Preekschets Klaagliederen 3:18 – Goede Vrijdag
Klaagliederen 3:18
Goede Vrijdag
Steeds denk ik:
Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de heer.
Schriftlezing: Klaagliederen 3:18
Het eigene van de dag
Goede Vrijdag is een dag van weinig woorden. Hier past zwijgen. Ook in de eredienst spreekt men anders dan gewoonlijk. De accenten liggen anders dan men gewend is. De gebeden staan centraal; de lezingen nodigen – meer dan anders – uit tot inkeer en bezinning. De dienst op de vooravond van Stille Zaterdag het dan ook heel goed stellen zonder prediking. De aanspraak van de gemeente geschiedt nu meer vanuit de dienst der gebeden, zeker wanneer deze wordt gevolgd door het zogeheten Beklag Gods, de klassieke litanie gebaseerd op Micha 6:3-4, waarin God zich beklaagt over zijn volk dat Hem in de steek heeft gelaten.
Het is gebruikelijk om op deze avond de Passie te lezen, meestal uit het Evangelie naar Matteüs of Johannes. Daarnaast ook een tekst uit het Oude Testament klinken en als basis dienen voor de verkondigig of wellicht eerder een korte, inleidende overweging. Te denken valt aan Psalm 22, maar ook aan Klaagliederen 3:1-39, een individuele klaagzang verwant aan de profetie van Jeremia, die op deze avond stem geeft aan het lijden van de Christus.
Uitleg
Klaagliederen 3 is een alfabetisch gedicht in de ik-vorm (‘ik’ is het eerste woord in 3:1) met de volgende structuur: aaa, bbb, …, yyy, zzz. Alleen al door deze vorm is het duidelijk dat hier niet over het lijden wordt gesproken in de vorm van een beschouwing of verhandeling, maar dat er een persoonlijke klacht klinkt, die geen afstandelijke reactie verdraagt. Het eerste deel van de perikoop (3:1-18) gaat de aandachtige hoorder door merg en been, vooral wanneer men beseft dat de tegenstander onder wiens handelen de ik-persoon zegt te lijden, God zelf is. Hij maakt het onmogelijk voor hem om te leven (3:4-6). ‘Zo ligt de gevangene levend in een graftombe’ (Van Selms, 129). De opmerking in Klaagliederen 3:15 dat ‘Hij mij met bittere kruiden verzadigt’ doet denken aan Exodus 12:8, alleen wordt daar verteld dat God wanneer Hij in de nacht der bevrijding rondgaat in Egypte de kinderen van Israël spaart, iets wat hier niet aan de orde lijkt te zijn.
Dat het werkelijk God is met wie de ‘ik’ uit het klaaglied te maken heeft, wordt trouwens pas duidelijk in 3:18, waar voor het eerst de godsnaam Jhwh klinkt. Als een soort conclusie uit het voorafgaande wordt gezegd: ‘Vervlogen is mijn hoop op de Heer.’
Deze uitspraak is tegelijk de grote wending in het verhaal. De volgende strofen laten op verschillende wijze zien dat het weliswaar zo kan zijn dat de hoop is vervlogen, maar dat de ‘ik’ zich onmogelijk kan voorstellen dat God zich werkelijk heeft gedistantieerd van de zijnen, dat Hij zijn verbond zou hebben opgegeven. Zijn hoop mag dan vervlogen zijn, desondanks roept hij op om te gedenken (3:19-21). Sterker nog, hij weet zeker dat het de trouw van de Heer is die ervoor gezorgd heeft dat ‘wij’ (3:22, meervoud!) niet zijn omgekomen (3:22-24). Zowel de eerste als de laatste strofe (3:19-21, resp. 3:22-24) eindigt met de uitspraak dat de ‘ik’ zal hopen (jchl, hif). De uitspraak uit 3:18 lokt dus een reactie uit. Niet dat de omstandigheden opeens veranderd zijn, maar midden in de ellende weet de ‘ik’ juist van wie hij iets te verwachten heeft, op wie hij hoop vestigen. Nog één keer klinkt het woord, in de volgende strofe: ‘Goed is het geduldig te hopen op de heer die redding brengt’ (3:26; jAchil, hapax legomenon). Als een nieuwe, bijgestelde conclusie, luidt de uitspraak in 3:29: ‘Misschien is er hoop…’ (tiqwAh).
Uit de laatste drie strofen tezamen (3:31-39) blijkt dat de ‘ik’ in ieder geval één ding zeker weet, en dat is dat God niet uit is op de ellende die de zijnen overkomt. Integendeel, Hij staat juist aan de kant van degenen die het slachtoffer zijn, de ‘gevangenen der aarde’ (3:34). Als een mens wil klagen, moet hij dan ook vooral klagen over zijn eigen zonden, want die brengen hem in beklagenswaardige omstandigheden (3:37-39).
Aanwijzingen voor de prediking
De ‘ik’ uit het klaaglied valt op Goede Vrijdag samen met de lijdende Christus. De tekst van Klaagliederen 3 reikt ons de woorden aan om de hoop en wanhoop waarin Hij verkeert, de aanvechting die Hij doormaakt in een context te plaatsen. Onze gedachten worden zo niet in abstracte bepaald bij ‘het lijden van Jezus’, maar bij de klacht van deze zoon van Israël, die trouw wil blijven, maar moet ervaren dat Hij juist als zodanig het slachtoffer wordt van het onrecht dat heerst in onze wereld.
Wanneer men in de dienst ook het Beklag Gods met de ‘goddelijke verwijten’ laat klinken, kan vanuit de lezing van Klaagliederen 3 een verband hiermee worden gelegd. Het zijn immers de zonden van de mens die hem reden tot klagen geven. We zijn geneigd God voor alles verantwoordelijk te houden en denken Hem daar ook mee te eren, maar het bijzondere van de bijbelse verkondiging is dat God óns ter verantwoording roept, niet omdat Hij erop uit is ons te beschuldigen, maar omdat Hij vanuit verbondenheid ons juist als verantwoordelijke mensen wil benaderen. Niet alleen als het goed gaat, maar ook wanneer het fout loopt. Daarom vraagt Hij ons waar we waren, toen we er hadden moeten zijn.
Liturgische aanwijzingen
Over het Beklag Gods schrijft het Dienstboek in een toelichting: ‘Met het Beklag Gods gaat de christelijke gemeente niet staan aan de zijde van de Heer, om zich op te stellen tegen de Joden. Veeleer schaart zij zich naast hen, in verootmoediging en schuldbelijdenis voor het aangezicht van de Heer’ (DB I, 919). Desalniettemin kiest het Dienstboek voor de klassieke verwoording van het Beklag Gods (DB I, 128-130), terwijl die in de geschiedenis toch aanleiding is geweest tot anti-judaïstische gevoelens en gedragingen. Men doet er beter aan alternatieve teksten te kiezen. In Kruismeditatie en Beklag Gods (53-60) worden tekstbewerkingen geboden van de hand van Huub Oosterhuis, Maria de Groot, Niek Schuman en Wim van der Zee.
De voorbeden op Goede Vrijdag kennen een klassiek patroon van negen beden, waaronder een voorbede voor Israël; zie DB I, 122-127. Zie voor alternatieve verwoordingen: De adem van het jaar Mededelingen Prof. Dr. G. van der Leeuw-stichting, 48, Amsterdam, 1975,102-105; Willem Bamard, Uit ademnood: Gebeden voor de dienst van Schrift en Tafel, Zoetermeer 19932, 107-111.
Wat de liederen betreft men naast LvdK (174-195), ZG I (40-52) en Tt (152, 155 en 156) ook gebruiken: ‘Schuldig staan wij voor U, Heer’ (ZG III, 36) en – wanneer een cantorij meewerkt aan de dienst – ‘Zie de aarde woest en leeg’ (ZG VI, 68), een lied bij Jeremia. Voor de aanvang van de dienst is geschikt: ‘Ik sta voor U in leegte en gemis’ (Tt, 205); bij de lezing van de passie uit het Evangelie: ‘Zie de mens’ (ZG VIII, 12); ter afsluiting van de dienst: ‘O Heer, verberg U niet voor mij’ (Gez. 395).
Geraadpleegde literatuur
J. Renkema, ‘Misschien is er hoop…’: De theologische vooronderstellingen van het boek Klaagliederen (proefschrift Theologische Hogeschool Kampen), Franeker 1983; A. van Selms, Jeremia III en Klaagliederen (POT), Nijkerk 1974; H. Uytenbogaardt, W. Kloppenburg e.a., Kruismeditatie en Beklag Gods in liturgie en leerhuis (Werkboekjes voor de eredienst, nr. 15), Zoetermeer 1999.