Menu

Premium

Preekschets Jozua 23:11

Jozua 23:11

Negende zondag na Epifanie

Daarom is het voor u van levensbelang hem lief te hebben.

Jozua 23:7-13 (14)

Uitleg

Vers 7-8. De overgebleven vreemde volkeren in het boek Jozua zijn een werkelijk raadsel, want hoewel aan de ene kant steeds wordt benadrukt dat het hele land veroverd is en alle volkeren ofwel verdreven ofwel verbannen zijn, blijft er ook sprake van volkeren die nog in het land zijn overgebleven. Deze ‘vreemde volkeren’ vormen een groot gevaar voor Israël, niet zozeer vanwege hun militaire macht, maar veeleer door de mogelijkheid van verleiding tot afgoderij. Het is dit gevaar waartegen steeds wordt gewaarschuwd en dat ook de achterliggende reden vormt voor de opdracht tot verdrijving, vermijding en zelfs vernietiging van deze volkeren. De verzen 7 en 8 benadrukken het gevaar opnieuw door enerzijds afgoderij te verbieden (vs. 7) en anderzijds het volgen van de Heerte beklemtonen (vs. 8). Dit laatste wordt uitgedrukt door een werkwoord dat letterlijk vertaald iets als ‘plakken, kleven’ zou betekenen, waardoor een zeer plastisch beeld ontstaat. Het is meer dan het volgen van de Heer, het is Hem aanhangen, zo dichtbij dat het bijna tastbaar is. De frase ‘zoals u dat tot nu toe hebt gedaan’ vormt een brug naar vers 910.

Vers 9-10. Deze verzen spelen in op de opdracht van vers 8 door uit te drukken hoe groot de macht van de Heer is en hoeveel het volk aan Hem te danken heeft. Aan het einde van het verhaal van de verovering van het land wordt fijntjes opgemerkt dat het niet (de macht van) het volk zelf was waaraan die verovering te danken is. Het is de Heer die volkeren verdreef. Het beeld van de macht van de Heer wordt nog versterkt door woorden als ‘groot en machtig’ en formuleringen als ‘geen vijand kon standhouden’. In vers 10 wordt de tegenstelling tussen Israël en de vijanden nog grootser voorgesteld: ‘Een van u achtervolgde wel duizend man.’ Daar komt dan echter ook meteen de aap uit de mouw: ‘Het was de Heer zelf die voor u streed.’ Ook wordt duidelijk waarom de Heer dat deed: Hij kwam zijn belofte na. Zo zijn de rollen duidelijk: de Heer is machtig en heeft grootse daden verricht voor Israël omdat Hij dat beloofd had. Israël staat geheel en al aan de ontvangende kant. De opbouw van de verzen versterkt dit beeld.

Vers 11 grijpt deze zorgvuldig opgebouwde verhouding tussen de Heer en het volk aan om het grote punt van deze afscheidsrede te benadrukken: het liefhebben van de Heer. Was de oproep van vers 8 al indringend geformuleerd, vers 11 zet nog veel heftiger in. In plaats van ‘aanhangen, kleven’ wordt gesproken over ‘liefhebben’ en dat brengt een notie van (sociale) ongelijkheid met zich mee (E. vanWolde). Hierdoor wordt de ondergeschikte positie van het volk ten opzichte van de Heerbenadrukt. Het gebruik van het woord voor ‘ziel’ in hetzelfde vers roept een echo van Deuteronomium 6:5 (het grote gebod God lief te hebben) op.

Vers 12-13. Deze verzen maken duidelijk waarom Jozua zo hamert op dit gebod. Het bevriend raken van het volk met de overgebleven volkeren zal uiteindelijk leiden tot het verlies van het zojuist veroverde land. Hier wordt niet gesproken over het dienen van de goden van de overgebleven volkeren, maar het sluiten van huwelijken met die volkeren hangt daar nauw mee samen (Deut. 7:2-5 en Ezra 9 en 10). Het sluiten van huwelijken met mensen die andere goden dienen, verleidt tot afgoderij en de kinderen uit dergelijke huwelijken (zouden kunnen) worden opgevoed met de taal en de goden van een ander volk.

Zoals verzen de 9-10 zojuist benadrukt hebben, bestaat Israël slechts bij de gratie van de macht van de Heer in het land. Als ze de volkeren volgen in het dienen van andere goden zullen ze het land verliezen, omdat de Heer dan niet langer voor hen zal strijden. Zo worden de volkeren voorgesteld als een heimelijke valstrik. Een huwelijk met een van hen lijkt mooi en onschuldig, maar geleidelijk, onbewust glijdt het volk zo af. En met het land verliest het volk tegelijkertijd zijn identiteit als godsvolk. Het land is immers de plek om te kunnen leven naar Gods geboden.

Vers 14. Dat Jozua hier herhaalt dat hij zich aan het eind van zijn leven bevindt, geeft aan hoe prangend zijn boodschap is: hij zal haar niet nog een keer kunnen herhalen. Het is dus van het grootste belang dat het volk nu luistert. Tegelijkertijd wijst de hoge leeftijd van Jozua op zijn autoriteit op dit gebied.

Aanwijzingen voor de prediking

Jozua 23 grijpt eigenlijk voor een groot deel terug op Jozua 1, op de tekst van vorige week. Waar die tekst echter voorafging aan de vervulling van de belofte en een sterk bemoedigend karakter had, bevestigt de tekst in Jozua 23 die vervulling en geeft een sterk waarschuwende signaal af. Dit waarschuwend karakter mag een grote plaats krijgen in de prediking. Het verdient aanbeveling om de uitleg met betrekking tot de ‘vreemde volkeren’ eenvoudig en zorgvuldig te formuleren. In de huidige tijd wordt dit snel misverstaan en het kan erg gevoelig liggen. Het gaat hier om de verleiding van afgodendienst en dat kan in onze tijd breed worden opgevat. Commercie en kredietcrisis, moderne media, rages et cetera zijn moderne afgoden die erg verleidelijk zijn en niet alleen voor de jongeren onder ons. De ‘vreemde volkeren’ van Jozua 23 zijn ook de ‘foute vrienden’ die de nachtmerrie voor alle ouders van pubers zijn en zo zijn er ook voor volwassenen nog legio voorbeelden te noemen. Alle slimme verkooptrucs, alle groepsdruk, alle schoonheden, het zijn allemaal voorbeelden van zaken die mensen van nu verleiden om niet langer na te denken bij de keuzes die ze maken, de meningen die ze napraten, de theorieën die ze aanhangen. Jozua 23 is een felle waarschuwing aan het volk om datgene wat hen maakt tot het godsvolk dat ze zijn (het land), vooral niet gemakzuchtig kwijt te raken. Vertaald naar het heden waarschuwt het de mensen om vooral datgene wat hen maakt tot wat ze zijn niet te verwaarlozen: het aandachtig en bewust leven, het (be)zoeken van plaatsen waar ze als mens tot hun recht komen (vermaningen, kerken, gemeenschappen). Het is een oproep om vooral het kostbaarste wat we bezitten niet kwijt te raken: onszelf als mens-met-God. Teruggrijpend op de eerdere twee zondagen kan de oproep om toch vooral God lief te hebben ook worden uitgewerkt als een ultieme oproep om aandachtig te leven volgens Gods gebod in het spanningsveld tussen deze wereld en de belofte van het komende rijk. Waarom zouden we God liefhebben (in parafrase op zondag 20 februari)? Omdat het ons brengt bij wie wij kunnen zijn: mensen die leven met God.

Liturgische aanwijzingen

Het is de overweging waard om het hele hoofdstuk Jozua 23 als lezing op te nemen. In het eerste deel van de rede (vs. 3-6) wordt namelijk voor een deel teruggegrepen op Jozua 1:1-9, waarbij de taak die Jozua eerder werd opgelegd als (deels) uitgevoerd wordt beschreven. Dit eerste deel sluit af met een formule die we in Jozua 1:1-9 al eerder tegenkwamen: ‘Wees zeer standvastig met betrekking tot de voorschriften van Mozes.’ Dit kan een brug vormen tussen de vorige zondag en deze.

De bundel Zingenderwijs biedt opnieuw een aantal goed te zingen toepasselijke liederen, bijvoorbeeld 122, 156 en 160.

Geraadpleegde literatuur

W.K. van der Molen, ‘“Ik nu ben oud en hoogbejaard…” Over het afscheid van een gouden tijdperk en de smalle weg van een klein godsvolk’, in: L. Brussee-van der Zee, A. Verbeek, P. Visser en R. Winsemius (red.), Balanceren op de smalle weg. Liber Amicorum voor Kees van Duin, Alle Hoekema en Sjouke Voolstra, Zoetermeer 2002, 59-74; E. van Wolde, ‘Cultuurgebonden expressies van emoties’, in: Schrift 240 (december 2008),183-186; F.E. Greenspahn, ‘Syncretism and Idolatry in the Bible’, in: VT 54/4 (2004), 480-494; L.D. Hawk, Every Promise Fulfilled; Contesting Plots in Joshua, Louisville KY 1991, 71-72; L.D. Hawk, ‘The problem with pagans’, in: Reading Bibles, Writing Bodies, Londen 1997, 153-163; G.N. Knoppers, ‘Intermarriage, Social Complexity and Ethnic Diversity in the Genealogy of Judah’, in: JBL 120/1 (2001), 15-30; M.C. Lind, YAHWEH is a Warrior: The Theology of Warfare in Ancient Israel, Scottdale PA 1980; G. Schmitt, Du sollst kein Frieden schliessen mit dem Bewohnern des Landes: die Weisungen gegen die Kanaänaer in Israels Geschichte und Geschichtsschreibung, Stuttgart 1970.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken