Menu

Premium

Preekschets Job 2:13

Job 2:13

Achttiende zondag na Pinksteren

En zij zaten bij hem op de grond, zeven dagen en zeven nachten; niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat zijn smart zeer groot was.

Schriftlezing: Job 2

Het eigene van de zondag

Eerste zondag van de herfst. In een aantal gemeenten zal het nieuwe seizoen vandaag met een gemeentezondag en/of de bevestiging van ambtsdragers beginnen. Waar de gemeentezondag als een moment van toerusting met betrekking tot het pastoraat wordt gezien, vormt de tekst van vandaag wellicht toch ook een toepasselijke aanleiding tot bezinning op de betekenis van de gemeente van Christus.

Liturgische aanwijzingen

Mogelijk andere lezingen naast Job: Jakobus 5:7-11; Lucas 4: 42-44. De eerste is een toepasselijke tekst over geduld in het licht van de komst van de Heer. Psalm 1 vertolkt een zwart-wit wijsheid, die hier lijkt te worden aangevochten. In Psalm 23 wordt het Godsvertrouwen vertolkt ondanks de duisternis van een bepaalde levensfase. Lucas 4:42-44 staat in de spanning tussen eenzaamheid en verkondiging, ofwel: contemplatief-actief, als het gaat om Jezus. Liederen: LvdK, Gezang 398.

Geraadpleegde literatuur

G. Fohrer, Das Buch Hiob, Berlijn 1988 (= 1963); S. Schoon, Eerherstel voor Job, Kampen 1995.

Uitleg

In de verzen 1-6 wordt het voorspel van een tweede test beschreven. Parallel aan 1:6-8, wordt in 2: 1-3a opnieuw naar heidense trant een schets gegeven van Gods hofhouding en er blijkt niets veranderd. Na alle ellende die Job is overkomen, kan God nog steeds trots op hem zijn. De satan heeft zijn bizarre ‘weddenschap’ eigenlijk verloren, maar laat zich door God niet afschepen. Het lijkt wel of God er aardigheid in heeft de satan opzettelijk te prikkelen (3b) en er komt een vervolg. Jobs gezondheid wordt nu aangetast, maar niet zijn leven. Het kan vanuit het perspectief van satan niet zo zijn dat Job God liefheeft omwille van God zelf. Zo definieert het verhaal de satan als die stem die het vertrouwen van mensen volkomen verbindt aan rijkdom, familie en gezondheid, terwijl God blijft staan voor de bron van het goede, ook wanneer daar lijden aan verbonden blijkt te zijn (2:10). Rijkdom, familie en gezondheid kun je immers wel verliezen, maar dat verandert niets aan God, wanneer Hij benoemd was als degene die het allemaal schonk. De vrouw van Job illustreert het nuttigheidsdenken. Voor haar is het geloof, nu alles verder verloren is, compleet waardeloos. Voor Job is zijn Godsvertrouwen juist het enige wat hij nog over heeft.

Het contrast wordt in de perikoop 7-10 bewust op de spits gedreven: het is immers niet zomaar iemand, maar de rijkste man ter wereld die opeens in de as op de mestvaalt zit en zich zijn jeukende zweren krabt met een scherf. En in deze spanning klinkt nog steeds dat woord ‘zegenen’. Hier staat het tweemaal in de cynische betekenis van ‘vaarwel zeggen’ in de verzen 5 en 9. Nu staan de coulissen klaar voor de wijsheid, die met opzet zwaar zal worden beproefd. De probleemstelling is duidelijk geschetst. Want er klopt iets niet. Psalm 1:3 en alle bijbelwijsheid in deze trant lijkt onwaar te zijn. Hier gaat een ‘tsaddik’, een rechtvaardige, te gronde. Job was zonder twijfel, op grond van Gods eigen getuigenis, een ‘vroom en oprecht mens, godvrezen en wijkend van kwaad’. (1:8 en 2:3) En zelfs deze mens kunnen weergaloze rampen overkomen. Hoe kan dit?

De diepte van de presentatie ligt in het afzien van al te moralistisch denken. Er wordt gezwegen, verzen 11-13. Geen ‘simpele’ spreukenwijsheid, die hier kan troosten. Dit is fundamentele kritiek op ‘do ut des’, de heidense offerformule, waarbij de heidense offerande als het ware recht gaf op de gunst van de godheid. Wanneer God als de bron van alle leven deze menselijke kwetsbaarheid toelaat, dan wordt daarmee de waarde van een geloofsrelatie met deze God nader bepaald. Het is geen ruilhandel, geen uitwisseling van gunsten, geen verzekeringspremie, waardoor ieder risico, verantwoord of niet, van te voren is afgedekt. Wanneer de Eeuwige God toch God blijft, ook wanneer het leven afbrokkelt en Job moet lijden, dan ligt het geheim van het herstel van de harmonie tussen mens en schepping voor die Job, juist daar in het vernieuwd vertrouwen op die bron van alle leven. Dit is de basis voor de zegen. Dit is de grond voor het vertrouwen. Dat wordt hier niet meteen gezegd, maar juist dit zwijgen is verkondiging.

Aanwijzingen voor de prediking

Het boek Job nodigt uit tot inleving. Door de eeuwen heen hebben mensen telkens op hun eigen wijze gedeeld in de beleving van Job: in diaspora en holocaust, in zegen en vloek. In het Nieuwe Testament wordt Job slechts eenmaal genoemd, dat is in de brief van Jakobus. Daarin wordt de nadruk gelegd op het geduld en de volharding van Job. Zo wordt Job voor de vroege christelijke kerk een voorbeeld dat ze hard nodig hadden toen de wederkomst uitbleef. Christenen waren teleurgesteld toen gelovigen stierven voordat de Heer opnieuw was verschenen. In die tijd was het dat lezingen uit het boek Job een grote rol zijn gaan spelen in vooral de uitvaartliturgie, rond het probleem van de dood. Vertrouwen op wijsheid van God en het leren van geduld door de mensen, dat zijn voor Jakobus de thema’s. Voor latere theologen, zoals Calvijn, wordt het boek Job voortgaand in deze lijn, vooral een voorbeeld van Goddelijke genade, Gods soevereiniteit en de volstrekte voorzienigheid van God en de terechte onderwerping van de mens daaraan. In de tijd van de Verlichting wordt Job daarentegen juist gezien als de rebel, die zich terecht verzet tegen de willekeur van de godenwereld waarmee het boek begint. Voltaire zag Job als de vertegenwoordiger bij uitstek van de menselijke toestand in al z’n misère en uitzichtloze ellende (La condition humaine, zie ook Camus en Kafka). Het existentialisme gaat voort in deze lijn. Voor psychologen in de 20e eeuw stond het rouwproces van Job centraal en ook zijn intense zoeken naar levenswijsheid. Job is gezien als een tegenbeeld van de hemelbestormer Faust, als een zondebok en als een rijke die solidair wordt met de armen. Dit mag duidelijk zijn: met Job ben je niet zomaar klaar. Hij blijft ons vragen stellen en het is alsof het er steeds maar meer worden, hoe dieper wij doordringen in de beleving van Job.

Het vertrouwen dat je leven gezegend is, kan fel worden aangevochten en toch kan het geheel van je leven beleefd worden als een gezegend bestaan. Hier houdt Job aan vast en dat moet je een mens gunnen. De raad van de vrouw van Job is onbarmhartig.Zij verspeelt haar positie als vertrouwenspersoon. Haar fout is niet dat zij boos is op God. Haar eigen onmacht en verdriet mag zij uitroepen. Tragisch is het dat zij in het geheel naar Jobs eigen visie op zijn situatie niet wil luisteren en het bij hem niet uithoudt. Dit is wel begrijpelijk, maar nu is zij voor Job geen gesprekspartner meer. Bijna had zij hem zijn laatste grond voor vertrouwen ontnomen.

Kan dat trouwens eigenlijk wel ‘God vaarwel zeggen’? De satansfiguur meent dat het bestaat. De vrouw meent dat het kan. Maar Job zelf vindt het onzin. Hij ervaart dit als een dwaze reactie, die hem op geen enkele wijze helpt of troost. Als Job dat deed herkende hij zichzelf niet meer. Maar deze laatste vervreemding laat Job tot zijn hart niet toe. Deze Job blijft in al zijn vertwijfeling bij zijn eigen gevoel: ‘zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?’ Zo voelt dat voor hem en op de bodem van dat gevoel ligt zelfs een zekere troost, omdat God tenslotte in zijn wijsheid zal weten wat goed is voor Job. (Vgl. Gezang 398:3)

Het moeilijke voor de vrouw en de vrienden en voor ons allemaal is dat zij en ook wij Job niet echt kunnen helpen. Zij kunnen zijn lijden niet oplossen. Kunnen zij daar mee leven? De vrienden beginnen, denk ik, niet slecht. Zij gaan bij Job zitten, zonder iets te zeggen. Maar de wijsheid aan hen toegedicht zal uiteindelijk niet helpen. Zij zullen vastlopen in hun eigen redeneringen. Hun verklaringen, hun voortdurende pogingen om aan uiterlijke tekenen de zegen af te lezen, loopt uit op vervreemding en isolement. Rationalisering van het lijden is geen pastoraat.

Een eenzame plaats, zeven dagen zwijgen, eenzaamheid, vrienden die wel komen, maar zwijgen. Is dit zwak en beschamend of juist heel sterk en een voorbeeld voor het pastoraat? Lijden is dan het moment van waarheid omdat de liefde boven komt, juist in het niet oordelen. De dood maakt eerlijk. Over het zwijgen der vrienden wordt heel verschillend geoordeeld. Fohrer waardeert het zwijgen der vrienden negatief. Hij ziet het als een nieuwe niet te verdragen pijn. Schoon daarentegen waardeert de aanvankelijke terughoudendheid in het spreken der vrienden juist positief. Beide visies mogen klinken wanneer wij op zoek zijn naar eerlijke vormen van nabijheid.

Job en zijn vrienden is geen standaardmodel, bruikbaar in iedere pastorale situatie. Dit is ook geen voorbeeld in de zin van: iedereen moet zoiets meemaken om bij God te komen. Het kan wel een reële beleving zijn van mensen die lijden. Er is sprake van een ervaring die een plaats moet hebben. Naar elkaar blijven luisteren is belangrijker dan kunnen uitleggen hoe het komt. Het is goed om te bedenken, dat juist van Jezus wordt verteld dat hij temidden van al zijn contacten als de grote verkondiger van het Koninkrijk van God niet kon zonder de eenzaamheid. Juist in dat alleen zijn voor het aangezicht van God, groeide zijn kracht en vanuit die krachtbron hield de Heer het uit toen lijden op zijn weg kwam.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken