Menu

Premium

Preekschets Matteüs 27:7

Matteüs 27:7

Witte Donderdag

de akker van de pottenbakker

Schriftlezingen: Jeremia 32:6-15; Matteüs 26:20-25, 27:1-10

Het eigene van Witte Donderdag

Op Witte Donderdag gedenkt de gemeente dat Jezus met zijn leerlingen de Joodse paasmaaltijd vierde. Matteüs legt daarbij geheel eigen accenten.

Uitleg

De perikoop over de akker van de pottenbakker onderbreekt het verhaal van Jezus’ veroordeling. Hogepriesters en oudsten besluiten tot zijn dood en leveren Hem over aan de stadhouder (vs. 1, 2) aan wie Hij wordt voorgeleid (vs. 19) . Daarop volgen die vrijdagmorgen veroordeling, bespotting en kruisiging. Tussen overleveren en voorgeleiden treft Judas hen in de tempel (vs. 6), besluiten zij tot de koop van de akker en gaan ook daadwerkelijk tot de transactie over. Vraag is wat Matteüs met deze kennelijke invoeging wil zeggen. Onderstreept hij Jezus’ onschuld? Nog voor de rechtszitting plaatsvindt, wordt de hoge raad daarmee in Judas’ getuigenis geconfronteerd en zo verplicht tot herziening van zijn besluit. Dat motief verbindt de perikoop met de volgende: Pilatus’ vrouw (27:19) en zelf (29:24) bevestigen het. Het zou ook kunnen dat hij de schuld voor Jezus’ dood nadrukkelijk bij de Joodse leiders wil leggen. Zij gaan het volk voor (hoipresbuterou tou laou, 27:1; vgl. apo huioon Israèl, 27:9) in de vijandschap tegen Jezus (en in Matteüs’ context: in Hem jegens de gemeente). De bedoeling van de hoge raad komt aan het licht: Jezus moet koste wat kost sterven. Zijn dood is een gerechtelijke moord. Dat de eigenlijke tegenstanders van Jezus de Joodse leiders zijn, blijkt ook als zij het volk ophitsen terwijl Pilatus’ vrouw hem haar droom vertelt, en bij begrafenis en opstanding. Of moet duidelijk worden dat alle kwaad overruled wordt door Gods raad? ‘Zo ging in vervulling…’ (vs. 9). De koop van de akker is in het licht van het schriftcitaat belofte van heil.

Ik richt me op de persoon van Judas. Hij komt tot inkeer als hem de consequentie van zijn daad duidelijk wordt. Hij heeft berouw en belijdt de hoge raad dat hij gezondigd heeft door onschuldig bloed te verraden. Hogepriesters en oudsten volharden in hun intentie een onschuldige ter dood te brengen. Judas is daarmee getuige a decharge voor Jezus en staat tegenover de hoge raad aan diens kant. Matteüs onderstreept daarmee zijn uiteindelijke trouw aan Jezus. Er is geen enkele aanleiding om Judas’ berouw te relativeren. Hij is volgens Deuteronomium 27:25 een vervloekte. Dat belijdt hij in zijn zelfgekozen dood als de hoge raad hem onverschillig afwijst. Ti pros hèmas? Su opsèi! Wat ons dat schelen? Je bekijkt het maar!

Daarmee tekent Matteüs een ander beeld van Judas dan de andere evangelisten. Het besluit om Jezus te verraden valt na de zalving te Betanië. De leerlingen ergeren zich volgens hem aan de verspilling (26:8, aganakteoo, zich kwaad maken over iets, iets verontwaardigd afwijzen). Judas, een van de twaalf, gaat daarop naar de hoge raad. Marcus meldt dat sommigen van hen zich ergeren en dat Judas, ook bij hem een van de twaalf, na de zalving naar de hoge raad gaat, maar legt geen verband (Mat. 26:14, tote, Mar. 14:10, kai). Bij Matteüs is geld het motief, 26:15, bij Marcus niet. Volgens Lucas is het Satan die hem ertoe brengt (22:3). Volgens Johannes ergert alleen Judas zich aan de verspilling (12:4v). Hij beheerde de kas en was een dief (12:6; vgl. 13:27, 29: Satan en het geld).

Bij Marcus en Matteüs veroorzaakt de aankondiging van het verraad onzekerheid (Ik toch niet?), bij Lucas verontwaardiging: wie is tot zoiets in staat? (22:23).

Volgens Matteüs vraagt Judas aan Jezus of hij het is. Die bevestigt dat. Daarop deelt Hij brood en wijn met de leerlingen. Bij Marcus volgt meteen daarop de aankondiging dat allen zullen vallen (skandalidzoo, struikelen, in zonde vallen) en dat Petrus Hem zal verloochenen.

Samengevat: anders dan Marcus legt Matteüs verband tussen de ergernis over de geldverspilling en het verraad; anders dan bij Marcus en zeker dan bij Johannes ergeren alle discipelen zich; anders dan bij Lucas en Johannes speelt alleen geld en niet Satan een rol. Conclusie: bij Matteüs is Judas de verrader nadrukkelijk een van de leerlingen.

Een andere opvallende trek in Matteüs’ redactie van het Laatste Avondmaal is dat je alleen bij hem een expliciet verband vindt tussen bloed en vergeving: ‘Want dit is het bloed van mijn verbond (…) tot vergeving der zonden’ (26:28). Judas belijdt: ‘Ik heb gezondigd, verraden onschuldig bloed’ (27:4).

Het vervullingscitaat (vs. 9 en 10) is een compilatie van brokken tekst uit Zacharia (11:13, de goede herder die verkocht wordt) en uit Jeremia (18:2v, huis van de pottenbakker; 32:6v, akker van de pottenbakker). De nadruk ligt op de koop van de akker. Bij Jeremia is het een onderpand, teken en zegel van terugkeer naar het beloofde land.

Lucas ziet een heel ander schriftwoord in vervulling gaan: Psalm 69:26, een oordeelswoord (Hand. 1:20). Judas koopt volgens hem zelf de akker en verongelukt erop, vandaar bloedakker (Hand. 1:19). Matteüs legt verband met het onschuldig bloed dat Judas verried (27:8).

Pogingen om het desbetreffende perceel te lokaliseren blijven steken in onzekerheden. Moet je het zoeken in het dal van Hinnom? De pottenbakkerswijk van Jeruzalem lag daar in de buurt. Het land van de pottenbakker is bedoeld voor vreemdelingen. Wie zijn daarmee bedoeld? Simpelweg heidenen? Joden uit de diaspora die als pelgrim Jeruzalem en de tempel bezochten en daarbij kwamen te overlijden? Of criminelen? Waarschijnlijk zij allen (een begraafplaats als in Jer. 26:23; 2 Kon. 23:6). Volgens Lucas’ lezing vond Judas er zijn einde. Dat is dan toch een match met Matteüs.

Samengevat: voor de prijs waarvoor de herder uit Zacharia11 wordt verkocht, wordt de akker van de pottenbakker uit Jeremia 32 aangekocht, ‘zoals de Heer mij had opgedragen’. Aan Jeremia? In ieder geval geschiedt het op gezag van God.

Ten slotte is te overwegen hoe woorden als ‘een vloek worden’ (Gal. 3:13) en ‘overleveren’ (als in Rom. 4:25 en 8:32) meeresoneren.

Aanwijzingen voor de prediking

De opschriften in de diverse bijbeluitgaven en in de commentaren luiden vrijwel altijd Judas’ dood. Die wordt echter terloops vermeld, niet gethematiseerd. Van Bruggen 1994, 446) heeft Onschuldig uitgeleverd en trekt die lijn door naar het verhoor. Daar is meer voor te zeggen, zie boven. Luz, 2002, 228, kopt Dreissig Silberstücke, maar zijn die middel of doel? Mijns inziens gaat het om de koop van de akker. Daarop focust ook het vervullingscitaat. Hadden hogepriesters en oudsten Judas’ belijdenis aanvaard, dan zouden zij Jezus hebben moeten loslaten en waren de dertig zilverlingen geen bloedgeld meer geweest. Matteüs zet hen met hun rituele reinheid en hun pastorale onverschilligheid te kijk. Hun vijandschap jegens Jezus is enig Leitmotiv. Die wordt echter ten goede gekeerd: de bloedakker is de akker van de pottenbakker.

Het gaat om een perikoop met pastoraal gevoelige aspecten. Er dient mee te worden gerekend dat Judas’ suïcide ingrijpende herinneringen oproept of aan problematiek raakt waar mensen zelf mee worstelen.

Verder zal het Judasbeeld van Matteüs een correctie vragen van het gangbare: de verrader die zich in uiterste verharding van het leven berooft. Zijn gemeenheid is spreekwoordelijk geworden. Maar alle leerlingen maken zich volgens Matteüs kwaad om de geldverspilling. En allen komen ten val als Jezus gevangen wordt genomen. Zij delen de ergernis die Judas tot zijn verraad brengt. Wil Matteüs dat wij dat bedenken? Judas herinnert ons aan onze duistere kant: Ik toch niet?, vragen ze allen.

Insteek zou de instelling van het avondmaal kunnen zijn. Jezus heeft dan al bekendgemaakt dat een van hen Hem zal overleveren. Volgens Matteüs is het tussen Jezus en Judas ook uitgesproken. Toch sluit Jezus hem niet uit, maar deelt met hem brood en wijn.

Het loopt slecht met hem af. Lucas’ bericht over zijn einde domineert. Matteüs laat een andere kant zien. Hij geeft ook een ander beeld van Judas.

Hij heeft berouw, belijdt dat hij gezondigd heeft en onschuldig bloed verraden. Hij wordt daarmee een getuige voor Jezus. Daaruit zou de hoge raad de voorgeschreven consequenties moeten trekken. Zij stellen zich ten aanzien van Judas in hun onbarmhartigheid keihard op. Ze vermoorden de goede herder, ook in zichzelf.

Judas kiest het einde van de vervloekte, voltrekt het vonnis aan zichzelf en bevestigt daarmee zijn schuld. Hij beaamt Jezus’ woord dat het beter zou zijn als die mens niet geboren was.

Het besluit van de hoge raad om van het verradersloon, bloedgeld, de akker te kopen interpreteert Matteüs met behulp van profetenwoorden: voor de prijs waarvoor de goede herder is verkocht, wordt de akker van de pottenbakker aangeschaft. Die akker is in Jeremia belofte, onderpand van terugkeer uit de ballingschap. In de koop geschiedt Gods wil: ‘zoals de Heer mij heeft opgedragen’.

De akker moet dienen als begraafplaats voor vreemdelingen: mensen die om welke reden dan ook geen eigen graf in Jeruzalem hadden. Zo iemand was Judas, zie Lucas’ bericht. Volgens Matteüs is hij echter in ‘gewijde’ grond begraven: met de belofte.

Jezus deelde brood en wijn, nadrukkelijk ook met hem. Wat is er te vieren? Judas als gemene uitzondering, vijand (hij neemt wel deel aan het avondmaal, maar hij hoort er niet), dat dwingt je tot ontkenning van je duistere kant en leidt tot moralisme. Judas als een van de twaalf, dat troost. Over de akker van de pottenbakker valt het licht van Pasen.

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 32; 51; 130; Gezang 176; 353; 399:4, 5; 449; 479:2, 4.

Geraadpleegde literatuur

J. van Bruggen, Matteüs. Het evangelie voor Israël, Commentaar op het Nieuwe Testament, Kampen, 1994/2; W. Grundmann, Das Evangelium nach Matthäus, Theologischer Handkommentar zum Neuen Testament, Berlijn, 1986/6; Theological Dictionary of the New Testament, G.W. Bromiley (ed.), Grand Rapids, 1979/10; U. Luz, Das Evangelium nach Matthäus, Düsseldorf, Zürich, 2002/5; J.T. Nielsen, Het Evangelie naar Mattheüs, pnt, Nijkerk, 1978; H.L. Strack, P. Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, München, 1986/9.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken