Menu

Premium

Preekschets Matteüs 28:17,18

Matteüs 28:17, 18

Rogate

… en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog.

Jezus kwam op hen toe en zei: ‘Mij is alle macht gegeven …’

Schriftlezing: Matteüs 28:11-20

Het eigene van deze zondag

De zondag vlak voor Hemelvaart en Pinksteren. Jezus, de Overwinnaar van Pasen, vlak voor zijn triomftocht naar de hemel. En aan het slot van Matteüs spreekt Hij over de macht, waarmee Hij bekleed is.

Uitleg

Het slot van het evangelieverhaal volgens Matteüs is onlosmakelijk met het voorafgaande verbonden. De opstanding is geen open einde, maar de levende Heer openbaart zich voor het laatst aan zijn discipelen op aarde, en oefent daarna zijn macht uit in de hemel en vanuit de hemel. Het is bij Matteüs een impliciet hemelvaartsverhaal.

Daarnaast is de perikoop 16-20 de keerzijde van 11-15. De leugen van joodse leiders (11-15) is niet zozeer een ontkenning van de opstanding, maar zij weigeren bewust de macht en de zeggenschap van Jezus te erkennen. Met zijn dood is het boek Jezus definitief gesloten. Daartegenover proclameert de levende Jezus zijn macht over hemel en aarde.

Daarvoor gaat Jezus naar Galilea, weg uit het duister van de leugen, terug naar het begin. Zijn discipelen krijgen de opdracht (vs. 10) om daarheen te gaan, en alle elf zijn ze er. Elf markeert het complete aantal, de nauwe kring om Jezus en daarnaast de open plek van Judas (een open plek, die pas opgevuld wordt na Hemelvaart (Hand. 1:12-26, zie de schets van 28 mei).

Ze ontmoeten elkaar op de berg. Terecht zegt de NBV: de berg, waar Jezus hen had onderricht. Het is de bekende berg van de bergrede uit Matteüs 5-1. Het werkwoord tassein betekent onder andere ‘voorschrijven, wettelijk verordenen’. Daar, op die berg, had Jezus zijn geboden gegeven. En nu moeten de discipelen met dat onderwijs naar de volken.

Bij het zien van Jezus, juist op deze berg van herinnering, is er de aanbidding (van Hem: autooi zeggen een aantal handschriften), maar ook de twijfel. Twijfel, niet zozeer van ongeloof, maar van verwondering. Het is het oude verzet tegen het sterven van Jezus. Lijden, sterven, opstaan, passen maar moeilijk in het beeld dat ze van Jezus hadden. Het is twijfel, die alleen Jezus kan wegnemen door dichterbij te komen (prosagoo: naderen, ook: voorstellen).

Maakt vers 17 onderscheid: zij aanbaden, sommigen twijfelden, in vers 18 spreekt Jezus allen aan. Zijn opdracht, zijn ‘in dienst nemen’ geldt alle discipelen, twijfelaars of aanbidders.

De woorden van vers 17 geven geen antwoord op de vraag, wie de twijfelaars waren. Ook niet of de elf aanbaden, en mogelijk anderen die erbij waren, twijfelden. Geloof en aanbidding is ook bij de discipelen niet vanzelfsprekend (vgl. Luc. 24:41; Joh. 20:25 en 21:12).

Jezus neemt de twijfel weg door te wijzen op zijn macht (exousia betekent macht en ook volmacht). Macht om te regeren, volmacht om die macht legitiem te gebruiken. Jezus’ macht rust op gerechtigheid.

De nadruk valt op het woordje ‘gegeven’ (edothè staat voorop). Het is onjuist hier te denken aan een pas na Pasen verleende macht. Ook voor zijn dood had Jezus getoond, macht te hebben over ziekte, dood, demonen, de natuur. Die macht had God Hem al gegeven voor zijn sterven. Jezus zegt hier dus impliciet, dat zijn sterven geen onmacht was, zoals sommigen bij zijn kruis zeiden (27:42). Verder dat zijn dood en opstanding de situatie van macht-hebben en machtuitoefenen niet veranderd heeft. Onwillekeurig denk je hier aan het visioen uit Daniël 7, waar iemand als een mens macht en het koningschap verleend wordt door een oude wijze. Daniël beschrijft beeldend, wat Jezus in Matteüs van zichzelf zegt. Het nieuwe van de situatie is dus niet Jezus’ macht, maar de uitoefening van zijn macht. Hemel en aarde worden genoemd, en vanaf vers 19 wordt duidelijk dat heel de aarde, alle volken niet alleen vallen onder Jezus’ macht, maar ook door de discipelen actief bij Hem betrokken moeten worden (in Mat. 10:5-23 geeft Jezus de exclusieve opdracht, onder Israël te preken; nu gaan de grenzen open).

De aansluiting met vers 18 zit in het woordje dus. Wegens Jezus’ macht kunnen de discipelen de wereld ingaan. Het doel in de wereld is: leerlingen maken. Dat is het hoofdwerkwoord. En het maken van leerlingen doen ze door op weg te gaan en vervolgens door te dopen en door de volken te leren.

Alle volken, zondér onderscheid. Ta ethnè, de volken. In het Nieuwe Testament is er geen strak onderscheid te maken tussen ethnos en laos. Het is daarom onjuist hier te concluderen tot een prediking aan alle volken, exclusief het joodse volk. De uitbreiding van het werkterrein heft de vorige opdracht (Mat. 10) niet op. Op de achtergrond speelt hier de belofte aan Abram uit Genesis 12:3 mee: alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.

Hoe word je leerling van Jezus? De doop markeert het begin en vanaf dat moment blijf je je leven lang leren en in praktijk brengen, wat Jezus van je vraagt (vs. 20: leren te houden aan alles, wat ik jullie opgedragen heb).

Eerst de doop. Het woordje autous duidt op personen, slaat niet terug op volken. Door de doop worden individuen ingelijfd in de gemeenschap met God. Door de doop hoor je bij God en bij Jezus. Dat kan alleen maar in de weg van geloof. De volgorde die past in deze situatie, is daarom: geloof, doop, je aan alles houden wat Jezus opdraagt. Het dopen van kinderen ligt hier niet in het blikveld.

Jezus schrijft hier geen doopformule voor, al is in de oude kerk al heel snel deze formulering als doopformule gebruikt (vgl. Didachè 7, 1.3). Het gaat er Jezus om, dat wie door geloof en doop bij Hem gaat horen, via Hem de gemeenschap met zijn Vader en met de Geest ontvangt, die Hij uitdeelt. De vraag of Matteüs hier een bestaande doopformule uit de kerk aanhaalt, of dat Jezus deze woorden zo gebruikt, is op basis van de tekst niet te beantwoorden. Vanuit de opbouw van het betoog ligt het voor de hand aan het laatste te denken.

Dat de doop geen eindstadium is, blijkt uit het laatste wat de discipelen moeten doen: leren, dat ze zich moeten houden aan alles, wat Jezus opgedragen heeft. En met deze woorden zijn we ook inhoudelijk terug bij de bergrede. Wie bij Jezus wil horen, moet het zachte juk van zijn geboden dragen (Mat. 11:28-30).

Jezus’ laatste woorden zijn een belofte: Ik ga met jullie mee, tot het einde. Alle dagen, hele dagen, kortom, de hele tijd van het leven. Een belofte aan de discipelen, maar wegens de woorden ‘tot aan de voltooiing van deze wereld’ ook toe te passen op al Jezus’ leerlingen.

Een belofte die Jezus vanuit de hemel, met zijn macht kan waarmaken. En op het moment dat Matteüs dit schrijft, zijn zijn woorden al werkelijkheid geworden: er zijn op dat moment mensen leerling van Jezus geworden.

De woorden: Ik ben met jullie doen, denken aan het Oude Testament. God die tegen Mozes zei: Ik ben die er zal zijn (Ex. 3:14). God die erbij is, die meegaat. Dezelfde woorden neemt Jezus hier op, teruggrijpend op het Oude Testament en op het begin van Matteüs (1:23): zijn naam is Immanuël, God met ons.

Aanwijzingen voor de prediking

Begin de inleiding met het paasverhaal. Opstanding, nieuw leven: een mooi verhaal of meer?

Heeft een levende, opgestane Heer voor jou persoonlijk, vandaag betekenis? De twijfel van de discipelen is goed te vertalen naar vandaag: aanbidden, geloven en toch twijfelen. Geloven in een Heer die leeft: wat heb je daaraan? Wat betekent dat vandaag? Kruis en opstanding van Jezus zijn eigenlijk een vreemd element in het leven. Raakpunt met de discipelen: er is een vertaalslag nodig. Zij: ze kennen en zien Jezus, maar wat betekent Hij nu voor hen? Wij: we kennen de verhalen, maar is het meer dan een mooi verhaal? Het slot van Matteüs kan ons helpen. De levende Heer die als het ware toelichting geeft bij zijn opstanding: Jezus wijst op zijn macht. Hij wil zo twijfel wegnemen en teweegbrengen, dat we komen tot aanbidding.

Wat is er eigenlijk sinds Pasen veranderd? Kijk om je heen: de wereld is het: zelfde. Rampen, dood, ziekte ellende. Het verhaal van Pasen lijkt er geen vat op te hebben. Wereldvreemd.

Jezus wijst dan op zijn macht. Macht om te sterven (leven afleggen, actief, bewuste keus), macht om op te staan. Macht om de dood te verbreken. Die macht is in handen gegeven van een mens als wij (vgl. Dan. 7). God geeft een mens als wij alle macht in handen. Jezus zoals we Hem kennen, Jezus, zoals Hij naar ons toekomt, vol liefde, Hij heeft alle macht.

In de preek een beroep doen op het geloof. Op die manier naast de discipelen gaan staan: de hun bekende Jezus blijkt opeens veel groter en machtiger te zijn.

Dat moeten ze geloven (= aannemen) en dat gaan ze straks dan ook merken, als ze met hun geloof en met het evangelie de wereld ingaan.

Wat betekent Jezus’ macht? Merk je daar wat van? Wijs bijvoorbeeld op de kracht van het evangelie. Prediking, geloof, aanvaarding.

Te denken valt ook aan Jezus’ macht over de dood, als je ziet de rust en zekerheid van mensen die sterven moeten, of de troost op begrafenissen (heel mooi kun je hier tegelijk iets zeggen over de aanvechting, de opstandigheid vanuit de woorden: al twijfelden enkelen nog).

Maak veel werk van watje bedoelt als je zegt: Jezus heeft macht over de dood. Dat botst op heel onze ervaring en werkelijkheid. Jezus is er met zijn macht op uit leerlingen te maken, de kerkgangers voor wie je preekt, mensen, die Hem volgen. Ons geloof bewijs van zijn macht.

Het heeft iets van een cirkelredenering: Jezus’ macht wordt zichtbaar in ons geloof. Tegelijk zie je en erken je zijn macht pas, als je gelooft.

Deze cirkel wordt doorbroken door de aanbidding. De discipelen bewezen Hem eer, aanbaden, en daarmee gaven ze zich over aan de Levende.Aanbidding en overgave. Dat zijn woorden en daden die niet populair zijn vandaag.

Probeer aan te geven dat dat niet ouderwets is of zielig of kinderlijk. Het is juist het volgen van een overwinnaar. Iemand die macht heeft.

En zo kun je ook de toekomst ter sprake brengen. Jezus werkt aan zijn en onze toekomst.

Zijn opstanding laat dat al zien. Een nieuwe, levende mens. Zijn opstanding belooft wat: nieuwe mensen.

Dat geloof is het moeilijkste, tegelijk het meest troostvolle. Het biedt de mogelijkheid om wat te zeggen over gebrokenheid, lijden, beschadigingen van mensen en tegelijk de hoop, de verwachting van herstel en heelmaking.

Geloven is volgen, met alle twijfel die daarbij hoort. Jezus wil dat we meegaan met Hem. Jezus die voor ons stierf, die voor ons opstond, Jezus die ons liefheeft, die Jezus gaat met je mee, alle dagen.

Zijn opstanding heeft als doel: voltooiing van deze wereld. Zijn toekomst is zo onze toekomst geworden.

Liturgische aanwijzingen

Lezing: Daniël 7:9-18.

Liederen: Psalm 72; 146; Gezang 217; 229; 316; 392.

Geraadpleegde literatuur

J.v. Bruggen, Matteiis: Het evangelie voor Israël, Kampen 1990; H. Baarlink, Matteüs II (T&T), Kampen 1999; J.T. Nielsen, Het evangelie naar Matteüs III (pnt), Nijkerk 1974; W. Grundmann, Das Evangelium nach Matthaus (ThHNT), Berlijn 1968.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken