Preekschets Handelingen 2:33 – Pinksteren
Handelingen 2:33
Pinksteren
Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest heeft hij op ons doen neerdalen, en dat is wat u ziet en hoort.
Schriftlezing: Handelingen 2:14-40
Het eigene van de zondag
Pinksteren: feest van de Geest, maar dan de Geest van Jezus. Hij confronteert ons met Hem, laat ons kiezen voor de verhoogde Heer.
Uitleg
Bovenstaande tekstwoorden zijn een onderdeel van de toespraak van Petrus op de eerste Pinksterdag. Petrus geeft een toelichting op wat er in Jeruzalem gebeurd is, de uitstorting van de Heilige Geest, en tegelijk wil hij de aanwezige joden ervan overtuigen, dat Jezus hier achter zit. Jezus, die niet dood is, maar leeft bij God. En als inderdaad overtuigend is aangetoond dat Jezus van Nazaret leeft en om zo te zeggen achter deze uitstorting van de Geest zit, dan komt niet alleen zijn dood, maar ook het werk van de Geest in een heel ander licht te staan. Dan is het de wil van God, het plan van God. Dan heeft de Geest alles met Jezus te maken. Dat is voor de toehoorders schokkend (vs. 37: wat moeten we doen?) en voor ons richtinggevend: hoe moeten we over de Geest praten en zijn werk duiden?
De toespraak van Petrus loopt van 2:14-2:36. Het joodse volk wordt aangesproken (in vs. 14 is sprake van. joden en daarnaast andere inwoners van Jeruzalem). Joden, in vers 22 Israëlieten genoemd. Petrus, als woordvoerder van de apostelen, spreekt hen toe met woorden door de Geest ingegeven. Het woord ‘toespreken’ in vers 14 is hetzelfde woord als in 2:4: spreken, zoals door de Geest werd ingegeven.
Petrus is er in zijn toespraak op uit, Jezus van Nazaret neer te zetten. En de mensen voor Hem neer te zetten. In dat kader staat ook de komst van de Heilige Geest. De ‘preek’ op Pinksteren is dus allereerst Christusprediking.
Eerst maakt Petrus duidelijk dat er geen sprake kan zijn van dronkenschap. Ook al is dat verwijt kretologie, toch moet het niet blijven hangen. Er is sprake van vervulling van profetie. Joël 2 wordt geciteerd. God stort zijn Geest uit. Op de dag des Heren (zo Joël), aan het einde der tijden (letterlijk: de laatste dagen), zegt Petrus. Dat is de tijd van dat moment, de tijd van de Christusopenbaring (vgl. Hebr. 1:1). De openstaande belofte van de profetie wordt toegepast op Christus. En nadrukkelijk wordt het als Woord van God gepresenteerd, vers 17. Gods Geest komt op alle geledingen, het gaat gepaard met wonderen en met kosmische tekenen. Dat allemaal als bewijs: wat er nu gebeurt, is de laatste fase. En Petrus zet daarmee de komst van de Geest in het perspectief van Gods grote daden, in het Oude Testament en naar de toekomst toe. Redding is er voor wie de naam van de Heer (kurios = Heer Jezus) aanroept.
Daarom gaat Petrus nu ook verder bij deze Jezus van Nazaret. Hij is door God aangewezen, gelegitimeerd. Ze zijn er zelf getuige van geweest. En toch: gedood. Door mensen (jullie, vs. 23), en tegelijk overeenkomstig Gods bedoeling (vgl. 20:28, waar de dood van Jezus als een offer van God wordt gezien). De betekenis van zijn dood blijft hier verder onbesproken, het gaat hier om de opstanding. God wekt Hem op. Dat betekent: Hij staat achter Hem, Hij doet Jezus recht. De opstanding is zo onderdeel van God heilsplan.
Opnieuw volgt een bijbels bewijs, nu van de opstanding. Psalm 16 is vanouds messiaans uitgelegd, en ook Petrus voegt zich daarbij. David profeteert (vs. 30) en het graf van David is het zichtbare bewijs, dat David niet over zichzelf gesproken kan hebben. De conclusie brengt Petrus zelf onder woorden in vers 31: David heeft de opstanding van de Messias voorzien. Vers 30 is een impliciete verwijzing naar Psalm 132 (zie ook Luc. 1:32), en al deze elementen samen zijn voor Petrus het bewijs: Jezus is de Messias en God heeft zich achter Hem gesteld.
Het is duidelijk dat deze psalmen alleen zo gelezen kunnen worden vanuit de ontmoeting met de Opgestane. Hij moet daarvoor de ogen openen (vgl. Luc. 24:45). In vers 32 wordt de draad van vers 24 weer opgepakt. Jezus moest wel opstaan, zie de Schriften, en wij zijn daarvan getuigen.
Na de opstanding volgt Jezus’ verhoging. Jezus is door Gods rechterhand verhoogd, mogelijk is ook: Hij is verheven en’zit aan Gods rechterhand. Duidelijk is wel: het gaat om een ereplaats, een troon (vs. 30) en om macht. God vertrouwt Jezus de Geest toe, om die uit te storten. Het zegt iets van de verhevenheid, hetzelfde niveau als God zelf (Joël spreekt over God die de Geest geeft, hier is sprake van Jezus. Petrus zet beiden op één lijn). Jezus zet als het ware de laatste dagen in werking. De Geest van Pinksteren, het wonder van de Geest is afkomstig van de verhoogde Jezus.
Haast ten overvloede geeft Petrus het laatste schriftbewijs van Jezus’ verhoging. Vanuit Psalm 110 wordt op dezelfde manier geredeneerd: David kan dit niet van zichzelf gezegd hebben, dus moet het over iemand anders gaan.
Vers 36 is de climax: wat de Schriften zeiden, wat ze van Jezus gezien en gehoord hebben, kan maar tot één conclusie leiden: God heeft Jezus tot Heer en Messias gemaakt. Opstanding, Hemelvaart en uitstorting zijn het bewijs. En die Heer moet je aanroepen, wil er redding zijn (vs. 21).
Aanwijzingen voor de prediking
Wat vier je eigenlijk met Pinksteren? Petrus zet ons op het niveau van Christus. Zijn pinksterpreek is richtinggevend. Pinksteren in het rijtje kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart: feest van Jezus, die in de hemel is.
De Geest, altijd de Geest van Jezus. Nooit los van Hem spreken over de Geest (zie Joh. 16: uit het mijne nemen). Petrus’ preek is richtinggevend: we worden voor Jezus neergezet en moeten op Hem reageren. De vraag van vers 37: wat moeten we doen is goed te vertalen: wat moeten we doen met Jezus? De Geest zet mij voor Hem neer: hoe reageer ik op Hem?
Alleen bij Hem is redding (vs. 21): wat betekent dat?
Probeer in een preek iets van de sfeer en klem neer te zetten: de verpletterende indruk die Petrus maakt, als hij zegt: Jezus is in de hemel, met alle macht, God staat achter Hem; en jullie hebben Hem gedood!
Dan kan Pinksteren, de Geest iets beangstigends krijgen, met daarbij tegelijk de weg van behoud: bekeer je tot Jezus, laatje dopen, dat is de weg.
Want het pinksterverhaal zit vol evangelie. Jezus in de hemel stuurt niet de Geest om te oordelen, maar om te bekeren. Je mag meekijken in de laatste fase van de geschiedenis naar Jezus in de hemel en de Geest die op aarde voorop gaat.
Hij zet mensen in vuur en vlam, aangegrepen door God zelf, vol van God spreken ze over Hem. Net als Jezus op aarde heeft de Geest het beste met mensen voor. Het werk van Jezus zet Hij door. Opnieuw: God met ons.
Het werk van de Geest in mensen is het bewijs: Jezus is Overwinnaar, en wij mogen dankzij de Geest in die overwinning delen. Voor wie de Naam van Jezus aanroepen.
Liturgische aanwijzingen
Lezing: Johannes 16:5-15.
Liederen: Gezang 240; 241; 477.