Preekschets Lucas 7:48
Lucas 7:48
Achttiende zondag na Pinksteren
Uw zonden zijn u vergeven.
Schriftlezing: Lucas 7:36-50
Het eigene van de zondag
Aan het einde van de septembermaand zullen de meeste startactiviteiten achter de rug zijn. De cyclus van vier diensten rond de vraag wie Jezus is bereikt deze zondag zijn climax. Alle themata van de vorige drie zondagen keren nogmaals terug, uitmondend in de wijze waarop het geloof in Jezus zich uit: het betonen van liefde.
Uitleg
Zonder dat sprake is van een temporele overgang, belanden we van een toespraak tot het volk bij een Farizeeër aan tafel. Wat volgt is een illustratie van de verzen 31-34 (onwilligheid/gewilligheid om mee te spelen), waarbij de maaltijd slechts een enscenering vormt. Centraal staat de ontmoeting van Jezus met de vrouw, die bij Lucas zondares heet, terwijl zij in de parallelle passages (Mat. 26:6-13 en Mar. 14:3-9) wel eenzelfde handeling verricht, maar niet als zodanig bestempeld wordt. Verdere verschillen tussen deze perikoop en dit verhaal bij de andere evangelisten zijn: de locatie (Galilea resp. Betanië), het tijdstip (vóór de laatste reis naar Jeruzalem/zes dagen voor het laatste Pascha), de beschrijving van de liefdesdaad (het wel/niet melding maken van overvloedige tranen en het kussen van voeten), de reactie (van Simon/Judas en de andere leerlingen), de thematiek (vergeving/heenwijzing naar de naderende begrafenis), als ook de Farizeeër als spiegelfiguur.
Een Farizeeër nodigt Jezus uit voor een maaltijd. Schijnbaar omdat hij hoopt na het tafelgesprek Jezus te kunnen plaatsen: is Hij de profeet, een profeet, of minder dan dat (vs. 39)? Een indirect antwoord volgt, zij het anders dan hij zich had voorgesteld (vs. 50). Jezus kent geen aarzeling de tafelgemeenschap met de Farizeeër te delen, aanvaardt diens uitnodiging en gaat op de gebruikelijke wijze aanliggen aan tafel. Maar hoezeer een uitnodiging ook van gastvrijheid getuigt, de ontvangst is niet bijster warm; de gastheer heeft zich bij het binnenkomen van zijn gast niet optimaal van zijn plichten gekweten: geen water om de voeten te wassen, geen welkomstkus, geen opfrissende zalf voor het hoofd.
Dan komt een vrouw het huis binnen, die bekendstond als zondares. De reden wordt niet vermeld, maar ook Jezus weet dat zij een verleden heeft (vs. 47). Kennelijk heeft ze Jezus’ prediking en daden gevolgd en wil zij haar dankbaarheid uiten voor wie Hij voor haar wilde zijn (vgl. vs. 34). Huilend werpt de vrouw zich aan Jezus’ voeten, wrijft ze droog met haar losgemaakte haar, kust ze en zalft ze met geurige olie, haar kostbaarste bezit. Een gebaar even spontaan als onfatsoenlijk (een vrouw die zich opdringt), maar bovenal een uiting van eerbied en hulde; zij blijkt zich bewust van de grote afstand die tussen haar en Jezus bestaat en heeft vol berouw weet van het feit, dat zij leeft uit vergeving, die Jezus pas daarna expliciet aan haar verleent.
De Farizeeër reageert zwijgend, hoewel in zijn geheime gedachten de vraag naar Jezus’ identiteit wel beantwoord wordt, zij het negatief: nu blijkt dat Jezus geen profeet is, laat staan meer dan dat, anders had Hij wel geweten wie deze vrouw is. Door zijn zelfgenoegzame houding raakt het gebaar van de vrouw hem niet en doordat hij haar slechts op haar verleden beoordeelt, behoudt zij voor hem het stempel van zondares.
Vervolgens krijgt het verhaal een merkwaardige wending; hoewel de vrouw alle aandacht opeist, richt Jezus zich allereerst tot de Farizeeër. Die was aanvankelijk naamloos, maar Jezus spreekt hem aan bij zijn naam en antwoordt (apokritheis) op wat de Farizeeër bij zichzelf had gezegd. Zo blijkt het vermoede niet-weten van Jezus op tweevoudige wijze een maximaal weten te zijn: Jezus kent zelfs gedachten en omdat Hij weet wie deze vrouw is, laat Hij haar begaan en zet Hij de Farizeeër, Simon geheten, op zijn plek.
Dat laatste doet Hij met een korte en duidelijke gelijkenis, waarin een schuldeiser twee mensen die bij hem in het krijt stonden (de één voor vijfhonderd, de ander voor vijftig schellingen) beiden de schuld kwijtscheldt. Over het hoe, wat en waarom wordt niets verteld, wel volgt onmiddellijk daarop de vraag van Jezus: wie van de twee zal hem de meeste liefde betonen? De nadruk valt op liefhebben (agapeo). Simon antwoordt voorzichtig: ‘Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft kwijtgescholden’ (echarisato, wat zowel schenken, kwijtschelden als vergeven betekent). Jezus reageert met: ‘Dat is juist geoordeeld’ en gaat verder door zich van Simon af te wenden en zich tot de vrouw te richten.
Met deze gelijkenis, die van twee schuldenaars spreekt, krijgt ook Simon zijn plaats. Eén schuldenaar zou voldoende geweest zijn om Simon het gedrag van de vrouw te verklaren (ze doet het uit dankbaarheid voor de vergeving), maar doordat de kwijtschelding die de schuldeiser afkondigt, betrekking heeft op beiden, raakt ook Simon betrokken. Het verschil tussen de beide schuldenaars ligt namelijk in de liefde. Wat de vrouw wel en Simon niet gedaan heeft, is Jezus als gast de Hem toekomende eer te betonen. Op grond daarvan kan Jezus zeggen dat haar zonden haar zijn vergeven, want zij heeft veel liefde betoond (agapeo, in de aoristus, vgl. vs. 42). Maar ook het omgekeerde geldt: ‘wie weinig wordt vergeven, betoont (presens) ook weinig liefde’ (vs. 47). Met ‘haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele’, toont Jezus wat een royale schuldeiser God is en hoezeer Hij mensen liefheeft die de Thora in praktijk brengen. Maar ook: hoe evenzeer mensen die zich afgrenzen van zondaren, lijden aan een gebrek aan liefde.
Resteren de diepingrijpende woorden die de vrouw uit Jezus’ mond te horen krijgt: ‘Uw zonden zijn u vergeven’ (perfectum passivum divinum, vgl. vs. 47, het is God die vergeeft). Het verleden ligt achter haar, haar zonden zijn vergeven, een nieuw leven wacht.
Als Jezus de vergeving van de zonden van de vrouw proclameert, gaan de andere gasten onder elkaar spreken (vgl. de Farizeeër in vs. 39). Hun reactie verraadt zowel verbazing als ergernis.
Nog eenmaal komt de vrouw in beeld: ‘Uw geloof heeft u gered, ga heen in vrede’ (vs. 50). Haar geloof, dat zij toonde in eerbied voor, liefde tot, en verbondenheid met Jezus, zorgt ervoor dat zij in vrede verder mag leven.
Aanwijzingen voor de prediking
-
Dit Schriftgedeelte gaat over ‘zonde’ en ‘zondaren’; begrippen die in onze traditie of als sjibbolet voor stichtelijkheid wel erg gretig omarmd worden of als versleten terzijde worden gelegd. Voor velen in de hoofdstroom van onze kerken zal dat laatste risico groter zijn. Dat brengt ons echter wel precies op de plek waar de tekst ons wil hebben; namelijk naast Simon. Hij is de spiegelfïguur, want hoewel ook deze mens zichzelf niet zozeer een zondaar vindt, zegt Jezus tegen hem: ‘Simon, ik heb je iets te zeggen.’
-
Die boodschap is, dat zonde en zondaren niet buiten de deur kunnen worden gehouden. Dergelijke begrippen zijn niet slechts voorbehouden aan specifieke groeperingen als tollenaars en dronkaards (vgl. vs. 34) of prostituees (zoals meerdere commentatoren de zondares maar gemakshalve typeren). Toch draagt een al te snelle identificatie in dit gedeelte met de zondares bij aan een karikatuur van wat zonde is. De gelijkenis maakt immers duidelijk, dat er inderdaad verschillende gradaties van schuld zijn; wij hoeven ons niet per se in de zondares te verplaatsen; gezien de tekst ligt een identificatie met Simon meer voor de hand.
-
Gemeenschappelijk blijft, dat zowel de vrouw als de Farizeeër schuldenaars is en uit Gods liefde vergeving ontvangen heeft. Wat de ‘vele zonden’ van de vrouw zijn, blijft aan het zicht onttrokken, waar de Farizeeër in tekortschiet is duidelijk. Hij duwt niet alleen de vrouw terug in haar verleden en ontzegt haar toekomst, hij slaagt er ook niet in Jezus eerbiedig zijn liefde te betonen (vgl. de manier waarop in 1 Joh. 4:16-21 over liefde gesproken wordt). Anders gezegd: in de vergelijking van zonden veroordeelt Simon zichzelf door zijn eigen antwoord (vs. 43): zijn liefde tot Christus, die zich ook uit in de omgang met zondaren, is klein gebleven.
-
Eén moeilijkheid kan niet onvermeld blijven. Vers 47 lijkt te suggereren, dat de zondares vergeving ontving ómdat zij liefhad, terwijl in de gelijkenis die dankbare liefde het gevolg lijkt te zijn van de daaraan voorafgaande kwijtschelding. Dat heeft geleid tot vele discussies over ‘door geloof alleen’ of ‘goede werken’. Een weliswaar interessante vraag, die ik echter in deze dienst niet al te breed uit zou meten. Wel kan worden gesteld, dat een spontane dankbaarheid als die van de vrouw vrucht moet zijn van het feit dat iemand die zich weer volledig geaccepteerd weet en voelt. Het hele verhaal roept dan ook een beeld op van een vrouw wier tranen blijk geven van een zondebesef en die zich door haar kostbaar eerbewijs vastklampt aan de persoon van Jezus. Haar liefde is niet de grond voor de vergeving of het resultaat ervan, zij is de vorm waarin haar geloof zich uit. De vrouw heeft in de manier waarop Jezus met haar (en andere zondaren) omgaat Gods hart voelen kloppen. Dat bracht haar tot Jezus en tot de zalving.
-
Dat is dan ook de climax waar de vraag van Johannes (vs. 19) op uitloopt: wie Jezus is blijkt in het betonen van liefde. Als ook ons geloof door die liefde werkt zullen ook wij van de Geest bevestiging ontvangen. Niet om als de vrouw te zijn, wel om naast haar te staan. ‘Uw geloof heeft u gered, ga in vrede.’ Was dit een gewone afscheidsgroet of bedoelde Jezus te zeggen dat haar in deze vrede een nieuwe weg gewezen werd? Een mooie vraag voor een nieuw kerkelijk seizoen. Simon mag het zeggen, en wij met hem.
Liturgische aanwijzingen
Als epistellezing is 1 Johannes 4:16-21 te overwegen. Bij liederen kan gedacht worden aan: Psalm 31; 32; 71; 84; Gezang 280; 426; 430; 440; 452 of Eva’s lied 1/8, 1/33, 1/43.