Menu

Premium

Preekschets Lucas 7:32

Lucas 7:32

Zeventiende zondag na Pinksteren

Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet treuren.

Schriftlezing: Lucas 7:31-35

Het eigene van de zondag

Een zondag aan het begin van het kerkelijk seizoen. Een periode waarin veel gemeenten een startzondag/-weekend hebben gepland. Dit schriftgedeelte, waarin wordt opgeroepen om vooral samen gemeente te zijn, kan daarbij prima van dienst zijn. Ook het pleidooi voor verbeeldingskracht, wat kan leiden tot meer spel in de liturgie, lijkt mij een aardige insteek voor een nieuw kerkelijk seizoen. Zelf heb ik deze tekst gelezen in een dienst voorafgaand aan de start van een musicalproject binnen de gemeente.

Uitleg

Evenals in de voorafgaande gedeeltes vinden we ook deze perikoop alleen terug bij Matteüs (11:16-19). Opnieuw wordt ingegaan op de relatie Johannes de Doper – Jezus (vgl. 24-30), maar de horizon wordt verbreed. Hoe heeft de omgeving op beiden gereageerd? De aansluitende gelijkenis (36-50), waarmee de houding van de joodse leiders gelaakt wordt, vormt een illustratie van deze verzen.

Vers 31. Het lijkt hier alsof we Jezus hardop horen denken: hoe kan Ik mijn omstanders het best duidelijk maken wat Ik wil zeggen? Welk beeld kan daarbij helpen? Het oun (dan) benadrukt de verbinding met de verzen 29-30.

Vers 32. Jezus kiest het beeld van spelende kinderen. Zij spelen een vrolijk lied op de fluit, maar er wordt niet meegedanst. Zij willen begrafenisje spelen, maar er vormt zich onder de andere kinderen geen stoet van klagende rouwdragers. Opvallend is dat de kinderen zitten en niet lopen of rennen. Dit zitten bevestigt het inactieve gedrag van kinderen, wanneer zij willen dat anderen doen wat zij wensen en wanneer zij zich niet naar anderen richten.

Deze vergelijking roept meteen de vraag op wie de ‘we’ zijn. Zijn dat Johannes (die een klaaglied zong) en Jezus (die fluit speelde)? En zijn de ‘jullie’ die niet meedoen ‘de mensen van deze generatie’? Dat is niet duidelijk. Wel geeft vers 30 aan dat de scheidslijn tussen de groepen getrokken moet worden tussen enerzijds de Farizeeën en de wetgeleerden en anderzijds Johannes de Doper, Jezus en allen die hulde brachten aan God en zijn gerechtigheid. Maar wie neemt nu het voortouw en wie doet er niet mee? Bij eerste lezing lijken de geestelijke leiders van Israël initiatiefnemer en Johannes en Jezus spelbreker, toch suggereert het vervolg (vs. 33, 34), dat Johannes en Jezus door hun boeteprediking/genadeverkondiging met een voorstel kwamen.

Zelf waag ik te veronderstellen, dat deze onduidelijkheid in rolverdeling opzettelijk is en haar boodschap juist schuilgaat in de verwisseling. De elite van Israël bepaalde met welke onderwerpen men zich had bezig te houden; welke spelletjes er gespeeld werden. Zij waren de trendsetters van die tijd en domineerden het geestelijke klimaat; naar wiens pijpen dans jij en met welke grafstemming ga jij mee? En dat terwijl in de dagen van Jezus het leven vol spelletjes was; de ene geestelijke stroming vol verwachting (bruiloftje spelen), de ander wachtend op het naderende wereldeinde (begrafenisje spelen). Maar zowel Johannes als Jezus sloot zich niet aan bij bestaande bewegingen en bleef als spelbreker aan de kant staan.

Vers 33. De informatie uit de evangeliën over het voedsel van Johannes de Doper geeft aan dat dit bijzonder was (vgl. Mar. 1:6; Luc. 1:15) en overeenkwam met het nazireaat. De ‘mensen van deze generatie’ gaan ervan uit, dat zo’n rigide levenswijze alleen kan worden veroorzaakt door een demonische bezetenheid.

Vers 34. Jezus haalt termen aan waarmee mensen hem aanduiden zonder ze tegen te spreken: ‘een veelvraat en een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars’. Hoewel vertrouwen en feestvieren inclusief wijn symbolisch zijn voor de Messias, levert dit gedrag Jezus het verwijt op, dat Hij te nonchalant leeft (vgl. Deut. 21:20). De ironie van deze kritiek ten aanzien van Johannes en Jezus is, dat deze zich toespitst op gedrag dat juist getuigt van trouw aan hun levensprogramma.

Met die levenshouding treedt een wisseling van beeld in. Nu nodigen Johannes de Doper en Jezus als het ware uit voor hun spelletje. De strenge boeteprediker Johannes vraagt mee te doen in zijn begrafenisstemming en de uitnodigende Jezus in zijn feeststemming.

Vers 35. Met een aforisme sluit Jezus dit lange (vs. 18-35) gedeelte af: ‘En toch is de Wijsheid door al haar kinderen in het gelijk gesteld.’ Zowel Johannes de Doper als Jezus zijn als dwaas bestempeld. Hun samengaan was dwaasheid in het kwadraat. Een extreme vorm van pessimisme en een al even extreme hoop lijken onverenigbaar. Toch is die dubbele wijsheid de wijsheid van God, wat te zien is aan de kinderen die uit dit huwelijk geboren zijn.

De wijsheid wordt hier gepersonifieerd (vgl. Spr. 8:l-9:6), waarbij de verzen 29 en 35 zich chiastisch verhouden (alle mensen?al haar kinderen; God en zijn gerechtigheid/de Wijsheid die in het gelijk gesteld wordt; edikaiotè). Deze wijsheid is niet onafhankelijk van God verkrijgbaar (vgl. vs. 29). Matteüs zegt in de vergelijkbare perikoop, dat ‘de wijsheid gerechtvaardigd is door haar werken’ (Mat. 11:19; m.a.w. aan de vruchten kent men de boom), terwijl Lucas hier stelt, dat ‘het gelijk van Gods wijsheid bewezen wordt door al haar kinderen die meespelen’. Dit spel wordt ook gespeeld in de liturgie, waarin eerst boete gedaan en gedoopt wordt (begrafenisje spelen), om vervolgens bij Jezus genezing en vergeving te ontvangen (bruiloftje spelen).

Dit slotvers impliceert de vraag van Johannes (vs. 19). En zoals de zaligspreking (vs. 23) die vraag omsloot, zo lopen de woorden tot de menigte hier uit op de conclusie: allen die Jezus aanvaarden brengen hulde aan God en zijn gerechtigheid (vgl. vs. 29).

Aanwijzingen voor de prediking

  • Jezus vergelijkt zijn tijdgenoten met kinderen die spelletjes doen en daar onenigheid over krijgen. Een herkenbaar beeld, ook in het tijdperk van de Playstation, al is het maar omdat het gevolg is, dat er niet samen gespeeld wordt.

  • Even treffend wordt het als dit beeld vergeleken wordt met een samenleving als de onze. Een wereld waarin zowel mensen die rouwen als zij die zeer uitgelaten zijn vaak te horen krijgen, dat zij maar weer ‘gewoon’ moeten doen. Een reactie die vele mensen tot eenzaamheid drijft, vanwege het niet kunnen cq. mogen delen van gevoelens en gedachten.

  • Wellicht dat ook Jezus dat ervaren heeft in de omgang met zijn tijdgenoten. Eerst vonden zij de boodschap van Johannes te negatief, omdat deze te zeer het oordeel verkondigde, nu is Jezus gekomen met een boodschap vol blijdschap en aanvaarding, en dat is weer niet vroom genoeg. Kennelijk zoeken zij een (veilige) middenweg tussen de Scylla van het doemdenken en de Charybdis van het optimisme. Dat leidt tot het verwijt van Jezus, dat zij wel blijven zitten waar ze zitten, horen wat ze willen horen en van God verwachten dat Hij in stand houdt wat zij gewoon vinden. Een houding die ook God tot een vorm van eenzaamheid brengt en in Jezus vaak zichtbaar wordt wanneer zijn gehoor Hem verkeerd verstaat.

  • Opvallend is dat Jezus voor die ingrijpende gedachte het beeld van kinderspel gebruikt. Met spel (en zeker kinderspel) drukken wij immers uit, dat iets niet veel voorstelt. Tegelijk is spel wel een leerschool voor het leven hoe je dingen samen met anderen kunt doen. Het is leren omgaan met regels, met afspraken, met vrijheid, maar ook met verbeeldingskracht. Kinderen hebben van nature verbeeldingskracht, maar in de loop van hun ontwikkeling wordt die (helaas) vaak gebroken. En dat terwijl het heilige spel van de liturgie eigenlijk gestoeld is op verbeeldingskracht.

  • Om dat spel te kunnen spelen hebben we, net als de kinderen op het marktplein, wel medespelers nodig, ook als deze misschien wel andere voorkeuren of verlangens hebben. Dan kun je gaan mokken: ‘Er is niemand die met me wil spelen’ of je kunt de oplossing kiezen die voor de hand ligt: opstaan en met anderen gaan meedoen. Die laatste weg is de weg die ook God gekozen heeft. Jezus is daarvan het levende teken, om ook ons de sleutel te geven voor goed samenleven.

  • In een veelkleurige samenleving als de onze doen we dat niet door één groep kinderen op de markt van het leven te laten bepalen welk spel er gespeeld moet worden. Dat doen we door de verbeeldingskracht weer toe te laten in ons leven; het spel van de liturgie te spelen. Maar ook door een dubbele prediking, die dwarsligt en bemoedigt, die inspireert en spelbreker is, die ons brengt tot een zondebesef en getuigt van het omzien van God. Alleen zo wordt de Wijsheid door al haar kinderen in het gelijk gesteld en zijn wij in staat ‘met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte te begrijpen, ja de liefde van Christus te kennen die alle kennis te boven gaat; opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid’ (Ef. 3:18, 19).

Liturgische aanwijzingen

Als eerste lezing valt te denken aan Spreuken 8:1-11 en als epistellezing wordt Efeziërs 3:14-21 aanbevolen. Diverse kinderliederen over ‘spel’ zijn bijzonder geschikt, met name Awn 11,15. Verder valt te denken aan Gezang 67; 95; 157:6 en 476.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken