Menu

Premium

Preekschets Matteüs 27:66 – Stille zaterdag

Matteüs 27:66

Stille Zaterdag

Zij beveiligden het graf door de steen te verzegelen en er bewakers voor te zetten.

Schriftlezing: Matteüs 27:57-28:7

Het eigene van de dag

De Schriftlezing met een korte ‘actualisering’ past in de viering van de paasnacht met het karakter van een wake (Dienstboek I, 147v). Deze wake wordt gekenmerkt door het contrast en de overgang van duister naar licht – een weerspiegeling van het contrast dat het paasevangelie van Matteüs kenmerkt met zijn opwekkings- bericht en de omlijsting daarvan. Zo vormt dit paasevangelie als het ware een tweeluik voor Stille Zaterdag en Paasmorgen. Waar Matteüs in de omlijsting de blokkade van de paasboodschap aan de orde stelt, vertelt hij in het paasbericht hoe deze blokkade wordt weggewenteld. Thurneysens paaspreek uit 1951 biedt voor beide vieringen materiaal. Wanneer men in de paaswake niet preekt, kan men de onderstaande schetsen samenvoegen tot één preek.

Uitleg

De uitleg is over beide dagen verdeeld en toegespitst op de preek van Thurneysen. Zie ook Postille 49, 92-98 en Postille 53, 89-92.

  • Afbakening. De perikoop van 27:62-28:15 bevat drie delen en wordt gekenmerkt door het scherpe contrast tussen het handelen van Jezus’ tegenstanders (de twee vergaderingen in de omlijsting, 27:62-66 en 28:11-15) en degenen die betrokken zijn bij Gods handelen (28:1-10), in het bijzonder de engel en de vrouwen. Breukelmans voorstel om de ‘finale’ (27:55-28:20) in vijf scènes te verdelen, is indrukwekkend, maar omstreden (Luz, 387v). De tijdsaanduiding in vers 62 geeft aan dat de genoemde vergadering plaatsvindt op sabbat. Op de ‘stille zaterdag’ vindt druk overleg plaats!

  • Contrast. De perikoop toont het contrast tussen de voortgaande beweging van de verkondiging van de ‘opwekking’, ingezet door de engel vanuit de hemel, en het streven van de leiders ‘die het onmogelijk willen maken, dat dit “gezegd” zal kunnen worden’ (Breukelman, 73). Het contrast speelt op verscheidene niveaus. De wachters die de dode bewaken, worden zelf ‘als doden’, van vrees. Jezus is echter ‘opgewekt uit de doden’. Tegenover de wachters hoeven de vrouwen niet bevreesd te zijn (‘gij niet’). Zij ervaren juist ‘grote vreugde’. Het verhaal dat de leiders (laten) vertellen over de lijkroof staat tegenover dat van de engel en de vrouwen over de opwekking. De poging van de leiders om te verhinderen dat door de leerlingen ‘gezegd’ wordt ‘hij is opgewekt uit de doden’ (27:64) staat tegenover de opdracht aan de vrouwen om juist dit bericht aan zijn leerlingen te zeggen (28:7). Al deze aspecten samen vormen het grote contrast tussen het handelen van Jezus’ tegenstanders (in de omlijsting) en de overmacht van Gods handelen in het centrale gedeelte.

  • Steen. Het streven om de voortgang van het opwekkingsbericht te blokkeren, wordt uitgedrukt in het driemaal herhaalde werkwoord ‘verzekeren’ (nl. met een wacht, 27:64, 65 en 66) en gesymboliseerd door de verzegeling van de steen (de ‘grote steen’, 27:60). Toch worden al deze maatregelen vanuit de hemel met één ‘grote beving’ tenietgedaan (28:2).

  • Ironie. De ironie van het verhaal kan de hoorder niet ontgaan. De zorgvuldig geplande strategie van de leiders is de oorzaak van haar eigen mislukking: de verzegeling van de steen haalt juist het verhaal van de lijkendiefstal onderuit en ondersteunt de boodschap van de opwekking. Zo raken de listige leiders verstrikt in hun eigen netten (Calvijn). ‘Het is lachwekkend, het is dwaas, wat zij ondernemen met hun snoer en zegellak’ (Thurneysen, 6). De boodschap van Matteüs is duidelijk: niet Jezus, of de leerlingen als de boodschappers van de opwekking zijn de misleiders, maar de Joodse leiders die het volk misleiden door dit goede nieuws te verdraaien.

Aanwijzingen voor de prediking

De focus van Thurneysens preek is de verzegeling van het graf en de verbreking daarvan. De functie is een oproep tot het ‘werk van het geloof’ om ons te richten op de plaats waar onze ‘stenen’ en grendels zijn opengebroken.

  • Proclamatie. De inleiding van de preek wordt gevormd door de proclamatie van de paasboodschap. Jezus leeft! In enkele lijnen wordt het paasbericht getekend. ‘Voor dit bericht staan we ook nu. Ook ons wordt het gezegd: Hij is opgestaan! Hij leeft!’

  • Omlijsting. Maar dit paasbericht wordt omlijst door twee korte, zeldzame notities. Verhalenderwijs wordt de actie van de ‘vijanden van Jezus’ geschetst: het plan om met steen en verzegeling te voorkomen dat ooit gezegd zou worden dat het graf geopend werd – en toch is het geopend. En het graf is leeg. Daarom de tweede actie: het omkopen van de wachters, die het bedrog van de leerlingen moesten voorkomen – zij worden nu zelf tot bedriegers gemaakt.

  • Blokkade. Wat roept dit raamwerk van list en bedrog bij ons op? De eerste reactie is verontwaardiging. Het is zonde en schande dat de overwinning van de Heer zo begraven wordt, letterlijk. Vreemd genoeg lezen we in de bijbel zelf niets over verontwaardiging. Je proeft eerder de ironie. De hele actie is lachwekkend. Ons medelijden wordt opgeroepen. Deze mensen zijn zielig. In de ochtend ligt de steen naast het graf. Jezus is opgestaan en hij heeft ook met de ‘dood’ van de wachters korte metten gemaakt. Verontwaardiging past ons nog minder, omdat wijzelf niet zoveel verschillen van deze wachters. Als moderne mensen hebben wij ook onze moeite om aan het open graf te geloven. In ons wereldbeeld heeft de dood een ereplaats. Thurneysen denkt in 1951 aan het existentialistische wereldbeeld en spreekt van grenssituatie, angst en vertwijfeling. Er is alle reden om de dood serieus te nemen, want we leven in een doodswereld. Daar kunnen we ook vandaag voorbeelden van noemen. ‘We kennen ons leven niet anders dan als een door de dood omklemd leven.’ In dit wereldbeeld is geen ruimte voor een God die in deze doodswereld ingrijpt. Toch wordt ons verkondigd dat Jezus is opgestaan – zonder enige discussie. De steen van onze wereldbeschouwing is weggewenteld. Jezus leeft en ik met Hem! Maar er is nog een veel hardere steen die indertijd de vijanden van Jezus verhinderde om in de opstanding te geloven: hun schuld. Ze hadden hem gekruisigd om van Hem af te zijn, en als Hij nu opstaat – hoe staan ze er dan voor? Daarom die steen en dat zegel over het graf. Dat moeten we niet hebben. Maar dan komt opnieuw de vraag of dat bij ons zoveel anders is. Denk aan Petrus die tegen Jezus riep: ‘Ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.’ Is de opstandingangst uiteindelijk iets anders dan schuldangst? De lijdensliederen verwoorden het zo (Gez. 181). Maar nu is Christus opgestaan van de doden. Ook de steen van onze schuld is weggewenteld. Een machtig ‘weest niet bevreesd!’ klinkt door het paasbericht als een orgeltoon door een dom. Bij het open graf kunnen we verheugd opademen.

  • Mummie. Er is nog een andere reactie, niet van de vijanden van Jezus, maar van zijn leerlingen, vertegenwoordigd in Jozef van Arimatea. Jezus wordt gebalsemd en tot mummie gemaakt. Dat is evenzeer een uiting van ongeloof in de opstanding. Maar ook hier de vraag: is het bij ons zo anders? Met onze geloofsbelijdenis geloven we wel theoretisch in de opstanding, maar wat betekent dat als er geen praxis op volgt? Wij wikkelen Jezus in in onze theorieën en dogma’s, maar een ‘dogmaheiland’ leeft niet. Gelovigen zijn net zo bang om ziek te worden, oud te worden of dood te gaan als ongelovigen. Ze klampen zich net zo vast aan deze wereld, aan have en goed – alsof er geen eeuwig leven is. Zo maak je van de Heiland een mummie. En dat terwijl Hij is opgewekt en alle donkere dreiging in de wereld beschijnt met het licht van de paasmorgen.

  • Wat nu? Nu word ik opgeroepen om mijn theoriegeloof te activeren. Tegenwoordig zou je het kunnen vergelijken met het activeren van een inlogcode. Het geloof activeren wil zeggen: als de twee Maria’s naar het graf kijken – en zien dat het open is. En dat laten gelden: ‘Ik ben opgeheven met al mijn zorgen en zonden in de handen van de Levende.’

Liturgische aanwijzingen

De Schriftlezing past in de tweede vorm van de paaswake, waarnaar al werd verwezen. Wegens de preek van Thurneysen begint de Schriftlezing bij 27:57 en eindigt bij 28:7. Thurneysen verwijst naar Gezang 217 (LB) , dat goed bij de prediking aansluit. Verder is Gezang 197 zeer geschikt.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken