Menu

Premium

Preekschets Numeri 23:1 – 1e zondag na Trinitatis

Eerste zondag na Trinitatis
Numeri 23:23

Voortekens lezen is Jakob vreemd, van waarzeggerij houdt Israël zich ver; God zelf spreekt tot Jakob, op zijn eigen tijd, God zelf zegt tegen Israël wat hij bewerken zal.

Schriftlezing: Numeri 23:1-24
Thema: Leven bij het woord

Het eigene van de zondag

Met de uitstorting van de Heilige Geest is de openbaring van de drie-enige God feestelijk gecompleteerd. Tegelijk maakt het feest van de uitstorting van de Heilige Geest duidelijk dat God aanspraak maakt op alle volkeren. Het past daarom met Trinitatis en op de zondagen erna stil te staan bij de volkeren en bij Gods verhouding tot en bemoeienis met de volkeren. We doen dat in een serie van drie preken over Numeri 22-24, waar weliswaar sprake is van een keiharde confrontatie met de volkeren, maar wel een die ook laat zien hoe de God van Israël het heil van de volkeren op het oog heeft.

Uitleg

Op de strategische plek ‘de hoogten van Baäl’, die Balak heeft uitgekozen, bereiden hij en Bileam diens eerste optreden als waarzegger voor met het slachten van zeven stieren en zeven rammen op zeven altaren.

Wellicht dat Bileam aan de geslachte dieren ook voortekens hoopt te ontlenen, vergelijk 24:1, maar de offers zijn allereerst bedoeld om de goden gunstig te stemmen. Met verwijzing naar die offers vervoegt Bileam zich bij de HEER. De HEER gaat er echter geheel aan voorbij. Ze zijn blijkbaar niet van invloed op de boodschap die hij Bileam in de mond gaat leggen.

De spreuk die Bileam aanheft, klinkt niet erg als een godsspraak. Hij vertelt in vers 7 zijn persoonlijke ervaringen. Dat neemt niet weg dat hij hier nadrukkelijk zijn onderworpenheid als magiër aan de beschikking van de goden benadrukt.

Bileam lijkt hier in een cumulatief parallellisme de Kanaänitische hoofdgod El te vermelden naast de God van Israël: ‘Ik kan al niet vervloeken die El niet heeft vervloekt, hoe zou ik dan kunnen verwensen die Jahweh niet verwenst.’ Impliciet geeft hij hiermee aan dat ook de goden van het Kanaänitische pantheon Balak in de steek laten.

Na zijn verantwoording vervolgt Bileam met zijn eigenlijke spreuk. Daarin somt hij weliswaar alleen maar bijzondere kwaliteiten van Israël op, maar dit wordt door Balak toch wel als zegen ervaren, een soort self-fulfilling prophecy. Vergelijk Numeri 23:11. Door de waarneming van bovenaf, Numeri 23:9a, krijgt die bovendien iets goddelijks/hemels.

Israël wordt neergezet als een onafhankelijk, van de andere volkeren geïsoleerd en uitzonderlijk talrijk volk, een ontelbare stofwolk, vergelijk Genesis 28:14.

Bileam onderstreept de heerlijkheid van het volk door de wens uit te spreken in hun lot te mogen delen, de zegen van de rechtvaardige. Het Hebreeuwse acharit slaat gezien de directe context op nageslacht. Bileam zou net zo’n talrijk nageslacht willen ontvangen als de rechtvaardigen.

Balak protesteert en geeft opnieuw blijk niets te geloven van wat Bileam al bij herhaling heeft aangegeven, namelijk dat hij niet anders doet en ook niets anders kan dan doorgeven wat Jahweh hem in de mond legt.

Hetzelfde blijkt uit het feit dat hij opnieuw een strategische positie kiest, waardoor hij de boodschap van Bileam denkt te kunnen beïnvloeden. Vermoedelijk gaat het om een plaats vanwaar Bileam een minder indrukwekkend beeld van het volk Israël krijgt.

In zijn tweede spreuk spreekt Bileam Balak toe als een onwillig kind dat moet leren luisteren en de boodschap van Bileam als een waar woord van de HEER moet accepteren. Met de kwalificatie ‘zoon van Sippor’ wordt hij neergezet als een mensenkind, dat blijkbaar geen benul heeft van het verschil tussen God en mens. Hij moet goed begrijpen dat God niet, zoals mensenkinderen, zijn woord breekt. Hij komt zijn beloften na. Daarmee is ook gegeven dat Bileam geen enkele mogelijkheid heeft van de boodschap van de HEER af te wijken en de vervulling van de belofte te blokkeren.

In vers 21 stelt Bileam het algemeen. Geen enkele waarzegger, hoe geopend van oog ook, kan voortekens ontdekken van onheil en rampspoed in Israël. Want de HEER, hun God, is in hun midden, heeft veelbelovend partij voor hen gekozen. Vandaar de feestelijke hulde aan de koning die uit hun midden opklinkt. Bijzonder is de kwalificatie ‘de HEER hun God’ die Bileam hier gebruikt. De heidense magiër, die pretendeerde vertrouwelijke omgang met de HEER te hebben, kan er blijkbaar niet omheen: De HEER is de God van Israël. Dat volk heeft Hij tot zijn volk aangenomen.

In 22:18 sprak Bileam nog van ‘de HEER, mijn God’, in zijn citaat van deze woorden in 24:13 laat hij, door de ervaringen van de afgelopen dagen wijzer geworden, ‘mijn God’ weg.

In de verzen 22 en 23 verschuift het beeld van de betrouwbare beloften van God naar de onoverwinnelijke kracht van God waarmee Hij zijn beloften vervult. Bij het volk van deze betrouwbare God zijn waarzeggerij en voortekens een onbekend fenomeen. Het heeft geleerd dat God op zijn tijd zelf die opening van zaken geeft die nodig is.

Dit vertrouwen in God maakt het volk tot een categorie die zich verheft boven alle andere volkeren (dieren van het veld). Majesteitelijk betreedt het als een leeuw het jachttoneel.

Opnieuw verandert Balak van strategie. Hij lijkt er nu op aan te sturen dat Bileam in plaats van de HEER de goden (vers 27, Elohim) probeert te bewegen om Israël te vervloeken.

Aanwijzingen voor de prediking

De vloek waaronder Moab bezwijkt

Hoofdstuk 23 geeft een ontluisterend beeld te zien van Balak en zijn volk. Hij die in hoofdstuk 22 hoogmoedig schermt met zijn rijkdom, waarmee alles binnen zijn handbereik ligt, zakt hier door het ijs als een meelijwekkend mensenkind.

Dat heeft alles te maken met zijn afhankelijkheid van de magie. Magie waarmee hij zichzelf voor de gek houdt en steeds opnieuw bedrogen uitkomt. Magie waarmee hij zijn volk naar de ondergang helpt. Met elke volgende spreuk van Bileam tekent die zich al duidelijker af. Ze zijn als een weerloze prooi van de Leeuw, die zich vol majesteit verheft en die niet rust voordat hij hun laatste druppel bloed heeft gedronken.

In dit hele verhaal tekent zich de vloek af die gegeven is met de terreur van de vorst van de duisternis, die de hele wereld misleidt.

Zo bergt deze kant van het verhaal een dringende waarschuwing in zich op je hoede te zijn voor de valstrik van de magie. Wie het daarvan verwacht, gaat daaraan te gronde. Die waarschuwing was heel actueel in de tijd dat het latere Israël zich had laten verleiden tot waarzeggerij en afgodendienst. Het verhaal is een persiflage waarin het afvallige Israël een leerzame blik in de spiegel mag werpen. Die waarschuwing is ook in onze tijd actueel, een tijd waarin de bijbel ook voor veel christenen steeds minder het gezaghebbende woord van God is. Een beroep op de bijbel wordt met een meewarige glimlach afgedaan en moet het afleggen tegen het verhaal van iemands persoonlijke godservaring of religieuze intuïtie. Daarmee gaat veel van de zekerheid die God door zijn openbaring wil geven verloren en maakt plaats voor offeren op het altaar van een onbekende god.

De zegen waarvan Israël leeft

Tegelijk wordt met elke volgende spreuk van Bileam al meer de zegen zichtbaar die rust op Israël. Voor dat volk laat zich geen onheil schouwen en geen rampspoed zien (Numeri 23:21). Een zegen die in onze tekst nadrukkelijk verbonden wordt met het feit dat dit volk zich onthoudt van het lezen van voortekens en zich ver houdt van waarzeggerij. De HEER hun God is in hun midden. Hij wordt bejubeld door zijn volk, het geeft Hem vertrouwen en is de zaak van zijn koningschap en koninkrijk toegewijd. Dat heeft alles te maken met het feit dat Hij niet een geheimzinnige en grillige macht is, bij wie je niet weet waar je aan toe bent, naar wiens plannen je moet gissen. De God van Israël spreekt uit zichzelf tot Jakob, op zijn tijd. Daarmee vraagt Hij hun vertrouwen en beproeft Hij soms ook het geduld van zijn volk. Maar hun vertrouwen wordt nooit beschaamd. Hijzelf geeft hun telkens als dat nodig is opening van zaken.

Het verhaal blijkt dus een spiegel te zijn met twee luiken. In dit tweede luik herkent het afvallige volk Israël uit de tijd van de koningen zichzelf niet meer. Het is bedoeld om heimwee te wekken naar de tijd van de jeugd, toen het als een kind met de HEER leefde in vertrouwen op zijn vaderlijke trouw en zorg.

Het wil ook mensen van deze tijd aanspreken. Een tijd waarin bij velen het geduld ontbreekt om vertrouwend op Gods tijd te wachten en zulk geduld zelfs vaak wordt afgekeurd als het ongelovig onbenut laten van andere openbaringsmogelijkheden.

Ideeën voor kinderen en jongeren

Vraag: wat is gemakkelijker, geloven mét een bijbel of geloven zónder een bijbel? Mét de bijbel lijkt moeilijker, omdat je dan het spoor van de waarheid moet volgen. Je kunt niet meer je eigen weg kiezen. Maar daar staat tegenover dat je weet waar je aan toe bent. Zónder bijbel weet je dat niet en je leeft daardoor altijd in onzekerheid.

Aanwijzingen voor de liturgie

Oudtestamentische lezing: Numeri 23:1-24. Nieuwtestamentische lezingen: Handelingen 17:22-31, 1 Johannes 1:1-4. Liederen: NLB 217:1-5, 295, 221:3, 119a:1-4.

Geraadpleegd

  • Horst Seebass, Numeri, BKAT IV/3,1 en 2, Neukirchen-Vluyn 2004 en 2005.

  • M.J. Paul e.a., Studiebijbel, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Veenendaal 2005.

  • E. Peels, P.H.R. van Houwelingen (red.), Studiebijbel in perspectief, Heerenveen 2009.

  • J. van Eck, Handelingen. De wereld in het geding, Commentaar op het Nieuwe Testament, Kampen 2003.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken