Menu

Premium

Preekschets Psalm 34:20-21a – Viering van het Heilig Avondmaal

Psalm 34:20-21a

Al blijft de rechtvaardige niets bespaard,
de Heer zal hem steeds weer bevrijden.
Hij waakt zelfs over zijn beenderen.

Schriftlezing: Psalm 34:1, 5-9 en 18-21a

Gedicht: Naar Psalm 34, Lloyd Haft

Ik wil u altijd loven,
altijd vieren,
altijd in mijn ziel uw feest.
Maar hoe uw eens verhoogde naam
hoog hóuden?
Hoe altijd?
Groot is mijn onvermogen u te zien:
groot als de vrees waarin mijn lichaam staat.
Legert u zich bij wie u vrezen, in hun vrees?
Is vrezen vieren dat ik nog niet ken?
Loven dat ik nog niet kan?

Het eigene van de zondag

Vier keer per jaar vier ik op vrijdagmiddag de maaltijd van de Heer in het verzorgingshuis binnen onze wijk. En in tegenstelling tot de zondagse vieringen van de maaltijd van de Heer is mijn ervaring dat de bewoners van het huis er juist voor komen wanneer er een maaltijdviering is, omdat hun die werkelijk kracht geeft. Terwijl in de ‘gewone gemeente’ de avondmaalsmijding groot is.

Bij de aanwijzingen voor de prediking heb ik om bovenstaande reden de ‘gemeente in de instelling’ voor ogen gehad.

Uitleg

Lloyd Haft, sinoloog en dichter, heeft twee bundels poëzie uitgebracht, geënt op de psalmen.

Hij schrijft een nieuw gedicht en gaat daarbij uit van de psalm, waarbij hij persoonlijke expressie paart aan eerbied voor deze gewijde tekst. In een interview met

Marjoleine de Vos geeft hij aan te zoeken naar één dragend motief, één gemoedsgesteldheid in de psalm.

Voor Psalm 34 is de vraag in het midden van het gedicht: ‘Hoe altijd?’ het leidmotief.

Met die ‘(onder)zoekende’ vraag plaatst de dichter zich midden tussen ons als mensen die de secularisatie in hun botten hebben zitten. En voor wie de plaats van God in onze werkelijkheid, laat staan het ‘loven van God’ geen vanzelfsprekendheid is. Wat hij doet, is op een integere en bedachtzame manier dat ‘altijd loven’ aftasten, tot hij zich ermee verbinden kan. En dat doet hij zo stapsgewijs dat je er als hoorder in mee kunt gaan.

Psalm 34 wordt door de meeste uitleggers – ik kwam het tegen bij Barnard, Kraus en in de aantekeningen bij de vertaling van Gerhardt en Van der Zeyde – beschouwd als een verzameling losse spreuken, een mix tussen een danklied en een leerdicht in de sfeer van de wijsheidsspreuken.

Kraus beschouwt vers 5 (‘Ik zocht de Heer, Hij gaf mij antwoord, Hij heeft mij van alle angst bevrijd’) als het kernvers van de psalm, dat de toon zet en de andere verzen verbindt.

Opvallend is dat in vers 18 de tekst van vers 5 hernomen wordt, maar dan als geloofsbelijdenis van de gemeenschap.

Vers 9 (‘Proef, en geniet de goedheid van de Heer, gelukkig de mens die bij hem schuilt’) is een vanouds bekende tekst bij de bediening van het heilig avondmaal. Alle geraadpleegde vertalingen van dit vers blijven in de sfeer van de zintuiglijke beleving van de maaltijdviering. Gerhardt en Van der Zeyde gebruiken het woord ‘ervaren’, de SV schrijft ‘smaakt en ziet’, evenals Oussoren en de NBG. Dat raakt mijns inziens aan een bevindelijke beleving van het avondmaal. Zoals een heel oude bezoekster van de maaltijdviering in het verzorgingshuis het verwoordde: ‘Dominee, ik kom zo graag naar het heilig avondmaal, want ik wil mijn lieve Zaligmaker proeven.’ Ze kwam nergens meer omdat ze door haar hoge ouderdom blind en toenemend doof was geworden; alleen van de avondmaalsdiensten sloeg ze er beslist niet een over.

Deze bevindelijke beleving, waarbij een mens door te eten en te drinken letterlijk Christus in zich opneemt en daardoor kracht ontvangt, raakt naar mijn besef aan de waarde die de eucharistie voor een betrokken rooms-katholieke gelovige heeft. Het is een nadruk op de toe-eigening van Christus, waar ik in geloof, ook in de preek.

Kortgeleden stond er een onderzoeksverslag in Trouw, dat aangaf dat mensen nu binnen het pastoraat veel meer op zoek zijn naar geestelijke (bege)leiding dan naar pastoraat met een meer psychologische benadering. Datzelfde geldt mijns inziens voor de preek. Mensen willen beleven/ervaren dat ze zich kunnen verbinden met God (ook als ze wat modaliteit betreft in het midden van de kerk thuishoren). En dat die verbinding een voedende ondergrond is voor hun dagelijks leven.

Boven deze preekschets heb ik vers 20 en 21a gezet. Ik gebruik daarvoor bij voorkeur de vertaling van Gerhardt en Van der Zeyde: ‘De rechtvaardige treft menige rampspoed, doch de Heer verlost hem uit dit alles. Hij houdt al zijn krachten bijeen.’ De vertaling van vers 21a (‘Hij houdt al zijn krachten bijeen.’) roept het beeld op van een gecentreerd mens. Een mens die leeft vanuit zijn kern in plaats van te vervloeien met alles wat van buitenaf op hem afkomt. Dat leven van binnenuit om van daaruit tot handelen en reageren op de buitenwereld te komen, raakt aan de door K. von Dürckheim in het westen geïntroduceerde leer van haraals het dragende midden van de mens. Dürckheim was een leraar zenmeditatie, die zich ingezet heeft om oosterse inzichten te vertalen naar onze westerse cultuur. Via de benedictijnse traditie, waar hij veel weerklank vond, zijn zijn inzichten overgenomen binnen de meer contemplatieve stroming van het christelijk geloof, binnen zowel de rooms-katholieke als de protestantse traditie.

De vertaling van vers 21a door Gerhardt en Van der Zeyde ligt wat belevingssfeer betreft dicht naast de uitleg die ik gaf bij vers 9: het smaken en proeven als het in zich opnemen van Christus. Als God het is die zorgt zoals in vers 21a – dus dat wij een stevige kern hebben en niet uiteenvallen in de vragen en moeilijkheden waar het dagelijks bestaan ons voor stelt – dan is dat een oproep tot een meditatief leven. En de verbinding met het avondmaal ligt hierin dat we ons in het eten van het brood en het drinken van de wijn opnieuw verbinden met God als de bron van ons bestaan.

Aanwijzingen voor de prediking

De hertaling van Lloyd Haft gebruik ik vooral voor mezelf om dieper in de psalm door te dringen. Voor het grootste deel van mijn gemeenteleden is ze té intellectueel/filosofisch.

Het bevalt me onder invloed van Jana Childers Birthing the Sermon steeds beter om in een vroeg stadium de tekst te kiezen. Die keuze verloopt vrij intuïtief. Bij Psalm 34 trof me vers 21a: ‘Hij houdt al zijn krachten bijeen.’ Die tekst draag ik de hele week met me mee. Ik mediteer erop en breng hem in in de pastorale contacten van die week. Ik lees er een afgebakende tijd omheen (twee uur). En onder invloed van de training homiletiek op Hydepark van 2008/2009 gebruik ik steeds minder commentaren en meer poëzie, literatuur, fragmenten uit de krant die zich verbinden met de tekst. Ik geloof met Thomas Troeger (zie schets belijdenisdienst) dat de heilige Geest zo werkt en dat je dus op die invallen kunt vertrouwen bij het maken van je preek.

Voor deze avondmaalsdienst in het verzorgingshuis leg ik twee accenten die oplichten uit de psalm:

  • Vers 5, als roep van de enkeling die beantwoord wordt door God, wordt in vers 18 overgenomen door de gemeenschap. Ik benadruk daarbij dat het gezamenlijk bijeenkomen ons voor een ogenblik optilt uit de dagelijkse zorg en voor dit moment tot gemeente van Christus maakt als steun om het in de andere dagen als enkeling voor God uit te houden. (Het voedende van het bijeenzijn wordt benadrukt in verband met de maaltijdviering.)

  • Ik kies bewust voor een bevindelijke uitleg van vers 9 en 21a in het besef dat dit niet de enige insteek is. Maar ik maak gebruik van de avondmaalsbeleving zoals ze door een van de deelnemers verwoord is: ‘Ik wil mijn lieve Zaligmaker proeven.’ Dit kracht ontvangen door Christus letterlijk in je op te nemen in het delen van brood en wijn tijdens de dienst, zet zich voort in het persoonlijk leven van de deelnemers in de dagen na de dienst als ze zich (hopelijk) gesterkt en bemoedigd voelen: Hij houdt al uw krachten bijeen. Zo wordt het brood van de maaltijd van de Heer tot voedend brood voor onderweg.

Liturgische aanwijzingen

Gezang 379:2, 5 en 6 (Lvdk). Vers 5 raakt aan God als kern (zie uitleg vers 21a) en vers 6 maakt de verbinding met het heilig avondmaal op een bevindelijke manier. Gezang 358: 2, 4, 5 en 6 (Lvdk); Gezang 103 (Tt) van Maria de Groot en 109 (Tt) in de vertaling van Gert Landman. Verder valt te denken aan Psalm 97:1 en 6 en Gezang 424 (Lvdk).

Geraadpleegde literatuur

Lloyd Haft, De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft, Amsterdam 2003; Marjoleine de Vos, Dichtersgesprekken, Amsterdam/Rotterdam 2005, 73-80; Ida G.M. Gerhardt en Maria H. van der Zeyde, De Psalmen uit het Hebreeuws vertaald, KBS/NBG 1972; K. von Dürckheim, Hara, het dragende midden van de mens, Deventer 1986; Willem Barnard, Tegen David aanpraten, Zoetermeer 2003; Jana Childers (ed.), Birthing the Sermon. Woman Preachers on the Creative Process, Chalice press/Missourri 2001; Hans-Joachim Kraus, Psalmen 1-59(bk), Neukirchen 1978.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken