of een schuldige Kaïn die het voor ons allen heeft verbruid. Zo verbeeldt kunstenaar Camille Alaphilippe (1874-1934) het in zijn beeld van een rennende Kaïn zonder hoofd, dat hij ‘Caïn après la mort d’Abel poursuivi par la vengeance céleste’ noemt.

Het is maar de vraag of de tekst het zo bedoelt. Interessanter is het om te zien hoe ook hier verschijnselen uit de alledaagse werkelijkheid op existentieel niveau worden aangewend – even verbijsterend en onthutsend als nuchter en realistisch – als illustratie van de verstoorde relatie tussen de mens en zijn broeder.

Waar maakt Kaïn uit op dat de Ene aan zijn gave geen aandacht schenkt? Kaïns interpretatie is voor ons een gegeven. Daarvan uitgaande is het ons ook vanuit de tekst onbekend waarom de Ene dan wel naar de gave van Abel zou kijken, en niet naar die van Kaïn. Hebreeën 11:4 interpreteert later: ‘In geloof heeft Abel een overvloediger offerande dan Kain gebracht aan God’. Dongen de twee zonen dan naar de gunst van God? Zo interpreteert Elia Kazan het in zijn film East of Eden (1955). Het zou kunnen.

Of wordt hier een mogelijkheid zichtbaar waar we eigenlijk niet aan willen: Gods willekeur? Moderne filosofen als Albert Camus en Rüdiger Safranski zien in Kaïn juist een opstandeling tegen het onrecht en de willekeur van God in deze ellendige en gespleten wereld.

Iets anders wat hier in elk geval zichtbaar wordt, is de typerende voor- keursblik van de Ene: genegen naar de zwakkere, zoals zijn vraag in vers 9. Geen omhoog kringelende rook (die in de tekst nergens voorkomt), maar een naar omlaag dalende blik van de Ene die het verlorene zoekt. Kaïn wordt hierdoor in de medemenselijke relatie tot Abel gezet, maar begrijpt dat niet of wil daar niet aan. Alsof de Ene hem vraagt om ook zijn aangezicht te verheffen naar Abel en hem te zien. Maar dat is juist wat Kaïn niet zal doen.

Nog een ander punt. Kaïn gaat ervan uit dat het met hem afgelopen zal zijn. Hij is niet alleen de moordenaar van zijn broer, maar vreest ook dat zijn woede die van anderen zal oproepen. Te leven met die dreiging is ondraaglijk. Hier staat Kaïn voor de oerangst dat we aan geweld ten onder zullen gaan, dat een misstap onze ondergang zal worden. Het is een angst die ik regelmatig tegenkom wanneer ik hier in Frankrijk Nederlandse gedetineerden bezoek. Is het niet de met die van Kaïn vergelijkbare de angst dat zij op de een of andere manier gewroken zullen worden, dan is het vaak wel de angst dat zij niet meer loskomen van de gevolgen van of de schaamte over hun daad. De angst levenslang een omgekeerd Kaïnsteken met zich mee te dragen: dat van de stigmatisering. Welk perspectief biedt de tekst hun?

Liturgische aanwijzingen

Matteüs 5:21-26 kan erbij gelezen worden met het oog op het opgeven van geweld. Pastoraal werkt dat twee kanten op: de ommekeer die de dader wordt geboden en het perspectief van het einde aan geweld dat het slachtoffer (en de dader) wordt geboden. Als liederen kunnen klinken: T 3 (1, 2, 4 en 6), T 175, Gezang 326 en 29 LvdK.

Geraadpleegde literatuur

THWAT Bd. V, Stuttgart, 1986.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken