Psalmen
INLEIDING
1.De naam
De hebreeuwse naam van het boek, tehillim, betekent zoveel als lofliederen. Overigens draagt slechts één psalm het opschrift ‘loflied’ (145). Onze aanduiding ‘Psalmen’ is afkomstig van de oudste griekse vertaling van het O.T., de Septuagint(a), en bedoelt liederen onder begeleiding van een snaarinstrument.
2.De indeling en thema’s
Sedert oude tijden verdeelt men het boek in vijf boeken, misschien in parallellie met de vijf boeken van Mozes, die samen de Tora vormen. De verdeling is als volgt:
1-41,
42-72,
73-89,
90-106,
107-150.
Driemaal klinkt aan het slot van deze psalmboeken amen, ja amen, en eenmaal amen halleluja, en tenslotte in Ps. 150 tweemaal halleluja. In de nederlandse tekst volgen immers ‘love de HERE’ en ‘halleluja’ op elkaar, terwijl zij in wezen hetzelfde betekenen. De Septuagint heeft vijfmaal ‘zo zij het, zo zij het’ en aan het slot eenmaal ‘halleluja’. Aangezien het Psalmboek deze indeling min of meer zelf aangeeft, verdient het aanbeveling, die te volgen, wanneer men naar een indeling zoekt.
Wat betreft de thema’s is het moeilijk alle psalmen onder één noemer te brengen. Iemand typeerde het Psalmboek als het persoonlijk antwoord van de gelovige op Gods goedheid en genade. Een ander vond de eenheid hierin gekarakteriseerd, dat het Psalmboek een liedboek, gebedenboek en godsdienstig onder wij sboek voor de gemeente in de (tweede) tempel was. Calvijn vond er een anatomie van alle delen van de ziel in, en Luther sprak van aller christenen heilsapotheek.
Opvallend hebben velen in hun poging om de eenheid van het Psalmboek onder woorden te brengen, gebruik gemaakt van de functie der Psalmen in Israel. Er is nauwelijks een Bijbelboek dat zo op de praktijk der gemeente gericht is als de Psalmen.
3.De schrijver(s) en periode(n) van ontstaan
Een traktaat uit de Talmoed zegt: David schreef het Boek der Psalmen met behulp van tien oudsten: met hulp van Adam als eerste, en Melchisedek en Abraham en Mozes en Heman en Jedutun en de drie zonen van Korach.
Deze Talmoedtekst suggereert waarschijnlijk niet, dat David psalmen dichtte met hulp van genoemden, maar dat David de psalmen verzamelde, die reeds door de oudsten tot stand waren gekomen. Dus volgens dit traktaat werden er geen psalmen vervaardigd na David. Intussen worden drie van de genoemde oudsten, Adam, Melchisedek en Abraham, niet in de Psalmen als dichters vermeld. En Ethan de Ezrahiet en Salomo, resp. in Ps. 89 en 72 genoemd, komen op de lijst van de Talmoed niet voor. Hiernaast moeten Mozes, Asaf en de Korachieten wèl genoemd worden. Ongetwijfeld zijn sommige psalmen na David tot stand gekomen, andere worden – met name ook in het N.T. – aan David toegeschreven, en ook in sommige Oudtestamentische teksten wordt David voorgesteld als iemand met poëtische en muzikale gaven, die met Gods Geest speciaal begiftigd was en zo het liturgisch gezang in het heiligdom verzorgde.
In het hebreeuwse O.T. worden vooral in de eerste twee boeken 73 psalmen aan David toegeschreven, terwijl de Septuagint hem er 84 toekent. In heel veel gevallen wijzen de psalmteksten niet op een bepaalde en met name genoemde schrijver. Wie de opschriften van de Psalmen desalniettemin serieus neemt en hen niet losmaakt van de inhoud, kent aan Mozes’ Ps. 90 een ontstaanstijd rond 1400 vóór Christus toe, terwijl de davidische Psalmen tussen 1020 en 975 gedateerd dienen te worden, die van Asaf ongeveer in dezelfde periode, en Ps. Salomo’s tijd, dwz. rond 950. De Psalmen van de Korachieten en de Ezrahieten zijn nauwelijks te dateren, maar mogelijk uit een of andere periode vóór de ballingschap. Van de Psalmen, die geen auteur vermelden, zijn sommige als Ps. 2 van David afkomstig, getuige het N.T. (Hand. 4:25), andere uit de tijd van de ballingschap. Er zijn in ieder geval geen overtuigende argumenten aangedragen om sommige psalmen later dan ± 500 vóór Christus te dateren. Zowel de bij de Dode Zee gevonden kopieën van vroegere psalmrollen als de inhoud van de Koningspsalmen in relatie tot Davids huis maken bovenstaande dateringsgrens waarschijnlijk.
Gezien teksten als Ps. 72:20, waar staat dat de gebeden van David eindigen, mogen we tevens aannemen, dat de groepering der Psalmen in boeken al van vrij oude datum is. Zo zijn Davids psalmen kennelijk in de eerste twee boeken verzameld, terwijl boek 3 volgens sommigen de opwekking onder Josia spiegelt, volgens anderen de regering van Hizkia, en het vierde en vijfde boek een collectie vertonen van verschillende tijden.
Aramese uitdrukkingen en andere taalkundige kenmerken, die vroeger geacht werden op een late ontstaanstijd te duiden, zijn recent in veel oudere literatuur teruggevonden. Bovendien staat vast dat de aramese Targum op de Psalmen berust op een mondelinge targum, welke vanaf het begin in de synagoges werd gebruikt en dus minstens uit de tijd van de ballingschap dateert.
4.De betekenis en motieven der Psalmen
De vormhistorische school (Gunkel, Mowinckel, Snaith ea.) heeft de Psalmen in typen en soorten (Gattungen) ingedeeld en gezocht naar het klimaat, waarin zij ontstaan zijn (Sitz im Leben). Deze vorm van onderzoek heeft tot de meest merkwaardige en uiteenlopende resultaten geleid. Terwijl de één een psalm achtte te getuigen van een samenkomst der gemeente in het heiligdom, vond de ander er typisch de trekken van individuele godsvrucht in. De grote vraag is, welke techniek en welke norm men hanteert bij de bepaling van het ontstaansklimaat en de sfeer waarin de Psalmen dan het eerst gefunctioneerd hebben. Hier doet zich de vraag voor naar de waarde van de opschriften der Psalmen. Er worden in die opschriften een aantal technische, meest muzikale termen gebruikt, die in elk geval in een bepaalde richting wijzen. 75 Psalmen heten mizmoor: een lied met instrumentale begeleiding, 27 heten sjier, een lied dat geen begeleiding behoeft, maar puur vocaal bedoeld is, 13 heten masjkiel, een leerdicht, 6 heten miktam, afgeleid van een werkwoord dat ‘bedekken’ betekent en met verzoenen in verband kan staan: een verzoeningspsalm. 5 Psalmen heten tefilla, een gebed, en 5 heten tehilla, een loflied. Tenslotte heet er één sjiggajon, een woord waarvan de betekenis onzeker is (treurlied?).
De vraag is nu, of we aan de hand van deze termen tot een typering van de desbetreffende Psalmen kunnen komen. Het nadeel van deze methode is dat de inhoud zich vaak niet rechtstreeks uit de opschriften laat verklaren. Hiermee is niet gezegd, dat er een verschil van eeuwen ligt tussen sommige opschriften en de tekst van diezelfde Psalmen, wel dat die opschriften de inhoud in een sterk liturgisch verband geplaatst hebben. Achter deze setting kunnen wij niet terugvragen. De geschiedenis van de openbaring van Israel is ons niet toegankelijk dan in de laatste, masoretische vorm, die ook voor Jezus en de apostelen laatste norm geweest is en bron van Gods openbaring aan en onder Israel.
Er zijn echter aanduidingen in sommige opschriften die ons verder brengen. Het gaat dan om mededelingen die betrekking hebben op gebeurtenissen in het leven der psalmisten en met name van David; zie bv. Ps. 56. Deze notities zijn geschikt om te helpen, de Psalmen naar hun inhoud te situeren en ook te dateren. Dit betekent tevens, dat het Psalmboek niet alleen in een liturgische situatie past, doch evenzeer een persoonlijke relatie tot God of een onderwijspositie als inhoud kan hebben. Terecht wijst E.J. Young in zijn inleiding op het O.T. erop, dat hedendaagse christenen die de Psalmen wel in de eredienst zingen, maar ze niet in persoonlijke vroomheidsoefening gebruiken, het Psalmboek onrecht aandoen.
5.De Psalmen en het N.T.
In het N.T. worden ± 500 maal teksten uit de Psalmen niet rechtstreeks geciteerd, maar waarschijnlijk wel gecommentarieerd. Verder zijn er ruim 100 plaatsen, waar psalmteksten rechtstreeks worden aangehaald. Van deze 100 zijn het meest aangehaald Ps. 2, 22, 34, 69, 95,104, 110 en 118. Ps. 2 wordt zesmaal rechtstreeks aangehaald, in Hand., Heb. en Op. Ps. 22 achtmaal, in Mat., Mar., Luc, Joh. en Heb. Ps. 34 driemaal, in 1 Petr. en Joh., Ps. 69 viermaal, in Joh., Hand. en Rom. Ps. 95 driemaal, in Heb. Ps. 104 viermaal, in Mat., Mar., Luc. en Heb. Ps. 110 negenmaal, in Mat., Mar., Luc, Hand., 1 Kor. en Heb. Ps. 118 achtmaal, in Mat., Mar., Luc. en Joh. Bij deze telling zijn wat betreft de synoptische Evangeliën alle tekstplaatsen afzonderlijk genomen.
Het is nu de vraag, of we in al deze citaten met alleen messiaans opgevatte citaten te doen hebben. Opvallend is reeds, dat van de genoemde Psalmen 2, 95, 104 en 118 geen opschrift hebben, dat een messiaanse opvatting en gebruik in de israelitische liturgie rechtvaardigt. Ook de wijze waarop het N.T. bv. Ps. 2 citeert, ziet wel in alle teksten op één na (Op. 2:26) uitsluitend op Jezus, doch stelt Hem niet alleen als de messiaanse Koning en Zoon van David voor. Evenzeer Zijn (hoge)priesterschap wordt met Ps. 2 gestaafd (Heb. 5:5). En zo geldt het ook sommige citaten uit die andere bekende messiaanse Psalm 110 (Heb. 5:6; 7:17, 21). Onze conclusie is: a) dat het gevaarlijk is, van messiaanse teksten te spreken, wanneer men vergeet dat het geheel van een geciteerde Psalm en zelfs heel het O.T., beter: de Schrift, voor Jezus en de apostelen een messiaans Boek is, b) dat, indien er sprake is van het citeren van messiaans opgevatte teksten, het de evangelisten en apostelen niet slechts om de koning en zoon van David gaat, maar ook om de priester, die door zijn meerder en beter offer het Woord vervult.
In dit kader is natuurlijk ook de vraag belangrijk, of de uitleg van Jezus en de apostelen terzake van oudtestamentische teksten in het algemeen en die der Psalmen in het bijzonder beslissend is voor onze uitleg van deze teksten als zodanig. Zoëven bleek reeds, dat het niet altijd mogelijk is aan te geven, waar we met een nieuwtestamentische uitleg van een oudtestamentische tekst te doen hebben, en dit temeer niet, aangezien de schrijvers van het N.T. zonder uitzondering een in het O.T. gedrenkte taal gebruiken. Daarom kan de vraag slechts in een algemene zin worden beantwoord, en wel zo dat het verstaan van het O.T. als geheel door de nieuwtestamentische schrijvers voor ons inderdaad gezaghebbend en beslissend is. Echter niet in die zin, dat waar wij soms niet weten, of we met een citaat uit het O.T. of een toespeling op een oudtestamentische tekst te doen hebben, er geen ruimte over zou blijven voor ‘zelfstandige’ oudtestamentische exegese. Wellicht kan ons het woord van Martin Buber met betrekking tot het verstaan van Tenach in zijn geheel en in onderdelen helpen:
‘De Bijbel wil als één Boek gelezen worden, zodat geen van zijn delen in zichzelf besloten blijft, veelmeer elk (deel) naar elk (deel) opengehouden wordt’.
VERKLARING
Psalm 1
De NBG-vertaling verdeelt de eerste Psalm in 3 delen: vss 1-2, 3, 4-6. Het eerste deel cirkelt rond de tegenstelling, uitgedrukt door ‘maar’ vs 2, het tweede deel trekt de gevolgen uit het welgevallen aan des HEREN wet, en het derde deel trekt de gevolgen uit de raad der goddelozen en de weg der zondaars vs 1, om te eindigen met de hernieuwde tegenstelling en toekomst van rechtvaardigen en goddelozen.
De eerste tegenstelling raakt goddelozen tegenover rechtvaardigen, de laatste tegenstelling rechtvaardigen tegenover goddelozen (chiasme). De eerste raakt mensen rond Gods wet, de tweede raakt God Zelf.
De Psalm begint met het woord welzalig, dat boven 7 Psalmen staat en zowel van het werkwoord gelukkig prijzen als van rechtuit gaan afgeleid kan zijn. Het is goed de notie van de rechte weg in deze zaligspreking te horen, omdat het vervolg van de Psalm daar aanleiding toe geeft. De Septuagint gebruikt hetzelfde woord als wat Jezus 9 x in Mat. 5 gebruikt.
Hoewel de psalmist met ‘de man’ niet alle mensen bedoelt, maar speciaal diegenen die al hun tijd aan Gods wet besteden, gebruikt hij het onbepaalde woord ‘de man’ of mens (zo in Deut. 3:11 en 2 Sam. 7:14) als om aan te geven dat deze zaligspreking niemand wil uitsluiten, maar juist uitnodigt tot het hier (aan)geprezen leven. Dat van hem gezegd wordt: Hij wandelt niet in de raad enz., betekent dan ook niet, dat in zijn geval zo’n goddeloos leven bij voorbaat onmogelijk of ondenkbaar is, maar dat hij de rechte keus doet.
Vs 1 bevat de climax van wat in drievoud bij Gods wet en weg vandaan voert, zonder dat dit ook een inhoudelijke climax behoeft te zijn, waarbij het 2e erger is dan het le en het 3e nog weer erger. Het wandelen, (stil)staan en (neer)zitten mag op gradaties in het kwaad duiden, waarschijnlijk is het om er 3 aanduidingen van dezelfde weg (vs 6) in te horen.
Terwijl de goddelozen in 3 variaties reeds aan het begin omschreven worden – de goddelozen zijn de openbare zondaars, de zondaars zijn degenen die hun (levens)doel missen, de spotters staan tegenover de wijzen – blijft ‘de man’, die zo niet wandelt, staat of zit, voor ons anoniem tot het einde van de Psalm, waar vss 5 en 6 2 x de rechtvaardigen genoemd worden. Toch is hij niet zo anoniem als het schijnt, want vs 2 omschrijft hem nauwkeurig: met een zelfstandig naamwoord zijn welgevallen en met een werkwoord ‘overpeinst’. Dit werkwoord, dat door Jes. beurtelings voor het kirren van een duif (38:14) en het brullen van een leeuw (31:4) gebruikt wordt, houdt het midden tussen halfluid lezen en murmelend overdenken, als het toegepast wordt op mensen. Wellicht is ons ‘murmelen’ het meest op zijn plaats, wanneer we het doel, het bestuderen van des HEREN Tora, erbij bedenken.
De inhoud van de Tora is meer dan die van een wetboek. Het gaat om Gods onderwijs en leiding, waarin tegelijk de openbaring van Godzelf vervat is. Hij is de Weg, die de weg wijst.
Het tweede deel van de Psalm treft de vergelijking met een boom, die (over)geplant wordt uit zijn ontstaansgrond naar een vruchtbare tuin. Het loof dat niet verwelkt, kan vergeleken worden met het altijd groene en geneeskrachtige blad aan de levensboom, die staat aan de rivier van het levenswater in het laatste hst. van de Bijbel. Behalve naar Gen. en Op. verwijst het beeld naar Jer. 17:8 en Ez. 47:12. De woorden al wat hij onderneemt, gelukt, herinneren aan Joz. 1:8. De woorden welzalig, welgevallen en gelukt dienen op elkaar betrokken te worden. Het ‘welgevallen’ heeft met vreugde te maken, maar ook met een wens. De rechtvaardige richt zich op Gods wet, en al wat hij onderneemt, is niets anders dan dat hij bij dag en nacht Gods wet ‘murmelt’, di. zachtjes reciteert. Welnu, daar verbindt God het geluk aan van één die zalig gesproken wordt. De goddelozen, de openbare zondaars van vs 1, worden in vs 4 vergeleken met kaf, dat door de wind wordt verstrooid, zoals wanneer in de dorstijd een boer koren en kaf samen ora-hoogwerpt en het koren schoon neervalt, terwijl het (lichtere) kaf door de wind wordt weggevoerd.
In vs 5 wordt dan een conclusie getrokken, die aan vs 1 herinnert. Het gericht, de acute rechtspraak over concrete vergrijpen, staat voor de goddelozen tegenover hun et-gen raad, en de vergadering (of gemeente) der rechtvaardigen tegenover de (levens)weg van de zondaars, die hun doel missen. Zij houden geen stand, en dat sluit precies aan bij de laatste zin, waarin de tegenstelling tussen rechtvaardigen en goddelozen herhaald wordt. Die geen stand houden in het gericht, vergaan. De (levens)weg der goddelozen voert naar de ondergang, is een neergaand pad, dat in het verderf eindigt. Het geheim van de rechtvaardigen èn van hun ‘geluk’ en welzalig-zijn is dat de HERE hun levensweg kent. Hij bemoeit Zich met hen, bekommert Zich om hen, oefent gemeenschap met hen en Hij leidt hen. En Hij doet dat voortdurend, zoals zij dag en nacht zijn Tora ‘murmelen’. Hiertegenover moet het wel opvallen, dat bij de weg der goddelozen de HERE niet genoemd wordt: Hij komt er niet aan te pas. Bovendien mag het kennen van God in verband worden gebracht met het kennen van Gods Tora, wet en openbaring, door de rechtvaardigen. Tegenover de andere levensweg, die vergaat, staat de opgaande weg, waarvan Asaf belijdt:
Gij zult mij leiden door uw raad,
en daarna mij in heerlijkheid opnemen (Ps. 73).
Onder de Bijbelcritici wordt ervan uitgegaan, dat Ps. 1 zeer laat ontstaan is, zowel op taalkundige als op tekstkritische gronden. Wie deze gedachte is toegedaan, moet eigenlijk op ongeveer dezelfde gronden besluiten, dat alle Wijsheidspsalmen van late datum zijn. Met het oog op wat in 1 Kon. over Salomo en zijn wijsheid gezegd wordt, menen wij, dat de wijsheidsliteratuur zonder bezwaar in het midden van de geschiedenis van Israel gedateerd kan worden.
Psalm 2
De NBG-vertaling verdeelt de psalm in 3 delen: het woelen der volken, Gods reactie, het besluit des HEREN over Zijn Zoon. Men kan ook deel 1 en 2 samen en het 3e afzonderlijk nemen. De verzen 10-12 kunnen ook nog apart gezet worden, want zij vormen een toepassing, die in een lofprijzing eindigt. De datering hangt min of meer af van wat men onder de volken en natiën verstaat. Men kan uitgaan van de assyrische en babylonische wereldmacht en wat daarop volgt. Tegen deze machten werd onder Israel en in Juda een voortdurende vergeefse rebellie gevoerd. Na hen komt de Messias, die als ‘ik’ het laatste deel van de psalm zegt of zingt met uitzondering van de laatste twee verzen. De Messias is de gezalfde, en men heeft de vraag wie deze gezalfde is, op veel manieren beantwoord: er werd gedacht aan David of Salomo of Uzzia of Hizkia. Ook de regering van Josia en de tijd van Jeremia werden tot de mogelijkheden gerekend. De taal wijst niet op een late ontstaanstijd, en het is de vraag of men de wereldwijde heerschappij van de Messias bij de datering als een laat gegeven tegen een zgn. vroegere conceptie van een eeuwige dynastie mag uitspelen. Het N.T. schrijft Ps. 2 aan David toe, Hand. 4:24-25, hoewel sommigen dit onzeker achten op grond van het argument dat de woorden ‘van David’ in het N.T. ongeveer de betekenis van ‘Psalm’ hebben. Wel legt het N.T. de verbinding tussen David en Jezus, op Wie Ps. 2 getuige Hand. 4:24 v; 13:33; Heb. 1:5; 5:5; Op. 2:26 rechtstreeks ziet. Wanneer men de Messias of gezalfde zoekt onder de koningen in Israel of Juda, dan zal de interpretatie van de volken afhankelijk zijn van de datering van deze gezalfde, zoals ook omgekeerd een gezalfde die heerst over de volken, bij een gedateerde volkerensituatie gezocht kan worden. Gaat men echter in de lijn van de Messias als Davids Zoon die tegelijk Davids Here is, dan worden ook de volken overeenkomstig zijn voortdurende heerschappij meer algemeen verstaan. In Hand. 4:27 vinden we hiervan een voorbeeld. Herodes, Pilatus, de heidenen en zelfs de volken van Israel maken de volken, natiën, koningen en machthebbers uit, die in Ps. 2:1-2 ter sprake komen.
De volken woelen (SV: woeden); het zo weergegeven werkwoord heeft oorspronkelijk met de donder te maken en wordt ook wel vertaald met onrustig zijn, zie Ps. 55:15 en 64:3. Nemen wij aan dat het tweede deel van vs 1 hetzelfde zegt als het eerste, dan is die onrust een zinnen op ijdelheid. We kwamen het hier gebruikte werkwoord reeds tegen in Ps. 1 bij de man, die Gods Tora ‘murmelt’ dag en nacht. Hier ligt de nadruk meer op het bedenken, het doelgerichte.
Het woord aarde vs 2 versterkt de gedachte, dat het niet om één concrete en historische situatie gaat, waarbij volken zich verzetten tegen een bepaalde, in Israel gezalfde koning, maar dat het om alle machthebbers gaat, die zich overal en in verschillende tijden tegen God en Zijn gezalfde verzetten. Het begrip^ met machthebbers vertaald, duidt op de doorluchtigen, SV: vorsten. Alles wat van hen gezegd wordt – zich in slagorde scharen en samenspannen – staat onder het voorteken van het woord ijdelheid vs 1, dat het ‘lege’ aanduidt. Er zit in dit vers een geweldige tegenstelling: alle volkeren en koningen die in grote onrust zich in slagorde scharen en samenspannen, bedenken niets meer dan ijdelheid en ledigheid; vgl. Gen. 1:2; Luc. 2:1-3.
Deze ijdele samenspanning richt zich tegen de HERE en Zijn gezalfde. Afgezien van de vraag of er een bijzondere, persoonlijke verhouding tussen God en de gezalfde bestaat, wordt in ieder duidelijk dat de zaak van God dezelfde is als die van Zijn gezalfde. De Messias vertegenwoordigt de HERE, de God van Israel, op aarde en behartigt Diens belangen. Het feit dat hij gezalfde is door en namens God, verbindt hem ook met zijn God en Diens besluit of inzetting, vs 7.
In vs 3 wordt duidelijk, dat de volken de heerschappij van God en Zijn gezalfde als slavernij ervaren; vandaar het werkwoord verscheuren of in tweeën scheuren. De banden kunnen misschien in verband gebracht worden met een woord, dat ‘tuchtiging’ betekent. Het woord voor touwen wordt door de Septuagint met ‘juk’ vertaald.
Gods reactie wordt in twee doubletten uitgedrukt: lachen en spotten, in toorn spreken en verschrikken. Vgl. met Gen. 11:5-8.
Het zetelen in de hemel onderstreept het koningschap van God. Dat van ‘de Here’ wordt gesproken, duidt op zijn heerschappij over volken en natiën, koningen en machthebbers. De werkwoordsvormen, die een toekomende tijd aanduiden, geven niet alleen aan wat God in de toekomst doet, maar ook hoe Hij gedurig handelt. Het woord gramschap betekent zoveel als gloed. Wat de HERE spreekt, begint met een in het Hebr. nadrukkelijk verklaard Tk’. De troon in de hemel correspondeert met de berg Sion, plaats van de troon over Israel, tevens plaats van Gods heiligheid: Israels paleis is verbonden met Gods paleis. Ik heb mijn koning gesteld. Buber vertaalt: belenen. Dan geldt de voorstelling dat aan Gods koning Israel in leen wordt gegeven.
De gezalfde gewaagt nu van het besluit of het recht en de regel des HEREN, waardoor hij koning en zoon geworden is. In 2 Sam. 7:14 wordt een soortgelijke relatie tussen de HERE en Davids zoon omschreven, ten gevolge waarvan de koning tot de HERE zegt: Gij zijt mijn Vader, mijn God, en God zegt: Ik zal hem tot een eerstgeborene stellen, tot de hoogste van de koningen der aarde (Ps. 89:27-28). Dat het werkwoord verwekken door God gebruikt is, bedoelt niet een geboortegeschiedenis van de Messias van eeuwigheid te vertellen. Er wordt ‘heden’ aan toegevoegd om de verwekking van de zoon en zijn installatie tot koning te laten samenvallen. Calvijn leest dit verwekken in relatie tot het verstaan van de mensen: David was door God gegenereerd, toen zijn verkiezing duidelijk openbaar werd. De eerder genoemde citaten van Ps. Heb. hebben wèl de geboorte van de Zoon van eeuwigheid op het oog. Het woord zoon in de verbinding Mijn zoon zijt gij, duidt (mogelijk) op een adoptieformule. Zoon kan duiden op een verdere relatie dan die tussen vader of moeder en kind, zoals blijkt uit wat van Naomi gezegd wordt: aan Naomi is een zoon geboren (Ruth 4:17). De aanspraak mijn zoon tot een leerling is gebruikelijk in de wijshèidsliteratuur. Een onderworpene noemt zich vaak: uw zoon, zie 2 Kon. 8:9 en 16:7. De zonen en dochters van Sion zijn de kinderen van Sion in de breedste zin van het woord. Vaak ook betekent zoon iemand die behoort tot. Het zou dus niet noodzakelijk zijn, dat de zoon van Ps. 2 tot God in een natuurlijke verhouding staat van vader-zoon. Toch blijft het waar dat de combinatie van ‘zoon’ en ‘verwekken’ de vader-zoon-relatie zo duidelijk invoert, dat de apostel de tekst gebruikt voor de verhouding van God de Vader en Jezus Christus.
Vraag Mij en Ik zal geven. Ahasveros’ woorden tot Ester (Ester 5:3 en 6) en Herodes’ belofte aan Salome (Mar. 6: 22-23) zijn van gelijke strekking. Hier gaat het echter niet om een gunst, maar om een leen ofwel de bekrachtiging van de heerschappij van de gezalfde door God als Zijn eigen heerschappij. Dezelfde volken die onrustig worden vs 1, worden nu het erfdeel of buit van de gezalfde. Gaat het hier om personen, in het volgende gaat het om land als bezit. Dat daarbij de einden der aarde worden genoemd (het hebr. woord duidt op wat helemaal aan het eind is èn wat daarachter is, de abyssos), zegt dat de heerschappij van deze gezalfde die van David verre overtreft. Het koningschap van Gods gezalfde is altijddurend, maar ook de hele wereld omvattend, omdat het ten diepste Gods eigen koningschap is.
Beter dan verpletteren is het om met de Septuagint te vertalen: hoeden. De ijzeren knots is dan ook te verstaan als de herdersstok en -staf van Ps. 23:4. Wel blijft over dat de stok van ijzer is en dat het vat kapotgeslagen wordt. Het beeld van de herder treft in de gezalfde des HEREN samen met het beeld van hem die volken tuchtigt, welke in opstand zijn gekomen tegen God en Zijn gezalfde.
De toepassing en lofprijzing richt zich in vs 10 tot hen, die in vs 2 zich in slagorde schaarden en samenspanden. Laat u gezeggen, zo vervolgt nu de psalmist. Het kan ook met de SV vertaald worden als: laat u tuchtigen. In dat geval is het een toespeling op de banden en touwen vs 3, waarin we zijdelings de betekenis van tuchtiging tegenkwamen, evenals in vs 9. De richters der aarde worden niet in hun functie van rechtspreken, maar als regeerders vermeld.
In vss 11-12 komen de elementen van vrees en blijdschap samen. Het gaat wel om een dienst van de HERE, waarin de slavenband (zie onder vs 3) meeklinkt, maar ook om een juichen, zich verheugen, zij het met beven. Bij kust de zoon valt te denken aan een gebaar van onderwerping, waarbij men de hand kust van degene, die men als heerser erkent. Onderweg ziet op de tocht van de slagorde tegen de HERE en zijn gezalfde vs 2.
Wat de NBG-vertaling met zeer licht weergeeft, vertalen SV en Buber met ‘een weinig’: als zijn toorn maar een beetje ontbrandt, vergaat de weg van zijn tegenstanders. Ps. 2 eindigt met het welzalig, waarmee Ps. 1 begint. In vroegere tijden zijn de twee eerste Psalmen door velen als een eenheid opgevat.
Welzalig allen die bij Hem schuilen: als dit woord oorspronkelijk ook ‘vrezen’ betekent, ‘schrik’, vinden we ook hier weer die dubbele trek van vertrouwen en vrezen, die de dienst des HEREN in deze Psalm kenmerkt.
Psalm 3
In onderscheid van Ps. 1 en 2 heeft Ps. 3 een opschrift. Vertalers hebben er, waarschijnlijk op grond van vs 6, bijgeschreven dat het een morgenlied is. Het motief van Davids vlucht voor Absalom herinnert aan 2 Sam. 15. De hebr. tekst en Sept. hebben beide dit opschrift, en er is geen reden aan de juistheid ervan te twijfelen. De Psalm begint met de vijanden die vss 2-3 beschreven worden. Dan belijdt de psalmist biddend, vss 4-5, hoe groot de HERE is. Vervolgens zegt hij vss 6-7, hoe hij op God vertrouwt en niet vreest. Tenslotte bidt hij vss 8-9 de HERE aan voor de strijd en spreekt hij Gods verlossing en overwinning uit.
De tegenstanders zijn volgens het hebreeuwse woord de benauwers van David.Talrijk worden ze genoemd en 2 x heten ze velen. ‘Velen zeggen van mij’ ofwel ‘van mijn ziel’ (SV). Vertalen we nefesj of ziel met het totale leven, dan houdt het zeggen van Davids benauwers in, dat zijn leven geen hulp of heil heeft bij God. Zijn leven zal in deze strijd, waarin er geen ontkomen is, niet gered worden. Of: deze vlucht is teken, dat God hem niet redden wil.
Het tegenovergestelde is echter waar. God is zijn schild, vgl. met Ps. 84:10 en 89:19. In Ps. 89:19 is God als schild verbonden met de koning van Israel, en hetzelfde geldt hier: God als schild garandeert Davids koningschap over Israel. David is niet maar persoonlijk de inzet van de strijd, doch het koningschap over Israel is de reden waarom Absalom Israels hart stal. Het opgeheven hoofd herinnert aan Gen. 4:7 en is hier teken van overwinning.Davids eer houdt zijn gewicht, zijn positie in. God is het gewicht, dat David nodig heeft om met inhoud koning te zijn.
Voor Gods heilige berg zie bij Ps. 2:6. Wanneer hier zonder meer Sion bedoeld is – wat overigens de vraag is -dan betekent het dat Absalom Jeruzalem wel kan innemen, maar dat Gods huis aan Davids God voorbehouden blijft. Zie 2 Sam. 15:29.
Ik legde mij neder en sliep, vs 6, vgl. Ps. 4:9. David is in God gerust en kan slapen. Hij durft zijn vlucht te onderbreken, zie 2 Sam. 16:14. De tienduizenden van vs 7 vormen letterlijk: de zeer grote menigte, vgl. ook de ‘talrijken’ en velen van vss 2-3. Al Davids tegenstanders zijn erin samengevat. Deze menigte doet 2 dingen: ze omsingelt David en stelt zich tegen hem (in slagorde).
Sta op, HERE, en wat er volgt, herinnert aan wat Mozes placht te zeggen, wanneer de ark ging opbreken (Num. 10:35).
Vs 9 is een antwoord aan wie zeggen dat David geen hulp of heil heeft bij God. Een antwoord op het gebed: Verlos mij, vs 8. Driemaal wordt in deze Psalm van ‘redden’ en ‘redding’ gesproken. Gods zegen houdt Gods levenskracht in. Gods zegen zal dan ook uitmaken, wie het in de strijd uithoudt en zo overwint. ■
Psalm 4
Deze psalm geldt bij velen als een avondlied, vanwegehet slotvers en vanwege vs 5. Het gaat om het heil bij God, dat daarin bestaat dat de psalmist roept en de HERE antwoordt (vs 2) en hoort (vs 4). Er is geen reden om Gods horen en verhoren van elkaar te scheiden. Wat in vs 2 een gebed is, is in vs 4 zekerheid. Dat heeft alles te maken met de gunstgenoot, de trouwe en loyale, die God Zich heeft afgezonderd (voor de redding van wie bidden tot de God van hun gerechtigheid). Deze trouwe houdt aan God vast, maar ook aan wie op God vertrouwt. Men kan menen, dat de psalmist met deze gunstgenoot zichzelf bedoelt, maar noodzakelijk is het niet.
Tegenover deze gunstgenoot staan de ‘mannen’vs 3, die de eér, het gewicht van de psalmist tot schande maken. Hoewel soortgelijke aanduidingen in Ps. 49:3 en 62:10 doen denken aan belagers, is er hier en aan het slot geen reden om van vijandig optreden van deze mannen jegens de psalmist te spreken. Zij kunnen zich bekeren door een weten aangaande Gods gunstgenoot, door bewaring voor de zonde, door rechte offers. Zij dienen te komen tot dezelfde gerechtigheid, die bij de psalmist gevonden wordt in zijn verhouding tot God en Gods verhouding tot hem: vgl. vs 2 met vs 6, waar NBG vertaalt met offers naar de eis, maar de SV spreekt van offeranden der gerechtigheid, omdat hetzelfde woord gerechtigheid in de hebr. tekst gebruikt wordt als in vs 2. Het gaat daarbij zowel om goddelijke als menselijke gerechtigheid. Het gaat om een tweezijdige verhouding. De raad van vs 5 wordt in een andere versie ook gevonden in Ef. 4:26.
Het laatste deel (vss 7-9) spreekt van mensen, die de in het O.T. niet ongebruikelijke vraag stellen: Wie zal ons het goede doen zien? Ook wanneer men deze ‘veten’ (zie Ps. 3:3) gelijkstelt met degenen die vroeger rijk geweest zijn (vs 8), is het nog niet nodig hen op één lijn te stellen met de ‘mannen’ van de vorige strofe. Misschien zijn zij degenen die David vergezeld hebben in zijn vervolgd leven en nu teleurgesteld zijn. David bidt dan ook, dat de HERE het licht van zijn aanschijn over ‘ons’, over David en de zijnen verheft. Prachtig sluit Gods lichtend aanschijn aan op het zien of niet-zien van het goede. Het leger van de ‘mannen’ en Davids slaapvertrek zijn vergelijkbaar: vanuit zijn vrede (vs 9) raadt David hen aan te zwijgen (vs 5). David kan aanstonds inslapen; hij ligt itt. de ‘mannen’ niet eerst een tijd te woelen. Hij behoeft niet tot rust te komen. Hij heeft sjalom, vrede, onbevangenheid, welzijn.
Psalm 5
NBG spreekt in het opschrift van fluitspel, SV laat het hebr. nechilot onvertaald, terwijl de Septuaginta er een erfenis in leest. De verschillende opvattingen hangen samen met diverse hebreeuwse woorden, waarvan nechilot kan zijn afgeleid. Muzikale aanduiding verdient de voorkeur.
De vier strofen, die NBG in dit morgengebed (vs 4) onderscheidt, gaan over God en David, God en de bozen, God en David tegenover zijn belagers, God en degenen die bij Hem schuilen.
Wat in vs 2 NBG met verzuchting, SV met overdenking weergeeft, is het geruis van een flakkerende vlam, een steunen dat teruggevonden wordt in Rom. 8:26. Een levende beschrijving van dit steunen vindt men in Ps. 39:4. Het wordt in vs 2 verbonden met hulpgeroep tot God, die de Koning is van koning David. Dat de morgen met dit steunen en hulpgeroep gevuld wordt, is ongewoon. Des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich (Ps. 30:6). Daarom is er een speciale reden, waarom David deze scheppingsregel en liturgische orde doorbreekt, nl. zijn belagers (vs 9).
Leg ik het U voor is afgeleid van een werkwoord, dat het in orde brengen van hout voor het offer en van het offer zelf, van de lampen in de tempel en van de toonbroden omschrijft. Het klaarmaken van het hout voor het brandoffer was een priesterlijke taak in de vroege morgen (Lev. 6:12) en het is waarschijnlijk dat David daarbij aansluit: zo leg ik U mijn hulpgeroep voor en wacht, zie uit naar een antwoord. Het gaat te ver om in dit handelen en in de toegang, die David tot Gods huis heeft, een priesterlijke trek aan Davids koningschap te lezen.
Vs 5: ‘Want’geeft een oorzaak aan. God heeft geen welbehagen aan goddelozen. Aangezien geen boze bij God kan vertoeven (als gast en vreemdeling, die zijn toevlucht tot deze Koning neemt), geeft David indirect hiermee te kennen, dat hij rechtvaardig is en daarom zijn hulpgeroep en gesteun als een vreemdeling, die recht zoekt, voor God brengt. De aanspraak mijn Koning en mijn God (vs 3) krijgt door dit beeld van de vreemdeling, die recht zoekt, extra betekenis. Van God mag dit recht verwacht worden: David kan erop wachten. God laat echter geen bozen toe aan Zijn hof, en ook zo is het antwoord voor een die hulp zoekt, gegarandeerd.
Vs 6: de ‘verdwaasden’, door de Septuaginta als boosdoeners, door SV als ‘onzinnigen’, door anderen als ‘pralers’, verblinden opgevat, zijn zij wier verblindheid door goddeloosheid wordt ingegeven. Zij kunnen voor Gods ogen, in het licht van Zijn aangezicht niet standhouden. Blindheid en het licht der ogen staan tegenover elkaar. Het is goed erop te letten, hoe de bozen in deze tweede strofe worden aangeduid als kwaaddoeners, verdwaasden of verblinden, bedrijvers van misdaad, leugensprekers, mannen van bloed en bedrog. In drie negatieve en drie positieve uitspraken wordt vss 5-7 Gods afschuw van de bozen en het niet-verlenen van gastvrijheid aan hen uitgesproken.
De derde strofe stelt de psalmist David als voorwerp van Gods menigvuldige goedertierenheid voor. Deze goedertierenheid, door de Septuaginta met erbarmen weergegeven, is niet strijdig met het feit, dat David rechtvaardig is en niet tot de bozen behoort. Grondbetekenis van chèsed is, dat men anderen gastvrijheid en vriendschap bewijst en als zodanig in een duidelijke verhouding tot elkaar staat. Deze verbondheid van God met David, die zijn Koning en zijn God belijdt, berust niet op Davids gerechtigheid, maar zou wel verstoord zijn, wanneer David zich als een boosdoener gedroeg. Daarom zegt David ook niet vs 8, dat hij ogv. zijn gerechtigheid, doch dank zij Uw grote goedertierenheid Gods huis binnengaat: de tabernakel is immers tegelijk Gods paleis, de ark offerplaats voor het bloed èn troon. In dit vers komt David terug op vss 2-4. De heilige tempel (vgl. Jona 2:4) is Gods aan-spreekplaats, de plaats van de offers (zie onder vs 4) ènde plaats van Gods koninklijk antwoorden. Devreze voor God kan geen angst voor God betekenen, want dat zou bij de bozen passen, die bij God gehaat zijn. Het is de vreze en eerbied voor God, die de dienst aan Hem inhoudt.
Tegenover dit dienen van God, waarbij het gebed om leiding voor de dag, die nu begint (vs 9) past en waarbij de leiding door Góds gerechtigheid geschiedt, staan de belagers. Dit voegt een nieuw aspect toe aan het beeld van de boze uit de tweede strofe. Dat David God vraagt zijn weg te effenen om mijner belagers wil, duidt erop dat David alleen van God een antwoord verwacht. Niet de sterke arm, maar dit antwoord maakt hem sterk tegenover zijn vijanden, zie Ps. 3. Het kan ook betekenen, dat de vijanden David de gunst van God (zijn koningschap?) betwisten. Vs 10 plaatst hun zonde in hun binnenste en in hun mond, en vs 11 slot verklaart dat hun eigenlijke vijandschap God aangaat. Er wordt dan ook van een veelheid van overtredingen gesproken tegenover de veelheid van Gods goedertierenheid in vs 8. Wie zo doen, verbreken het verbond met God, en dät is hun weerspannigheid.
De laatste strofe verbreedt het vertrouwen van David tot iets dat allen aangaat, die bij Uschuilen. Bovendien onderstreept deze strofe door de werkwoorden schuilen en beschermen en door het zelfstandige naamwoord schild de betekenis van God en Zijn woning als toevluchtsoord. Altoos (vs 12) is de vertaling van het hebr. le’olaam, door SV weergegeven met ‘tot in eeuwigheid’. Ook de Septuaginta wijst met haar weergave in deze richting. Is met ‘altoos’ slechts het leven tot aan de dood bedoeld, of is ook het ‘leven na dit leven’ erbij betrokken? Omdat het gaat om degenen, ‘die Uw naam liefhebben’, mogen wij het antwoord zoeken in de richting van God Zelf. De duur van Gods bescherming wordt bepaald door de duurzaamheid van Zijn koningschap. Daarom past de vertaling: voor eeuwig.
Dat God de rechtvaardige zegent = hem levenskracht schenkt, brengt ons terug bij het begin en bij Ps. 4: al noemt David zichzelf niet rechtvaardig, doordat hij God de God van zijn gerechtigheid noemt en doordat God de rechtvaardige zegent, komt David te staan in de rij der rechtvaardigen.
Het welbehagen van vs 13 staat in scherpe tegenstelling tot de goddeloosheid, waaraan God geen welgevallen heeft.
Psalm 6
De Psalm moet bij snarenspel gezongen worden. De andere betekenis van neglnot, spotlied, is hier nauwelijks van toepassing.
‘Straffen’ en ‘kastijden’ vs 2 werpen als vanzelf de vraag op: wat heeft David gedaan? Maar wij zoeken tevergeefs in deze psalm naar een aanwijzing van concrete zonde(n).
Het is denkbaar dat deze eerste van zeven boetpsalmen (6, 32, 38, 41, 102, 130 en 143), die sterke overeenkomsten vertonen met Ps. 38, Gods toorn uitdrukt in de vijandigheid van al gij bedrijvers van ongerechtigheid (vs 9). De kastijding in toorn kan worden omgezet in een kastijding uit liefde, en dat zou David zoeken.
In vs 2 is ‘straffen’ de vertaling van een woord, dat ‘terechtwijzen’ maar ook in orde brengen en oordelen, doch eveneens beslissen kan betekenen. Met de vertaling kastijden is het net zo gesteld. Onderwijzen en terechtbrengen zijn evenzeer wettige vertalingen als tuchtigen of kastijden. Daarom kan men Davids gebed zo opvatten: oordeel mij, maar niet in Uw toorn, breng mij terecht (onderwijs mij), maar niet in Uw grimmigheid. Die toorn en grimmigheid worden, net als in Ps. 32, concreet in Davids lichaam en gebeente: hij wordt lijfelijk ziek. Alleen is het in Ps. 32 aan hemzelf te danken, doordat hij zwijgt en zijn zonde niet belijden wil. Hier is het God, die zwijgt (zie vs 9). Ook het hoe lang nog van vs 4 wijst in deze richting, dat David verhoring verwacht. De terugkeer van God (vs 5), waarmee een spreken van God en tegelijk Zijn gunst bedoeld is, wordt nader ingevuld door het gebed red mijn ziel. David vraagt van God zijn leven uit de banden van de vijanden los te maken, die dan ook (vs 9) moeten wijken. Voor goedertierenheid als verbondsbetrekking tussen God en die op Hem hopen, zie bij Ps. 5:8.
Vs 6: wanneer God David laat sterven en hem, zijn ziel, zijn leven niet redt, dan wordt God ook niet geloofd en geprezen. Deze lof van God is door want als oorzaak met het gebed om verlossing verbonden.
Vs 8: dof geworden komt van een werkwoord ashash, dat zwak zijn betekent, terwijl het woord dat met ‘verdriet’ is weergegeven, eerder met krenking of kwelling kan worden vertaald. De benauwers hebben David gekrenkt.
In de grote, totaal onaangekondigde en onverwachte omkeer van vss 9-11 ligt tegelijk het antwoord op de vraag, wat het thema van deze psalm is. Tweemaal is van ‘horen’ sprake. De vormen van Davids gebed zijn aangeduid met: de stem van mijn wenen, mijn smeking, mijn gebed. Driemaal wordt God bij Zijn verbondsnaam genoemd. In drie uitspraken (vs 11) wordt met de vijanden afgerekend: zij zullen beschaamd staan, zeer verschrikt worden, nogmaals beschaamd staan en terugkeren of afdeinzen (NBG). Dit ‘terugkeren’ van de vijanden is met hetzelfde werkwoord uitgedrukt als het ‘terugkeren’ van de HERE, waarom David gebeden had. Zijn ziel, zijn leven is gered. God heeft gehoord. De vijanden wijken.
Psalm 7
Dit klaaglied (zie ook Hab. 3:1), is voor de HERE gezongen, vanwege de woorden van Kus, misschien één van de vele knechten van Saul. Anderen lezen in Kus Ethiopië, maar daardoor wordt de verbinding met de toevoeging Benjaminiet wel zeer onlogisch. De beste oplossing is mi., dat Kus genomen wordt voor een verschrijving van Kis. De omschrijving laat zich in dit geval vergelijken met 1 Sam. 9:1, en Kus is dan de samenvatting van het huis van Kis, alias Sauls huis, dat kwaad van David spreekt. Hun woorden houden in, dat David kwaad voor goed vergeldt. Het gaat daarbij niet alleen om Davids persoonlijk leven, maar om zijn spreken en handelen als koning van Israel. Kan iemand die kwaad voor goed vergeldt, koning over Israel zijn?
De psalm begint met een gebed en gaat verder met eenverdediging inzake de aanklacht: kwaad voor goed vergelden. Dan volgt een gebed om en een verzekering van Gods recht. De psalm eindigt met omgekeerde vergelding als waarvan David beschuldigd werd: de onrechtvaardige graaft een kuil voor een ander en valt er zelf in. De laatste regel is een loflied op Gods gerechtigheid.
Vs 2 spreekt van vervolgers, en hiermee is de situatie gekenschetst, waarin David een vluchteling is voor Saul. God alleen kan hem redden, want hij bidt: Red mij, opdat niet… zonder dat iemand redt. Het werkwoord voor redden bedoelt een uitrukken en bevrijden. Let erop, dat David zowel in vs 2 als in vs 4 spreekt van HERE, mijn God.
Het einde van de eerste en het begin van de tweede strofe zijn niet logisch met elkaar verbonden. Dat heeft nadruk. Van nu af neemt hèt thema van recht en vergelding een centrale plaats in. Vss 7, 9 en 12 wordt het werkwoord sjafat gebruikt: rechtsoefening in de praktijk, terwijl vss 9, 10,12 en 18 Gods tsedaqa: gerechtigheid in de zin van waarachtigheid, bezongen wordt. God maakt Zich waar, betoont Zich als de Waarachtige, en daarmee onderhoudt Hij het verbond met degene die rechtvaardig is, dwz. zich waarachtig betoont bij God en mensen. ‘Dat’ Wordt nu nader verklaard als onrecht, dat aan de handen kleeft, en kwaad, gedaan aan een, die in harmonie, in vrede (sjalom) leeft met degene die hem toch kwaad doet, in dit geval David.
De psalmist wijst de beschuldiging af en zegt dat het precies omgekeerd is: hij heeft gered, uitgerukt degene die hem om niets benauwde. Denk aan de twee malen waarin David Saul heeft gespaard en beter op hem lette dan degenen die de koning moesten bewaken. Daarom kan David ook de eed afmaken in een drievoudige betuiging: indien het zó met mij is en ik dat kwaad gedaan heb, dan ben ik niet waard te leven. Het geheel zegt duidelijk: David heeft goed voor kwaad vergolden.
De derde en vierde strofe zijn samen te nemen. Zij bevatten een gebed om en een verzekering van Gods recht. Gods toorn staat tegenover de woedeuitbarstingen (meervoud) van hen die David benauwen (zie ook vs 5). Het gaat bij Gods vijanden niet slechts om het huis van Saul of om de stam Benjamin, maar om de volkeren, in wier midden God als Rechter zit (vgl. Ps. 82:1) en boven wie Hij opvaart (Gen. 17:22, Ps. 47.6 en 68:19). De Rechter is tegelijk de Koning, Die in de hemelen op de troon zit.
In vs 9 is het eerste ‘richten’ zoveel als: ter verantwoording roepen; het gebed doe mij recht vraagt dan om een rechtsuitoefening, en Davids waarachtigheid in de ver-bondsrelaties wordt uitgedrukt door ‘gerechtigheid’ en ‘onschuld’ ofwel volkomenheid, zuiverheid. Vs 5 bracht die zuiverheid reeds onder woorden. In de rechtszitting met de volkeren past ook Davids zaak. Vs 10: God die Zelf het verbond in waarachtigheid onderhoudt, bevestigt in deze rechtszitting de zaak van de waarachtige.
Nu wordt het thema der vergelding omgekeerd. David blijkt waarachtig te zijn, maar de vijanden vallen in hun eigen zwaard. Opmerkelijk genoeg spreekt David met geen woord over zichzelf. Al dient zijn zaak in deze rechtszitting, het gericht strekt zich veel wijder uit over alle vijanden van God.
Vs 11 drukt uit, dat de Rechter tegelijk de Redder en de Bevrijder is van hen die recht van hart zijn. In vs 12 heeft NBG het hebr. werkwoord te mild vertaald: het gaat om de verwensing, de vloek die God uitspreekt over wie zich niet bekeren. Het te allen dage laat zich betrekken op de voortdurende rechtszitting, die God op aarde houdt.
Vs 13 wordt verschillend vertaald. Wanneer men het hebr. woord niet neemt als ‘bekeert’ of ‘zal bekeren’, maar als uitdrukking van herhaling: ‘alweer’, dan slaat het vers uitsluitend op de boze die alweer zijn zwaard wet en zijn boog aanlegt. NBG en SV kiezen voor een (ongenoemde) vijand, die zich niet bekeert en dan met Gods zwaard en boog te maken krijgt. Het beeld gaat dat van de rechtszitting te boven. Het is de veldheer en de koning, die zwaard en boog hanteert. In het licht van de vervloeking van vs 12 kan wat in vss 13-14 staat, van God gezegd zijn.
Vs 15: het eerste werkwoord kan evenzeer met ‘weeën hebben’ als met ‘bevrucht worden’ vertaald worden. Ongerechtigheid, moeite (of onheil) en leugen vormen een opeenstapeling. Het beeld onderstreept, dat de boosheid der goddelozen eigen schuld is. Alles komt uit henzelf voort. Zij verraden zichzelf in het gericht.
Vs 16: het beeld van dit vers is bij ons bekend in de vorm van een spreekwoord. Wie een kuil graaft voor een ander… zie ook Ps. 57:7; Spr. 26:27. Opvallend is, dat ook nu niet gezegd wordt, voor wie die kuil gegraven werd. Vs 17: nogmaals het ‘weerkeren’ uit vs 13, nu niet als een beeld van bekering, maar zó gebruikt, dat het onheil, waarvan de goddeloze zwanger is (vs 15), weerkeert op zijn eigen hoofd.
Men kan vs 18 zien als de lof op dit gericht dat de HERE oefent. Het gebed van vs 10 is verhoord. De boosheid hééft een einde genomen, de rechtvaardige is bevestigd. Nu wordt God voor Zijn gerechtigheid. Zijn onderhouding van het verbond gedankt en Zijn Naam bezongen. Dat Hij ‘de Allerhoogste’ is, blijkt daaruit, dat Hij Zich na Zijn gericht boven de volkeren verheft en vanaf Zijn troon doet wat Hij in het gericht op aarde gezegd heeft (vgl vs 8).
Psalm 8
Deze psalm is een van de bekendste uit het hele Psalmboek. Op drie plaatsen wordt hij in het N.T. aangehaald: in Mat. 21:16 (vs 3), in 1 Kor. 15:27 (vs 7) en in Heb. 2:6 (vs 5).
De toon is die van een loflied, dat niet de mens maar God geldt, die vss 2 en 10 bij Zijn verbondsnaam HERE, en als Here, adonaj, wordt aangesproken. ‘Onze Here’ drukt zowel het zich eigenmaken van God door de gelovigen uit, als Zijn heerschappij. Ook wanneer de betekenis ‘gebieder’ of ‘bezitter’ meedoet, dan krijgt het ‘onze’ toch evenzeer nadruk.
In vs 2 is ‘heerlijk’ tegelijk als machtig op te vatten. Dat van de hele aarde sprake is, doet ons de betekenis van erets eerder zoeken in de aarde dan in het land Israel. Debetekenis ‘land’ is niet uitgesloten, maar minder waarschijnlijk. Temeer daar de uitdrukking wordt aangevuld met ‘de hemel’ en ‘uw hemel’ in vss 2 en 3. Het uitroepen van Gods naam, nl. HERE, over de hele aarde is bedoeld als openbaring, en wel van de wettige Bezitter, vgl. Ps. plaats van ‘toont’ waarschijnlijk beter ‘bezingt’. Vs 3: sterkte gegrondvest is in Mat. 21:16 overeenkomstig de Septuaginta lof bereid. Het is niet ongebruikelijk om de lof van Gods naam en daarmee de erkenning van Zijn heerschappij als sterkte aan te merken. Het hebr. woord kan ook opgevat worden als bescherming, en in dit geval is de verbinding met kinderen en zuigelingen (vgl. met 1 Sam. 15:3 en 22:19) logisch. Doen verstommen is één aspect van een werkwoord met een bredere betekenis, waarin ook ‘doen ophouden’ (SV) meeklinkt.
De volgende strofe begint met de hemel vs 4 en zet daartegenover de mens vs 5, beter vertaald: de sterveling. Het is déze mens, ‘een kind op de aarde’, die in Heb. 2:6 met de mens en de mensenzoon, aan wie de toekomende wereld onderworpen wordt, gelijkgesteld wordt. Deze mensenzoon is Jezus (Heb. 2:9), die nu reeds zichtbaar met heerlijkheid en eer gekroond is. De ‘zoon des mensen’ houdt hier niet veel meer in dan de sterfelijke mens uit het eerste deel van het vers, maar wordt in andere teksten, bv. Dan. 7:13 w. tot de messiaanse heerser, aan wie de benaming Zoon des mensen voor Jezus in de Evangeliën herinnert. Sommigen menen, dat Jezus’ aanduiding van Zichzelf als Zoon des mensen teruggaat op Dan. 7:13 èn op deze psalm.
Vs 6: SV vat elohim hier als ‘engelen’ op in navolging van de Septuaginta en overeenkomstig Heb. 2:7, terwijl de meeste vertalingen van goddelijk spreken. Dit bijna goddelijke of weinig minder dan goddelijk staat dan in scherpe tegenstelling tot de sterfelijke mens, die door Gods gedenken en omzien wordt verheven tot ongekende hoogte en tot een positie, vergelijkbaar met die van Adam in het paradijs. De heerlijkheid en luister ofwel verhevenheid, waarmee God deze sterfelijke mens kroont, zijn in Heb. 2:7 en 9 op Jezus toegepast en bedoelen daar de heerlijkheid en eer van Godzelf. Hier betekent de heerlijkheid het gewicht, dat de sterveling nodig heeft om hoog verheven te regeren over alles dat God onder zijn voeten legt. Zijn heerschappij kan geen loze frase zijn. Overigens zijn ook in het O.T. en met name in de psalmen de heerlijkheid en luister kentekenen van de HERE zelf.
Vs 7: vgl.‘de werken van Uw handen’ met het werk van Uw vingers in vs 4. Het heersen van deze verheven sterveling die daartoe met heerlijkheid en luister gekroond is, is niet absoluut. Dat het de werken van Góds handen zijn, waarover de mens heerschappij voert, duidt enerzijds op een onbeperkt (toe)vertrouwen van God, anderzijds op de beperking: elke koning in het O.T. is koning onder God. ‘Onder zijn voeten gelegd’ (vgl. Ps. 47:4 en 110:1, ook 1 Kor. 15:25 ev.) is te vergelijken met het benoemen in Gen. 2:19-20.
Vss 8-9: de opsomming, hier gegeven, waarbij ook de vogels van de hemel ‘onder zijn voeten gelegd’ zijn, werd mogelijk gemaakt door vs 6: zó hoog is de mens verheven, dat hij weinig minder dan God gemaakt is.
Met vs 10 keert de psalm terug tot zijn begin: de lof van God, de gelovige toeëigening door het ‘onze’, en Gods heerschappij.
Psalm 9
Deze psalm, die is verdeeld in drie, volgens sommigen in vier of meer strofen, volgt aan het begin van elk vers de letters van het hebr. alfabet. De dood van de zoon in het opschrift is misschien vergelijkbaar met Ps. 48:15 en is aanduiding van een melodie. Sommige rabbijnen hebben er een toespeling op Goliaths dood in gehoord (hij heet isj habbenim), anderen via een omzetting een aanduiding van Nabals dood, maar geen bijzondere uitleg is nodig, wanneer wij er de aanduiding van een melodie in horen. De eerste strofe begint met Gods lof in vier zinnen, waarvan de laatste met de naam ‘Allerhoogste’ herinnert aan Ps. 7:18. In vs 4 wordt met drie werkwoorden het verdwijnen van de vijanden cumulatief omschreven. Het laatste werkwoord betekent niet minder dan verloren gaan, zie vs 18 en Ps. 1:6. Let erop dat David spreekt van mijn vijanden, die vergaan voor of van Uw aangezicht. God heeft Davids zaak tot de zijne gemaakt, en dat wordt in het volgend vers als een rechtsgeding aangeduid.
Vs 5: God zit op zijn troon. Hier en in vs 8 gaat het niet slechts om een rechterstoel, maar om een troon, vanwaar recht gesproken en recht gedaan wordt. Deze verbinding is voornamelijk te vinden in Spr. 20:8. God heeft Davids pleidooi en verzoek om oordeel ‘gedaan’, dwz. overgenomen en uitgevoerd, en heeft zo getoond, dat Hij op de troon zit als een Rechter, die de waarachtigheid (tsedek) van het verbond onderhoudt.
Vss 6-7: in vier zinnen wordt het recht, dat de Rechter uitvoert, beschreven. God heeft de volken gescholden (hebr. woord kan nauwelijks met ‘dreigen’ vertaald worden: het gaat om een schelden, waardoor de volken vergaan, vgl. Jes. 17:13), God heeft de goddeloze doen vergaan, God heeft hun naam uitgewist voor eeuwig en altoos. Dat de vijanden weg of, anders vertaald, ten einde zijn, blijkt uit het vierde dat God doet als gerichtsoefe-ning: Hij heeft hun steden ineen doen storten, ontworteld. Hun gedachtenis is vergaan. Hun sterkten zijn met de grond gelijk gemaakt en van hun naam is mets over. Er wordt eenvoudig niet meer aan hen gedacht.
Vs 8: maar God gaat tot in eeuwigheid door met de ge-richtsuitoefening vanaf zijn troon.
Vs 9: in dit gericht oefenen onderhoudt Hij de waarachtigheid van zijn verbond (gerechtigheid) en oefent Hij recht over de hele wereld.
Vss 10-11: nu wordt öok duidelijk, voor wie God dat doet en wiens zaak Hij aanneemt. Hij is een steile burcht voor de onderdrukte in die tijden, waarin men hem benauwt. In de afsluiting van dit gedeelte keert het bezingen van Gods naam (vs 3) terug: wie Uw naam kennen, vertrouwen op U. Zij zijn degenen die de HERE zoeken, en zij worden door Hem niet verlaten. Ongetwijfeld zijn ook in dit vers de onderdrukten bedoeld, die benauwd worden en een burcht zoeken in God en Zijn naam: HERE.
In de strofe die nu volgt, blijkt die burcht, die Godzelf is,op Sion gezocht te moeten worden. Zijn daden vs 12 kan men beter met Zijn handelen vertalen. Zoals God gezocht wordt vs 11, zo zoekt Hij vs 13 het bloed vergieten, en dat gedenkt Hij, of waarschijnlijker: Hij gedenkt hen = de onderdrukten, die hier ellendigen heten en wier geschrei itt. de goddelozen vs 7 niet verlaten of vergeten wordt.
In vs 14 stelt de psalmist zichzelf in hun rij, roept en verhaalt al roepende, wat God aan de ellendige doet. Tegelijk belijdt hij, dat God hem opricht uit de poorten van de dood. Dit roepen is, zoals vs IS blijkt, niets anders dan het bezingen van Gods naam en het (ver)tellen van zijn wonderen vs de poorten van de dochter van Sion, vs 12, dus daar waar Hijzelf woont, wordt gejuicht over zijn verlossing van de poorten van de dood.
In het laatste gedeelte worden nog eenmaal de partijen van de rechtszaak tegenover elkaar gesteld en worden de daden van elk van die partijen verteld. De volken vallen in de kuil, die ze groeven, en raken verward in het net dat ze in het geheim opstelden, vgl. Ps. 7:16-17. De HERE maakt Zich bekend in het uitoefenen van het gericht, daarin dat de boosdoener in het werk van Gods handen als in een strik gevangen raakt. De boosdoeners keren dan om of terug naar het dodenrijk, plaats van dood en hel en verderf tezamen, omdat zij God vergeten vs 18. Van de arme, die tegelijk de ellendige is, vallen geen daden te vertellen vs 19. Hij wordt niet altoos vergeten en zijn hoop vergaat niet, want Gód handelt voor hem.
De bede vss 20-21 herinnert in het sta op, HERE aan Ps. 3:8 en 7:7, zie aldaar, terwijl het woord sterveling hier tweemaal gebruikt wordt. Alles wat van de volken, de gojim, valt te zeggen, is dat zij stervelingen zijn. Dat is gericht vs 20, maar in dat gericht is er genade: God verhoogt de sterveling op ongekende wijze (Ps. 8:5), nadat hij in het gericht van God juist van al zijn vermetelheid ontbloot is.
Psalm 10
Deze psalm heeft geen opschrift. Omdat de letters van het hebr. alfabet in Ps. 9 tot kaph gaan en met de lamed in Ps. 10 vervolgen, en omdat de inhoud van Ps. 10 op die van Ps. 9 aansluit, is het aan te bevelen om Ps. 9 en 10 als eenheid te beschouwen. Aan het slot van vs 1 is sprake van tijden van benauwdheid. Daarom wordt vs 2 de ellendige benauwd, omdat de openbare zondaar trots ofwel hoog kan zijn. Wanneer de HERE Zich verbergt, treedt de goddeloze in de openbaarheid. De ellendige, de neergebogene is ontstoken ofwel in brand gezet, niet zozeer van toorn alswel van angst. Versmaden is weergave van een woord, dat ook ‘lasteren’ uitdrukt. Deze betekenis is, gezien de tegenstelling tot het voorafgaande zegenen, hier te verkiezen.
Vs 4: SV laat het (onder)zoeken slaan op de goddeloze, maar waarschijnlijker is, dat het betrokken moet worden op God, die niet (onder)zoekt, namelijk het hart van degene die Hem lastert. Zoeken is een betere vertaling dan rekenschap vragen. Gezien de slotsom: er is geen God, vgl. vs 13, is ook de omschrijving: God bekommert Zich niet (om mij en om de ellendige) van toepassing. In deze zin zijn de woorden: er is geen God, bedoeld in Ps. 14:1 en 53:2. Het woord voor gedachten, drukt speciaal de kwade gedachten, plannen en aanslagen uit.
Vs 5: het te allen tijde voorspoedig staat in schrille tegenstelling tot de tijden van benauwdheid, die de ellendige doormaakt vs 1. Dat Gods gerichten de goddeloze te hoog zijn, betekent zowel dat hij op aarde al te aards bezig is, als dat Gods gerichtsuitoefening hem niet raakt: hoog boven tegenover hem, zoals de hebr. tekst luidt. God en de goddeloze spreken en handelen op verschillend niveau. Het blazen tegen allen die hem benauwen, wordt door sommigen verstaan als leugens inblazen. In vergelijking met Hag. 1:9 en Ez. 37:9 is mi. de werkwoordsvorm (vs 5) als blazen in te verkiezen. Hij blaast in wie hem benauwen, betekent dan: ze betekenen niets voor hem.
Vs 6: zowel het krachtige ‘niet’ als de verzekering, dat de goddeloze van geslacht tot geslacht in geen rampspoed zal zijn, getuigt van hoogmoed. Die hoogmoed uit zich vs vloek, bedriegerijen, onderdrukking, onheil en boosheid, waarmee oa. toverformules bedoeld kunnen zijn.
In vss 8-9 valt op, dat hij die door Gods gerichtsuitoefening niet geraakt is en met alle goddeloosheid in de openbaarheid treedt vs 1, dat wat hij doet, toch in het verborgene doet. Zo wordt het 2 x gezegd, zoals ook 2 x van loeren en 2 x van vangen sprake is. In eeuwigheid is de vertaling van een hebr. uitdrukking, welke met de blijvende glans van God samenhangt. Men kan het weergeven met op den (langen) duur, zodat bedoeld zou zijn: God ziet op den langen duur niet meer, wat daar beneden gebeurt.
Vs 12: des te klemmender het gebed ‘sta op, HERE’, dat wij ook in Ps. 3:8,7:7 en 9:20 tegenkwamen. Het opheffen van Gods hand geschiedt tot hulp en straf of om recht te doen. In Deut. 32:40 en 2 Sam. 20:21 wordt met de opheffing van de hand het afleggen van een eed, het zweren bedoeld. Hier wordt meer een handelen van God gevraagd. Hulp en straf enerzijds en recht doen anderzijds vormen geen tegenstelling, maar zijn eikaars aanvulling.
Vs 14: de verhoring van het voorafgaande gebed houdt in, dat God het gezien heeft, en wil dat de arme en ellendige nu zijn moeite en verdriet in Gods hand legt. De trekken van de koning worden duidelijk. Hij is een helper voor ellendige of zwakke en wees, maar niet zonder het geloof van dezen, die hun moeite en verdriet dan ook in zijn hand moeten leggen, wil er recht gedaan worden. Vs 15: voor straffen wordt ook hier het werkwoord zoeken (vgl. vss 4 en 13) gebruikt.
Vs 16 belijdt Gods koningschap tegenover het spreken van de goddeloze in zijn hart vs 11.
Het ‘land’ van deze Koning is wel de aarde, zijn gebied. Opvallend zijn het de gojim, de volken, alias de heidenvolken, die vergaan zijn uit het gebied waarover God Koning is. Zo ook in 9:6-7, waar deze volken met de vijanden worden gelijkgesteld.
Vs 17: wat de Koning positief doet, is het horen = verhoren van de begeerte der neergebogenen, het vastmaken van hun hart = levenscentrum en de opmerkzaamheid met het oor, zodat de gedachte dat God op den langenduur niet meer ziet en niet meer opmerkzaam is (vs 11), hier weersproken wordt.
Vs 18: het beslissende is, dat God als Koning recht uitoefent, wat dan in het slotvers nogmaals klemmend wordt gezegd. Volken, bozen en goddelozen worden hier, zoals in Ps. 8:5 en 9:21 met de sterveling gelijkgesteld. NBG vertaalt met aards sterveling. SV geeft letterlijker weer met ‘mens van de aarde’; dit zou men kunnen verbinden met ‘schrik aanjagen’ of ‘woeden’, verjagen. Deze sterveling zal de wees en de verdrukte niet van de aarde, die immers (vs 16) Gods gebied is, verjagen.
Psalm 11
Sommige auteurs laten in vs 1 ‘als’ bij vogels weg en vertalen met: fladdert naar uw berg, vogeltjes. Is het een advies van vrienden om te vluchten of drukken de goddelozen met vogeltjes de hulpeloosheid van de oprechten uit in de vorm van spot? Zij zijn in ieder geval op jacht en worden vergeleken met wie een opgejaagde vogel onder schot houden. De goddelozen komen voor in vss 2, 5 en 6 en staan tegenover de rechtvaardige (vs 5) en de oprechten van hart (vs 2), totdat Godzelf rechtvaardig blijkt (vs 7) en tegenover wie geweld beminnen (vs 5) de gerechtigheden (meervoud! vs 7) bemint. De laatste woorden van de psalm leveren een probleem op. Zowel de (het) oprechte als Zijn aangezicht staan in enkelvoud, maar het aanschouwen wordt met een meervoudsvorm uitgedrukt. Sommigen (waaronder SV) nemen Gods aangezicht als onderwerp, dat de oprechte (be)schouwt, anderen (waaronder NBG) lezen zo, dat de oprechten Gods aangezicht aanschouwen. De eerste lezing heeft meer zin, omdat zij de tegenstelling tot vs 5 laat uitkomen. God toetst de mensen en haat wie geweld bemint, maar Zijn ogen rusten in welgevallen op de oprechte.
De psalm is in twee delen verdeeld. Vss 1-3 drukken de hopeloze situatie van de oprechte en rechtvaardige uit. Vss 4-7 spreken van Gods troon die de doorslag geeft. Hij regeert en doet recht. Daarbij zijn in deze psalm Gods ogen naast Zijn oordeel (vs 6) bepalend voor de uitkomst. Vuur en zwavel herinneren aan Sodom. Niet zozeer voor de rechtvaardigen (vs 3), maar veel meer voor de goddelozen worden de grondslagen, de steunpilaren vernield als in het geval van Sodom. En het is waarschijnlijk, dat dan met deze steunpilaren (van de maatschappij) de rechtvaardigen en oprechten zelf bedoeld zijn.
Psalm 12
Deze psalm, getoonzet op de achtste (toon), verschilt nauwelijks van Ps. 11. Zelfs de compositie is gelijk: vss 2-5 de overheersing der valsen en dubbelhartigen, vss 6-9 de redding van God. Maar nu is alles op het woord toegespitst. Tegenover de gladde lippen (vss 3-4) en de grootsprekende en sterke tong (vss 4-5) staan de zuivere en zevenmaal gelouterde woorden des HEREN.
De psalm zet in met Hosanna, red toch, en verzekert het ten einde zijn van de vrome of goedertierene en het uitzijn van de getrouwen. Van de Adamskinderen geldt niet slechts, dat zij vergeleken met vromen en getrouwen in de meerderheid zijn, maar ook dat valsheid, dubbelhartigheid en gladde lippen hun onderlinge omgang kenmerken.
De HERE doet zuivere en gelouterde uitspraken en staat zo aan de zijde van de weinige vromen en getrouwen. Zelfs al zijn dezen er niet meer, Hij is er met Zijn zuiver en dus bestendig woord.
Het gestand doen (vs 8) van de woorden kan ook weergegeven worden met het bewaken van ellendigen (gebogenen) en armen, wier onderdrukking en zuchten de HERE doet opstaan (van Zijn troon, tevens plaats van recht; zie vorige psalmen). Het verdient aanbeveling om vs 9 als een bijzin te vertalen: Gij HERE zult… ons altoos beschermen… terwijl de goddelozen rondom gaan… Wanneer men het laatste vers een hoofdzin laat zijn, dan krijgt het gedrag der goddelozen na de rechtspraak en bescherming van God teveel nadruk.
Psalm 13
In deze korte psalm vraagt de psalmist viermaal hoe lang ofwel: tot wanneer? De eerste keer verbindt hij deze woorden met Gods vergeten, de tweede keer met Gods verberging, de derde keer met piekerend overleg (‘s nachts?) en angstige zorg overdag en de vierde keer met de overwinning vs 4 en verheffing vs 3 van de vijand. Drie beden vraagt hij van God: aanschouw, antwoord, verlicht – dit laatste omdat hij anders in de dood ontslaapt of (NBG) ten dode inslaapt. De dood is de laatste vijand. Dan komt de tegenstelling, uitgedrukt in drie kernbegrippen: Gods goedertierenheid, Gods verlossing of heil en Gods weldoen.
De raadslagen en plannen uit vs 3 zijn gezien het volgende woord ‘kommer’ negatief op te vatten. Het zijn plannen die niet helpen tegen de vijand. Het laatste vers begint met het vertrouwen (het hebr. woord doet denken aan een basis waar men op kan rusten) en eindigt met de zekerheid: Hij heeft mij welgedaan of: het voleindigd.
Psalm 14
In deze psalm keert het thema van Ps. 10 terug. God vergeet het, Hij ziet het niet, Hij bemoeit er zich niet mee. Daarom kan de dwaas doen wat hij wil. De dwaas (nabal) herinnert ons aan Nabal in de geschiedenis van David. Zijn vrouw Abigail zegt van Nabal: Nabal heet hij en een dwaas is hij (1 Sam. 25:25). Het hebr. woord betekent zowel dwaas, onverstandig als goddeloos. Vandaar dat op de constatering er is geen God (God is er niet bij) de gruwelijke en afschuwelijke daden of manier van doen volgen. Dan volgt in dezelfde woordkeus als de constatering: geen (is er) die goed doet.
Slaat dat alleen op een aantal dwazen? De verzen die volgen en de stellige herhaling (er is niemand die goed doet, zelfs niet één) in vs 3 zeggen het anders: alle mensenkinderen (zie Ps. 12:9) zijn dwazen en daarmee goddelozen en dus boosdoeners. Ook in vs 4 betekent het gebrek aan kennis, dat zij ongerechtigheid bedrijven en Gods volk opeten, maar niet tot God roepen of naderen.
En juist daar, waar dit onrecht staat te geschieden, blijkt God er wel degelijk te zijn, niet slechts te bestaan, maar er ook bij te zijn. Vreselijke schrik! Dat Hij er niet is,wordt heel concreet weersproken. Hij ziet neer uit de hemel èn Hij is bij het geslacht der rechtvaardigen ofwel het rechtvaardige geslacht, dat het verbond met Hem bevestigt en wèl tot Hem nadert en roept. Voor de raadslag of het voornemen van de ellendige, zie Ps. 13:3. De grote vraag is: Als geen der Adamskinderen God zoekt, hoe bestaat er dan een rechtvaardig geslacht op aarde? Paulus geeft het antwoord in Rom. 3. Na vs 10 ev. deze psalm te hebben geciteerd, besluit hij, vss 23-24: Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade…
Het laatste vers is niet, zoals velen menen, ogv. de ‘keer’ als toespeling op de terugkeer uit de ballingschap op te vatten, zodat wij hier met een zeer laat toevoegsel van doen zouden hebben, maar het thema wordt verbreed. Er lopen lijnen van de dwaas (vs 1) naar de bedrijvers van ongerechtigheid (vs 4) en van de ellendige (vs 6) naar Gods volk (vs 4).
De redding van Israel, zegt dit laatste vers, bestaat in bekering. Dan zal Jakob juichen, Israel zich verheugen.
Psalm 15
Deze psalm van David wordt zelden of nooit gezongen of bepreekt, en de reden is dat het verkeren bij en voor God schijnt te liggen in een deugdzaam leven. Het wie mag verkeren en wie mag wonen (zo NBG en Buber) onderstrepen die gedachte.
Toch is het de vraag, of David bedoelt, dat iemand op grond van zijn deugden bij God welkom is. Gaat het niet veeleer om de voorbereiding om God te ontmoeten? Wij kleden ons bij gelegenheden op passende wijze. Zal een gelovige zich niet ‘kleden’ om bij God te verkeren?
Het hebr. werkwoord in vs 1 dat met ‘verkeren’ vertaald is, geeft dit ook aan. Het betekent: als vreemdeling verkeren, Buber: gasten. Opvallend genoeg betekent dezelfde stam ook ‘terugschrikken’. De gast en de vreemdeling zijn rechteloos en aangewezen op de gastvrijheid van de gastheer. Zo gaat het in ons verkeer met God toe. Ook Israel moet zich bij Hem als gast en vreemdeling gedragen. Zo kan men wonen, verblijven op Zijn heilige berg, bij Zijn troon en altaar.
Terwijl vs 2 positief het wandelen, verrichten en spreken aangeeft, omschrijft vs 3 negatief, namelijk door driemaal ‘niet’, het lasteren, kwaad doen en smaden. In vs 4 komt zijn doen overeen met Gods doen: hij veracht de (door God) verworpene, maar eert (maakt gewichtig) wie de HERE vrezen. Vooral blijkt deze overeenkomst met God daaruit, dat hij zijn eden nakomt, ook als het hem schade (kwaad) aanbrengt. Evenals op het positieve vs 2 het negatieve, afwijzende vs 3 volgt, zo op het positieve vs 4 het negatieve vs 5: geen woeker en geen rechtsverkrachting of Belialspraktijken.
De duidelijke overeenkomst met God is, dat hij die zo handelt, in eeuwigheid (le’olam) niet wankelt. Opvallend is het onderscheid tussen Ps. 14: er is niemand die goed doet, en Ps. 15: hij die onberispelijk wandelt ofwel volkomen wandelt.
Psalm 16
Wat de SV een ‘gouden kleinood’ noemt en NBG een ‘kleinood’, heet bij Buber een Sühngedicht. Men kent de betekenis van het hebr. woord miktam in feite met. Het is niet onmogelijk, dat het met een stam katam, akka-disch katamu, toedekken, bedekken, te maken heeft. Hetzelfde woord staat boven Ps. 56, 57, 58, 59 en 60.
De verschillen in vertalingen zijn in dit geval aanzienlijk. In vs 2 vertaalt de SV (amart als amarta) gij hebt gezegd, terwijl NBG en Buber met veel getuigen lezen amarti: ik heb gezegd. God wordt vs 2 eerst JHWH, dan Adonai genoemd. De Verbondsgod is tevens de Bezitter en Beschikker van het leven van de psalmist. De lange a-klank aan het eind van Adonai noopt NBG te vertalen met ‘mijn Here’.
Vs 3 wordt door NBG als één zin gelezen, waarvan het eerste deel bijzin en het tweede hoofdzin is. Daar pleit tegen, dat achter ‘die in den lande zijn’ het woordje ‘en’ moet worden ingevoegd. Zodoende luidt de vertaling: wat betreft de heiligen die in het land zijn en de heerlijken, aan wie al mijn welbehagen (lust) is. Dat zij afgewezen worden, zou kunnen betekenen, dat hier afgerekend wordt met de valse goden, omschreven als in Ps. 89:6-8 of dat aan de heiligen in het land JHWH Zijn welbehagen heerlijk maakt. Deze uitleg eist echter veranderingen in de hebreeuwse masoretische tekst, waardoor men met de Septuaginta ipv. chaphtsi chaphtsoo moet lezen.
Het is logisch om in vss 3 en 4 een tegenstelling te lezen. Tegen de achtergrond van de heiligen en heerlijken, aan wie de psalmist een welgevallen heeft, keert hij zich af van hen die een andere god, een vreemde begiftigen, lett. aan een vreemde het huwelijksgeld, de trouwsom uitbetalen. Niet alleen lijden zulken veel smarten, maar ook verontreinigen zij de plengoffers aan JHWH door bloedschuld, waarbij sommigen denken aan de moord op on-schuldigen en verwijzen naar de mogelijkheid van kinderoffers. Ook hier wat we reeds eerder aantroffen in het Psalmboek: men breekt niet totaal met JHWH, maar men vermengt Zijn dienst met die aan de afgoden. Het herhaalde bal als scherpe ontkenning onderstreept de tegenstelling in vss 3 en 4.
In vs 5 leest de SV het eerste als een belijdenis tegenover de verzekering van David, dat hij de namen van hen die het met een vreemde god houden, niet op zijn Uppen zal nemen. De HERE is het deel van mijn erve en van mijn beker. NBG ea. lezen ook het eerste deel in de tweede naamval en dus als een aanroeping. Het erfdeel dat de HERE Zelf is, verwijst naar de Levieten, Num. 18:20, die geen stoffelijk goed erfden, omdat God hun erfdeel was samen met de vuuroffers die aan Hem geofferd werden. Ook de drinkbeker dient verbonden te worden met het deel. Er staat in het Hebreeuws dat de HERE het deel van mijn erfenis-en (van) mijn beker is, en er is wat voor te zeggen om ‘deel’ ook te betrekken bij beker. Afgezien van de vraag of het deel van de beker teruggaat op een gebruik, waarbij men bij de erfenis een beker dronk, kunnen wij zeker stellen, dat de beker en het drinken ervan vaak diende tot bevestiging van een voorspelling. De beker drukt het beeld uit van het lot, van de voltrekking van een gericht, maar ook van de toewijzing van zegen. Verder bevestigt de beker de gemeenschap der liefde, zoals in het N.T.
Doordat God Zelf het erfdeel is, houdt Hij ook Zelf het lot vast, dat geworpen moet worden om te beslissen over wat ieder toekomt. Er worden dus drie dingen in God door David beleden: Hijzelf is Davids erfdeel, Hij is de inhoud van de beker die over Davids toekomst beslist, en Hij houdt de lotssteen vast, die bepaalt wat David toevalt. Terwijl in vs 5 een woord voor erfdeel wordt gebruikt, dat eigenlijk deel betekent en iemands aandeel in iets uitdrukt, staat in vs 6 het eigenlijke woord voor erfdeel, nachala, vermeld, dat doorgaans voor een erfenis in land staat.
De nieren als plaats van gevoelens en aandoeningen corresponderen met de raad des HEREN. Deze raad neigt naar de betekenis van plan, zodat ook dit woord past bij begrippen als erfdeel, beker en lot. Het gaat om Davids toekomst, en Degene die hem dit plan voorlegt, is tegelijk Degene die ter rechterhand van David, dwz. daar waar hij handelend optreedt met zijn rechterhand, dit plan uitvoert en laat uitvoeren. Met de nieren, die David onderwijzen, komt overeen dat hij de HERE voortdurend tegenover zich stelt. Het niet wankelen herinnert aan Ps. 15:5, waar in het Hebreeuws hetzelfde woord wordt gebruikt. In de laatste verzen wordt nu de definitieve en eeuwige toekomst van David verwoord. Het woord ‘ziel’ in vs 9 (NBG) dient vervangen te worden door ‘eer’ (kabod). David bedoelt dat de sterkte die van God is, omdat Hij aan zijn rechterhand staat, hem een vaste positie geeft. Hij wankelt niet, zijn eer of sterkte of gewicht juicht. Datgene, waarin zijn vlees woont, betekent zekerheid, meer dan veiligheid.
Wat houden dodenrijk en groeve in? SV spreekt van ‘de hel’ en ‘de verderving’. Baumgartner, die als eerste afleiding voor sjeool de mogelijkheid van onheil, hel vermeldt, omschrijft het als woestijn, leegte en onderwereld, terwijl het tweede woord, doof de meesten met het graf weergegeven, van het gelijknamige werkwoord is afgeleid, dat vernietigen, verderven betekent. De nadruk valt niet zozeer op het waar, maar op het wat van de plaats waar David niet zal komen. Het is een plaats van verderf, waar eigenlijk geen land is. In tegenstelling tot de schone erfenis die de HERE Zelf is en die David bekoort, staat dit onland, waar het verderf heerst en waar geen mens kan wonen. Het is daarom wat te weinig, wanneer men vs 10 alleen in die zin opvat: David komt niet in de dood.
De gunstgenoot, met wie God het verbond onderhoudt, kan vergeleken worden met de heiligen in het land, zie vs 3. Uit het slot van vs 11 blijkt, dat David over het graf heenziet, vandaar de vertaling ‘eeuwig’ in NBG en SV. Het woord is, zoals eerder aangetoond, afgeleid van het begrip voor de glans van God. Let op de liefelijkheden die in Gods rechterhand zijn, en die in vs 6 dienden ter aanduiding van de liefelijke dreven, waar de meetsnoeren voor de landverdeling vielen.
Deze psalm is van toepassing op de opstanding van Jezus Christus zoals geciteerd is in Hand. 2:25-28 en 13:35. Het apostolisch gezag, waarmee Petrus ‘staande met de anderen’ deze psalm op de grote Zoon van David betrekt (Hand. 2:31), dwingt de gemeente om in de gunstgenoot, aan wiens rechterhand God is, niet alleen David te lezen, maar ook het verheffen van Jezus Christus uit dood en hel, uit de plaatsen van verderf, waar geen land of leven is.
Psalm 17
Davids gebed is een rechtvaardige zaak ofwel het rechtvaardige, een gebed met onbedriegelijke lippen gesproken. De vertaling van vs 3 kan verschillend zijn. NBG heeft: beproeft Gij mij, Gij vindt niets; wat ik ook bedenk, mijn mond overtreedt niet. SV ongeveer in dezelfde lijn, maar het slot is omgekeerd: hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. Buber geeft het tweede deel van vs 3 anders weer: nooit vindt Gij meer waarvan ik gezonnen had: Nooit overtrede het mijn mond. De inbreker in vs 4 SV is oorspronkelijker dan de geweldenaar NBG.
De gunstbewijzen in vs 7 dragen het karakter van daden waaruit blijkt dat God het verbond onderhoudt. Het overige van het vers staat ook weer verschillende vertalingen toe: NBG God verlost hen die bij zijn rechterhand schuilen, SV God verlost hen van degenen die tegen zijn rechterhand opstaan (voor koem + be zie Ps. 27:12).
Het vet vs 10 slaat waarschijnlijk op de manier waarop de goddelozen zich afsluiten voor degene die door hen overweldigd wordt. In vss 9 en 11 wordt van omringen en omsingelen gesproken, eerst met een werkwoord dat een kring trekken betekent, dan met een werkwoord dat omsingelen uitdrukt.
Ook in deze psalm is de doodsvijand van David de goddeloze, vss 9 en 13-14. Zij worden ook omschreven als de wereldse mannen ofwel de mannen die er slechts tijdelijk zijn, want chèled betekent naast wereld levensduur. Zij zijn niet langer dan hun leven hier op aarde duurt. God verzadigt hen met wat Hij voor hen heeft weggelegd ofwel met wat Hij heeft uitgespuwd. Van dat deel leven zij, hun kinderen en kleinkinderen. Meer hebben zij niet dan dit leven. De psalmist wordt echter verzadigd (let op het dubbele verzadigen in vss 14-15) met Gods beeld en het aanschouwen van zijn aangezicht. David geeft aan dat God zijn deel is. Men kan het ontwaken letterlijk nemen tegen de achtergrond van de nacht, men kan ook denken aan lucht krijgen of aan het ontwaken uit de slaap van de dood. De tegenstelling tot hen, wier deel in dit leven is, maakt het laatste waarschijnlijk. Hier keert de ‘gerechtigheid’ uit vs 1 terug, en net als aan het begin betekent zij niet zozeer de gerechtigheid van God of van Gods aangezicht alswel de gerechtigheid van David.
Belangrijk zijn de stilistische en inhoudelijke overeenkomsten met Ps. 16. Deze psalm beschrijft Davids verlossing van vijanden over de grenzen vn het leven heen. God is zijn deel.
Psalm 18
Zie voor de tekst van deze psalm ook 2 Sam. 22, waar evenals hier de strekking is, dat de HERE David verlost heeft uit de greep van al zijn vijanden en van Saul. Een uitdrukking, die het eerste deel van 2 Sam. bepaalt, zie 2 Sam. 3:1, 7:1 en 8:14. Overigens wordt duidelijk, dat na de verlossing van David uit de greep van vijanden van buitenaf de vijanden in zijn eigen huis zich voordoen. Wanneer ook die twisten, een straf op de zonde tegenBatseba en Uria, voorbij zijn, dan is David door ouderdom bijna overstelpt: 2 Sam. 22 gaat dan ook onmiddellijk aan zijn laatste woorden vooraf.
In het opschrift noemt David zich de knecht des HEREN, zoals in Ps. 36: 1. De eerste strofe, die het langste is, begint met het liefhebben van God door David, waarbij hij een hebr. werkwoord gebruikt, dat evenzeer zich erbarmen over iemand als iemand beminnen betekent. Het zelfstandig naamwoord betekent de moederschoot en wordt in meervoud voor ingewanden en erbarmen gebruikt.
In een reeks woorden, die alle sterkte en bescherming uitdrukken en die alle voorafgegaan worden door het bezittelijk voornaamwoord ‘mijn’, omschrijft David wie de HERE voor hem is, hoe Hij hem verlost heeft en waarom hij Hem liefheeft.
In vs 5 worden Davids vijanden gevolgd door doodsban-den, Belialstromen en hellebanden. Zie voor dood en hel Ps. 16. Het woord voor band of strik, kan op zichzelf ook verderf betekenen. Gezien het herhaalde ‘dood’ in vss 5-6 ligt de nadruk op de laatste vijand die teniet gedaan wordt. Op Davids roepen tot de HERE antwoordt de HERE op een manier, waarbij de hele schepping betrokken wordt. Vanuit zijn paleis, plaats van regering en rechtspraak, komt Hij om zijn knecht te verlossen, en dat komen wordt beschreven met aardbeving – denk aan het sterven en de opstanding van Davids Zoon – en onweer, waarvan Gods toorn en Gods welgevallen (vss 8 en 20) de beweegredenen zijn. Behalve onweer en bliksem wordt in de vss 10-12 de duisternis als omhulsel en beschutting van God genoemd. Hiernaast worden Gods stem in donder en bliksem (vss 13-14: let op het herhaalde hagel en vurige kolen) en zijn pijlen als bliksems omschreven. Het duister blijft niet, maar maakt plaats voor vuur en licht.
Nadat het duister door het licht van de bliksems des HEREN is verdwenen, worden de oerwateren zichtbaar. Dat geschiedt door het schelden (beter dan dreigen) van God, wiens blazen van de adem van zijn neus moet worden verstaan als uiting van zijn toorn tegen zijn vijanden. Die vijanden blijken tegelijk Davids vijanden en haters te zijn. Het optrekken uit grote of vele wateren en het ontrukken aan de machtige vijand is één gebeuren.
Het welgevallen, dat God aan David heeft, rust in de volgende strofe in Davids gerechtigheid en reinheid. Ook hier is het geen kwestie van vergelding van Davids deugden, wanneer God David redt, maar gerechtigheid duidt de rechte verbondsrelatie tussen God en David aan, en zo zullen alle termen in vss 21 ev. moeten worden verstaan. De wegen des HEREN en zijn verordeningen ofwel concrete rechten en zijn inzettingen ofwel het door Hem ingekraste, ingegraveerde, duiden dit ook aan. David is onberispelijk, volkomen met God en wacht zich voor zijn zonde (het zelfstandig naamwoord ‘ongerechtigheid’ heeft het suffix van de eerste naamval bij zich; ongerechtigheid zonder meer, zoals in NBG, is onjuist).
Ook het vergelden van vs 25 moet eerder vanuit de wederkerigheid der verbondsrelatie dan vanuit een soort terugbetaling worden begrepen. In de volgende verzen wordt dan ook beschreven, hoe God de deugden vertoont van degenen die met Hem in een verbond staan. Alleen bij de verkeerde vs 27 toont God Zich anders: deze benaming duidt op een verdraaide die kromme wegen gaat. Bedoeld kan zijn dat God Zich bij zoëen verslagen toont en zo reageert op de verbreking van het verbond. Sommigen geven dit woord weer met afgekeerd, SV dacht ivm. winden aan een worstelaar.
De lamp vs 29 ziet niet alleen op Davids leven, maar vooral op de lampen van Israel en van het huis van David, die voor God in de tabernakel brandende moeten blijven (2 Sam. 21:17 en Ps. 132:17).
Het eigene van het verbond keert terug in Gods weg en woord vs 31,verbonden met de sterkte en bescherming van het schild dat vs 36 het schild van Gods redding heet. Het woord dat met nederbuigende goedheid vertaald wordt, kan ook als antwoord verstaan worden. Uw antwoord maakte mij groot of rijk.
In het tweede deel van de strofe, die met vs 31 begint, rekent David ogv. de gaven van het verbond van God af met zijn vijanden, die vs 42 tevens Gods vijanden blijken te zijn. Het niet-antwoorden op het roepen van de vijanden staat in tegenstelling tot Gods antwoord aan David, waardoor Hij hem groot of rijk maakt, vs 36.
In de laatste strofe vss 44 ev. wordt de hoogte van de troon van David onder de volken beschreven. In deze strofe ligt de nadruk op de vreemden, het volk dat David niet kende, en dat hem diende. Met Calvijn ea. overwegen wij, dat het rijk van David niet beperkt blijft tot de persoon van David, maar dat zijn lamp betrekking heeft op allen die op zijn troon zullen zitten, en met name op zijn grote Zoon. In het dienen van vreemde volken ziet de psalmist het bewijs dat de God van Israel leeft en de aanleiding om Hem te zegenen en zijn naam te verheffen (vs 47). Hetzelfde werkwoord dat vs 47 voor het verhogen van God wordt gebruikt, wordt vs 49 gebezigd voor het verhogen van David boven zijn vijanden. Vs 50 wordt in Rom. 15:9 geciteerd om aan te tonen dat de heidenen God om zijn ontferming verheerlijken. In vs 51 wordt nog eenmaal het thema van de psalm herhaald: God bewijst de trouw van het verbond aan zijn messias: David en zijn zaad.
Psalm 19
In de eerste strofe gaat het om een prediking zonder taal. Vs 5 is voor Paulus in Rom. 10:18 een argument ter beantwoording van de vraag of Israel het Evangelie niet gehoord heeft. Zonder woorden gaat de taal van hemelen en uitspansel, dag en nacht uit over de hele aarde. Het hebr. woord is niet zozeer prediking (NBG) alswel een stroom of golf of een klanknabootsend woord. De zon is van dit alles dat zo welsprekend zonder woorden is, het voorbeeld; hij wordt voorgesteld als een bruidegom en als een strijdbaar held.
Tweemaal drie uitspraken over de HERE bepalen het karakter van de tweede strofe. Dat Hij zesmaal achtereen de HERE heet, houdt verband met het sprakeloze van de eerste strofe. In de tweede gaat het om een prediking mèt woorden en taal, en het eerste dat daarin past, is dat de God van Israel Zich bij name bekendmaakt. Achtereenvolgens verbindt zich de naam des HEREN met de tora, met de getuigenis (tegenwoordigstelling, Buber), met de verordeningen, met de geboden, met de vreze en met de inzettingen of concrete rechten. Op deze verbindingenvolgt een eigenschap van het genoemde en vervolgens dat wat deze verordeningen des HEREN de mens doen. De eerste uitspraak over de tora zal ook gezien de verdere inhoud als een samenvatting van al het volgende moeten worden gezien.
De laatste verzen van de psalm zijn gewijd aan Gods knecht David, die overeenkomstig de reinheid van de vreze des HEREN gereinigd moet worden van verborgen dwalingen. De onberispelijkheid van Gods knecht, die vrucht is van het vrijmaken en reinigen van verborgen dwalingen en overmoed, stemt overeen met de volmaaktheid van de tora, zoals die in vs 8 omschreven is. In feite moeten wij dus vertalen: Dan zal ik volmaakt zijn… De psalmist spreekt de HERE aan het slot aan met mijn rots en mijn verlosser, waarbij hij voor verlosser het hebr. goêl gebruikt. Het is de vraag of dit woord niet evenzeer het verlossende werk van God uitdrukt, dat de psalmist met al wat in en aan hem is, de HERE naar diens recht toekomt. In dat geval ‘offert’ hij zichzelf in de weg van de tora aan de HERE. Zo ergens, dan zijn schepping en Woord hier niet met elkaar in tegenspraak. Ze vormen eikaars aanvulling en zijn vergelijkbaar.
Psalm 20
Deze psalm bidt de koning vanuit Sion en wel speciaal vanaf de plaats waar de spijs- en brandoffers voor de koning gebracht worden, de bevrijding en onaantastbaarheid van Gods antwoord en zijn naam toe. Men veronderstelt dan ook, dat de niet nader aangeduide personen die dit gebed uitspreken, uit priesterlijke kringen stammen. Het spijsoffer dient ter begeleiding van het zeer belangrijke brandoffer of het moet verstaan worden als een vrijwillig offer, dat niet door de ritus vereist werd. In plaats van de vertalingachte Hij welgevallig (NBG) of Hij make tot as (SV) leze men in vs 4: Hij make uw brandoffer vet. In vs 6 is er veel voor te zeggen om, gezien de benauwdheid van de koning vs 2, nu niet met overwinning te vertalen, maar met verlossing. Vss 7 ev. is het antwoord op het gebed van de eerste strofe. In vs 7 wordt een werkwoord gebruikt, waar het zelfstandig naamwoord jesoe’a, verlossing, van afgeleid is. De koning en gezalfde, tot nu toe in de tweede persoon vermeld, wordt nu in de derde persoon als koning en gezalfde beschreven, en de ‘ik’, die vs 7 spreekt en vss 6 en 8-10 als ‘wij’ in meervoud naar voren komt, kan verstaan worden als een der Levieten (ik) naast de overige Levieten (wij). Niet uitgesloten is echter, dat David hier zelf aan het woord is. ‘Wij’ om hem heen dient in dit geval eerder van het leger dan van de priesters of levieten verstaan te worden, daar in het léger de vaandels opgestoken worden.
De HERE zelf rekent met de vijanden af, vandaar dat het roemen in de naam van Hem hetzelfde is als de vaandels opsteken in zijn naam. Het laatste vers wordt verschillend vertaald. SV leest de koning als de HERE, NBG vat de koning als lijdend voorwerp op bij het gebed tot God om verlossing, de laatste en derde maal dat in deze psalm gebeden wordt om verlossing.
Psalm 21
Zonder dat deze psalm rechtstreeks in het N.T. geciteerd wordt, ligt toch in de lengte van dagen eeuwig en altoos, die God de koning geeft (vs 5), een toespeling op de eeuwig regerende vorst van Israel, die in het N.T. met Davids grote Zoon wordt gelijkgesteld. Gaat het vss 1-8 over de verhouding tussen God en de koning, vanaf vs 9 gaat het om de relatie tussen de koning en zijn vijanden tegen de achtergrond van Gods macht en verlossing en zegen.
Ook hier draagt vs 2 de ‘macht’ des HEREN het karakter van verlossing en heil. De zegeningen, die vss 4 en 7 ter sprake komen, zullen tegen de achtergrond van vs 5 vooral als levenskracht moeten worden verstaan. Tegelijk zijn de eer of gewicht van de koning en zijn majesteit en luister, maar ook zijn blijdschap en het feit dat hij niet wankelt, tot deze zegeningen te rekenen, die dan ook in meervoud vermeld worden. De Allerhoogste heeft een verbond met deze koning, waarvan de goedertierenheid of trouw de inhoud vormt. De tweede strofe maakt duidelijk, dat het niet in de eerste plaats de koning is die optreedt tegen zijn vijanden, maar het is de HERE die optreedt tegen zijn vijanden, die tegelijk de vijanden van de koning zijn. Dit dubbele blijkt uit de dubbele betekenis van ‘uw’ bijvoorbeeld vs 9, waar ‘uw’ God aanduidt en vs 12, waar met ‘uw’ eerder de koning dan God bedoeld zal zijn. Dat God de vijanden de rug doet keren (vs 13), betekent dat zij voor Hem op de vlucht slaan.
De lofzang op de kracht en sterkte des HEREN herinnert aan het begin: vss 2 en 14 hebben hetzelfde hebr. woord voor sterkte. De bede dat God Zich verheffen zal, herinnert aan Mozes’ gebed Num. 10:35 en aan de psalmen, waar de strijd des HEREN met deze woorden wordt aangeduid, zoals Ps. 3, 68 en 76.
Psalm 22
Vs 2 van deze psalm wordt door Jezus uitgeroepen aan het kruis Mat. 27:46 en Mar. 15:34. Terwijl daar in de griekse tekst door de meeste getuigen shabachtani gebruikt wordt, staat hier ‘adzaphtani. Shabach is aramees, terwijl ‘adzaph hebreeuws is. Beide betekenen verlaten en achter zich laten of in de steek laten. Buber leest vs 2 slot: Ver blijven van mijn bevrijding de woorden van mijn noodgeschrei. Hij verbindt vs 4 met vs 5 door vs 4 als een aanroeping te verstaan: O Gij Heilige, die troont op Israels lofzangen, en gaat dan verder: Op U… In tegenstelling tot de geredde vaderen is de psalmist een worm, een smaad en een spot. Het welgevallen vs 9 herinnert aan Ps. 18:20 en plaatst de psalmist in een unieke positie. Deze positie wordt verklaard door het vertrouwen van de psalmist van zijn geboorte af. Van alle beelden die in de volgende verzen gebruikt worden om de ellende van de psalmist te omschrijven, treft dat van Basan, dat op de combinatie van dierlijke en satanische trekken in de menselijke natuur sedert de zondeval kan zien, terwijl anderen wijzen op een verband tussen Basan en de diepten der zee. Volgens sommigen was Basan een land dat bekend stond om zijn rijke weidegronden, zijn vette vee en zijn krachtige en trotse stieren. In dat geval benadrukt de psalmist de overmacht van zijn vijanden.
Inmiddels komen we bij het tweede citaat uit deze psalm in de lijdensgeschiedenis, vs Mat. 27:35 en parallellen. Alle vier evangelisten citeren dit vers. Zie Ex. 22:2627, waar de ellendige wordt beschermd doordat hij zijn kleed terugkrijgt voordat het nacht wordt.
Bij deze absolute grens van bezit en bezitloosheid, die aan de dood voorafgaat, neemt de psalm een wending. Vanaf nu staat de verlossing van de ellendige centraal. God antwoordt en dat wordt bezongen en gemeld in de gemeente, zie vss 23 en 26. De tegenstelling tussen het volk dat de psalmist veracht en de gemeente die nu zijn lofzang hoort, maakt het mogelijk het hebr. kahal als volksverzameling op te vatten, hoewel gezien het slot van vs 26 het evenzeer mogelijk is om kahal als het volk te verstaan, dat voor de offers en dienst des HEREN vergaderd is. Centraal staat bij dit alles, dat God over Israel en de gojim, de heidenvolken, Koning is en regeert. Dit houdt niet alleen bekering tot Hem in, vs 28, maar ook een grote maaltijd waaraan velen ook van buiten Israel aanzitten. De verlossing van de psalmist komt in een ruimte te staan, waar de hele wereld bij betrokken wordt, opdat God van die allen de eer ontvangt. Het slotvers vat Gods daden samen in het woord ‘gerechtigheid’. Hij maakt zijn verbond aan ellendigen en nood-druftigen waar, niet alleen ruimtelijk in en buiten Israel, maar ook in de tijd, voor de toekomst, aan het komende geslacht en het volk dat nog geboren moet worden.
Terwijl vs 14 wordt geciteerd in 1 Petr. 5:8, vinden We vs Heb. 2:12.
Voor het lezen van de psalm is belangrijk wat Calvijn in zijn commentaar noemt. Hij ziet in de woorden mijn God, mijn God, en in de klacht waarom hebt Gij mij verlaten? een tegenstelling die hij toepast op de geloofsstrijd, die elke gelovige moet doormaken. Zij worden tussen deze twee heen en weer geslingerd. Het geloof echter roept hun de beloften van God voor de aandacht en leert hen geduldig te wachten en zich op God te verlaten, totdat Deze zijn vaderlijk oog weer in gunst tot hen wendt. Pas hierna gaat Calvijn in op het gebruik van deze woorden door Jezus.
Psalm 23
Het herderslied van David wordt gekenmerkt door een strofe, waarin David over de HERE in de derde naamval spreekt (vss 1-3) en een strofe, waarin hij de HERE met Gij aanspreekt (vss 4-6). Het verschil is, dat daar waar het dal van de schaduw des doods (beter dan dal van diepe duisternis) zijn deel is, hij God rechtstreeks aanspreekt met Gij. De woorden Gij zijt met mij, of: bij mij, vs 4, vormen dan ook het centrum van de verkondiging van deze psalm. Deze indeling komt ons waarschijnlijker voor dan die volgens de drie beelden: God als herder, gids en gastheer.
Terecht wijst men erop, dat de beeldspraak wezenlijk is voor het verstaan van de psalm. Herder en gids betekenen hetzelfde, zie Ps. 80 bv.
Het spoor van déze Herder voert ook door een dal zó diep, dat het volgens de etymologie van het hebr. woord het dal van de schaduw des doods heet. Maar Gods stok en staf, de wapenstok en de geleidestaf zorgen voor het geleide tot aan de dis, die God bereidt tegenover de benauwers van de psalmist. (Een oosterse herder vertelde eens, dat het gebruikelijk is om de weidegronden vrij te maken van adders en andere ongerechtigheden, voordat de schapen, die hongerig aan de kant hun beurt afwachten, zich aan het voedsel te goed kunnen doen. Dit illustreert de dis voor de ogen van wie David benauwen.) Het verblijven in het huis des HEREN is volgens Ez. 34 vergelijkbaar met het verblijven van de kudde in de veiligheid, die God bewerkt. Het door SV met immers, door NBG met ja, en door anderen met ‘slechts’ weergegeven hebreeuwse ach kan zowel beperkend (slechts) als bevestigend (ja) en soms ook tegenstellend (echter) vertaald worden. De eerste twee betekenissen zijn hier beide mogelijk. Dat het goede en de chesed, de trouw van Gods verbond, de psalmist vervolgt, betekent dat God in plaats van vijanden die hem achtervolgen, hem slechts het goede doet navolgen in het huis des HEREN, waar hij verblijft of daarheen terugkeert.
Psalm 24
Deze psalm, waarvan vs 1 Kor. 10:26 geciteerd wordt om de ruimte en het doel van de aarde als eigendom des HEREN aan te geven, is een psalm rond het koningschap van God. Hij die de aarde op zeeën en stromen heeft gegrond, woont zelf op de berg des HEREN. De plaats van Gods heiligheid (zijn heilige stede) is een aanduiding van de Sion, ook gezien de poorten en ingangen vss 7-10, maar tegelijk is het een aanduiding dat God ver boven de aarde verheven is. Sion beeldt zijn troon in de hemelen af. De dubbele benaming berg des HEREN en zijn heilige stede duiden aan dat het om troon en altaar gaat. God is Koning en Hij is God die op altaren gediend wordt.
Degene die voor God mag staan, is rein en zuiver en heft zijn ziel niet op tot valsheid. Dit opheffen (anders dan ‘richten’ NBG) duidt de begeerte aan en is de weergave van hetzelfde werkwoord nasa, dat in vs 5 voor het wegdragen van de zegen, de levenskracht wordt gebezigd. Omdat de koning tevens de rechter is, kan deze man, die het geslacht van Jakob symboliseert, gerechtigheid, vrijspraak en heil van de God van zijn heil wegdragen. Juist de benaming God zijns heils (vs 5) brengt sommigen ertoe om in gerechtigheid niet de vrijspraak te lezen, maar de zuivere begeerte die in vervulling is gegaan in de tempel.
Het (tempel)koor antwoordt nu, hetzij vanaf vs 6 hetzij vanaf vs 7. Het geslacht van degenen die God zoeken, namelijk Jakob, geeft aan dat Gods eigen volk zijn zegen en gerechtigheid wegdraagt, dit itt. degenen die valsheid en bedrog dragen. God wordt bezongen als Koning der ere (een uitdrukking die alleen hier voorkomt), omdat Hij van de strijd terugkomt (vs 8) en als een krijgsman (Ex. 15:2 ev., Num. 10:35) heeft overwonnen. Zijn koningschap is zo bijzonder en zijn eer zo uniek, dat zelfs de aloude poorten, de eeuwige ingangen, wier oorsprong vóór mensenheugenis (Jebus) teruggaat, zich moeten verheffen – weer hetzelfde werkwoord als bij het verheffen van de ziel en het (weg)dragen van zegen en gerechtigheid. De God van Jakob is de HERE der heerscharen en de Koning dér ere. Hij komt de stad in en bestijgt deberg om Zich op zijn troon te zetten. Sommige uitleggers spreken van een processie, zoals de meisjes in koor Saul en David inhaalden. De poorten zijn volgens hen die van de citadel van Sion.
Psalm 25
Het opheffen van de ziel vs 1 duidt erop dat de HERE boven de psalmist is, terwijl het vertrouwen vs 2 opgevat kan worden als zich uitstrekken op of schuilen bij. Eén die onder de psalmist is. Van twee kanten wordt zijn ziel, zijn leven zeker gesteld. Tot driemaal toe wordt gesproken van beschaamd worden vss 2-3, en de derde keer blijken het de vijanden te zijn, die trouweloos handelen of verraden, om vervolgens beschaamd te worden.
Deze psalm die volgens de letters van het hebr. alfabet is opgebouwd, omschrijft degene die de HERE vreest (vss 12 en 14) en zijn wegen (vss 4, 5, 8, 9 en 12) in de directe omgang met zijn God. Dat is tegelijk het antwoord op de vraag, hoe de psalmist zijn leven zeker stelt tegenover zijn vijanden. In vs 4 betekenen zowel weg als pad de verordeningen van God en het gedrag dat Hij verwacht van wie op Hem vertrouwen. Misschien betekent orach, pad iets nog concreters danderech, weg, evenals bij gerechtigheid tsedaqa de houding en het leven der gerechtigheid betekent en mishpat de rechtsverordeningen en rechtsuitspraken. Ook in het leiden vs 5 zit het woordderech, weg. Opvallend is de nadruk op het leren, dat hier en in vs 9 verbonden is met het leiden en bekendmaken. De waarheid en trouw van God is dat Hij degenen die op Hem vertrouwen, leidt op een onbedrieglijk pad en hun Zijn wegen bekendmaakt. Op deze manier is Hij hun een God van verlossing, die zij de hele dag verwachten en op wie zij hopen (vss 3 en 5).
Evenals vss 2-3 uit iets positiefs en negatiefs zijn samengesteld, zo ook vss 6-7. Laat de HERE zijn barmhartigheid en verbondstrouw als reden van zijn goedheid zich voor ogen stellen en gedenken, maar niet gedenken aan de zonde, het doel missen van Davids jeugd, en aan zijn overtreden. Mogelijk vallen de vijanden David daarop aan (vss 18-19), zoals ook zijn broer Eliab hem overmoed en boosheid van hart verwijt 1 Sam. 17:28. Dan bidt hij dat de HERE aan hem gedenke naar zijn goedertierenheid en goedheid. Die goedertierenheid is immers (vs 6) van eeuwigheid en reikt veel verder terug dan de zonde van Davids jeugd. Wanneer de HERE David zich voor ogen stelt, dan stelle Hij zich tevens zijn eigen trouw aan zijn verbond voor ogen. Alleen zo kan David voor God bestaan en toekomst hebben.
In de volgende strofe zijn het de goedheid en waarachtigheid des HEREN, die als oorzaak genoemd worden waarom Hij de zondaars die het doel missen, onderwijst betreffende de weg en de armen en neergebogenen in het recht leidt (vs 9 net als in vs 5 werkwoord dat van ‘weg’ is afgeleid) en hun zijn weg leert. Maar het verbond van God dient onderhouden te worden: de armen en gebogenen die Hem verwachten, zijn tegelijk degenen die zijn verbond en getuigenissen bewaren. Dat bewaren heeft iets van bewaken en wachthouden in zich, terwijl getuigenis als vermaning of teken tot vermaning moet worden verstaan. Het gaat dan om een waakzaam zijn ten opzichte van de vermaningen des HEREN, en dat past bij de volgende schuld- en zondebelijdenis. Na de woorden doel missen en overtreden vs 7 volgt nu het begrip zich misgaan, zonde, schuld in vs 11.
Het vrezen van de HERE en het verkiezen van Gods weg als nadere aanduiding van wat in vs 10 het bewaken van Gods verbond en vermaningen heette, brengt een geweldige voorspoed teweeg. Zijn ziel zal vernachten in het goede, hetzelfde goede als wat in vs 8 van God gezegd werd. Zelfs de nacht neemt het goede van God niet weg, en zijn nageslacht zal het land of de aarde beërven. Maar het vrezen des HEREN is meer dan uiterlijk welvaren. Het goede, zelfs in de nacht, en het leren van zijn verbond betekenen een vertrouwelijke omgang. Het woord betekent zowel een vertrouwelijk gesprek als een kring van vertrouwden. Delitzsch wijst op een oorspronkelijke betekenis van samengebonden, samengedrukt zijn, waarmee gezegd wordt dat God voor hen die Hem vrezen, niets verbergt. Vgl. Gen. 18:17. Omgekeerd verbergt de psalmist niets van wat zijn hart benauwt, voor God. Tegenover de gemeenschap met de HERE en de goedheid Gods in de nacht en de belofte voor zijn zaad staat, dat hij temidden van zijn hatende vijanden eenzaam is, jachied, één zonder gezelschap, één die absoluut alleen staat. Hij bidt God te zien op zijn neergebogenheid en moeite èn op zijn vijanden, die niet alleen zijn, maar talrijk. En intussen vraagt hij God al zijn doel missen weg te dragen, vs vs 20 keert het thema van de eerste verzen terug. De verwachting van de psalmist geldt echter niet alleen zichzelf, maar de verlossing van Israel, vs 22. Het werkwoord dat hij hier gebruikt, betekent ten diepste loskopen. Sommige uitleggers brengen dit werkwoord in verband met het uitleiden in vss 15 en 17. Wanneer de benauwdheden, waar dit vers van spreekt, die zijn van een eenzaam en neergebogen mens, die met zijn vele zonden vs 11 staat tegenover een overmacht van vijanden vs 19, dan kan het loskopen heel letterlijk de vrijmaking van een slavenvolk betekenen. Het laatste wat God doet aan wie op Hem hopen en Hem vrezen, is dat Hij hen totaal vrijmaakt.
Psalm 26
Hoewel de tegenpartij niet met zoveel woorden, anders dan als boosdoeners, goddelozen en zondaars, omschreven wordt en er geen sprake is van een directe botsing tussen David en zijn tegenpartij, geeft het werkwoord voor recht doen, toch duidelijk aan dat het gaat om een geschil tussen twee partijen. Davids onschuld is zijn volkomenheid, zijn ongedeelde leven. Die volkomenheid blijkt uit het vertrouwen op de HERE zonder te wankelen. Het is duidelijk dat David zich niet op werkheiligheid beroept. Het wandelen in volkomenheid is immers hetzelfde als geloven en hopen op de HERE zonder te wankelen. Ook uit vs 3 blijkt dat het hem om Gods goedertierenheid, Gods bevestiging van zijn verbond gaat en dat hij wandelt in de waarheid, de verbondstrouw des HEREN. Dat hij (nog) leeft, heeft hij aan Gods trouw en bestendigheid te danken. Het bijzondere van Ps 26 is, dat de psalmist zo zeker over zichzelf kan spreken, omdat hij zich de deugden van God eigenmaakt als zijn eigen levenswandel, door het geloof.
In twee chiasmen neemt hij, zoals het Ps 1 gezegd wordtvan de man wiens vreugde aan Gods wet is, afstand van leugenaars en achterbaksen, boosdoeners en goddelozen om zich vervolgens te begeven onder wie opgaan naar Gods huis. Het wassen van de handen in onschuld (zie ook Ps. 73:13 en Gen. 20:5) is afstand nemen van de zonde en breken met de zondaars, zoals ze in vss 4-5 genoemd worden, om tot een ander gezelschap en gemeenschap over te gaan. De rondgang om Gods altaar wil niet zeggen, dat wij met een priester te doen hebben, die zich reinigt met het oog op zijn dienst (Ex. 32:20), maar dat hij die zich begeeft tot het huis van God en de gemeenschap der gemeente, moet breken met en zich reinigen van het gezelschap, vs 5, of beter: de vergadering der boosdoeners. Het liefhebben (vs 8) is dan ook duidelijk een verkiezen van de plaats van Gods huis en de plek waar zijn eer verblijft. Tegenover dit blijvende van Gods huis en eer staat het wegrapen van de zondaars en hen die bloed vergieten, wier leven (vs 10)wordt gekarakteriseerd met misdaad, voornamelijk ontucht, en geschenken waarmee ze het recht buigen, steekpenningen. Vs 11 neemt het thema van vs 1 weer op. Het recht waarom vs 1 gevraagd werd, blijkt te bestaan in loskoping (zie Ps. 25:22) en begenadiging. Tegenover de vergadering der boosdoeners (vs 5) staan hier de vergaderingen van hen die de HERE zegenen en prijzen en zijn wonderen vertellen (vs 7).
Psalm 27
Gezien de drie aanduidingen van God als licht, heil (of verlossing) en levensburcht zal licht op te vatten zijn als levensvoorwaarde nummer één of als licht op iemands pad, zodat hij leven kan. Men verwijst wel naar de hogepriesterlijke zegen, Num. 6:24-26. Met de vraag: voor wie zou ik vrezenTvs 1 komt overeen de verzekering: mijn hart vreest niet, vs 3, zelfs wanneer een leger zich tegen David legert of een oorlog tegen hem opstaat. Te denken valt aan de vervolging door Saul en Absalom. ‘Hierop’ in de SV vs 3 is beter weer te geven met ‘hierbij’. Ook onder zulke omstandigheden is de psalmist (voortdurend) vertrouwende.
De reden van zijn onaantastbaarheid wordt duidelijk in de volgende strofe. Het blijven in het huis des HEREN heeft al zijn aandacht en is zijn enige begeerte van zijn God. Hij zoekt (vs 4 en 8) de liefelijkheid ofwel vriendelijkheid des HEREN en zijn aangezicht. Wanneer God hem dat niet schenkt of in toorn zijn aangezicht verbergt, is de psalmist zijn hulp kwijt, dan is hij verlaten en verworpen. Zolang God hem bergt en verbergt en hem verheft op een rots, is zijn hoofd verheven boven zijn vijanden, dwz. is hij de overwinnaar. Tegenover deze absolute redding en overwinning staat een absolute eenzaamheid, waarbij zelfs Davids vader en moeder – die hij in Moab in veiligheid heeft gebracht – hem verlaten hebben. Maar de HERE neemt hem aan, neemt hem in huis, zoals asaf ook vertaald kan worden. Meestal wordt het werkwoord gebruikt voor verzamelen. In de laatste strofe komen David en zijn tegenstanders nog eenmaal tegenover elkaar te staan, waarbij zij de gestalte van de valse getuigen en van degene die geweld blaast, aannemen. Vs 13 tekent de hopeloze situatie, als David niet vertrouwde, dat hij de goedheid des HEREN zou zien in het land der levenden. De verzuchting als ik niet leidt de zin in, een zin die niet af is. Eigenlijk moeten er achter levenden drie puntjes staan: ik moet er niet aan denken! Maar hij weet beter en spreekt zijn hart toe met het dubbele: wacht op de HERE, of de tweede maal (zoals Buber wil), uw hart wachte onversaagd op de HERE. Het werkwoord kawa is een hopen dat tegelijk een wachten is.
Psalm 28
Deze psalm heeft grotendeels dezelfde thematiek als de vorige, met dien verstande dat het lot van David, wanneer God zwijgt, met een in de groeve neerdalen wordt omschreven en de vijanden scherper omlijnd zijn dan in Ps. 27. De groeve, vs 1, wordt aangeduid met een woord dat de cisterne, de diepe uitholling in de rotsbodem bedoelt, waarin de winterregen wordt verzameld. David roept om hulp en heft zijn handen in gebed op tot het achterste van het heiligdom, tot het heilige der heiligen. Verschillende woordspelingen bepalen de inhoud van de psalm, zoals het spreken van vrede met hun naasten, terwijl boosheid in hun hart is, en het niet letten naast het niet opbouwen, vss 3 en 5. De laatste strofe is beslissend, omdat de zekerheid van de verhoring daarin bezongen wordt en in wisselwerking daarmee de grootheid van God (kracht en burcht). De hier bezongen verlossing geldt echter niet alleen David, doch de gezalfde des HEREN in het algemeen. En hetzelfde woord verlossing komt dan als een gebed het volk ten goede, vs 9, dat tegelijk Gods erfdeel of erfbezitting is. Opmerkelijk is het cumulatieve verlos, zegen, weid en draag, en dat tot in eeuwigheid. Hij die zijn volk verlost, is tegelijk de Herder van het volk. Hij verlost niet alleen van, maar ook tót iets.
Psalm 29
De strenge compositie van de psalm valt ook in vertalingen op: vss 1-2 het drievoudige geeft, vss 3-9 zevenmaal de stem des HEREN, vss 10-11 viermaal de naam: HERE.
De Septuagint voegt aan het opschrift Een psalm van David toe: van de uitgang van de tent, waarmee de tabernakel schijnt te zijn bedoeld. De kinderen der machtigen ofwel de zonen Gods (vs 1) worden door NBG met hemelingen weergegeven. Naast de gedachte aan godenzonen of andere hemelse wezens, die overigens wel past bij het ‘natuur’karakter van de psalm en bij de verhevenheid van Gods stem in hemel en op aarde, bestaat de uitleg die denkt aan de kinderen van God en van zijn verbond, en nog een andere uitleg die de kinderen der machtigen (SV) letterlijk opvat als de aanzienlijken die op aarde God moeten erkennen. Ook hier heeft de Septuagint een toevoeging: een vierde ‘geeft’ of ‘brengt’ gebiedt aan de HERE de zonen der rammen te brengen.
Wanneer wij erop letten dat deze zonen Gods de HERE eer of heerlijkheid en sterkte geven moeten, dan ligt evenals in teksten als Job 2:1 de betekenis van engelen of hemelse wezens voor de hand, maar gezien vs 2: de aanbidding van de HERE in het heiligdom, is het niet onmogelijk dat David toch de kinderen van God op aarde bedoelt, al moet erbij gezegd worden, dat Arodes/niet alleenheiligdom, maar ook het heilige en heiligheid kan betekenen. Vandaar NBG: buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos. Ook het paleis of tempel vs 9 kan duiden in de richting van de plaats waar God op aarde vereerd wordt, al moet ook hier toegegeven worden dat heiligdom en tempel of paleis kunnen zien op Gods woonplaats in de hemelen.
In de tweede strofe, waar het gaat om de stem des HEREN en de donder des HEREN, maken uitdrukkingen als de wateren, de geweldige wateren duidelijk dat God uitstijgt boven alle kosmisch geweld, zoals dat ook Gen. 1 beschreven wordt. De wateren, de ceders van Libanon en de woestijn Kades vormen het gebied waarover Gods stem macht uitoefent, en in gehoorzaamheid aan die stem werpen de hinden hun jongen en verhezen de wouden, getroffen door het hemelvuur, vss 6-7, hun schors. Sirjon duidt op de Antilibanon of Hermon, zie Deut. 3:9. Heel opvallend eindigt deze tweede strofe niet in het ‘natuurgebeuren’, maar in Gods tempel of paleis. Naast de overweging dat met de schepping en Gods paleis één werkelijkheid bedoeld is, waarvan Gods paleis slechts de top is, staat wat de psalm zelf aangeeft: slechts in Gods heiligdom wordt Hem de eer gegéven en tóegebeden, terwijl in de schepping precies andersom het de HERE is die spreekt, en de schepping reageert in haar veelkleurigheid en geweldigheid, zich krommend – zo bij de woestijn Kades en bij de hinden – op het gezag van zijn stem.
De laatste twee verzen geven aan dat God als een koning zit boven de zondvloed (NBG), de watervloed (SV), de hemeloceaan. Het water zelfs in de hemel is uiteindelijk aan Hem onderworpen en dient Hem tot troon. Dit alles en de overwinning van Gods stem over alle macht en kracht die bestaat in hemel en op aarde, komt zijn volk ten goede, dat tweemaal vs 11 genoemd wordt en begiftigd en gezegend wordt met sterkte en vrede. Wie dit vers vergelijkt met het begin van de psalm, kan er moeilijk onderuit, dat met de zonen of kinderen van God het volk van God bedoeld wordt. Hij geeft het sterkte, opdat zijn volk Hem sterkte geeft, en Hij zegent het, dwz. geeft het de levenskracht, opdat zijn volk Hem aanbidt en heerlijkheid, het gewichrvan zijn naam schenkt.
Psalm 30
Het opschrift heeft in SV Davids huis; misschien moeten we vertalen: een psalm, een lied d(t)er inwijding van het huis, voor (van) David. De beslissing hierover hangt af van de verdere inhoud van de psalm.
Opvallend is dat David vanwege het feit dat God hem heeft verhoogd, nu God gaat verhogen. Gij hebt mij opgetrokken, bevat een werkwoord dat voor ‘water scheppen’ wordt gebruikt. God heeft David van een dodelijke ziekte genezen: hij is in de put of groeve (boor = waterput, hier ingang tot het graf) niet neergedaald, want God heeft hem leven gegeven. In Israel is men óf meer dood dan levend óf meer levend dan dood en dus is het leven niet een vaststaand gegeven, maar een gave die men telkens moet ontvangen. Deze ervaring verbindt David met het ogenblik to. het leven in Gods welgevallen. Evenals in Gen. 1 wordt eerst de nacht en dan de (overwinnende) morgen met gejuich, genoemd. Het woord voor gejuich, wordt elders, zoals Ps. 17:1, voor klacht gebruikt.
De tweede strofe verlegt genoemde tegentelling naar David zelf en sluit hiermee aan bij vss 3-4. Ipv. gedacht vs 7 beter: gesproken. David had gesproken dat hij volstrekt niet zou wankelen in eeuwigheid. Het welgevallen vs 6, dat een leven lang duurt, had zijn berg (beeld van weerbaarheid to. de vijanden, de groeve en de dood, beeld ook van de verhoging waar de psalm mee begint) bevestigd, lett. voor zijn berg een sterkte gesteld. Deze omstreden woorden kunnen waarschijnlijk zó weergegeven worden, dat Davids leven, uitgedrukt door een berg of gebergte, beveiligd is door een daarvóór door God opgesteld verdedigingswerk tegen de vijanden, zoals dat diende ter bescherming van stadsmuren.
Wanneer echter God zijn aangezicht verbergt (wat niet noodzakelijk, zoals sommigen menen, uiting van zijn toorn behoeft te zijn), staat David ontsteld. Dan is de sterkte vóór Davids levensberg en daarmee zijn bescherming verdwenen.
In het gebed om genade, dat David opzendt, zegt hij dat de HERE er niet beter van wordt, wanneer de vijanden overwinnen en hij sterft. Hij beroept zich dus op Gods zaak. Het is wel zeker dat de vijanden God niet zullen verheerlijken en evenmin een dode David. Gods waarheid, Gods trouw (vs 10) staat op het spel. Gods lof zal verstommen. Hetzelfde werkwoord waar vs 9 het smeken om genade van is afgeleid, wordt in vs 11 door David gebruikt in zijn gebed.
Het rouwgewaad (vs 12) kan door David gebruikt zijn, omdat hij voorzag dat de vijanden overwinnen zouden, vgl. Ps. 43:2. God verwisselt zijn kledij en geeft daarmee de verandering van zijn levensstaat tot een van vreugde aan. Nu komt God itt. vs 10 wèl aan zijn eer. Het eren (niet: mijn ziel NGB) zingt voor Hem bij snaarinstrument. Het in eeuwigheid kwamen we op een andere wijze vs 7 reeds tegen. Davids zekerheid ligt nu in het loven en danken van God.
De inhoud van de psalm als beschrijving van Davids leven maakt het waarschijnlijk dat bij het opschrift toch aan Davids huis gedacht moet worden.
Psalm 31
Wat de psalmist van de HERE zegt, kwamen wij ook in vorige psalmen tegen, bv. Ps. 18. Zijn hele gebed getuigt, dat hij gered wordt, wanneer God recht doet. In het beroep dat hij op God doet, komt het woord vesting tweemaal voor vss 3 en 4, en ook het woord rots vss 4 en 5. Het vertrouwen op God spreekt met name uit het beroemde vs 6, dat in Luc. 23:46 door Jezus in de mond genomen wordt, verbonden met de Vadernaam. Hier spreekt de psalmist van een verlossing door de trouwe of waarachtige God. Het bevelen van de geest is het toevertrouwen van de adem ofwel het leven. De voltooid tegenwoordige tijd: Gij hebt mij verlost, doet niets af van de toekomstige betekenis: Gij zult mij verlossen.
Tegenover de trouwe God staan de nietswaardige ijdelheden, die als afgoden worden vereerd vs 7. Het beklemtoonde ik onderstreept deze tegenstelling. Na Gods waarheid en trouw wordt zijn goedertierenheid (vs 8) als een oorzaak van vreugde bezongen, welke goedertierenheid en onderhouding van het verbond de reden is waarom God de neergebogenheid van de psalmist ziet, zijn benauwdheden kent ofwel er zich mee inlaat, en zijn voeten doet staan in de ruimte.
In dit alles is er sprake van een vijand (vs 9), in wiens hand God de psalmist niet heeft besloten. Het optreden van deze vijand wordt duidelijk uit de volgende verzen, waar tweemaal van benauwen, vss 10 en 12 en tweemaal van verkwijnen, vss 10 en 11 sprake is. Bij dat verkwijnen somt de psalmist zijn oog, ziel, lichaam en gebeente op, kortom zijn hele bestaan. Daarbij staat to. Gods gerechtigheid (vs 2) nu de ongerechtigheid, schuld van de psalmist, vs 11. Dat de vijanden, die hij haat vanwege hun afgodendienst (vs 7), hem honen, is niet het ergste, maar dat de buren en bekenden hem als een reden tot smaad en schrik ervaren en dat de mensen op straat voor hem vluchten, is hem een last. De plannen om hem het leven te ontnemen, doen de gedachte rijzen, dat al de genoemden, zowel vijanden als vroegere bekenden en vrienden, erop uit zijn om David te laten sterven. Afgezien van episoden in Davids leven, waarin metterdaad de vrienden in vijanden veranderden, valt te denken aan Ps. 41, 55 en 69 waar soortgelijke bekenden en vrienden, ja familieleden voor de psalmist tot vijanden worden.
In vss 15 w. keert het oud vertrouwen weder, dat in vs 2 als schuilen, toevlucht zoeken, in vs 15 als vertrouwen wordt omschreven. De tijden van de psalmist zijn in Gods hand, wiens hand uit de hand van vijanden en vervolgers redt. Vgl. vs 16 met vs 6. Een sterk argument tot die redding is, dat de psalmist Gods knecht is, aan wie God zijn verbondstrouw, zijn goedertierenheid onderhoudt, vs 17. Buber vertaalt vs 18 niet met: Laat mij niet beschaamd worden, maar: Nooit kan ik tot schande worden, want ik heb U aangeroepen. De misdadigers daarentegen worden tot schande en worden doodgezwegen. De leugenlippen verstommen. Het is duidelijk dat er een lijn loopt tussen het God wel of niet aanroepen, wel of geen antwoord krijgen, wel of niet beschaamd worden en wel of niet verstommen, zelfs ten dode toe. Die leugenlippen spreken hovaardig en verachtend tegen de rechtvaardige. Hij die in vs 11 zijn ongerechtigheid belijdt, heet hier to. de misdadigers en ten gevolge van Gods antwoord (vs 18) een rechtvaardige (een Bewährter), één die trouw is aan de gemeenschap met God, zijn woord en zijn volk.
Met deze trouw begint ook de laatste strofe, die, evenals het begin van de psalm, een beschrijving van en lofprijzing op Gods deugden is. Het goede dat God heeft weggelegd ofwel verborgen of bewaard, is het totaal van het goede, dat dient tot steeds toenemend gebruik en genot van Gods heiligen. Opmerkelijk gaat het in deze laatste strofe niet meer om één mens, maar om wie God vrezen en al zijn gunstgenoten. Maar niet alleen dat: God bergt en verbergt ook degenen die Hem vrezen en bij Hem schuilen, in de berging van zijn aangezicht voor samenscholing en twist, zoals wij die in vs 14 tegenkwamen. De psalmist zegent de HERE, omdat Hij zijn goedertierenheid aan hem zo wonderlijk bewezen heeft als aan een benauwde stad.
Na de verwondering vs 20 en de zegenspreuk of lofprijzing vs 22 past de aansporing vs 24 om de HERE lief te hebben en Hem te verkiezen als God. Deze aansporing geldt hen die de vastheid van zijn verbond en trouw ervaren, to. de misdadigheid der goddelozen die bestaat uit hovaardij, vgl. vs 19. Vs 25 zie Ps. 27:14: bij de liefde tot de HERE past het sterke hart van wie op Hem hoopt, Hem verwacht.
Psalm 32
Wat SV een onderwijzing en NBG een leerdicht noemt, leiden anderen af van een woord, dat verstaan, inzicht hebben en goed resultaat hebben betekent. In deze boetpsalm is het eerste deel een dubbel gelukkig prijzen van de mens die vergeving verkrijgt. De zonde heeft in vss 1-2 vier gestalten: overtreding die gedragen, doel missen dat bedekt, bewust zich misgaan dat niet toegerekend wordt en bedrog dat niet in de geest is. Sommigen vatten het laatste als oorzaak van de eerste op: omdat in zijn geest geen bedrog is, worden alle zonden vergeven. Anderen vatten de woorden ‘geen bedrog’ op als inzet tot eerlijke schuldbelijdenis in de eerste zinnen. Deze twee eerste verzen worden door Paulus geciteerd Rom. 4:7-8. De tweede strofe illustreert de lofprijzing van het begin van het leven van de psalmist, David. De eerlijkheid ontbrak, het bedrog betekende dat David zweeg. Het gejammer (vs 3) staat niet in tegenstelling tot het zwijgen. Het is het gevolg van het zwijgen en van het wegkwijnen van Davids gebeente. Zijn gebeente droogt uit, zijn merg verdroogt onder Gods drukkende hand, die hier niet redding maar straf betekent. Onder die druk verbreekt David het zwijgen en maakt hij zijn ‘doel missen’ en zijn ‘bewust zich misgaan’ ofwel zonde bekend, hij bedekt die niet langer. Het werkwoord prijzen dat we ook in Ps. 31 tegenkwamen, betekent hier: belijden. God draagt op deze korte belijdenis de zonde van het doel missen weg. Het is de bedoeling van de psalmist, dat door de opeenstapeling van de woorden voor ‘zonde’ wij inzien, dat op een zo korte belijdenis God totaal vergeeft en het welzalig waar de psalm mee begint, van hem nu ook geldt.
Er is iets voor te zeggen om vss 6-7 ook als een strofe op te vatten, waarin David zijn levenservaring uitbreidt en oorzaak maakt van een gebed van iedere vrome, ieder die het verbond met God beleeft en uitleeft, tot Hem die Zich laat vinden. Zomin als David verder uitdroogde, zal de vrome die God bidt, ten onder gaan in vele wateren, vgl. Ps. 29:3. De tweede naamval, voor God gebruikt in vss 5 en 6, zet zich in vs 7 als een belijdenis voort. Met dezelfde nadruk als waarmee God wordt beleden (vs 5), wordt nu van Hem gezegd dat Hij de psalmist verbergt, behoedt voor benauwdheid en omringt met jubelzangen van bevrijding. Dat behoeden voor benauwdheid drukt hij in een woordspeling uit.
De laatste strofe bevat twee verzen die woorden van Godzelf bevatten. Het Ik leer en onderwijs u neemt de draad van het opschrift weer op. De twee werkwoorden zijn op te vatten als inzicht en onderwijs geven. Dat die twee zeer praktisch bedoeld zijn, blijkt uit de weg, die de inhoud van Gods onderwijs is. Het gaat om het vrezen van God, zie Ps. 31:20. Daar hoort ook de waarschuwing van vss 9-10 bij, waar de goddeloze die talrijke smarten ervaart, vergeleken wordt met paard en muildier, die de weg niet weten en geen inzicht hebben, maar zelfs zonder teugel en bit gevaarlijk zijn. De ene uitlegvan de hebr. woorden is: opdat het tot u niet genake, een andere is: anders komt het niet tot u, anders kunt gij er niets mee beginnen en ze niet leiden.
To. de goddeloze, de misdadige, staan degenen die op de HERE vertrouwen, de rechtvaardige en de rechte van hart, die zich kunnen verheugen en jubelen. Met recht van hart wordt hetzelfde bedoeld als vs 2: de man in wiens geest geen bedrog is en die welzalig heet.
Psalm 33
Deze psalm heeft geen opschrift, reden waarom men wel spreekt van een anonieme gemeentezang, die zou zijn ontstaan ter gelegenheid van de bevrijding van het volk uit heidense onderdrukking. Het van (voor) David als opschrift in de Septuagint is volgens sommigen een late gissing, aangezien de psalm niet uit vroeger tijd zou dateren dan de late griekse periode, en zij waarschijnlijk van makkabese oorsprong is. Anderen weerspreken een late ontstaanstijd met het argument dat de compositie van de psalm geen afhankelijkheid van vroegere modellen vertoont. Op het eind krijgt de psalm in het herhaalde wij en ons een ‘afzender’. Zij wordt en is gezongen door rechtvaardigen en oprechten, die op God hopen.
Het meeste opvallend is de compositie. In strofen van meestal twee zinnen worden de rechtvaardigen tot jubel opgewekt voor de God die (vs 5) gerechtigheid en rechtdoen liefheeft, evenzo de oprechten tot een lofzang voor Hem wiens woord recht is (vs 4). Het loven en psalmzingen, het zingen en spelen geschiedt bij instrumenten en wordt gevolgd door het grote thema van de psalm: Gods woord is recht en al wat Hij maakt, is in trouw of waarheid. In het vervolg komt deze verbinding tussen verbond en schepping telkens terug. Uit dit rechte woord en uit dit waarachtige werk laten gerechtigheid en recht, maar ook de aarde die vol is van Gods goedertierenheid ofwel verbondstrouw, zich verklaren. Op de aarde richt zich Gods aanhoudende goedertierenheid. Op deze goedertierenheid wordt gehoopt, wanneer alle andere kracht faalt, vss 18 en 22.
Vanuit ditzelfde woord en de Geest die uit Gods mond uitgaat (vs 6 roeach betekent zowel geest als adem), wordt nu in vss 6-9 de schepping verteld als het verzamelen der wateren en het toebereiden van de aarde en haar inwoners. Het woord, waar zij het leven aan te danken hebben en dat Gods goedertierenheid verklaart, roept de vreze van God en het schrikken voor Hem op; het wordt vertaald met ontzag hebben, betekent sterker: terugschrikken, vgl. Ps. 22:24. Zijn spreken gaat immers onmiddellijk in vervulling, zoals zijn goedertierenheid ook garandeert.
In vss 10-11 staan de raad en gedachten der gojim en der volken (‘amim) to. de raad en gedachten des HEREN. De eerste worden door God verbroken en verijdeld, de tweede staan in eeuwigheid en van geslacht tot geslacht. Daarom blijft vs 12 van al die gojim alleen het volk over, welks God de HERE is en dat zijn eigendom ofwel zijn erfdeel is. Wellicht is ‘erfbezitting’ de beste vertaling, aangezien het bezitten van Israel door God toch wel de nadruk krijgt. Het ‘ganse’ en ‘alle’ (vs 8) herhaalt zich nu in alle mensenkinderen (vs 13), alle bewoners (vs 14), aller harten en al hun werken (vs 15), die voorwerp zijn van een gedurig (door vier deelwoorden uitgedrukt) zien èn bezig-zijn van God. Naast de gedachte dat God alle werken doorgrondt of verstaat, is het ook in deze verzen vooral het zien en formeren ofwel het scheppingswerk van God, dat centraal staat.
In drie ontkenningen wordt nu de kracht en sterkte van koning, held en paard afgewezen. Zij vormen op die verbroken en ijdele raad en gedachten geen uitzondering. Maar het oog (of: oogmerk) des HEREN, dat in vss 1315 oorzaak was van zijn scheppen, zelfs van hart en gedachten van allen die de aarde bewonen, richt zich nu naar zijn goedertierenheid op hen die Hem vrezen en op die goedertierenheid hopen. Zijn oogmerk is daarbij om hun leven van de dood te redden en hen in leven te houden tijdens hongersnood. In hun leven blijken de raad en gedachten des HEREN in eeuwigheid te zijn.
Daarom eindigt Ps 33 met een verenigd gebed, belijdenis en dankzegging van de rechtvaardigen, oprechten en nópenden (vss 1 en 18), waarin het wachten centraal staat in twee werkwoorden, waarvan het eerste geduld en het tweede zekerheid uitdrukt. De laatste maal dat Gods goedertierenheid genoemd wordt, staat ze in regelrechte verhouding tot het hopen van de vromen op God.
Psalm 34
Het opschrift verwijst naar 1 Sam. 21:13 w. en de weinig verheffende wijze waarop David uit Gath wegging, is aanleiding voor dit lied. De vrees, waarvan 1 Sam. 21:12 sprake is, keert hier terug (vs 5): Hij redde mij uit al mijn verschrikkingen en vs 7: Deze ellendige hier riep en de HERE hoorde. Overigens dient dan Abimeleks afkeer van krankzinnigen als redding uit de benarde situatie waarin Abimeleks dienaren van hem zeggen, dat hij de David is van wie gezongen werd dat hij zijn tienduizenden verslagen had. Dezë wending heeft David ervaren als een antwoord van de HERE en als een bewaring door de engel des HEREN. Abimelek is de Filistijnse titel van de koningen, waartoe Achis behoorde. (Het is zeer twijfelachtig of we met sommige uitleggers een aparte bron, namelijk Davids annalen, voor dit opschrift moeten aannemen. Daarvoor zijn de overeenkomsten met het Bijbelverhaal toch te treffend.) Behalve de herhalingen, zoals vss 10-11: geen gebrek hebben, en vss 5, 18 en 20: de HERE redt, en vss 22 en 23: wel en niet schuldig verklaard worden, valt ons vanaf vs 8 het thema van de vreze des HEREN als centraal thema op. Hiernaast wordt het horen en het redden voortdurend beklemtoond. Ook deze psalm is een letterdicht naar de letters van het hebreeuwse alfabet. Het leren van de vreze des HEREN van de leermeester aan zijn jongeren (kinderen) volgt de stijl van de spreuken, zoals vraag en antwoord (vss 1315) en de tegenstellingen (vss 16-17 en 22-23, waar overigens ervoor boeten (NBG) beter vertaald is dan schuldig verklaard worden (SV)). Opvallend is het onheil dat de goddeloze doodt. De goddelozen gaan dood aan hun eigen kwaadwilligheid: zij moeten hun haatdragend doen en laten met de dood boeten. Door deze verklaring ontkomen we aan een noodlotsbegrip, dat volstrekt niet in overeenstemming zou zijn met de rest van de psalm. Vs 21 is één van de teksten, waar in Joh. 19:36 op gezinspeeld wordt. Vss 13-17 worden rechtstreeks geciteerd in 1 Petr. 3:10-12.
Psalm 35
Jezus heeft het slot van vs 19: wie mij zonder oorzaak haten, op Zichzelf toegepast Joh. 15:25 – Zij hebben Mij zonder reden gehaat. Overigens klinkt deze psalm ons zeer weinig ‘nieuwtestamentisch’ in de oren. God wordt immers als een krijger voorgesteld. Maar de diepste zin is, dat God voor David in de bres zal springen in het geding, dat hij tegen misdadige getuigen moet voeren. David is machteloos. Slechts wanneer God zijn recht en gerechtigheid uitvoert, wordt de ellendige gered van degene die sterker is dan hij vs 10.
In het eerste deel gaat het dan om een werkelijke strijd, waarin God voor David strijdt en zegt: Ik (met nadruk) ben uw verlossing, vgl. met Ex. 14:14 en 2 Kron. 20:15. Opmerkelijk is de betekenis van de Engel des HEREN; Hij stoot de vijanden neer en achtervolgt hen, vss 5-6. Het zonder oorzaak is het motief van vss 7-16. Nu verandert het beeld van een oorlog in een rechtsgeding: David heeft goed vergolden aan wie hem kwaad vergelden. Zonder reden wordt hij aangevallen, hij moet zeggen wat hij niet weet, hij krijgt kwaad voor goed vergolden en wordt van kinderen beroofd ofwel dat is de verwezing, het tot wees maken van zijn ziel. Shakal betekent kinderloos maken. Het is de vraag of hier Davids persoonlijk verlies dan wel het verlies dat het volk lijdt, aan de orde is. Het vermelden van de ellendige en arme, vs 10, van de gemeente en schare die God prijst, vs 18, van de stillen in het land, vs 20. Stillen in het land is een omstreden term, die onderscheid maakt tussen de vromen en de anderen in het land. In dat geval zou het heil, waar David om vraagt, niet bedoeld zijn voor heel Israel, maar voor de vromen en rechtvaardigen. Men kan als parallel denken aan de zachtmoedigen van het land Sef. 2:3 en de oot-moedigen op aarde Ps. 76:10. Zij zijn dan degenen die stil en ootmoedig wandelen in de weg van God. Voor hen en voor David is er van de zijde der vijanden geen vrede, doch bedrog te verwachten (vs 20). Maar God schenkt (vs 27) daarvoor in de plaats vrede aan zijn gunstgenoot en knecht) en degenen die met David jubelen (vs 27), doet aan het laatste denken. In dat geval is David een voorbeeld van wat God met Israel of met de vromen in Israel doet. Vss 17 ev. komt op het gebed van David tot God om met langer toe te zien, het zien van God (vs 22) to. het zien van de valse vijanden (vs 21) te staan. Driemaal gebruikt de psalmist een werkwoord voor ‘zien’ in verschillende betekenissen. Gods zien is de inzet voor Gods bemoeienis (Hij is niet ver) en voor Gods rechtdoen, waarbij zijn gerechtigheid de maatstaf en norm is. Het is namelijk zijn eer te na en het is tegen zijn verbond, wanneer Davids recht ondergaat door wie hem in valsheid verslinden. Het rechtsgeding (vs 23) is dezelfde twistzaak(rieb) als in vs 1.
Wat vss 9-10 realiteit is, is hier aan het eind van de psalm een gebed, waarin het vertrouwen spreekt uit de woorden mijn God en mijn Here, en o HERE, mijn God, vss 2324. Zij die lust hebben, een welgevallen hebben aan Davids gerechtigheid (tsèdek), bezingen bestendig het welgevallen des HEREN aan de vrede (sjaloom) van zijn knecht. En David zelf bezingt voortdurend de gerechtigheid Gods.
Psalm 36
Het begin en het eind gaan over de goddelozen en werkers van ongerechtigheid, en omklemmen een gebed dat God verheerlijkt om zijn goedertierenheid, trouw, gerechtigheid en gericht.
Vs 2 stelt ons voor het probleem, dat de hebreeuwse tekst niet spreekt van zijn hart, maar van mijn hart. Daarom hebben sommigen de woorden: Diep in mijn hart, ook betrokken bij het vervolg: Diep in mijn hart is er geen schrikken of vrezen voor God. Maar dan blijft het slot over: voor zijn ogen. Wanneer wij deze woorden verstaan als van God gesproken, dan zegt de goddeloze in zijn overtreding: ik vrees niet voor Gods ogen. De zonde wordt met overtreding aangeduid. Het is deze overtreding, die vs 3 hem vleit (beter dan: hij vleit zichzelf SV) ofwel gladmaakt, een beeld van verdraaiing van de woorden; denk aan de gladde tong. In dat geval verdraait de goddeloze zijn woorden, opdat zijn ongerechtigheid, zijn schuld niet gevonden, niet ontdekt wordt. Hiernaast bestaat de mogelijkheid, dat zijn overtreding hem vleit, totdat men zijn ongerechtigheid vindt (zo NBG), maar in dat geval geeft men aan het eenvoudige hebr. woord voor ‘tot’ of ‘totdat’ wel erg veel klemtoon. In wat hij diep in zijn hart spreekt en overlegt, staan onheil (2 X vss 4-5) en wat niet goed is (2 x vss 4-5) centraal.
In het tweede deel, vss 6-10, gaat het met name om Gods goedertierenheid (vss 6 en 8), die samen met Gods andere deugden zo groot is dat mens en dier ervan leven, ja verlost worden vs 7. Het hebr. werkwoord voor ‘redden’ betekent naast redden ook bijstaan en helpen. De verbinding met mens en dier verwijst naar Gen. 6:7, 7:23 en andere teksten. Toch betekent dit werkwoord voor mens en dier niet hetzelfde; het houdt meer in dan door eten en drinken in leven behouden. Dat wordt duidelijk, wanneer van de mensenkinderen gezegd wordt dat zij schuilen in de schaduw van Gods vleugels vanwege zijn goedertierenheid, zijn verbondstrouw. Daarom vinden zij hun lafenis in het vette van Gods huis en in de stroom van zijn liefelijkheden, het meervoud van de naam van de hof Eden Gen. 2:8. Bij de schaduw van de vleugels denke men aan de cherubs vleugels, bij het vette aan het vette van de offers, en bij de stroom of beek aan de tem-pelstroom, die als levensbron geldt. Zo wordt wat de mens in de redding van God zoekt en vindt, concreet in Gods huis. En daar behoort dan ook de bron des levens bij en het licht dat de redding vs 7 tot een hoogtepunt voert. Licht zien is levensvoorwaarde en dit levenslicht komt voort uit het licht van Godzelf, dat in zijn huis gevonden wordt.
De ‘wij’ met wie dit deel eindigt (zien wij het licht), zijn degenen voor wie David in het derde deel om bestendige goedertierenheid (vgl. vss 6 en 8) vraagt. De gerechtigheid van God, die als de bergen Gods, als de geweldige bergen is (vgl. voor dit spraakgebruik van vs 7 Jona 3:3), geldt hun die recht van hart zijn, dit to. het hart van de goddeloze, dat vs 2 andere dingen bevat. Nog eenmaal worden de goddelozen en de werkers van het boze genoemd. Zij komen ten val en worden neergestoten om met weer op te staan. Wie dat doet, wordt niet gezegd, maar het is uit het verband duidelijk, dat het de schaduwzijde is van de goedertierenheid en gerechtigheid,waardoor God bestendig de rechten van hart redt en onderhoudt. Is er bij God licht en leven, dan is er buiten Hem slechts het vallen om niet weer op te staan.
Vs 2 wordt geciteerd in Rom. 3:18.
Psalm 37
Het is nauwelijks mogelijk om dit leerdicht, dat volgens de letters van het hebr. alfabet is samengesteld, in strofen in te delen. Bijna elk verspaar vormt overeenkomstig de wijsheidsliteratuur een onverbrekelijk geheel.
Het wees niet afgunstig (NBG) vs 1 is te zwak uitgedrukt. Beter is: ontsteek niet in toorn, waar dan in het tweede lid naast staat: wees niet afgunstig. In dit naast elkaar stellen van twee elkaar aanvullende werkwoordsvormen en vs 2 twee elkaar aanvullende redenen, waarom toorn en afgunst niet terecht zijn, komt het karakter van de wijsheidsspreuk tot uitdrukking. Een andere, hier en daar in deze psalm gebezigde vorm is die van de tegenstelling tussen wat er met de boosdoeners en met degenen die de HERE verwachten, gebeurt (vs 9) of wat de toekomst is van de goddelozen tegenover die van de oot-moedigen (vss 10-11) of ook wat hun te wachten staat die door de HERE gezegend worden tegenover hen die door Hem gevloekt worden, vs 22 enz.
Zonder dat er van directe citaten uit deze psalm in het Nieuwe Testament sprake is, komen vss 9 en 11 en 25 oa. overeen met bepaalde verzen in de Bergrede.
Op grond van de zekerheid dat God de goddelozen zal verdelgen en dat de toekomst aan degenen is die Hem vrezen en op Hem hopen, wordt in telkens gebiedende wijs een levenshouding aanbevolen van vertrouwen op en blijdschap in God, van stil zijn voor Hem en Hem verwachten, van het goede doen en zijn weg bewaren. Die toekomst, die God zeker zal geven, ligt verankerd in het beërven van het land en in het hebben van nakroost, waarvan de man des vredes itt. de goddeloze zeker mag zijn. Het vss 37-38 gebruikte hebr. woord door NBG met nakroost vertaald, heet in SV einde. Dan gaat het om het einde van de vrome en oprechte, dat vrede zal zijn, itt. het einde der goddelozen dat uitroeiing betekent. Maar achariet wordt ook gebruikt voor het overblijfsel, zoals in het N.T. ta eschata, en dan in de zin van de toekomst. Wellicht kunnen we het algemener opvatten als iemands toekomst, iemands deel in het leven, dat in het geval van de vrome en oprechte vrede, harmonie, welzijn zal betekenen, in het geval van de goddelozen echter uitroeiing ofwel afsnijding. Vss 39-40 wordt de bevrijding of redding van de rechtvaardigen beschreven in een tweemaal gebruikt redden (vs 39 als zelfstandig naamwoord, vs 40 als werkwoord), in een tweemaal gebruikt werkwoord bevrijden of laten ontkomen (falat) en door het eenmaal gebruikte helpen (‘adzaf).
Psalm 38
Het opschrift met het opvallende om te doen gedenken, door NBG ea. opgevat als een verwijzing naar het ge-denkoffer, vgl. met opschrift Ps. 70, betekent in dat geval dat een deel van het spijsoffer (een hand meel vermengt met olie en de wierook) in het altaarvuur werd geworpen om degene die het offer brengt, in herinnering te brengen bij God. Het is zinloos om dit gebed ofwel deze klacht tot God uitsluitend te verklaren vanuit Davids zonde met Batseba, aangezien in deze psalm David de belijdenis van zonde niet voorop stelt, maar vooral bidt om afwending van Gods toorn, waaronder hij gebukt gaat. Vs 2 stemt overeen met Ps. 6:2 en Gods hand (vs 3) doet denken aan Ps. 32:4, terwijl de pijlen van God Hem voorstellen als de krijger van Ps. vs 4 staan de heelheid en de vrede met elkaar in direct verband en zo volgen ook Gods gramschap en Davids zonde (zijn doel-missen) elkaar op. Naast dit doel missen gebruikt hij het woord schuld voor de zonde, waarom hij gestraft wordt. Het niet-heel-zijn van zijn vlees uit vs 4 wordt in vs 8 herhaald. Vs 10 geeft door te vermelden dat Davids verlangen voor God open is, of, beter vertaald, voor God is en daar kennelijk bestaan kan, aan dat dit verlangen niet door zonde of schuld vertroebeld is. Daar ligt niet alleen de zekerheid in, dat God David nog niet in de steek gelaten heeft, maar ook dat de zonde verzoend is en dat de relatie hersteld is.
Vanwege het dwaze handelen (vs 6) verlaten vrienden, bekenden en verwanten David en is hij los van zijn familie, een vogelvrije die overgeleverd is aan de strikken van wie hem naar het leven staan. Maar hij verweert zich niet, want hij hoopt op God, van wiens antwoord hij zeker is. Evenals Ps. 35:23-24 spreekt hij van de HERE als zijn God (vs 16). Na nogmaals de grote zorg voor God beleden te hebben, dat zijn vijand zich over hem zal verheugen en hij zal wankelen en struikelen, en na opnieuw zijn schuld en doel-missen (vgl. met vss 4-5) beleden te hebben als diepste reden van zijn zorg en bekommerdheid, doet hij een laatste beroep op de HERE, die hij zijn God en zijn redding noemt. Opvallend is nog, dat hij aan het slot zijn zonde en schuld belijdt en tegelijk zegt dat hij het goede najaagt (vs 21). Dat is de reden waarom zijn vijanden hem vervolgen en kwaad voor goed (zie Ps. 35) vergelden. Er lopen dus door deze psalm twee lijnen. Tegenover God is David zondaar en schuldige; Gods toorn is billijk, en hij kan slechts vragen dat God hem met mate straft en kastijdt. Tegenover zijn vijanden staat David echter onschuldig: hij jaagt het goede na. Dat zijn twee onderscheiden lijnen. Echter, omdat hij op God hoopt, verweert hij zich toch niet tegen wat hem ten onrechte en onverdiend door zijn vijanden wordt aangedaan.
Psalm 39
Jeduthun (vgl. Ps. 62:1 en 77:1) is één van Davids koorleiders, zie 1 Kron. 16:41, en vader van de poortwachter Obed-Edom, 1 Kron. 16:38. Deze psalm heeft als thema de wijsheid mbt. het levenseinde. Wat is het leven waard, wat is ervan te verwachten, en wat is wijsheid in dezen? Tegelijk keren allerlei thema’s uit andere psalmen terug. De goddeloze staat voor zijn aangezicht (vs 2). God kastijdt iemand om zijn ongerechtigheid en het lichaam draagt daar de sporen van (vs 12). De psalmist is een vreemdeling en bijwoner, zie Gen. 23:4 en Ps. 119:19.
Het bewaren van de wegen door de psalmist zal gezien het vervolg betekenen dat hij zwijgt over wat hem in het leven overkomt en geen klachten uit voor de oren van een goddeloze. Als hij dan dit zwijgen vanwege de smartdie aangroeit en het hart dat gloeit, niet langer kan volhouden, dan spreekt hij tot de HERE.
Wat hij vraagt, getuigt niet van mistroostigheid, maar om te kunnen dragen wat God hem oplegt, moet hij het einde en de maat weten. De handbreedten vs 6 zijn bedoeld als de kleinste maat; vandaar het herhaalde woord ademtocht, vss 6-7. Met daar staan vs 7 wordt een zich vast stellen, een standhouden bedoeld. Zelfs als de mens alles doet om stand te houden, is en blijft hij toch ‘een ademtocht’. En wat hij op een hoop laadt zoals koren, daarvan weet men niet voor wie men het doet.
Daarom is er maar één zekerheid: de hoop op God (vs 8), uitgedrukt door twee woorden. De HERE redt de psalmist van zijn overtredingen, zodat hij geen smaad en oorzaak tot spot wordt voor de dwaas, tegenover wie – in de vorm van de goddeloze – hij met opzet over al zijn kommer zweeg. Eén ding weet hij als antwoord op zijn bede om het einde en de maat te weten: God heeft het gedaan, en dat temeer doet hem zwijgen. Geen morren of opstandigheid komt uit zijn mond.
Dit neemt niet weg, dat hij mag vragen of God de plaag van hem wil nemen en zijn hand wil verlichten, vgl. Ps. 32 en 38. Na de overtredingen (vs 9) wordt nu het woord ‘awoon voor schuld gebruikt (vs 12). Deze schuld samen met Gods straffen daarover doen een mens vergaan, en voor de derde maal wordt het woord ademtocht gebruikt, vgl. vss 6-7. Naast het woord gebed komen gesteun en tranen te staan. De psalmist ontdekt dat hij bij God, niet to. Hem, maar mèt Hem, in de rij van zijn geslachten (vaderen) het leven heeft te leiden van een vreemdeling en bijwoner, zoals de aartsvaders. Hij vraagt zoals in Job 7:19 en 14:6, dat God zijn blik en daarmee zijn straf van hem afwendt, opdat hij zich verkwikt of zich verblijdt. De hebr. werkwoordsvorm betekent hier en Job 9:27 en 10:20 vrolijk worden. Bedoelt hij dan met het slot: Ik wil er nog eenmaal van genieten, en daarna ga ik heen en ben er niet meer? Of gaat het er hem om, zich te verkwikken, voordat dat vreselijke gebeurt, opdat dit juist niet zal gebeuren? Het tweede deel van de psalm pleit voor het laatste: ipv. kastijding die David doet vergaan, moge er blijdschap komen. In het licht echter van het eerste deel, oa. vs 5, is de verklaring mogelijk waarbij David vrede heeft met zijn einde, maar van God vraagt zich in dit leven nog te mogen verheugen. Vgl. deze uitleg met Job 10:20-21.
Psalm 40
Niet zozeer het lange verwachten wordt door David uitgedrukt (vs 2), alswel het verwachtende (intense) verwachten. Het werkwoord verwachten wordt door hem herhaald. Reeds het Zich neigen van de HERE duidt aan dat Hij David uit de diepte moet ophalen. Die diepte, waaruit God hem opheft als antwoord op zijn geroep, is niet een kuil van het verderf (NBG-sjeooI), maar een ruisende kuil en een modderpoel, waarin David alleen maar naar beneden werd getrokken. Daartegenover staat de rots waarop God hem stelt en het vastmaken van zijn gangen of schreden. En daarbij past het nieuwe lied en de lofzang, dat velen doet zien en vrezen en op de HERE doet vertrouwen. Ook hier wordt voor vertrouwen een werkwoord gebruikt (zie 39:14), waarmee aangeduid wordt dat iemand grond onder de voeten wordt gegeven. In de tweede strofe wordt nu de man welzalig geheten die zo God tot zijn vertrouwen stelt. Overeenkomstig de velen die het zien en vrezen (vs 4), heeft God zijn wonderen en zijn gedachten aan ons (!) veel gemaakt, zo zelfs dat ze te talrijk zijn om ze te kunnen (ver)tellen. Daarom is het hebben van doorboorde oren om zijn wonderen te horen, belangrijker dan het brengen van slacht- en spijsoffer, waar God evenmin welgevallen aan heeft als aan brand- en zondoffers. De naam van degene die Gods wil volbrengt, is geschreven in de boekrol, en omgekeerd is Gods tora in zijn binnenste. Intussen zegt hij dat het zijn welgevallen (vgl. met vs 7) is om Gods bevelen te doen. Zijn welgevallen sluit dus aan bij het welgevallen van God. Daarom worden deze verzen geciteerd in Heb. 10: 5-7, waarop de exegese van de apostel volgt, waarbij het komen van Christus staat tegenover de offers die aan God niet hebben behaagd en die Hij niet heeft gevraagd. In de volgende strofe is het dezelfde ‘ik’ als die zich bereid heeft verklaard om Gods wil te doen, en wiens oren doorboord zijn, die nu het doen van Gods wil vertolkt in een verkondiging van Gods gerechtigheid, trouw (waarheid), redding en goedertierenheid temidden van een grote gemeente. Ook nu is David voorbeeld van wat God met zijn volk doet, zie ook ons vs 6. Het woord ‘gemeente’ staat nauwelijks onderscheid toe tussen het openbare leven en het leven dat zich in de tempel afspeelt, al ligt op het laatste, gezien de verkondiging en het danklied uit het begin, hier wel de nadruk.
In een volgende en laatste strofe beroept David zich op Gods barmhartigheid (lett. ingewanden, plaats van diepste ontferming), goedertierenheid en waarheid, die hem voortdurend moeten bewaren tegen de kwade zaken, de rampen die evenals Gods wonderen in het voorgaande, nu ook zonder getal zijn, niet geteld kunnen worden vanwege hun veelheid. Zijn schulden die hem achterhaald hebben, zijn niet te overzien. Ze zijn talrijker dan de haren van zijn hoofd, en bovendien zijn daar degenen die op zijn leven azen en hem bespotten. Bij de rampen komen de zonden, en bij de zonden degenen die David achtervolgen, zijn vijanden. In één lang gebed begeert hij dat zij verstommen en dat in plaats daarvan degenen die God zoeken en zijn redding liefhebben, voortdurend (vgl. vs 12) zeggen: De HERE is groot! Ook hier is immers het redden en helpen van God (vs 14) het centrum van wat er gebeurt.
Het laatste vers legt er getuigenis van af, dat de psalmist tevreden is met zijn (klemtoon op ‘ik’) ellende en neergebogenheid, als de Here, zijn bezitter maar hem in gedachten heeft of zijn plannen met hem heeft. Het niet vertoeven sluit weer aan bij het begin: op het verwachtende verwachten heeft de HERE Zich neergebogen en geantwoord.
Psalm 41
Iov. de SV (welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt jegens de ellendige) vat NBG het hebr. werkwoord op als acht slaan op. Anderen geven: bedacht zijn op. Baumgartner geeft als betekenissen op verstaan, inzicht hebben of ook iemand verstandig maken, inzicht geven, resultaat hebben en met inzicht ofwel vroom handelen. De laatste betekenis komt dicht bij de SV. Gezien het welzalig en de volgende beloning van zulk gedrag, is het waarschijnlijk dat de betekenis van vroom handelen naast verstandig handelen meespeelt. Die beloning voor de vroomheid, bewezen aan de geringe of arme, bestaat hieruit dat de HERE de vrome en verstandige op de kwade dag aan het kwaad ontrukt en in zekerheid brengt, dat de HERE hem bewaak(r)t en levend maakt of in het leven behoudt, dat hij welzalig geprezen wordt en dat God hem niet overgeeft aan de ziel = wil en verlangen van zijn vijanden. Bovendien ondersteunt de HERE hem wanneer hij ziek is en verandert zijn leger(stede), waarbij te bedenken valt dat de ziekte een zwakte is, vergelijkbaar met de zwakte van hem die vs 2 genoemd wordt. De bedoeling is dus: wanneer hij die zich nu vroom en verstandig gedraagt jegens de zwakke en geringe, zelf ziek en zwak wordt, dan wordt hij door de HERE ondersteund en in leven gehouden. Die ziekte wordt nu in de tweede strofe door David als een levende ervaring beschreven. Hij schrijft zijn ziekte toe aan het doelmissen tegenover God. En de vijanden, die reeds in vs 3 met hun ‘ziel’, hun wil en wens naar voren kwamen, blijken nu niets anders te wensen dan dat David sterft. Het is nog slechts een kwestie van wachten. Zelfs het ziekenbezoek onder valse schijn vs 7 moet dienen om buiten te vertellen, hoe erg het wel met David gesteld is. De dodelijke kwaal (vs 9) heet SV een Belialsstuk, te vertalen met een heilloze en tegelijk inhoudloze, waardeloze zaak. De man van Davids vrede, met wie hij in een vredesverbond leefde, op wie hij het volste vertrouwen had en voor wie hij een plaats aan zijn dis inruimde, maakt op deze allen geen uitzondering: ook hij handelt vals met de zieke en zwakke David.De hiel tegen iemand opheffen (vs 10) betekent niet anders dan iemand een trap (na) geven.
Dan komt de laatste strofe, waarin David zich nogmaals beroept op Gods genade (vgl. vs 5), nu echter niet ivm. een belijdenis van zonde, maar opdat hij onschuldig als hij is aan het Belialsstuk dat ze hem aanwrijven, door God opgericht wordt van het ziekbed als bewijs dat het niet waar is wat ze vs 9 van hem zeggen. Bovendien zal hij het hun vergelden of betalen, betaald zetten wat ze tegen hem gedaan hebben. Wat nu nog een fluisteren is (vs 8), zal niet overgaan in gejuich (vs 12), omdat de HERE een welgevallen aan David heeft. Dat welgevallen zal David aan dit concrete teken aflezen. De onschuldige, die van zijn beste vriend, zijn bond- en disgenoot niets dan valsheid ondervond, zal voor Gods aangezicht gesteld worden in eeuwigheid. God verbreekt het verbond van zijn vrede niet. Daarom eindigt de psalm ook met een lofzang op Hem die gezegend moet zijn van eeuwigheid tot eeuwigheid, en met een herhaald amen besluit dit eerste boek der psalmen.
Vs 10 wordt Joh. 13:18 geciteerd, waar Jezus spreekt van degene die Hem verraden of overleveren zal, tijdens de maaltijd die volgt op de voetwassing.
Psalm 42 en 43
De beide psalmen hebben als thema het komen en voor Gods aangezicht verschijnen. Het schreeuwen (vs 2 SV) is eerder een smachten, een verlangen, een sterk neigen tot, dat in vs 3 nader verklaard wordt als een dorsten naar de levende God, die in onderscheid van andere goden woorden tot daden maakt en verlossen kan. Immers, zijn tegenstanders, lett. zijn benauwers (vs 11) honen hem de hele dag met de spottende vraag: Waar is uw God?, vss 4 en 11. De psalmist wil dit gedenken en zijn ziel in zich uitgieten, dwz. zich uitspreken, vgl. 1 Sam. 1: 15. Gezien het vervolg betekent dit gedenken, dat hij zich voorstelt en met zichzelf overlegt, hoe hij God als de levende God tegenwoordig vond in Gods huis. Dat is het antwoord op de vraag: Waar is uw God? Maar aangezien het gedenken altijd ook een tegenwoordig stellen in het heden is van iets dat in het verleden was, spreekt hij het geloof uit dat God ook nu de levende God is. Dat doet hij niet to. zijn benauwers, maar to. zijn eigen ziel (vs 6). Er is geen reden om zich zo diep neer te buigen, alsof het een verloren zaak gold: hoop op God, ik zal Hem weer (niet nog) danken, zoals ik Hem gedankt heb voor de verlossingen van zijn aangezicht, Hij die mijn God is. Ten onrechte heeft NBG de uitdrukking ‘zijn aangezicht’ niet vertaald en slechts mijn Verlosser weergegeven. Het gaat immers om een komen tot God in zijn huis en Hem zien van aangezicht tot aangezicht. Opvallend is de lezing zijn aangezicht hier, en elders in de twee psalmen mijn aangezicht.
De tweede strofe beschrijft nu dat diepe buigen in zichzelf, waarbij hij zijn God gedenkt uit het land van de Jordaan, de Antilibanon waar de Jordaan haar oorsprong heeft. Ook de Hermonbergen, mv. van Hermon, bevestigen deze uitleg. Opvallend is dat vss 7- gebedsvorm geschreven zijn. De psalmist die diep op de grond zit en zich met het gezicht ter aarde buigt, doet dat niet slechts om te klagen. Tegelijk dient hij God daar in dat gebied ver van Gods huis, en gedenkt Hem in het geloof dat God nog Dezelfde is, de levende God. Dat blijkt hieruit dat na vs 8 hij de HERE de God van zijn leven noemt en zelfs ‘s nachts een lied als gebed voor Hem heeft. Inmiddels ervaart hij in het Hermongebergte de stromen, baren en golven als van God afkomstig, en wel als beeld van wat in zijn ziel omgaat.
Nadat hij in vs 9 heeft uitgesproken dat God zijn verbondstrouw bevestigt en hem niet vergeet, blijkt dat gebed dat hij als een lied zelfs ‘s nachts mag uitspreken, toch de klacht van het vergeten te bevatten. De spot van de benauwers: Waar is uw God? wordt in hem een klacht: Waarom vergeet Gij mij? De druk van de vijand geeft een rouweffect, zwarte kleding, terwijl ook het leven van de psalmist bedreigd wordt in geestelijke zin. De spot: Waar is uw God? en het gedenken daaraan is hem een doodssteek de hele dag door. Zie Ps. 32 voor een soortgelijk verband tussen gebrek aan gemeenschap met God en slechte lichamelijke conditie. Het onrustig zijn bv. vss 6 en 12 en 43:5 is een bruisen dat doet denken aan het roepen van de watervloeden en het gebruis van de stromen (vs 8). Maar ook deze laatste strofe eindigt met de verwachting dat God de verlossing van zijn aangezicht zal zijn. Iov. vs 6 wordt nu niet van zijn (Gods) aangezicht, maar van mijn aangezicht gesproken. En ook nu wordt de verlossing, waarbij de psalmist het aangezicht van God mag zien, vertolkt door een danklied.
Ps. 43 loopt nagenoeg parallel met Ps. 42, maar zet anders in. Aan God wordt de rechtszaak en het rechtsgeding (zie Ps. 35) aanbevolen tussen de psalmist en hetvolk zonder goedertierenheid, zonder verbondstrouw. Terwijl de HERE zijn goedertierenheid, zijn verbondstrouw gebiedt aan een ellendige die daarop mag hopen (42:9), ontbreekt bij dit volk de verbondstrouw jegens de naaste en speciaal jegens de ellendige die in het zwart moet gaan. Dat dit gebrek aan goedertierenheid weinig goeds voorspelt, blijkt uit het vervolg: een gebed om te mogen ontkomen aan de man van bedrog en onrecht. De vijand uit 42 krijgt hier steeds concretere gestalte. Ipv. het vergeten, 42:10, luidt hier de klacht dat God hem verstoot (door Buber zelfs met verafschuwen weergegeven). Zoals het verstoten sterker is dan het vergeten, zo ook het heen- en weergaan iov. het gaan (42:10). Buber spreekt van een omklemming, een insluiting door de vijand ipv. een onderdrukking (42:10 en 43:2), waardoor de betekenis van het benauwen dichterbij komt. Ook vss 3-4 zijn nieuw tov. Ps. 42. Van God die de levende is en de God van zijn leven, vraagt de psalmist om licht als levensvoorwaarde nummer één en als ‘bron van vreugd’. Dit licht, verbonden met Gods waarheid, zijn bestendigheid en vastheid, zal de psalmist leiden en brengen, leiden en komen laten tot de berg van Gods heiligheid, waar Hij troont en gediend wordt in zijn paleis dat tegelijk zijn tempel is. De hele bedoeling van de beide psalmen komt dan uit (vs 4) in een herhaald werkwoord komen of gaan. Gods licht en waarheid doen de psalmist komen, maar hij komt dan ook zelf tot Gods altaar, tot Godzelf, die hij de God van zijn jubelende vreugde en onder het eerder beloofde danklied (zie 42:5-6) zijn God noemt. En met de herhaling van 42:12, de aanspraak tot zijn eigen ziel, eindigt dan deze dubbelpsalm, waarvan sommigen menen dat 42:6 en 12 en dus ook 43:5 door Jezus wordt geciteerd in Gethsémané, Mat. 26:38 en Mar. 14:34.
Psalm 44
Rond het thema dat God alleen verlost, beschrijft de dichter in de eerste strofe, wat de vaderen daarvan vertellen. Dat Israel in de plaats van de volkeren in het land der belofte is gekomen, is niet Israels werk, maar Gods werk, omschreven met uw rechterhand, uw arm en het licht van uw aangezicht, vs 4. Dat werk van God is een zaak van erven van het land en van redding, verlossing. In de tweede strofe past de psalmist deze les – de psalm is immers een leerdicht] – toe op zichzelf en op Israel in zijn tijd. God kan ook nu de verlossing, de redding van Jakob gebieden, en daar wordt om gevraagd. Volgens sommigen is Jakob een poëtische naam voor Israel, volgens anderen wordt Jakob eenvoudig gebruikt voor Israel, zoals Elohim voor JHWH. Uit vss 6-8 blijkt dat Israel en de koning speciaal niet werkeloos zijn, wanneer God verlost en redt. Het is echter (vs 7) een kwestie van vertrouwen niet op boog en zwaard, maar op God die verlost: het werkwoord dat telkens weer het karakter van deze psalm bepaalt. Deze strofe sluit af met een prijzen van God en een danken van zijn Naam voor eeuwig.
De derde strofe beproeft Israel daarin, dat God niet met Israels legerscharen uittrekt. Wat er gebeurt, wordt heel duidelijk, wanneer we vss 6 en 11 met elkaar vergelijken. In plaats dat de tegenstander, de benauwer achterwaarts deinst, drijft God Israel voor het aangezicht van de tegenstander terug. Israel is de verliezer, die bij verkoop waardeloos blijkt te zijn als waardeloze slaven – denk aan de dertig zilverlingen in Mat. 27:3-10 – en wat er te plunderen is, wordt weggesleept, bovendien zijn lasteringen, spot en hoon Israels deel.
De vierde strofe zegt nu, dat Israel toch God niet vergeet, noch zijn verbond verloochent. Al dreef God Israel terug voor zijn tegenstander, benauwer, toch week hun hart niet terug van Hem en zijn pad, vgl. vs 11 met vs 19. NBG vat de verbrijzeling in een plaats van jakhalzen op als straf voor eventuele afvalligheid, SV en Buber lezen er een beproeving van Israel door God in. Het verbrijzelen kan ook opgevat worden als een verdeemoedigen, een met geweld neerbuigen. Wanneer er sprake was van afvalligheid (zie vs 19) in de richting van andere, vreemde goden, dan zou God dat weten. Maar het is om Hém dat Israelde ganse dag gedood wordt en geacht wordt als slachtschapen. Dit vers wordt Rom. 8:36 geciteerd om aan te tonen dat niets de gelovigen kan scheiden van Gods liefde in Christus Jezus. Er schijnt een opvallende gelijkenis te bestaan met de uitspraak van Johannes Hyr-canus ± 125 vóór Christus: Alleen in een tijd wanneer Israel in verdriet was en de volken der wereld in rust en welvaart, slechts met betrekking tot zulke omstandigheden werd er gezegd: Waak op, waarom slaapt Gij, o God? Het gaat in elk geval in het lijden van Israel om God. De laatste strofe, vanaf vs 24, wordt gekenmerkt door: waak op, ontwaak en sta op (vss 24 en 27), te vergelijken met Ps. 7:7, 35:23 en 59:5 w. Zomin als Gods redding het handelen van Israels leger uitsluit, zomin verhindert het lijden om Godswil Israel om tot de HERE te roepen als tot Eén die slaapt, omdat Hij niet tussenbeide komt. Het is immers zijn zaak die op het spel staat, wanneer Israel om Hem lijdt. Wie Hem niet vergeten (vs 18), mogen ook van Hem vragen (vs 25), dat Hij hen niet vergeet. Tegenover het waak op, ontwaak en sta op, staan: slapen, verstoten, verbergen en vergeten. Heel opmerkelijk is het laatste woord van de Psalm: uw goedertierenheid, het vasthouden van God aan zijn verbond.
Psalm 45
Op het eerste gezicht is deze psalm een troubadourslied, dat past op de bruiloft van een koning of koningszoon. Wie nauwkeuriger leest, ontdekt dat er met die koning één en ander aan de hand is, waardoor de bruiloft en het lied tot een hogere werkelijkheid gaan behoren. De blijde woorden, waar de psalm mee begint, lett. een goed woord, kunnen weergegeven worden met: een schoon woord, en dat past bij het opschrift: een lied der liefde. Het eerste deel bezingt de koning, voor wie dit lied wordt voorgedragen. In vs 3 gaat het om de schoonheid van de koning die boven de zonen der mensen uitgaat, in vs 12 wordt de schoonheid van de bruid bezongen, waar de koning lust aan heeft. Bij deze schoonheid, die bovenmenselijk is, past nu de genade die uitgegoten is (passieve vorm als aanduiding van het werk van God) op de lippen van de koning en waardoor hij kennelijk ook bovenmenselijke woorden van genade kan spreken. Daarom heeft God hem gezegend in eeuwigheid, zoals in vs 8 gezegd wordt dat daarom God hem gezalfd heeft. Deze zegen houdt in, dat hem de levenskracht door God wordt gegeven om tot in eeuwigheid koning te zijn en die woorden van genade te spreken, die niet door mensen zijn uitgevonden. In vs 4 heet hij een held, die ten strijde trekt en wiens glans of luister tweemaal wordt benadrukt, vss 45. ‘Luister’ kan sieraad en verhevenheid betekenen. Terwijl SV debar èmet (vs 5) letterlijk als het woord der waarheid vertaalt waar de koning op rijdt en waardoor opnieuw het bijzondere van zijn koningschap wordt beklemtoond – hij bedient zich niet van ongeestelijke, maar van geestelijke wapens in de strijd met zijn vijanden -geeft NBG weer met de zaak der trouw of waarheid, ootmoed en recht, de zaak van trouw, van neergebogen waarachtigheid. Wanneer SV terecht van het woord der waarheid spreekt als zegewagen van de koning, dan kunnen ook de overige wapens, zoals het zwaard en de pijlen geestelijk verstaan worden. Maar de verzen 4-6 maken de indruk, dat het vooral gaat om het voorspoedig uitrijden en de overwinning van deze koning over zijn vijanden. In vss 7-8 komt het tot een hoogtepunt, wanneer niet alleen de grondslagen van de troon van deze koning als eeuwig en zijn scepter als een van recht en gerechtigheid wordt omschreven en bezongen, maar ook hijzelf voor ons duidelijker gestalte krijgt in dit liefdeslied. Niet voor niets schrijft de SV over hem voortdurend met een hoofdletter. Want in vs 7 wordt hij als God aangesproken. Zo wordt dit vers ook aangehaald in Heb. 1:8. Over de verdubbeling van Gods naam (vs 8) lopen de meningen uiteen. SV en NBG lezen dat o God! uw God u gezalfd heeft, terwijl andere vertalingen in navolging van Septuaginta en de interpunctie van Heb. 1:9 spreken van God, uw God. De Targumim veranderen elohim in Jahwe. Buber vermijdt de gelijkstelling van de koning met God (vs 7) door te lezen: uw troon is die van God, maar deze lezing lijkt gewrongen. Het citaat in Heb. 1 geeft aan, dat de apostel het vers zo gelezen wil hebben, dat God hier tot Zijn Zoon spreekt. De koning is tot messias, tot gezalfde gemaakt met vreugde-olie boven zijn gezellen, dwz. hij bekleedt een unieke plaats en niemand kan met hem vergeleken worden, niet op grond van eigen prestaties, maar omdat God hem door de zalving deze plaats toekent. De drie voornaamste kruiden, die met de olie gemengd zijn, geven er een speciaal karakter aan. De koningsdochters (vs 10) vormen de overgang naar de bruid, die in de volgende verzen toegezongen en vervolgens bezongen wordt. Met haar begint het tweede deel van de psalm.
Er is veel voor te zeggen, dat de dochter die in vs 11 wordt toegezongen, opdat haar hart zich neigt om zich bij de koning te voegen en hem lief te hebben, dezelfde is als de koningin van vs 10. Het gaat de koning in dat geval niet om een veelheid van vrouwen, maar om de ene, wier schoonheid (zie vs 3) hij begeert en wier heer hij is, vgl. met Gen. 18:12 en 1 Petr. 3:6. De aanspraak ‘dochter’ herinnert ons aan de dochter van Sion en aan de dochters van Jeruzalem, die in het grote lied der liefde, het Hooglied zo veelvuldig voorkomen. Wanneer ‘dochter’ hier zou betekenen, dat deze jonge, huwbare vrouw tot een gemeenschap, land of stad behoort, dan is de aanduiding dat de koning haar heer is, zo te verstaan dat zij nu niet meer tot haar volk en het huis van haar vader behoort, maar tot het huis van de koning. Zij is geheel de zijne. Ook het neerbuigen voor hem als een bewijs van eerbied, tov. God, aanbidding (en hier van toepassing, omdat de koning God is, nl. Gods Zoon), drukt uit dat zij zijn eigendom is. Dit zich neerbuigen wordt (vs 13) rijkelijk beloond. Het is niet in te zien, dat met ‘u’ hier iets anders bedoeld zou zijn, dan de dochter die met ‘u’ wordt aangesproken in het vorige vers. Er is ook geen noodzaak om met NBG de koningin gelijk te stellen met de dochter van Tyrus. Het werkwoord in het meervoud is dan te verklaren uit de dochter van Tyrus, samen met de rijksten van het volk.
In het volgende vers gaat het toezingen van de dochter om haar hart te winnen voor en te neigen tot de koning over in een bezingen van haar, die nu koningin geworden en door hem gewonnen is. Zij komt niet zonder pracht in het paleis van haar heer, maar passend gekleed. En zoals de koning niet met zijn metgezellen vergeleken kan worden, zo is ook haar kleding onvergelijkbaar. Opmerkelijk is dat zij ook hier dochter van de koning wordt genoemd. Dat duidt niet op haar afkomst, maar op haar huidige positie. Zij is zijn ‘dochter’ en hij is haar heer: zij behoort hem toe. Het hebr. woord door ‘daarbinnen’ vertaald (vs 14) kan zowel daarbinnen als inwendig betekenen, zie SV. In het ene geval gaat het om het inwendige van het paleis, om het vrouwenverblijf, in het andere geval betekent het woord, dat de voornaamste schoonheid van deze dochter inwendig is. Voor het binnengeleid worden van deze koningin wordt tweemaal een werkwoord gebruikt, dat meestal geldt van giften die tot een koning worden gebracht. Voor het geval met ‘daarbinnen’ het vrouwenverblijf bedoeld wordt, gaat zij in dit vers over van het vrouwenverblijf naar het paleis van haar heer en echtgenoot.
De laatste twee verzen zijn weer voor de koning bestemd: moge hij zoveel zonen en nageslacht krijgen als hij vaderen heeft. En zijn zonen zullen vorsten zijn over het hele land en zo zijn heerschappij voortzetten. Het slotvers benadrukt nog eenmaal, dat wij hier met een bijzondere koning te maken hebben. Van geslacht tot geslacht zal zijn naam gedacht worden; zijn heerschappij zal telkens weer aanwezig zijn. En de volkeren zullen hem loven, hem danken in tijd en eeuwigheid. ‘Zo moet de Koning eeuwig leven! Bidt elk met diep ontzag’.
Psalm 46
De Psalm die door Luther met zoveel geloof en overtuigingskracht is omgezet in Een vaste Burcht is onze God, en waarbij de HERE der heerscharen geen ander is dan Jezus Christus, wordt niet rechtstreeks aangehaald in het Nieuwe Testament, al geeft Op. 21-22, zie vooral 22:1, wel een beeld van de stad Gods, dat met de beschrijving van Ps. 46 overeenkomt. Evenals van de stad van God in Op. 21 de tempel en Godzelf het centrum vormen, zo ook hier; vss 2-4 maken duidelijk dat niet de stad op zichzelf, maar de HERE de grote sterkte is van wie op Hem hopen en niet vrezen. Daarom gaat het ook niet alleen om Jeruzalem, maar om het geheel van de aarde en om de vaste plaats van de bergen, die geworteld zijn in de zee. Er wordt zelfs uitdagend gesproken: laat de wateren maar bruisen en de bergen maar beven, vgl. Paulus 1 Kor. 15:55. De onstuimigheid (vs 4) wordt door SV alsverheffing, waarschijnlijk van de wateren die in beroering zijn, opgevat, terwijl anderen er het omhoogvaren van God in lezen. Tegenover het geweld van de oerwateren staat de stroom met zijn vertakkingen, waardoor de stad van God, de heiligste van de woningen van de Allerhoogste verheugd wordt. Het is een beeld van de levensstroom, zie Gen. 2:10-13 en Op. 22:1 vv. God die het centrum is van de stad van God, zie boven, staat haar bij, wanneer de nacht overgaat in de morgen – de tijd van de verlossing, zie Ps. 30. Hij is immers haar verlossing! Hij gaat volkeren en koninkrijken en zelfs een hele aarde te boven in zijn reddende kracht. Voor zijn stem versmelt de aarde, zoals diezelfde aarde (vs 3) zich verplaatst. Iov. sommige uitleggers lezen wij in het verheffen van Gods stem niet een strijd tegen de vijanden, maar de beschrijving van Gods oppermacht en verhevenheid ver boven de grootste macht in de schepping. Daarom eindigt dit eerste deel ook met de belijdenis van Immanuel:God is met ons. Zie voor de God van Jakob oa. Ps. 81, 84 en 146. De naam Jahwe als Godsnaam betekent oorspronkelijk dan ook God met ons, zie Ex. 3.12-15.
Het tweede gedeelte is een uitnodiging om de werken Gods te gaan bezien. Opvallend is ook nu, dat de aarde het gebied is waar die werken te zien zijn, en dat die werken iov. wat er in de stad Gods te zien is en te beleven is, weinig hoopvol zijn. Vergeleken met wat God doet, wanneer Hij zijn stem verheft, vs 7, is alle oorlogsgewoel niets. Daarom roept Hij met zijn stem de volken ook toe, hun gewoel te staken en Hem te erkennen. Hij is God, Hij is verheven: tot tweemaal toe wordt het gezegd (vs 11). Maar in zijn stad is Hij met ons, Immanuel. Zoals in vss 7-8 er een verschil aan de dag trad tussen wat buiten en binnen de stad van God beleefd wordt, zo ook hier. Sommigen betrekken de hele psalm op het tempelgebeu-ren en de manier waarop Israel daar God gelooft en zijn nabijheid en gemeenschap ervaart.
Psalm 47
Deze psalm bezingt het koningschap van God in twee strofen, waarvan de eerste de volken gebiedt Hem te bezingen. Degene die gebiedt is ‘ons’ vss 4-5 ofwel Jakob, wiens trots het land is, dat aan Israel ten erfenis gegeven is. Het is waarschijnlijk dat vs 4 zó gelezen moet worden, dat het land van die volken in handen van Israel overgaat als een erfenis van God.
De tweede strofe begint met het opvaren van God, kennelijk op zijn troon, vanwaar zijn koningschap over de hele aarde (vgl. met vs 3), blijkt in vs 9. De volken juichen God toe, Israel psalmzingt Hem; viermaal wordt in vs 7 het werkwoord prijzen of met een instrument, bij voorkeur een harp spelen gebezigd. Deze vorm van prijzen is bedoeld om (vs 8) (een maskiel, een Eingebungsweise, Buber), een onderwijzing (SV) aan de mensen te geven, waarin het koningschap van God wordt verhaald. Dat is wat Israel voor Hem mag doen (Sommigen vatten het woord op als een contemplatief, een beschouwend lied). Ten bewijze van Gods heerschappij over de volken komen de edelen van de volken samen, kennelijk om Hem hulde te bewijzen, zoals men dat met een overheersende koning doet, wiens onderdaan men geworden is.
De moeilijkheid is, dat de hebreeuwse tekst deze edelen omschrijft met de term volk van de God van Abraham. Kennelijk komen hier de twee lijnen van de twee strofen samen. In de eerste juichen de volken over Gods koningschap, in de tweede bezingt en verklaart Israel zijn koningschap. Nu, aan het slot, worden de edelen der volken aangeduid als volk van Abrahams God. Hij maakt heidenen tot zijn volk in de lof op zijn heerschappij.
Ook hier menen sommigen, dat de psalm teruggaat op een concrete gebeurtenis, namelijk een strijd tussen Israel en de volken, zoals zij deze strijd ook lezen in Ps. 46. Israel keert dan terug tot de heilige stad en God tot zijn troon, en dat is de achtergrond van de psalm. Wij achten noch in Ps. 46 noch in deze psalm van zo’n strijd ook maar een spoor aanwezig.
Psalm 48
Nog duidelijker dan in Ps. 46 wordt hier de stad van God beschreven en bezongen als een onneembare vesting. Iov. de vorige twee psalmen is hier wel sprake van vijandigheid en een aanval en poging tot belegering door de volken. Gods lof wordt gelocaliseerd in de stad van God, waarbij niet aan Jeruzalem in het algemeen, maar aan dat deel gedacht wordt, dat Sion heet: zijn heilige berg ofwel de berg van zijn heiligheid. Deze stad van de grote Koning wordt als centrum van de wereld beschreven: een vreugde voor of van de hele aarde. Dat de noordzijde van Sion (en niet ver in het noorden, NBG) wordt genoemd, is omdat de tempel aan de noord-oostzijde van de berg Sion staat. De aanwezigheid van God als burcht in de paleizen van Sion veroorzaakt dat de koningen, die samen optrekken tegen Sion, haar maar hoefden te zien om ontzet te zijn, verwoest te zijn (of zich te haasten) en voortgedreven te worden.
To. dit beeld staat het zien van Sion door het volk van God, vss 9 w, dat aan de binnenzijde van Sions muren is en Hem als burcht ervaart. Dit zien stemt overeen met het horen en het wordt gevolgd door een overwegen en vergelijkend bezinnen, dat bij het zien van wat Sion is, Gods verbondstrouw, zijn goedertierenheid tot voorwerp heeft. Daarop volgt het bezingen van zijn naam en lof en van zijn rechterhand vol van gerechtigheid en van zijn gerichten.
De aansporing om rond Sion te trekken vindt volgens sommige uitleggers haar grond in een inspectietocht, vgl. Neh. 2. Het volk, dat gedurende de belegering achter de muren schuilging, mag nu de stad van buiten inspecteren en ontdekken dat alles in tact is. Uit vs 14 blijkt dat dit als een wonder opgevat wordt, dat aan het volgende geslacht verteld moet worden. Want, vs 15, zo is God, NBG of deze God (SV) is onze God. Hij leidt tot de dood zijn volk, zeggen SV en NBG, maar Buber vertaalt: over de dood.
Vs 3 wordt door Jezus geciteerd, Mat. 5:35.
Psalm 49
De inhoud van deze psalm is bedoeld als een leerdicht, waarvan de strekking (vs 4) wijsheid en verstand of inzicht is. Deze wijsheid is van internationale betekenis en de volken en bewoners der wereld worden dan ook opgeroepen te horen. Het ontsluieren van een raadsel (vs 5) is bedoeld als het oplossen van dat raadsel. Het horen hiernaar is niet in de eerste plaats bedoeld als gehoorzamen, maar als een letten op en toegankelijk zijn voor de wijsheid, die hier spreekt.
Deze wijsheid houdt in, dat wijzen en dwazen samen sterven en dat men daarom niet behoeft te vrezen voor de ongerechtigheid van wie de psalmist op de hielen zitten. Alles wat zijn tegenstanders bezitten is niet genoeg om iemands leven loskopende los te kopen (vs 8), of om iemand uit de slavernij los te kopen met een losprijs. In vs 11 wordt voor de redeloze het woord ba ‘ar gebruikt, dat domheid in de zin van vee betekent, een gedachte die in de vergelijking van vs 13 verder doorgevoerd wordt. Het schijnt dat vs 11 wil zeggen, dat wijzen en dwazen op dezelfde wijze omkomen. Maar dit is niet het geval: de wijze sterft, de dwaze daarentegen vergaat, gaat naar de ondergang. Itt. de verwachting (vs 12) dat naam, geslacht en bezit altijd maar blijven bestaan, geldt dat de mens -wie hij ook is en hoe kostbaar hij ook is, zie zijn waarde vs 8 – niet blijft bestaan ofwel overnacht.
Nu begint de tweede strofe, waarin de vergelijking met de beesten (vs 8) wordt voortgezet in het beeld van de schapen die door de dood geweid worden, zie de slachtschapen Ps. 44:23. Dit beeld dient om de oprechten tegenover de dwazen te stellen. De oprechten heersen over de dwazen in de morgenstond (vs 15) en bewijzen daarmee dat zij wèl overnachten (zie vs 13) ofwel blijven bestaan. De psalmist schaart zichzelf onder de oprechten en belijdt dat God zijn leven loskoopt (vgl. vs 8). Niemand kan zijn broeder loskopen, maar God kan loskopen. Bij God is kennelijk ‘die prijs der ziele, dat rantsoen’ wèl aanwezig. Het opnemen (vs 16) moet verstaan worden tegen de achtergrond van de sjeool, zie Ps. 16, het dodenrijk dat aan de hel grenst en erin overgaat. God redt het leven van de psalmist uit de macht van de dood door het eruit weg te nemen. Het thema van de vrees en het niet vrezen uit vs 6 keert nu terug. Ook wanneer de heerlijkheid, het gewicht, de betekenis van iemands huis = alles wat hij heeft, toeneemt, moet men zich daar niet op verkijken en ook niet daarom voor de rijke vrezen. Wie aan het opschrift en het adres (vs 3) terugdenkt, zal de oprechten eerder onder de eenvoudigen en armen dan onder de rijken en aanzienlijken zoeken. God is echter een rechtvaardig Rechter, en Hij bewijst dat door de dood. ‘Een doodshemd heeft geen zakken’, vs 18. Itt. God die de ziel van de oprechte uit de sjeool neemt (ys 16), neemt de rijke alles wat hij heeft, niet mee in zijn dood, vs 18. Vs 21 sluit de tweede strofe af en is een variant van vs 13: ipv. overnacht, wordt nu het woord verstaat, heeft inzicht, gebruikt. En daarmee is het thema van de psalm samengevat. Hij blijft niet bestaan, omdat hij geen verstand, geen inzicht heeft in zaken van dood en leven. Slechts hij heeft inzicht, die op God vertrouwt en oprecht is.
Psalm 50
De HERE is de God die uit Sion komt, en tegelijk de God der goden, die de aarde kan oproepen, omdat zij zijn eigendom is. Overeenkomstig het opschrift, dat het om een psalm van Asaf gaat, is het onderwerp uit de eredienst genomen. God spreekt met vuur en storm en Hij gaat temidden van hemel en aarde zijn volk richten. Terwijl sommigen menen dat dit volk, waar het gericht over gaat, (vs 5) zijn gunstgenoten worden genoemd, en dus niet slechts de boze Israëlieten worden geoordeeld, maar ook de vrome, willen wij er een lans voor breken te denken aan een onderscheid dat uitgedrukt wordt in de tegenstelling tussen de vromen die Gods verbond onderhouden, en de goddelozen (vs 16) die zijn verbond vertreden, hoewel ze zijn inzettingen en zijn verbond in hun mond nemen.
Het gericht gaat over de gunstgenoten, die met slachtoffers met God het verbond sluiten ofwel (Buber) over de offermaaltijd heen het verbond met God hebben gesloten. Zij staan apart. Hun optreden sluit aan bij Gods gerechtigheid (vs 6). Maar daarnaast getuigt God tegen zijn volk in het algemeen, dat meent zijn dienst te volbrengen door Hem slachtoffers en brandoffers te brengen. God veroordeelt dat, omdat Hij daar op zichzelf geen behoefte aan heeft, aangezien de aarde en haar volheid van Hem is. Scherp is dit oordeel (vs 13) uitgedrukt: Eet Ik stierenvlees, drink Ik bokkenbloed? Is God een God als alle goden ipv. een God der goden? De goden kunnen tevreden gesteld worden met een offer, omdat zij menselijk, al te menselijk worden voorgesteld en menselijke lusten belichamen als Baäl en Astarte. Maar God, de God der goden, die te Sion woont en troont, vraagt dank en betaling van geloften (vs 14). Dan zal Hij Israel redden in de dag der benauwdheid.
Wie dat niet doet en volstaat met uiterlijke offers, is de goddeloze, die vergeefs Gods inzettingen en verbond in de mond neemt. Dat zo’n godsdienst ijdel is, blijkt uit de verachting van Gods tucht en woorden en het meedoen met de openbare zondaars, zie Ps. 1. Trouwens, dezelfde tong die Gods inzettingen vertelt en Gods verbond uitspreekt, zondigt en bedriegt vs 19, zelfs tegen de broeder en de zoon van zijn moeder vs 20, dê verre en nabije verwanten. Doordat God zweeg, dachten ze dat Hij was als zij. Maar nu spreekt God recht, zij het in grote genade. Hij laat het vs 21 bij een ernstige waarschuwing, waarop voor wie God bij al hun vroomheid toch vergeten, als zij zo doorgaan, het verscheuren volgen zal. Dit verscheuren heeft geen lijdend voorwerp bij zich. Slaat het op het verbond of op de mensen? Waarschijnlijk het laatste, aangezien erachter staat, dat dan niemand redt. Het is het beeld van het wilde dier dat zijn prooi verscheurt, zonder dat iemand die prooi uit zijn bek rukt. Het slotvers vat de ware dienst, waarmee God gediend wil worden, samen: het danken is het ware offer, zie vs 14, en wie de weg baant, schept daarmee de mogelijkheid dat God hem zijn heil doet zien. Door het dankoffer baant hij de weg tot God, een weg van redding.
Psalm 51
Deze boetpsalm vertoont geen strofenindeling. Wel staat in het tweede gedeelte het offer dat aan God behaagt centraal, terwijl het in het eerste deel gaat om een belijdenis van zonde en een gebed om vergeving. Het zesde vers wordt geciteerd in Rom. 3:4 in de taal van de Septuaginta.
David doet een beroep op Gods verbondstrouw, zijn ongehouden goedheid, die rust in Gods barmhartigheden.’ Het hebr. woord voor barmhartigheid duidt op de moederschoot en vandaar meer algemeen op de ingewanden, het diepste in het menselijk lichaam als plaats van ontferming. Daarbij wordt Davids zonde als overtreding aangemerkt. Voor het wassen (vs 4) wordt een werkwoord gebruikt, dat duidt op het zuiver en zacht maken van kleding door die in koud water te spoelen, te slaan, te kneden en te treden. Het karakter van de zonde, vooral met doelmissen en trouwbreuk weergegeven, wordt door David gekend en beleden in die zin, dat hij dit alles tegen God gedaan heeft, tegen God alleen. Niet ook tegen Batseba en Uria? Zeker, maar ten laatste toch tegen God. Het tweede deel van vs 6 betekent dan ook dat God rechtvaardig zal zijn, wanneer hij David veroordeelt: David heeft voor het gericht van God geen tegenspraak, hij kan zich in niets verweren. Sommigen die menen dat Ps. SI een boetegebed van de gemeente is ten tijde van Nehemia, lezen erin dat het volk God rechtvaardigt, wanneer de ballingschap lang duurt en slechts met grote moeite het nationale leven in Jeruzalem na de ballingschap hersteld wordt. Hoewel wij ons gebonden achten aan de datering overeenkomstig het opschrift, is het duidelijk, dat het om meer gaat dan om de individuele relatie tussen God en David. De gemeente die deze psalm zingt, neemt de zondebelijdenis over en Rom. 3:4 laat deze woorden dan ook slaan op alle mensen, Jood en heiden.
De diepste zonde wordt in vs 7 omschreven, waarbij het de vraag is, of ongerechtigheid slaat op David of op zijn moeder, gezien ook het vervolg: in doelmissen heeft mijn moeder mij ontvangen. Gaat het hier over erfzonde en in welke zin? Gaat het om moeder Israel, ogv. Jes. 43:27 en 54:1-8? David gaat terug van zijn geboorte tot zijn ontvangenis om aan te geven, dat de erfzonde wortel is van elke werkelijke zonde: zijn eerste begin is zonde, zoals Calvijn zegt. Ogv. de hier gebruikte werkwoorden kan gesteld worden, dat de zondigheid van Davids ouders meedeed bij zijn ontvangenis en geboorte. To. deze diepte van zonde staat Gods eis dat in het diepste van de mens waarheid zal heersen, opdat God hem daar zijn wijsheid kan bekendmaken, die de oorsprong van het praktische leven en van de ware vroomheid is.
Opdat dit kan gebeuren, heeft de psalmist reiniging nodig, welke geschiedt doordat met een bundel hysop de onreine, met name de melaatse, wordt besprengd (Lev. 14:4 w). Wat nu geen mens doen kan, kan God doen, opdat David rein zal zijn, zoals van de melaatse in Lev. 14 gezegd wordt, dat hij (vs 9) na zeven dagen rein zal zijn. Het wassen, dat reeds in vs 4 voorkwam, neemt het beeld weer op van vuile kleding, die geheel wit gemaakt moet worden. Het witter dan sneeuw herinnert aan Jes. 1:18, waar de zonden met scharlaken en karmozijn worden aangeduid, een omschrijving van bloedschuld, die ook past in de geschiedenis van David met Uria en Batseba. Dat het gebeente zich verheugt bij vergeving, troffen we reeds in Ps. 32 aan. Die vergeving houdt in (vs 11), dat God de zonden niet wil zien, maar ook dat Hij ze uitwist. De vaste geest duidt erop, dat het schommelen tussen goed en kwaad afgelopen is, en dat de reinheid van hart ook in de toekomst blijft. God schept het reine hart en Hij vernieuwt de vaste geest. Beide zijn gave van Hem. Opvallend is, dat eerst van een nieuwe en vasre geest in David gesproken wordt, dan van Gods Heilige Geest (vs 13), en tenslotte van een gewillige geest, die David ondersteunt (vs 14). Deze vrijwillige geest wordt overeenkomstig de betekenis van het hebr. woord ook wel als een edele of vorstelijke geest opgevat. Duidelijk is de Heilige Geest onderscheiden van de beide andere, doordat alleen bij de Heilige Geest van ‘uw’ wordt gesproken, hoewel ook de andere twee geesten afhankelijk zijn van het werk en het geven van God. De laatstgenoemde geest gaat samen met de blijdschap over Gods bevrijding en verlossing, kennelijk van de zonde en schuld die David drukt. Hij is nu rein en de blijdschap daarover doet hem mèt de vaste geest, Gods Heilige Geest en de vrijwillige geest andere overtreders Gods wegen leren, zodat de doelmissers zich tot God (be)keren. Hier ligt de overgang van het eerste naar het tweede deel van de psalm: Davids vergeving stelt hem in staat om anderen te leren, hoe zij vergeving krijgen en hoe zij zullen wandelen op Gods wegen. Voor bloedschuld zie onder vs 9.
Tegen de achtergrond van het eerste deel belijdt de psalmist, dat de slacht- en brandoffers dit welbehagen, dat God aan hem heeft en bewijst in de vernieuwing van zijn geest en de reiniging van zijn hart, niet konden bewerken. Dit betekent echter niet dat de uiterlijke offers een tegenstelling vormen tot Davids ‘innerlijke offers’. Juist de verbroken geest en het verbrijzeld hart, dwz. de in zijn begeerten gebroken mens, is God aangenaam. In Jes. 57: 15 wordt zo’n geest een plaats genoemd waarin God net zozeer woont als in het hoge en het verhevene. God heeft zijn tempel in de hemel èn op aarde in zulke geesten en harten. Het is Hem aangenaam, dat de wil die Hem weerstond, gebroken is, dat David om vergeving vraagt en dat de hem geschonken vergeving aanleiding wordt om van God te zingen en te spreken tot anderen.
De laatste twee verzen behoeven niet uit later tijd te stammen, zoals velen menen, maar kunnen gelezen worden als een uitbreiding van wat David als koning van Sion en Jeruzalem van God heeft afgebeden. Nu de koning zo gereinigd is, kan God weer naar zijn stad omzien en kunnen de muren van Jeruzalem gebouwd worden, dwz. voltooid worden, en kan God ook in de rechtvaardige slachtoffers, dwz. in slachtoffers die met gerechtigheid gepaard gaan, een behagen hebben, alsmede in het brandoffer en in het offer dat geheel aan God wordt opgeofferd, en waarvan de offeraar niets in de vorm van een maaltijd of anderszins krijgt.
Psalm 52
De basis van deze psalm is 1 Sam. 22:9 w. Vs 3 slaat hetzij op Doëg, hetzij op Saul. De vertaling: Gods goedertierenheid duurt toch de ganse dag, vindt bij Buber de variant: Wat beroemt gij u op de boosheid, man van geweld, als op Gods goedertierenheid de ganse dag! De meeste vertalingen stellen echter de boosheid van de man van geweld to. de goedertierenheid, de trouw van God aan zijn verbond. Wanneer de ‘geweldige’ Doëg is, dan wordt het woord spottend gebruikt. Wanneer er Saul mee bedoeld is, dan gaat het om een koning, van wie verwacht wordt dat hij heldendaden verricht. In drie zinnen wordt het kwade van de geweldenaar omschreven, waarvan de eerste (vs 4) zijn plannen ontvouwt, de tweede (vs 5) zijn voorkeur duidelijk maakt, en de derde (vs 6) zijn gezelschap toelicht. Zijn speciale zonde is die van de leugenachtige en hoogmoedige tong.
To. deze geweldenaar staat het oordeel van God, waarbij hij verbroken, naar beneden getrokken, verwoest wordt. De bedoeling van vs 7 is, dat de geweldenaar geen plaats of naam overhoudt op aarde in het oordeel van God. De rechtvaardigen die het oordeel van God zien en lachen, vertellen van de geweldige ook weer drie dingen: hij vertrouwde niet op God, hij vertrouwde op zijn grote rijkdom, hij was trots op wat zijn ondergang werd.
Het slot van de psalm is een niet later aangepast liturgisch gedeelte, maar past precies bij wat David te Nob ondervond. Daar immers stond hij to. Doëg, in het huis van God. Ondanks alle verschrikking die er over de priesterlijke familie kwam, mag David zich vergelijken met een bloeiende olijfboom in Gods huis. Gods goedertierenheid is voor tijd en eeuwigheid, en daarom vertrouwt David daarop. Voor eeuwig dankt hij God als Degene die het gedaan heeft, die gehandeld heeft, die dit verschil tussen de geweldenaar en de rechtvaardigen door zijn oordeel aan het licht heeft gebracht en hun zaak heeft beslecht. Ten overstaan van allen die in die goedertierenheid van God delen, verwacht David de naam van God. Men kan deze uitdrukking zoals Jes. 26:8 opvatten als een verlangen naar en een gedachtenis van Gods naam. Men kan ook denken aan een uitzien naar Gods verschijning. Gezien het feit dat Gods gunstgenoten als Davids gezelschap in Gods huis uitdrukkelijk worden genoemd, kiezen wij voor een verwachten in de zin van gedenken en grootmaken.
Psalm 53
Zie Ps. 14, met dien verstande dat Ps. vs 6 een andere tekst heeft: God verstrooit het gebeente van de belager van Gods volk en doet de vijand beschaamd staan, omdat Hij de vijand verworpen heeft. Ook is opmerkelijk dat schrikken als werkwoord en als zelfstandig naamwoord wel driemaal achter elkaar in vs 6 voorkomt. Tenslotte dient te worden gewezen op de Godsnaam die hier Elohim, God is en in Ps. 14 ook heel vaak de HERE, Jahwe luidt. Het opschrift vermeldt net als bij Ps. 14 David als dichter en voegt er Machalat een melodie (de ziekte) aan toe alsook de vermelding dat het (misschien) om een leerdicht gaat. Rom. 3:10-12 kunnen evenzeer van Ps. 14 als van Ps. 53 als citaat afgeleid worden.
Psalm 54
Het opschrift sluit aan bij 1 Sam. 23:19 en 26:1 en zet de psalm in de rij van de acht psalmen, waarin het om Sauls achtervolging van David gaat. David doet niet slechts een beroep op Gods redding, maar ook op Gods oordeel. Het hebr. woord hiervoor duidt op het doorzetten van een oordeel, en vandaaruit wordt ook de vermelding van Gods geweld duidelijk. Het gaat bij de bede om verlossing en bij die om recht uiteindelijk om hetzelfde. David weet dat zijn zaak Gods zaak is, namelijk die van de zalving door God en van het koningschap over Israel. Zo drukken ook vs 4 het gebed en de redenen van Davids mond hetzelfde uit. Dat de Zifieten vreemden worden genoemd en geweldenaars of tirannen en inmiddels stamgenoten van David zijn, namelijk Judeeërs, wordt verstaanbaar vanuit de toevoeging: zij houden God niet voor ogen. Zij keren zich namelijk tegen de zaak van God en diens gezalfde David en kiezen de verkeerde partij.
Vanaf vs 6 komt nu de keerzijde van de medaille. God is Davids helper en de ondersteuning van zijn ziel. SV vertaalt zeer letterlijk: onder degenen die mijn ziel ondersteunen. Het doorzetten van het recht blijkt uit de vergelding, waarmee God het kwaad dat Davids benauwers ofwel vijanden tegen hem bedachten, op henzelf doet weerkeren. Bij het vrijwillige slachtoffer dat David brengt, dankt en looft hij de Naam des HEREN als een goede naam. Op die Naam had hij immers vs 3 een beroep gedaan om hem te redden, te verlossen. De goedheid van de Naam des HEREN is dan ook het feit dat die Naam, de aanroeping van Godzelf, zijn aanwezigheid, verlost. De redding is van dien aard, dat David ziet op zijn vijanden als op gevallenen.
Psalm 55
Wanneer wij de stad (vs 10) letterlijk hebben te nemen, dan is David hier niet meer de vluchteling van Ps. 54, maar de koning die bedreigd wordt vanuit de kring die rondom hem is. NBG heeft treffend als opschrift boven deze psalm: tegen de trouweloze vriend. In het eerste gedeelte vallen woorden als onrust, onheil, verschrikking, vrees en beven. David wil uit dit alles wegvluchten, maar kan niet: hij heeft er geen vleugels voor.
Vooropgezet dat de psalm een eenheid vormt en niet uit verschillende delen bestaat, die in zichzelf gesloten liederen vormen, dan bestaat die trouweloze vriend uit een veelheid, vss 10-11 en 19. Het is dus niet nodig om in die vriend alleen Achitofel te zien als antitype van Judas Is-kariot in het N.T., in het geval van Davids grote Zoon. Tegelijkertijd is het niet onmogelijk dat Achitofel de spits vormt van deze velen, zoals 2 Sam. 15:31 tegen David gezegd wordt, dat Achitofel is onder degenen die zich met Absalom verbonden hebben. Zolang hun geweld en twist in de stad heersen, is binnen Davids trotse citadel onheil, moeite en verderf overheersend. De stad is machteloos, zolang dezen het voor het zeggen hebben. De bede: verwar hen, Here, verdeel hun spraak ofwel: verdeel hun tong, is goed te verstaan tegen de achtergrond van de zgn. eensgezindheid van Absaloms tegenstanders, die daarin elkaar gevonden hebben, dat ze hun hand opheffen tegen de gezalfde des HEREN. In dat geval moet de bede van vs 10 verstaan worden als Davids gebed 2 Sam. 15:31 – Verijdel toch de raad van Achitofel, o HERE!
Het ondragelijke van de last, die straks (vs 23) op de HERE geworpen wordt, is dat het geen vijand is, die David dit alles aandoet, maar een die van gelijke waarde is als David ofwel van dezelfde waardigheid, een vertrouweling en bekende, een met wie David vertrouwelijk omging in die zin dat deze omgang hem een zoete gemeenschap was en dat hij in deze gemeenschap ofwel in een kring van bekenden met deze vriend naar Gods huis trok. Kennelijk was de vriendschap zo geheiligd dat er nauwelijks overgang was tussen de vertrouwelijke omgang in zoetheid, en de omgang met de HERE in zijn huis. Het één ging in het ander over.
De verwensing (vs 16) voor deze vriend, die geen vriend blijkt te zijn, maar een verrader, mogelijk omgeven door meerderen, bewijst dat het bederf van het beste het slechtste is. To. zo’n hoogte en innigheid van leven kan niets anders staan dan de dood en het levend ter helle varen als straf voor deze boosheden. Vgl. deze boosheden in hun binnenste en daar waar zij wonen, met vss 11-12: in het binnenste van de stad, daar waar dezen regeren, zijn onheil, moeite en verderf.
Verzekerd dat de HERE hem redt, roept David tot God, die zijn stem hoort, zijn ziel verlost ofwel loskoopt en in vrede stelt. Deze ‘betaling’ maakt David onaantastbaar voor de aanval, die men op hem beraamt, alhoewel zijn tegenstander uit een veelheid bestaat. In vss 21-22 keren vrede en strijd of aanval terug, en nu als plannen van de trouweloze vriend, van wie als ernstigste beschuldiging gezegd wordt dat hij het verbond ontheiligt. Dit verbond wordt ‘zijn verbond’ genoemd, en gezien de uitdrukking met wie hij vrede had, lett. zijn vrede, zullen we ‘zijn verbond’ moeten opvatten als het verbond dat hij met David vroeger had gesloten. Uit de tegenstellingen (vs 22) blijkt de bedrieglijkheid van deze ‘vriend’ en uit de nadruk op diens woorden zou opnieuw kunnen blijken, dat Achitofel bedoeld is.
Het slot begint met wat David tot zichzelf zegt, wanneer hij zichzelf aanspoort zijn last op God te werpen. De belofte die volgt: Hij zal voor u zorgen, dient te worden verstaan als een omvatten en in zich opnemen. Zoals een moeder haar kind verzorgt, zo verzorgt de HERE David. Terwijl de rechtvaardige een eeuwige toekomst mag verwachten, zullen de mannen van bloed en bedrog niet de helft van hun dagen, namelijk van de leeftijd, die de mens door God gesteld is, bereiken. David daarentegen vertrouwt op God en heeft in dat vertrouwen toekomst, zie Ps. 25. Vs 23 wordt geciteerd in 2 Petr. 5:7.
Psalm 56
Over Davids verblijf te Gath zijn wij spaarzaam ingelicht. Hier wordt gezegd dat de Filistijnen hem te Gath gegrepen hadden. Het werkwoord achadz duidt op een vasthouden, dat vanuit 1 Sam. 21:14-15, waar Akis tweemaal zegt dat zijn knechten David tot hem gebracht hebben, verklaarbaar wordt. De juiste voorstelling zal zijn, dat David vrijwillig naar Gath gevlucht is, maar daar herkend werd en door Akis’ knechten gevangen werd genomen. Dat David onder zulke omstandigheden dit mik-tam op de melodie van de duif op verre terebinten, deze zoenpsalm en niet zozeer dit kleinood (SV en NBG) heeft gecomponeerd, stelt zijn verblijf te Gath, dat ogv. het bericht in 1 Sam. als een ondoordachte daad en een smadelijke vlucht aangemerkt kan worden, plotseling in het licht van een hooggestemd en diep geworteld geloof.
Het vertrappen (vs 2) kan beter met grijpen naar, pakken, weergegeven worden. Zo keert het in vs 3 terug, zoals ook de bestrijders zowel in vs 2 als vs 3 genoemd worden. En net als in Ps. 55 zijn zij hier zeer talrijk. Maar ook hier is het het vertrouwen op God (vgl. Ps. 55:24 slot), dat David van alle vrees voor mensen bevrijdt. Nu wordt (vs 5) God tweemaal genoemd als voorwerp van Davids vertrouwen en als Degene, wiens woord hij prijst. Dit thema van de lof op Gods woord keert in vss 11-12 terug en houdt kennelijk in dat David door dit woord van God uit zijn benauwenis te Gath bevrijd is. De absolute vorm voor ‘woord’, die tweemaal in vs 11 voorkomt, kan zien op de absoluutheid van Gods woord en kan dan opgevat worden als het woord van Gods belofte(n).
De door anderen gesuggereerde vertaling van vs 5: Jahwe op wie ik mij beroem met een woord van lof, is onmogelijk doordat de hebr. tekst geen grond geeft voor het zich beroemen. Er blijft niet veel anders over, dan dat wij het woord verstaan als Gods belofte inzake het koningschap, dat niet door sterfelijke en vergankelijke mensen kan worden teniet gedaan. Itt. deze vastheid staat het feit dat Davids vijanden zijn woorden krenken, verminken, grieven. God zal echter ook deze schending van zijn woord aan David straffen door de volken (! het gaat om meer dan om Akis’ hofhouding) in zijn toorn naar beneden te voeren. In 55:24 wordt hetzelfde werkwoord gebruikt voor het doen neerdalen in het verderf, en er is veel voor te zeggen, dat ditzelfde neerdalen hier bedoeld is en niet slechts een buigen van de volken in het stof van de aarde. Dat zou de erkenning van Gods koningschap betekenen, terwijl het hier om iets anders, namelijk om Gods straf gaat.
Veel pleit ervoor om het hebr. werkwoord in vs 9 niet met NBG te vertalen als te boek stellen, maar als tellen. God heeft Davids omzwerven geteld, en daar is ook die wonderlijke tocht naar Gath bij inbegrepen. En in diezelfde telling (niet boek of register, maar telling) zijn ook Davids tranen opgenomen. Het eenvoudige roepen tot God, waarvan vs 2 begin een voorbeeld is, is genoeg om de vijanden te laten terugdeinzen, zoals Joh. 18:6 Jezus’ verzekering: Ik ben het, de soldaten achteruit doet deinzen en vallen. De reden van het verleggen naar de vijanden van Davids angst en vrees, waar in vss 4-5 sprake van was, is Immanuel: God is met mij. Andere vertalingen geven deze woorden weer met: God is voor mij. Men kan ook denken aan de weergave: God is de mijne, of: God is aan mijn zijde. Nadat het prijzen van Gods woord tot tweemaal toe met de beide Godsnamen is vermeld, keert ook het niet vrezen, maar vertrouwen uit vs 5 terug. Ipv. de verzekering: wat zou vlees mij doen? staat nu: wat zou een mens mij (aan)doen? Ook dit herhaalde vrezen herinnert aan 1 Sam. 21:12, waar staat dat David zeer bevreesd werd voor Akis en zich daarom als een waanzinnige gedroeg. Hier zegt hij, dat hij dit niet behoeft te doen, want hij vreest niet wanneer God voor of met hem is.
Het slot van de psalm omvat twee elementen: David vergeet niet wat hij de HERE, kennelijk in zijn vrees, beloofd heeft. Hij wil die betalen als bewijs van dankbaarheid. David betaalt de HERE dankoffers, die minstens verband houden met de nieuwe gelofte dat hij zal wandelen voor Gods aangezicht in het licht der levenden. Vs 14 heeft de constructie: Gij hebt mijn ziel gered… opdat ik zal/om te wandelen voor Gods aangezicht, enz. Het lichtder levenden als kenmerk van het aangezicht van God staat in scherpe tegenstelling tot de dood, waaruit David door God gered is.
Opvallend is, dat van enige schuld aan de affaire bij Akis bij David in deze psalm althans geen sprake is. De misdaad ligt bij de vijanden, die (vs 8) tot volken worden en die overeenkomstig hun boosheid in toorn worden neergestoten, dwz. tot in de dood.
Psalm 57
In 1 Sam. 22:1 en 24:4 is sprake van de spelonk van Adullam en de spelonk in de woestijn van Engedi, waar Saul zich afzonderde als slaapplaats of als toilet. De melodie: Verderf niet, komt overeen met Davids voornemen om zijn hand niet uit te strekken naar de gezalfde des HEREN.
Davids eigenlijke schuilplaats is de HERE, tot wie hij tweemaal smeekt: Wees mij genadig. Het beeld van de schaduw van Gods vleugels, zoals dat ook in Ps. 17:8, 36:8 en 63:8 voorkomt, kan duiden op de vleugels van de cherubs, die boven de ark waren. Het antwoord op Davids gebed is dat God van de hemel zendt – een werkwoord dat herhaald wordt – goedertierenheid en waarheid. Dat Hij trouw is aan zijn verbond en daarin zijn liefde betuigt, is voldoende om de vijand gering te schatten en gering te maken. Die vijand is in Gods ogen wel gering, maar niet in Davids ogen: voor hem gaat het om leeuwen, om mensenkinderen die verzengen, branden, vuur spuwen. Met name hun mond bergt al dit kwaad in zich, reden waarom te denken valt aan verraad en bedrog. Maar zoals in Ps. 108 toont God dat Hij zelfs boven de hemelen Zich verheft en dat daarom zijn heerlijkheid, zijn gewicht, zijn betekenis over heel de aarde is. De tweede strofe maakt duidelijk, hoe God David verlost. Allereerst graven de vijanden hun eigen graf. God laat hen zich verstrikken in hun eigen garen. Opvallend is dat sommigen niet zoals NBG, SV ea. vs 7 weergeven: zij bogen mijn ziel terneer, of: mijn ziel was nedergebukt, of: hoe is mijn ziel neergebogen, maar: Hij boog mijn ziel terug. Hij leest er dus een verlossende daad van God in. David Valt niet in dat net, dat zij hem gespannen hebben. Nadat zo Davids leven gered is en de vijanden in hun eigen kuil zijn gevallen, zingt David voor God met een bereid of vastgemaakt hart. En hij begeleidt zijn zang op de harp, zie Ps. 108:2. Hij wekt zijn eer (niet zijn ziel, NBG), dwz. al wat hij aan heerlijkheid en bezit heeft, op om met harp en citer God in de dageraad te loven. Let op het drievoudige opwaken (vs 9). Ook het ‘wekken’ is een vorm van hetzelfde werkwoord dat met opwaken vertaald is.
De dank voor deze verlossing, die zo hoog stijgt als David gezegd heeft dat God Zich verheft, wordt onder de volken betuigd. Zijn goedertierenheid en trouw, zie ook vs 4, zijn tot aan de hemelen, maar God verheft Zich boven de hemelen, zie vs 6. Deze hemelse wijdte staat wel in scherpe tegenstelling tot de spelonk, waarin David voor Saul vlucht.
Psalm 58
Deze psalm die op dezelfde melodie getoonzet is als de vorige, spreekt de goden aan, wanneer men tenminste elem als elim wil lezen. Op zichzelf is deze aanspraak niet ongewoon, zie Ps. 82:1. Het is echter de vraag of de mensenkinderen op het slot van het vers als voorwerp of als onderwerp opgevat moeten worden. In het laatste geval – en daar is veel voor te zeggen – staan de goden op één lijn met mensenkinderen. Wij krijgen deze vertaling: Waarlijk, spreekt gij recht, goden, richt gij met rechtheid, mensenkinderen? Welnu, dit betwijfelde recht wordt weersproken door wat het hart bedenkt en de handen doen. De rechters blijken misdadigers en leugensprekers te zijn. In vss 5-6 worden ze vergeleken met een giftige slang wat betreft hun tanden, en met een dove slang, een cobra die doof is voor de meest bekwame bezweerders. Zo zijn deze rechters doof voor de meest warme en overtuigende pleidooien.
Of vs 7 bij de bede om verbrijzeling van hun tanden nog een herinnering aan de giftige tanden van een slang bevat, is onzeker. De dichter gaat immers terstond over op het gebit van een jonge leeuw. In vier beelden bidt hij om het vergaan (2 x vss 8 en 9) van deze goddeloze rechters, en vs 10 suggereert dat, voordat zij het merken, God reeds met hen heeft afgerekend, hetzij in het beeld SV, NBG ea., dat de dorens de pot niet eens verwarmen, hetzij met anderen, zo dat voordat zij het bemerken, de stekels van de doren, of: voordat zij het bemerken, zij worden als dorens.
Met het noemen van de rechtvaardige (vs 11) en het feit dat hij zich verheugt, is reeds aangegeven dat nu niet langer de goddeloze richters, die zich verbeelden goden te zijn, maar in wezen goddelozen en bedriegers zijn, het voor het zeggen hebben, maar dat het recht van God hersteld is. De goddeloze van vs 4 is er niet meer en de rechtvaardige wast zijn voeten in diens bloed, want er is loon, lett. vrucht voor de rechtvaardige, want er is een God die itt. degenen die zich goden noemen, wèl recht doet op aarde. De begrippen vs 12 slot herinneren aan vs 2.
Psalm 59
Het opschrift komt overeen met 1 Sam. 19:11 en de volgende verzen zetten Saul in het bredere kader van vijanden, opstandelingen – hij is immers de gezalfde des HEREN! – van de bedrijvers van ongerechtigheid, degenen die bloed vergieten, en de sterken. Bij David echter is geen overtreding, geen zondigen, geen ongerechtigheid. Zeer uitgebreid wordt de HERE als de God van zijn hulp bij name genoemd: David roept al zijn namen aan. Ook hier het waak op uit de vorige psalm. De kring van de vijanden wordt nog breder getrokken door al de heidenen en allen die ongerechtigheid bedrijven in trouweloosheid. Tot tweemaal toe, vs 7 en vs 15, worden zij vergeleken met niet-verzadigde honden die rond de stad lopen en janken van honger. En ook voor de tweede maal worden zij aangeduid met heidenen (vs 9). Maar de HERE heet Davids sterkte en de God van zijn goedertierenheid, die het verbond niet verloochent. Nu wordt het omdolen, vs 12, het ongestadig bewegen, vergelijkbaar met het rond de stad gaan van de onverzadigbare honden, beeld van Gods straf: het is aan hen te zien dat God tegen hen is. In de ongerechtigheid van hun eigen mond worden zijnu gevangen, zoals de tegenstanders van Ps. 57 vielen in de kuil die zijzelf gegraven hadden. De straf van God is ditmaal geen blijk van zijn rechterschap, maar van zijn koningschap over Israel en over de gehele aarde (vs 14), al liggen die twee dicht bij elkaar. Het vernietigen (vs 14), tot tweemaal gesproken, gaat verder dan de bede (vs 12), dat God hen niet direct zal doden. Het oordeel geschiedt kennelijk in fasen.
Terwijl de vijanden de avond beschoren is, vs 15, bezingt David Gods sterkte en goedertierenheid des morgens (vs 17), en nogmaals (vs 17) noemt hij God zijn sterkte naast de herhaling van zijn goedertierenheid en het woord burcht in vss 17 en 18.
Psalm 60
Het opschrift van deze psalm verplaatst ons naar 2 Sam. 8:3. 1 Kron. 18:12 spreekt van de andere zoon van Seruja, namelijk Abisai, als degene die de Edomieten versloeg.
God is de grote tegenstander vss 3-5 en tegelijk geeft Hij hun die Hem vrezen, een banier. Dat is meer dan een teken dat God geeft, opdat de vromen kunnen vluchten. Het gaat om een vlag, die de naam voert van degene onder wiens banier men strijdt. Ipv. vluchten komt het nu op het strijden aan. Vanwege de boogschutters is de vertaling van een hebr. woord, dat met een geringe wijziging ‘waarheid’ betekent. Vanwege de waarheid heeft God degenen die Hem vrezen, een banier gegeven om daaronder te strijden. Dat is de wending in deze psalm. Nu wordt het volk niet meer verstoten en verbroken en het land niet meer gescheurd. In de volgende verzen wordt door God het overwonnen land als in de tijd van Jozua opnieuw verdeeld. Hij is vanuit zijn heiligdom zeker van deze overwinning. Sichern was de plaats waar het volk vergaderde Joz. 24:1. Het dal van Sukkot en Gilead vertegenwoordigen het Overjordaanse, wellicht ook Manasse. Waarschijnlijker is echter dat Manasse en Efraïm als de twee zoons van Jozef het hele gebied van deze twee aanduiden. In de benaming van Efraïm en Juda spreekt de weerbaarheid van Israel dat door God gebruikt en bestuurd wordt en onder zijn banier strijdt. Ook Moab, het wasbekken waarin de held zijn stoffige voeten reinigt, en Edom, waarop als teken van inbezitname de sandaal of schoen geworpen wordt. Dat de overwinning van Filis-tea – en niet Palestina, SV – gejuich veroorzaakt, is na zo’n lange geschiedenis van strijd en vijandschap tussen Filistea en Israel begrijpelijk.
In het slot vraagt David, wie hem in de versterkte vesting van Edom – zie Ob.:4 – zal brengen. Vgl. met 1 Kron. 11:17. En het wonderlijke antwoord is, dat God dat doen zal, die God die (vs 3) Israel verstoten had en niet uittrok met zijn legerscharen. De bede om hulp (vs 13) kan de tegenstander zogoed als de tegenstand, of beter: de benauwer zogoed als de benauwdheid raken. Tegenover de ij-dele menselijke verlossing (niet hulp, zoals NBG, maar heil, verlossing), staat de hulp van God, die hierin bestaat dat David en de zijnen met Hem machtige daden verrichten, temeer daar Hij het is die hun benauwers vertreedt.
Vgl. met vss 7-14, Ps. 108:7-14.
Psalm 61
Er is geen reden om de psalm in twee strofen te verdelen, temeer omdat de geloften van vs 6 terugkeren in vs 9. De psalm is een eenheid, waarin David als balling wordt voorgesteld en gebeden wordt om de verlenging van het leven van de koning, een leven dat alles te maken heeft met het schuilen bij God in zijn tent. Het is niet uit te maken of David van het einde van het land of, zoals sommigen weergeven, van het einde van de aarde tot God bidt. Overeenkomst met Ps. 42 wijst in de richting van het einde van het land. De rots die David te hoog is, is het beeld van zekerheid en kan niets anders betekenen dan Godzelf, zie Ps. 31:3 en 62:8. De psalm begint met een gebed en gaat dan over in een zekerheid dat God heeft gehoord en gegeven. Vervolgens komt er weer een gebed voor de koning, en ook dat eindigt met de zekerheid van lofprijzing en het betalen van de geloften. Geborgen in de rots die Godzelf is, bidt David voor de koning, niet één concrete koning, maar het koningschap als onderpand van Gods gunst van geslacht tot geslacht. Welke geloften Davids gebeden in dat verre land of aan het einde van het land hebben begeleid, wordt niet uitgedrukt. Alleen wordt gezegd, dat God naar die geloften heeft gehoord en datDavid die geloften betaalt, ze inlost. Overeenkomstig de tijden van de koning van geslacht tot geslacht, verkeert David in eeuwigheden (SV) of eeuwig of altoos (NBG) in Gods tent. Hij is daar gast ofwel, zoals het hebr. werkwoord uitdrukt, hij neemt zijn toevlucht als vreemdeling in Gods tent. De bescherming van God in eeuwigheid is de rots die David als vreemdeling zonder rechten, te hoog zou zijn. Deze Israëliet die gedwongen was een vreemdeling, een rechteloze te zijn in eigen land, krijgt van God de erfenis, het erfdeel van hen die Gods naam vrezen, Hem dienen. Voor God is hij rechtvaardig. Hij die van zijn troon verstoten werd, komt nu terug en wordt op zijn gebed door goedertierenheid en trouw in Gods verbond met hem en het koningschap bevestigd. God heeft gehoord!
Psalm 62
Zoals in Ps. 65 de lofzang stilheid tot God is, zo hier Davids ziel stilheid, stilzwijgen tot God. Hij heeft niets te zeggen, niets te vragen, niets te klagen, want hij weet: van Hem is mijn heil en Hijzelf is zijn heil. Tweemaal wordt het hebr. ach = waarlijk of alleen, slechts gebruikt. Tweemaal valt ook het woord heil. Met woorden als burcht en rots, die we uit vorige psalmen kennen, drukt David zijn zekerheid uit. Het verzet van zijn vijanden lijkt geweldig, maar stelt niets voor. Zij zijn een gebogen muur, een wand die omgestoten of naar binnen gestoten is.
Opvallend is, dat ook in vss 5, 6, 7 en 10 het woordje ach terugkomt. David heeft er eerst zijn vertrouwen en stilzwijgen tot God mee uitgedrukt, en nu beschrijft hij er de activiteiten van zijn vijanden mee: valse raadslagen, leugentaal, zegeningen waar vloeken achter steken. Als enig antwoord herhaalt David het ‘ach’ van het begin en drukt opnieuw uit dat op God, die zijn rots en heil is, zijn hoop is gevestigd. Hoe meer woorden hij gebruikt, zie vs 8: heil en eer, rots en schuilplaats, vs 9: schuilplaats, om te zeggen wie God is, des te duidelijker wordt dat Godzelf met de vijanden afrekent en dat daarom David kan zwijgen en stil zijn. In vs 9 wordt duidelijk dat het ook hier niet gaat om David alleen, doch om het volk dat op God vertrouwt. De uitdrukking: stort uw hart voor Hem uit, wordt alleen in overdrachtelijke zin gebruikt, namelijk voor de ziel die uitgestort of anders vertaald: uitgegoten wordt voor God.
Terwijl vs 10 de lichtheid als lucht uitdrukt van de geringen zowel als van de aanzienlijken onder de vijanden van het volk dat op God hoopt – hun eer en gewicht, stelt niets voor, hun leven is totaal bedriegelijk – trekt vs 11 de conclusie uit het voorgaande. Het door verdrukking van de weerlozen verkregene en de roof vormen evenmin als het bezit in het algemeen een voorwerp van hoop. Hopen kan men alleen op God, die (vs 12) tweemaal en daarmee vast gesproken heeft dat van Hem de macht is. De psalmist voegt er aan toe, dat van God ook de verbondstrouw is. En de wijze waarop God Zich houdt aan zijn verbond, blijkt uit de betaling aan ieder naar zijn doen. Het volk dat met David stil is tot God, mag weten dat hun betaald wordt naar hun hopen op God.
Sommigen menen dat vs 13 wordt geciteerd in Mat. 16: 27 en Rom. 2:6.
Psalm 63
David in de woestijn van Juda verwijst naar 1 Sam. 23:14 en 15 waar Saul David alle dagen zocht, maar hem niet vond. Het geheim is dat David naar God verlangt en dit verlangen wordt in deze morgenpsalm van de vroege kerk uitgezongen. Opvallend is het verschillend vertalen van vs 21. Het hebr. werkwoord voor ‘zoeken’ houdt verband met: ik zoek U in de dageraad. NBG U zoek ik, en zo de meesten. Tegenover het dorre en dorstige land staat het heiligdom waar God is en waar leven en overvloed (vs 6) is. Gods sterkte, eer en goedertierenheid worden op één lijn gesteld. Dat zijn goedertierenheid beter is dan het leven, houdt in dat de verbondstrouw van God, die gezien wordt in zijn huis, het leven van David in de woestijn van Juda ver te boven gaat. Wie bedenkt dat het woord tob dat hier gebruikt wordt, Gen. 1 voor de goedheid en het zeer goede van al wat God gemaakt had in de schepping gebruikt wordt, beseft dat Gods goedertierenheid, die dit goede te boven gaat, wel excellent moet zijn. Daarom gebruikt de psalmist dit leven om God te zegenen (vs 5), en het is opvallend dat net als het aanschouwen van God in zijn heiligdom ook deze zin over het zegenen van God met ‘zo’ wordt ingeleid. Het opheffen der handen duidt op het gebed Ps 28:2, 141:2 en 143:6. Maar ook in Davids eigen huis en in zijn persoonlijk leven staat dit gedenken aan en bejubelen van God (vss 7-8) centraal.
De tegenstelling tussen David en zijn vijanden blijkt (vss 10-12) zijn koningschap te raken. Er is geen reden om een later toegevoegde glosse te lezen in deze verzen. Het feit dat de koning in de derde naamval staat en niet Davids naam genoemd wordt, betekent dat het koningschap Gods zaak is en met Davids persoonlijk belang niet vereenzelvigd mag worden.
Psalm 64
De vijand over wie David klaagt, is een boosdoener die in een heimelijke raad of vertrouwelijke bespreking zijn boosheid beraamt en een werker van ongerechtigheid, die onrust veroorzaakt. Zijn tong is een zwaard, zijn bitter woord een pijl. Ongetwijfeld bedoelt David met de onschuldige (vs 5) zichzelf. Net als de koning van Ps. 63: 12 omschrijft hij zijn positie in de derde naamval om eigen belang ondergeschikt te maken aan Gods zaak en oordeel. Het dubbele schieten (vs 5), het vastmaken van een boos woord en het leggen van verborgen strikken (vs 6), het zoeken van verkeerdheden (vs 7) eindigt in de constatering dat het binnenste van de man, zijn hart diep is. Misschien behoort deze zin nog tot de woorden van de vijand, en dan wordt erdoor uitgedrukt dat plannen, die zo diep zitten, toch door niemand ontdekt worden.
Vss 8-11 vormen de keer van deze boosheid. God beantwoordt hun pijl (vs 4) met zijn pijl, waardoor het hele plan in duigen valt en die tong die als een zwaard gewet was, hen nu over zichzelf doet struikelen. Het schudden van het hoofd van ieder drukt spot en hoon uit, vgl. Ps. 22:8, de mensen vrezen voor God, ze zullen (of moeten) zijn werk vermelden. Ze letten op zijn daden. En de rechtvaardige verheugt zich in de HERE, schuilt, bergt zich bij Hem, en de rechten van hart beroemen zich. Let op het onderscheid tussen wat alle mensen in de daden van God zien en wat diezelfde daden de rechtvaardige doen. Het laatste gaat veel verder dan het eerste.
Psalm 65
Dezelfde stilheid, die zich naar God uitstrekt en die Davids ziel in Ps. 62 kenmerkte, vinden wij hier terug als lof voor God op Sion. Gold het daar Davids stille houding tegenover de vijand, hier gaat het om het droge land, dat gebrek lijdt, tenzij God het vruchtbaar maakt. Zoals aan het slot van Ps. 61 de verhoring van het gebed met de betaling van de gelofte verbonden wordt, zo ook hier. God houdt op Sion receptie voor ieder die biddend tot Hem komt. ‘Alle vlees’ (al wat leeft) is meer dan alleen Israel. Het gaat om de hele aarde, zoals ook uit vss 6 en 9 blijkt. De verkiezing, het doen naderen en het laten wonen in Gods voorhoven is het tweede thema van deze psalm. Daar worden de ‘wij’ die Hem in zijn huis dienen met gebed, gelofte en lofzang, verzadigd en vandaaruit wordt dan ook het land door God bezocht en rijk en overvloedig gemaakt. Ook de ongerechtige woorden, vs 4, en de belijdenis daarvan, en de bedekking (verzoening) van de overtredingen behoren tot het komen en wonen in Gods huis. Het persoonlijk voornaamwoord ‘Gij’ krijgt klemtoon: Gij, Gij, verzoent onze overtredingen.
De verkiezing, die (vs 5) in de tegenwoordige tijd wordt gesteld (iov. de berijming 1773: Welzalig dien Gij hebt verkoren), raakt zowel Israel als ‘alle vlees’, terwijl het enkelvoud (opdat hij wone) erop duidt dat God zeker bij de gehele mensheid niet volkeren, maar personen verkiest, zie Ps. 87. Zij worden verzadigd met het goede van zijn huis en het heilige van zijn tempel of paleis, en er is geen betere dank denkbaar dan hiernaar hongeren en dorsten en zich ermee verzadigen.
De geduchte daden (vs 6) ofwel vreselijke dingen (SV)worden door menige verklaarder betrokken op de gerechtigheid, die er in de hebr. tekst direct achteraan genoemd wordt. Het zijn de geduchte daden, die God in gerechtigheid doet en die het antwoord vormen op het gebed (vs 3), waarvan Hij de Hoorder is. Maar het heil dat daarin steekt, beperkt zich niet tot Sion, doch blijkt aan de einden der aarde, op de zeeën, bij de bergen en in het rumoer, het ruisen der volken, dat met het bruisen der zeeën en der golven wordt vergeleken. In het Hebr. lijkt de klank van zeeën op natiën. Het vrezen voor deze daden, waarmee Gods gerechtigheid wordt uitgedrukt en dat zowel in de vreselijke dingen of daden, (vs 6) als in het vrezen, (vs 9) van wie de einden (der aarde vs 6) bewonen, ligt opgesloten, sluit het gejuich niet uit, maar in. God is getrouw aan zijn schepping en aan de avond en morgen, die Hij heeft ingesteld.
Het laatste deel van de psalm breidt dit antwoord op het gebed op de Sion uit tot het land, waarmee gezien het voorafgaande evengoed de hele wereld als het land Israel bedoeld kan zijn. Met de beek van God wordt niet zozeer een aanwijsbare stroom of bron bedoeld, alswel het feit dat de zegeningen die bij God vandaan komen – Hij zoldert immers zijn opperzalen in de wateren! – zonder meer vol zijn. Wie op Hem vertrouwt, komt niet tekort. Met ruime termen wordt deze overvloed uitgedrukt: God bereidt het koren, Hij bereidt alles (vs 10). God bezoekt het land en maakt het zeer rijk, het loopt over van water, zijn gewas wordt gezegend en God kroont het jaar van zijn goedheid of met zijn goedheid. Dit rijke land dat in weelde staat te pronken, zingt voor God. Het zich omgorden, zich bekleden en zich tooien (vss 13-14) komt overeen met wat in Ps. 96:11 w, 98:7 w, 89:13 van de bergen, heuvels en rivieren, de bomen, het veld, de hemel, de aarde en de zee gezegd wordt. In Sion is stilheid tot God de lofzang, in de schepping zingt en juicht, tooit zich, gordt zich en bekleedt zich al wat Hij geschapen heeft. ‘Zij zingen zelfs’, zo eindigt Buber Ps. 65, en dat is beter dan het zwakke ‘ook’ van SV en NBG.
Psalm 66
In het begin van deze psalm herhalen zich de thema’s van Ps. 65 met dien verstande dat als nieuw thema, vanwege de veelheid van Gods sterkte de vijanden overgave huichelen. Het ‘geducht’ (vs 3) (zie de geduchte daden Ps. 65:6) kan wellicht sterker vertaald worden met te vrezen. Dit herhaalt zich (vs 5): te vrezen is zijn doen over de zonen van de mens. En de uitnodiging, die zich (vs 16) herhaalt, wanneer de psalmist vertelt wat God aan zijn ziel gedaan heeft, luidt: Komt en ziet Gods daden.
Deze daden spitsen zich toe op wat gebeurde bij de Rode Zee en de Jordaan bij de uittocht uit Egypte en de intocht in het beloofde land. God maakt de dreigende zee tot een droog pad voor zijn volk. En daar heeft Hij met de weerspannigen (denk aan farao met al zijn volk) definitief afgerekend. Wie geen overgave huichelen (vs 3), maar zich verheffen, hebben te vrezen voor Gods ogen, die de wacht houden over de volken. Het zegenen (niet: prijzen) van God door de volken komt uit in het doen horen van de stem van Gods lof. En deze dienst van de volken aan God betreft zijn unieke daad, waardoor Hij (vs 9) Israels ziel in het leven stelde, toen Hij Israel doorRode Zee en Jordaan in het land der belofte bracht. In dit licht moet vs 16 gelezen worden: wat God gedaan heeft aan de ziel van de psalmist. De volken moeten deze daad bezingen.
Het tweede deel van de Psalm gaat over de beproeving en de loutering, die uitmonden in de verzekering dat de psalmist geen onrecht beoogde, maar dat de beproeving zijn zuivere bedoelingen aan het licht heeft gebracht en dat God het gebed heeft gehoord.
Die beproeving bestaat uit een weg, waarlangs God Israel in het jachtgaren (het hebr. woord kan ook ontoegankelijke plaats, onherbergzaam oord betekenen) heeft gevoerd, banden aan Israels heupen gelegd of: een marteling of een kwaal in hun heupen gelegd. Verder heeft God de sterfelijke mens in zijn overwinningsroes in zijn zegewagen over Israel als ter aarde neergeworpen overwonnenen heen doen rijden. Israel is in vuur en water gegaan. Maar God heeft zijn volk uitgeleid en in de overvloed gebracht, in een land overvloeiende van melk en honing. Daarom komt de psalmist in Gods huis brandoffers brengen en zijn gelofte betalen, al wat zijn mond in zijn benauwdheid sprak.
In de herhaling van vs 5, zie aldaar, nodigt nu de psalmist die namens heel Israel spreekt, als in een solozang ieder uit om te horen wat God aan zijn ziel, aan zijn leven gedaan heeft. Zijn gebed uit de benauwdheid gaat over in een verheffing, een lofprijzing, vgl. Ps. 149:6, die onder zijn tong is. Terwijl het één nog op zijn lippen is, dringt het ander reeds om de voorrang. Het dubbel vermelde horen (vss 18-19), dat tegelijk een verhoren is en een letten op de stem van het gebed, is daarom zo direct op het gebed uit de benauwdheid gevolgd, omdat bij de psalmist geen onrecht (boosheid, slechtheid) gevonden werd.
De psalm eindigt met het woord, dat deze God gezegend moet zijn, zoals (vs 8) de volken werden opgeroepen om Hem te zegenen. Nu zegent Israel Hem ogv. de verhoring van het gebed en van zijn goedertierenheid, zijn vasthouden aan en onderhouden van het verbond met zijn volk, dat Hij voor korte tijd leek over te geven aan diens overheersers.
Psalm 67
Zonder twijfel slaat ‘ons’ op Israel, dat Gods genade en zegen ervaart tot kennis van Gods heil onder alle volken. De uitleg waarbij de psalm uitsluitend ziet op de oogst in materieel opzicht, is te mager. De volken en natiën zijn in hun bezingen en danken of loven zo belangrijk, dat minstens ook gedacht moet worden aan de oogst der volken voor de God van Israel, die bevrijdt en redt.
Dat God zijn aangezicht bij Israel laat lichten, betekent dat Hij met zijn licht bij zijn volk is en hun levensweg beschijnt. Deze psalm begint met de hogepriesterlijke zegen uit Num. 6, nu getoonzet in een gebed van het volk. En ook het slot wijst in die richting. Bijna alle vertalers stellen overigens het begin in een wensvorm en het slot, waar dezelfde hebreeuwse werkwoordsvormen worden gebruikt, in de toekomende tijd. De zegen is dan een zekerheid geworden, zij het in de toekomstige vorm van de belofte. Dat de aarde haar gewas gaf, legt de grond voor deze verwachting. Voor het groot geheel van de aarde ende volken daarop, betekent deze zegen over Israel, dat men Gods weg kent, de volken zijn heil, redding of bevrijding kennen, de volken zijn recht en de natiën zijn leiding ervaren, de aarde vruchtbaar is en de einden der aarde Hem vrezen. Dat recht, die leiding en dat vrezen zullen verstaan moeten worden als een toebereiding van de volken om God te vrezen. Het afwisselend spreken van volken en stammen of scharen heeft geen inhoudelijke betekenis. Het geheel van wat de aarde bewoont naast Israel, wordt ermee aangegeven. In de psalm kan een bepaalde volgorde gelezen worden: het effect van Israel heil op de volken, die in Gods koninkrijk ingaan en ervaren hoe God aarde en mensen zegent.
Psalm 68
Door heel deze psalm die door de Hugenoten en door de Geuzen in hun strijd met de Armada, is aangeheven, valt de strijdtoon op. Iov. vorige psalmen staat deze op naam van David, die echter volgens velen de schrijver niet kan zijn. Sommigen plaatsen de psalm in de tijd van de Mäkle abeeën, anderen denken aan Jorams zegetocht tegen Moab, weer anderen wijzen op overeenkomsten met De-bora’s zegelied. Voor Davids tijd pleiten het verhaal van de terugkeer van de ark naar Sion (2 Sam. 6) en nog sterker wat Uria zegt over de ark, die met Israel en Juda op het slagveld tegen de Ammonieten verblijft (2 Sam. 11: 11). Ook met de afloop van de strijd, zie 2 Sam. 10 slot w, komt het begin van Ps. 68 overeen. Overigens verdient de opmerking de aandacht, die zegt dat er niet aan één speciale overwinning, maar in het algemeen aan de overwinningen des HEREN kan worden gedacht.
De eerste strofe beschrijft het opstaan van God tegen zijn vijanden en het aannemen van rechtvaardigen, wezen, weduwen, eenzamen en gevangenen. De tweede strofe begint bij vs 8 en is een gebed tot God die voor Israel ruimte maakt en zijn vijanden bestrijdt. De derde strofe beschrijft de overwinning en begint bij vs 20. Het slot roept Israel en de volken op om God te eren en Hem sterkte te geven, die zelf sterkte verleent.
Het opstaan van God (vs 2) en het gevolg daarvan voor de vijanden herinnert aan Num. 10:35, terwijl het beeld (vs 3) van de rook terug te vinden is in Ps. 37:20 en Hos. 13:3, en dat van de was in Ps. 97:5. De sterke tegenstelling is dat de rechtvaardigen niet alleen voor deze God kunnen bestaan, maar zich ook verheugen, juichen en zich in blijdschap vermeien. Let op vs 3: de goddelozen die vergaan, en vs 4: de rechtvaardigen die blijde zijn.
Deze rechtvaardigen verheugen zich het meest daarover dat God Zich een vader der wezen en een rechter der weduwen, een verlosser van eenzamen en gevangenen betoont, en dit alles samengevat in zijn naam HERE. Aan het slot van vs 7 staat weer die tegenstelling, nu echter niet tegenover de rechtvaardigen, maar tov. wezen, weduwen, eenzamen en gevangenen. De weerspannigen, de rebellen wonen in het naakte (als aanduiding van een naakte rots). De tweede strofe grijpt terug naar het begin. God trekt vóór zijn volk uit, zoals met de wolkkolom bij dag in de woestijn, Num. 9:17-18. Hemel en aarde getuigen mee, wanneer de HERE voor zijn volk uittrekt. NBG en SV vatten de vermelding van Sinaï (vs 9) zo op, dat zelfs de Sinaï voor God beeft. Dit is Sinaï, dit is een heilige plaats, hier verschijnt God ons opnieuw in zijn heerlijkheid en heiligheid. Men kan ook denken aan de concentratie van alle openbaringen van God aan zijn volk in de woestijn op de berg Sinaï: deze openbaring was het hoogtepunt van alles. Opvallend is dat direct op deze angstaanjagende tekenen volgt de beschrijving van milde gaven, die als een regen op Gods volk neerdalen, wel onderscheiden van de druipende hemelen, die van storm en onweer getuigen. Dat volk wordt als erfdeel omschreven, omdat het het bezit van God is, dat vs 11 als schare of kudde wordt omschreven. Het is Gods goedheid, die dit volk een plaats bereidt, terwijl het toch uit ellendigen, neergebogenen (zie boven weduwen, wezen, eenzamen en gevangenen) bestaat. Het land als zodanig wordt nog niet omschreven. Hier staat voorop dat Gods veldtocht daarmee eindigt, dat Hij zijn volk ruimte verschaft om daarin te wonen onder een regen van milde gaven. Het uitgaan van een woord van God betekent niet, zoals sommigen vermoeden, dat de vrouwen de oorlog boodschappen, maar overeenkomstig het voorafgaande, dat de koningen met hun legers vluchten moeten en dat van het volk dat achter de HERE trekt, degene die niet is meegetrokken maar thuis bleef, de buit mag verdelen. Die buit bestaat uit duivevleugels, bedekt met zilver, en slagpennen, bedekt met goud. Andere mogelijkheden van uitleg zijn: Israel wordt vergeleken met een duif, die beladen wordt met zilver en goud, of: het volk wordt opgeroepen tot de strijd, en men krijgt zilver en goud als buit van een leger dat als een duif is weggevlogen. Bij elke uitleg past de gedachte, dat God zijn volk zilver en goud doet beërven. De tussenzin in de vorm van een vraag: Laagt gij niet tussen de pakezels of schaapskooien? herinnert, zoals veel in deze psalm, aan Ri. 5:16, waar Debora dit liggen bij de schapen als een aanklacht gebruikt. Ze bleven daar maar liggen, terwijl er zoveel groters te doen was. De sneeuw op de Salmon, een berg in Efraïm, duidt óf op de overwonnen naakte lichamen, die daar wit neerliggen, óf op de buit die overvloedig is als neervallende sneeuw. Te denken valt ook aan een wonder: op de betrekkelijk lage Salmon placht het nooit te sneeuwen, maar nu sneeuwt het daar door Gods wondere macht en als een teken van zijn overwinning. De vermelding van deze berg brengt het thema naar voren van Gods woning,op Gods berg, die vergeleken kan worden met het ba.satgebergte van Basan in het noorden. De veeltoppige gebergten kunnen niet concurreren met de Sion, de berg die God zich ter woning begeerde (vs 17). Hiermee is ook aangegeven, om welk land het gaat (vs 11). Het is het land rond de Sion, waar het erfdeel des HEREN zich mag neerlaten en vestigen. Sion is van zichzelf niet groot of geweldig, maar de HERE wil er wonen voor eeuwig. Van de wagens die in een veelheid van duizenden geteld worden, en deze in herhaling (het hebr. woord betekent hier niet verhevenheid), geldt hetzelfde als vs 9: bij het beven van de aarde en het druipen van de hemelen valt aan niets anders te denken dan aan de openbaring van de HERE op Sinaï. Hijzelf is hier de Sinaï in heiligheid of in het heiligdom. Van enige gedachte als zou de HERE van de Sinaï af het heiligdom zijn binnengegaan (NBG ea.) is geen sprake.
Vs 19, de klassieke tekst voor de Hemelvaart, geciteerd in Ef. 4:8 met het verschil dat hier van gaven nemen endaar van gaven geven sprake is, houdt volgens sommigen verband met het opstaan (vs 2) en het opwaken waartoe Debora Barak aanspoort Ri. 5:12, temeer omdat ook daar van het gevangen nemen der gevangenen sprake is als een teken van overwinning. Waarschijnlijker is het om hier aan de Sion te denken, waar de HERE voor altoos en eeuwig woont. Zijn heiligdom is de hoge, waar hier op gedoeld wordt, evenals in het N.T. de hoge in Ef. 4:8 het heiligdom in de hemelen is, van waaruit de Here gaven geeft, de genade aan een ieder naar Christus’ maat. Het hebr. woord maroom komt ook Ps. 7:8 en 47: 6 voor en in beide plaatsen is het aannemelijk dat niet een aardse, maar een hemelse hoogte bedoeld wordt. Het gaven nemen kan in dit geval duiden op het nemen van belasting en vererende geschenken van schatplichtigen. De weerspannigen van vs 7 keren hier terug, maar nu wonen ze niet in het kale land, maar ze verblijven – met hetzelfde werkwoord als vs 7! – in het huis van God de HERE. Dat is de grootste gunst, die van deze gunstrijke God is te vertellen.
De derde strofe, die de overwinning beschrijft, begint met de zegen, de levenskracht, die de Here wordt toegebeden. Die grote kracht is ook nodig, want Hij draagt ons ofwel: Hij draagt de last voor ons en dat dag bij dag. Hij is de God van uitreddingen, SV: volkomen zaligheid, en van ontkomingen, uitkomsten, zelfs in het geval van de dood. De bijzondere levenskracht, die met het gezegend zij de HERE, Hem wordt toegebeden, blijkt hieruit dat men bij Hem zelfs aan de dood ontkomen kan en gezien het woord gaat het om de dood in alle betekenissen, die de dood heeft. De HERE woont immers voor altoos en eeuwig op zijn heilige berg en laat er zelfs wederspan-nigen wonen. Zij delen voor eeuwig in het goede van zijn huis.
God die de vijand totaal vernietigt, brengt nu zijn volk uit Basan (zie vs 16) en uit de diepten der zee. Hoge bergen en diepe zeeën kunnen Hem niet verhinderen. Het weerbrengen wordt herhaald en krijgt dus nadruk. Hij verzamelt zijn volk overal vandaan naar Sion, waar Hij heerlijk en goed is. Dan worden de rollen omgekeerd en heerst Israel (vs 24) over zijn vijanden. En op Sion wordt het overwinningsfeest gevierd. Tn het heiligdom’ vs 25 kan vertaald worden met ‘in heiligheid’ en dat is waarschijnlijker, aangezien het hier beschreven feest moeilijk in de tempel gevierd kan worden. De enige andere mogelijkheid is, dat in het woord ‘heiligdom’ de notie van tempel of tabernakel en paleis samenvallen. Bedoeld is dan: Gods paleis is tegelijk zijn heiligdom, en in zijn paleis wordt het overwinningsfeest gevierd. Bij de opsomming van de feeststoet kan men denken aan Ex. 15 en 1 Sam. 18:6-7. De stoet bestaat uit muziekinstrumenten en hun bespelers, omgeven van maagden die de HERË zingen, en gevolgd door de stammen van Israel, van wie twee zuidelijke en twee noordelijke stammen genoemd worden. Ook is mogelijk dat Juda wegens de eerste plaats onder de zegeningen van vader Israel (Gen. 49) en Benjamin als koningsstam, uit wie Saul voortkwam, en Zebulon en Naftali vanwege hun lof in het lied van Debora (Ri. 5:18) uitdrukkelijk genoemd worden. In vs 29 kan ‘toon uw macht’ betekenen: toon U sterk. Vs 30 herinnert aan vs 19. De geschenken zijn overigens op te vatten in de zin van tol, belasting.
Het slot herhaalt het thema van vs 29. De daar genoemde sterkte, keert hier (vs 35) terug in de dubbele betekenis van Gods sterkte en Israels sterkte. Vooraf wordt de sterkte van God opgeroepen om de vijanden, de krokodil in het riet, volgens sommigen de Filistijn, volgens anderen en meer waarschijnlijk Egypte, en de stierenbende met de kalveren der volken of met de kalvervolken, Syrië of Perzië met zijn onderhorige stamvolken, te bedreigen. Deze volken werpen zich op het zilver, waar ze een welbehagen aan hebben (niet: Gij die u werpt, NBG). Gods kracht verstrooit de vechtlustige volken. Wanneer de strijd is bedwongen, wordt God geëerd door de edelen van Egypte en Ethiopië (Kus). Alle koninkrijken worden opgewekt om God te eren, aangezien Hij een koning is die in de hemel rijdt en daar zijn zegewagen heeft. Vs 34 geven sommigen weer met: de hemel van de oerhemel. Kèdèm ziet niet op God (SV), maar op de hemelen. God rijdt door de vlakten (vs 5) en in de hemelen. Tweemaal is sprake van de hemelen, tweemaal ook van Gods stem en de tweede keer wordt eraan toegevoegd dat zijn stem met sterkte is. Vs 35 keert die sterkte terug (vgl. vs 29) als een zaak die Israel aan God toekent en die God uitoefent. Nog eenmaal klinkt het dan in vs 36, dat deze te vrezen God zijn volk sterkte geeft (deelwoord: Hij geeft die sterkte gedurig) en krachten. Met de zegenwens gezegend (zij) God! vgl. vs 20 eindigt de psalm. De veel genoemde sterkte, die God eigen is en die Hij aan Israel geeft, kan niet slaan op de strijd tussen Israel en zijn vijanden, want die strijd wordt door Godzelf beslecht. Eerder komt in aanmerking de mening dat Israel nu, beschermd door en begiftigd met de sterkte van zijn God, veilig is tegen de volken die de sterkte van Israels God hebben ervaren.
Psalm 69
In het opschrift denken sommige uitgaven van de SV aan martelaarschap en NBG aan doodsgevaar. De melodie van de leliën, waarmee een bepaalde zeszijdige maatfï-guur zou kunnen worden bedoeld, komt ook voor in de opschriften van Ps. 45, 60 en 80. De psalm beschrijft in het eerste deel, tot vs 30, de ellende van David, en eindigt in vs 31-37 met de verlossing van Sion en het wonen van Gods knechten in die stad.
Vss 2-4 beschrijven de ellende van de psalmist met het beeld van het water, waarin hij niet staan kan. Zijn voeten worden weggetrokken in het süjk als in een moeras, vgl. Ps. 40. Vgl. Klaagl. 3:53-58. Het is goed om twee dingen bij de ‘ik’ van deze psalm te bedenken. Allereerst is deze psalm een van de meest in het N.T. geciteerde psalmen, en verschillende malen worden woorden van David, hier gesproken, op Jezus toegepast. Hij klinkt in zijn lijden mee in de ‘ik’ van deze psalm. Ten tweede gaat het, zoals uit het slot blijkt, om de toekomst van Gods volk, en wel met name de ootmoedigen, armen en gevangenen. Wie God liefhebben, zullen in Sion wonen en verlost zijn. De vijanden van de psalmist haten hem zonder oorzaak en zijn talrijk. Ogv. vs 10 kan men aannemen, dat de zaak van God de inzet van deze strijd is en dat het in wezen gaat om de vijanden van God, die zo talrijk zijn. Het is wat al te eenvoudig om te veronderstellen dat vs 5b alleen inhoudt, dat de psalmist ten onrechte vandiefstal beschuldigd wordt, zoals sommigen menen. De woorden: die mij zonder oorzaak haten, keren terug in Joh. 15:25, en het slot kan vergeleken worden met Jer. 15:10, om dan de betekenis te krijgen: ik moet lijden voor iets dat ik niet misdaan heb. Dit betekent niet, dat de psalmist tegenover God onschuldig is: vss 6 en 27 spreken een andere taal. In de dwaasheid, die hij belijdt, zit evenals Ps. 38:6 een stuk onvroomheid en onbezonnenheid. Evenals Ps. 51 maakt David zich zorgen, dat zijn schuldige daden hun gevolg zullen hebben voor het volk dat God verwacht. Wel wordt in het vervolg van de psalm steeds duidelijker, dat het niet zonder meer om het volk gaat, maar om hen die temidden van dit volk God zoeken en zijn Naam liefhebben, to. de valse vijanden. Vgl. met het om Uwentwil vs 8 Ps. 44:16 en 23. Bij Gods huis (vs 10) denken sommigen niet alleen aan het heiligdom, maar ook aan wat daar gebeurt en degenen die daar vergaderd zijn om God te zoeken en te dienen. Dit woord dat in Joh. 2:17 en Rom. 15:3 rechtstreeks op Jezus van toepassing wordt gebracht, maakt opnieuw duidelijk, dat het de zaak des HEREN is, die David en dat deel van het volk, dat God zoekt, drijft. Zelfs zijn geween en het begeleidende vasten (vs 11) ontkomen niet aan de smaadwoorden (minder juist dat God niet let op vasten of rouwen, zoals sommigen menen). Zijn rouw, kenbaar aan het kleed dat hij draagt, is aanleiding tot een spotvers en een spotlied. Die in de poort zitten, zijn nu niet de rechters, maar de lediggangers en drinkebroers. David echter bidt tot God om (of op, tijdens:) de tijd van het welgevallen. Hij doet een beroep (vs 14) op Gods goedertierenheid en op de waarheid van Gods redding. Gods goedertierenheid, zijn vasthouden aan het verbond is overvloedig, en zijn uitredding is waarachtig en getrouw. In de vss 15-16 wordt net als vss 2-3 de dreiging van het water beschreven, nu met de gedachte aan de dood, uitgedrukt in de mond van de put, die zich boven een mens toesluit. In vs 17 komt opnieuw de goedheid van Gods goedertierenheid, vermeerderd met de grootheid van Gods barmhartigheid (lett.: ingewanden), als grond van Gods antwoord tot uiting. Op dat antwoord wordt (vs 18) opnieuw aangedrongen, en de drie werkwoorden van vs 19 omschrijven de inhoud van dat antwoord. De werkwoorden voor bevrijden en verlossen drukken beide de gedachte van verlossing door loskoop uit. Laat God zijn ziel loskopen uit de macht van de dood, opdat zijn vijanden het zien en beschaamd worden.
In vs 20 legt hij het directe verband tussen zijn benauwers en God: zij staan uiteindelijk niet voor David, maar voor God. Gezien de volgende verzen, waar de straf over hun doen wordt ingeroepen, dient dat staan als een terechtstaan te worden opgevat. Het teken van medelijden, vs 21, door Koehler-Baumgartner als een hoofdschudden opgevat, wordt door anderen met toeknikken weergegeven. In elk geval duidt het op een beweging van het hoofd. Het komt met name in Jer. voor. Vs 22 wordt wel niet direct geciteerd in het N.T., maar Mat. 27:34 en 48 en parallelle plaatsen komen zo dicht bij deze tekst, vooral in de lezing van de Septuagint, dat de gevolgtrekking gewettigd is dat dit woord in het kruislijden van Jezus vervuld wordt. Vs 23 wordt geciteerd in Rom. 11:9, waar er nadrukkelijk bij staat, dat het een woord van
David is. De tegenstelling tussen vs 22 en vs 23 is dat voor David de pijn en de benauwdheid bestemd zijn, terwijl zijn vijanden zich in overdaad baden. De genoten zijn de vredegenoten, degenen die ten onrechte meenden dat zij vrede hadden. De wijze waarop het oordeel van de tafel en van de plotseling opkomende blindheid en van de verzwakking van hun sterke lendenen voltrokken wordt, ligt verklaard in vs 25: God stort over hen zijn verwensing en de vlammen van zijn toorn uit. Zodoende voltrekt zich het oordeel totaal onverwacht. Maar niet alleen dit: hun tenten staan leeg en hun tentenkamp wordt tot woestenij, de ergste vloek die een semiet kan treffen. Dit vers wordt geciteerd in Hand. 1:20, waar het lot van Judas wordt verklaard. Juist het feit dat zij Gods straf en hun wraak (vs 27) door elkaar halen, is reden voor David om verder te gaan en te vragen om hen absoluut en definitief te veroordelen (vs 28). Er is hier sprake van Gods gerechtigheid. De wens van de psalmist is, dat zijn vijanden en benauwers nooit in hun leven tot die gerechtigheid zullen komen, waarin ze voor God bestaan kunnen, voor wie ze immers staan (vs 20), en dan vrijgesproken zouden worden. Het boek des levens ziet, vgl. Ex. 32:2, Jes. 4:3, Dan. 12:1, op dit leven. In het N.T. raakt dit boek vooral het eeuwige leven. Nog eenmaal vóór het lofprijzende slot vermeldt David zijn neergebogenheid en smart met een beroep op het heil, de verlossing van God, die hem op een steilte voert.
Het recht van God en de daarmee samenhangende verlossing doet de psalmist zingen, en dit lied is meer waard dan een offer. Het is niet onmogelijk, dat de ootmoedi-gen, de neergebogenen, de armen en de gevangenen, ge-bondenen geen offers kunnen betalen en dat mede daarom de lof des HEREN, die uit hun mond klinkt, voor God als belangrijker dan een rijk offer geldt. Vgl. Ps. 8: 3. Maar ook de hele schepping looft Hem, omdat Hij Sion verlost, de steden van Juda bouwt en het zaad van zijn knechten, dat zijn Naam liefheeft, daarin doet wonen en dat doet erven. Let op de vier werkwoorden vss 36-37: men laat zich daarin neer, men neemt die steden in bezit, men erft ze, en men verblijft er. Het is de absolute tegenstelling van wat er in vs 26 staat van het kampement en de tenten van de vijanden.
Psalm 70
Deze psalm van David staat in het teken van de haast. Het is een gebed om spoedige uitredding, waarbij in vs 2, maar ook vs 6 het werkwoord haasten gebruikt wordt en vs 6 er nog aan toegevoegd wordt, dat God niet zal achterblijven, niet zal vertoeven. Vs 3 maakt duidelijk dat het om een strijd op leven en dood gaat, want de vijanden staan David naar het leven, zoeken zijn ziel, hebben een welgevallen in zijn kwaad. Vs 5 bevat dan precies het omgekeerde voor wie Gods verlossing liefhebben. De schaamte en schande staan to. de jubel en de vreugde, en het afbreken in schaamte van wie zeggen: Ha, ha, staat to. het gedurig zeggen: God is groot. In vs 6 wordt de tegenstelling door het beklemtoonde ‘ik’ en ‘Gij’ uitgedrukt en door het neergebogen en arm van David to. de hulp en toevluchtsoord, die God is. Vgl. met deze psalm Ps. 40:14-18.
Psalm 71
Deze psalm heeft in de hebreeuwse tekst geen opschrift, maar wordt in de Septuagint toegeschreven ‘aan David, aan de zonen van Jonadab en aan de eerste in gevangenschap weggevoerden’. De psalm is dus aan David toegeschreven, en verder gezongen door de Rechabieten en de eerste ballingen uit Israel. Hiermee is gezegd, dat de ‘ik’ niet één persoon behoeft te zijn, maar op een clan en zelfs op (een gedeelte van) het volk kan slaan. Let op het dubbele bevrijden of doen ontkomen (vss 2 en 4), en op het bestendig in Gods rotswoning gaan en bestendig zijn lof zingen (vss 3 en 6). To. elkaar staan God die de rots, de sterkte en de vesting van de psalmist is, en de vijanden die als goddeloos, als booswicht en als gewelddadige worden omschreven. Vanaf vs 5 wordt het leven van de psalmist van jeugd tot ouderdom aangeduid als één groot wonder, waarvan God de lof ontvangt. Maar nu hij oud is geworden, dreigen zijn vijanden hem alsnog te . grijpen, omdat er geen redder is. Vandaar het in vss 9 en 11 herhaalde verlaten: verlaat mij niet, want mijn vijanden zeggen: God heeft hem verlaten. In vs 14 komt het bestendig uit vss 3 en 5 terug, nu ivm. hopen. De bede om verlossing (vs 2) vindt een antwoord in het bezingen van Gods verlossing vs 15. Het leven tussen jeugd en ouderdom, in vss 5 w. reeds verteld, wordt nu in vss 17-18 herhaald, en ook de bede: verlaat mij niet, ons uit vss 9 en 11 bekend, keert terug, nu echter niet uit vrees voor de vijanden die de psalmist naar het leven staan, doch opdat hij in zijn ouderdom Gods arm, Gods sterkte en Gods gerechtigheid vermeldt. De Heilige van Israel is zo onvergelijkelijk, dat Hij uit de afgronden der aarde optrekt en de psalmist (Israel) weer levend maakt. God maakt de grootheid sterk van hem die (vs 14) Gods lof vermeerderde. Dan vindt de psalmist reden om met mond en instrumenten Gods waarheid en gerechtigheid te bezingen. Die zijn onheil zoeken, zie ook vs 13, worden beschaamd en schaamrood. Gods heil overwint.
Psalm 72
Het tweede Boek van de Psalmen eindigt met de koningspsalm die niet zozeer vóór Salomo gedicht is alswel van Salomo afkomstig is. Immers, zoals le David in alle voorkomende gevallen door ons als van David is opgevat, zo ook hier //shelomo van Salomo. Het onderwerp van de psalm is Salomo of de Messias, zodat de Targum ipv. de zoon des konings leest: de koning Messias. In deze lijn heeft de kerk deze psalm uitgekozen als de voornaamste psalm in de lezingen van Epifanie, hoewel het moet opvallen dat Psalm 72 niet één keer regelrecht geciteerd wordt in het N.T.
Niets wijst erop, dat de psalm bedoeld zou zijn om door het volk als een gebed voor de nieuwe koning gereciteerd te worden. Zowel het volk als de koning vormen het voorwerp van het gebed van de psalm. Ook een indeling faalt. De psalm is één lang gebed ten behoeve van een gezegende en rechtvaardige heerschappij. Vs 1 bevat gelijk al het thema. Gods gerechtigheid en de daaruit voortkomende rechten, rechtsuitspraken of rechtsgebruiken (mishpatim) worden op het gebed door God aan het volk gegeven. Deze gerechtigheid en rechtsgebruiken zullen dan blijken uit het oordeel (vs 2), dat de koning over het volk uitspreekt – het is overigens Góds volk! – en dat de neergebogenen van God ten goede komt. Dat zij uw ellendigen, dwz. Gods ellendigen worden genoemd, houdt in dat zij om Godswille neergebogen zijn en dat zij nu door de gerechtigheid en rechten van God via de koning aan hun recht mogen komen en opgeheven worden. De vrede, die de bergen het volk toedragen, zal straks (vs 16) in de overvloed van koren en in de vrucht van de Libanon worden uitgedrukt. Sjaloom heeft hier de betekenis van welstand onder beding van de gerechtigheid. Vs 4 keert het recht doen aan de neergebogenen, ellendigen van het volk terug, en dit recht wordt verbonden met verlossing, redding en bevrijding voor de kinderen van de arme. God doet via de koning recht door hun verdrukker te verbrijzelen. Let op de tegenstelling tussen zoon des konings (vs 1) en zonen van de arme (vs 4). De ene is geboren om koning te zijn, de andere om arm te zijn, maar God brengt hen samen en de koningszoon verlost de zonen der armen. Het gevolg is (vs 5) dat met de zon en voor het aangezicht van de maan, zoals de hebr. tekst luidt, van geslacht tot geslacht de HERE gevreesd wordt. Zijn dienst is het gevolg van zijn gerechtigheid en rechten. Sommige lezingen volgen Jes. 53:10 en lezen: Moge hij (de koning) de dagen verlengen. Vss 6-7 omschrijft de welstand, die in het vorige vers als zo blijvend van aard werd aangeduid. De vruchtbaarheid, die zijn regering teweegbrengt, blijkt in het leven van de rechtvaardige, die onder deze koning vruchten draagt en uitschiet. Deze welstand duurt ‘totdat er geen maan meer is’, maar we hebben juist (vs 5) gehoord dat de maan vast staat, van geslacht tot geslacht. Zie eveneens Ps. 89:37-38. Ook de uitgebreidheid van zijn gebied komt ter sprake. De Middellandse Zee en de Eufraat als dè zee en dè rivier vormen het beginpunt om vandaar vervolgens tot in het oneindige – tot zee en tot de einden der aarde – de heerschappij van Salomo en van koning Messias te omschrijven, vgl. Zach. 9:10 en 1 Kon. 4:21. Zoals het de verdrukker (vs 4) verging, zo zal het al des konings vijanden vergaan. Dat de woestijnbewoners hier genoemd worden, houdt verband met de afgelegenheid van hun woningen, zoals in vs 10 juist de ver verwijderden, zoals de Fenicische kolonie in Spanje en de eilanden in de Middellandse Zee samen met de kusten van die zee, als schat-plichtigen aan deze koning worden beschreven: het uiterste westen samen met het zuiden in de vorm van nomadenstammen (Arabië) en Scheba in Zuid-Arabië – denk aan zijn koningin die tot Salomo kwam – en Seba aan de westkust van de Rode Zee of in Abessinië.
Wanneer vs 12 het hebr. ki niet met ‘voorwaar’ maar met ‘want’ vertaald wordt, dan is er een reden aangegeven, waarom koningen en volken zonder uitzondering zich voor deze koning neerbuigen en de hele aarde hem dient. Hij is namelijk een uitzonderlijke koning in die zin, dat hij niet slechts over de arme, neergebogene en hulpeloze in Israel (‘uw volk’ vss 2-3) zich ontfermt, maar ook voor de arme, neergebogene en hulpeloze onder de volken een koning in gerechtigheid wil zijn. De koning van Israel is tegelijk koning over de gehele aarde, zoals de God van Israel tegelijk de God der ganse aarde genoemd wordt: het grote Messiaanse ideaal. Hij koopt hen los uit druk en geweld en hij laat niet, zoals onrechtvaardige koningen, het bloed van de armen, die in vs 13 tweemaal genoemd worden, als waardeloos zomaar vergieten. Het lange leven van de koning, zoals wij dat kennen uit de roep: Leve de konihg(in), heeft geklonken in Ps. 21 en wordt hier verbonden met een gedurige voorbede – die wellicht met het voortdurende offer gegeven is – en met de zegen, waardoor de levenskracht aan de koning verleend wordt, reden waarom deze zegen de gehele dag herhaald moest worden. Het eerder genoemde gewas (vss 3 en 7) schijnt nu (vs 16) in een overigens moeilijk te vertalen vers vergeleken te worden met de hoogte der bergen en dan speciaal met die van de Libanon, immers met de Antilibanon het hoogste gebergte dat Israel kende. De stedelingen die ontbloeien, zijn te vergelijken met de bloeiende en vrucht dragende rechtvaardige (vs 7). In dit alles bloeie de naam van deze koning voor eeuwig; voor het beeld van de zon zie vs 5. Met deze naam zegenen nu alle stammen der aarde zich. Zij ontvangen wereldwijd uit de naam van Israels koning (en Messias!) de levenskracht, en is zijn naam er voor eeuwig, dan ook zij die hem gelukkig prijzen.
De psalm eindigt met een doxologie, die niet slechts deze psalm, maar het tweede Boek der Psalmen (42-72) afsluit. Voegen wij de inhoud van vs 18 bij die van Psalm 72, dan lijdt het geen twijfel of achter de ‘ideale koning’ over Israel staat het beeld van Godzelf, die koning over zijn volk is. Werd in vs 17 gezegd, dat de stammen der aarde zonder uitzondering zich zegenen met de naam van Israels koning, nu wordt de naam des HEREN gezegend tot tweemaal toe (niet ‘geloofd’ zoals NBG vertaalt). Met heerlijkheid, het gewicht van zijn naam, wordt de hele wereld vervuld, en daarmee het koningschap van God bezegeld.
Psalm 73
Evenals Psalm 50 worden de Psalmen 73-83 toegeschreven aan Asaf, de Leviet en dichter, wiens naam in de boeken Koningen en Kronieken, Ezra, Nehemia, deze psalmen en Jesaja genoemd wordt. Het is echter de vraag, of in al deze teksten en Bijbelboeken dezelfde Asaf bedoeld wordt. Doorgaans neemt men aan, dat de Asaf die in de boeken Kronieken en op verschillende plaatsen in Ezra en Nehemia genoemd wordt, als zoon van Gersom, zoon van Levi, dichter en zanger onderscheiden moet worden van de Asaf die Neh. 2:8, Jes. 36: 3 en 22 en 2 Kon. 18:18 en 37 vermeld wordt.
De goedheid van God voor de reinen van hart kan betekenen dat er een rechtvaardige beloning is iov. wat Asaf waarneemt aan voorspoed bij de goddelozen en hoogmoed igen. Maar ook kan bedoeld zijn dat Asaf, toen hij afgunstig was, die goedheid van God niet ervoer, omdat zijn hart niet rein was. Vgl. Ps. 24:4. Zie echter onder vs 13. Dat bijkans en bijna wordt in het Hebr. uitgedrukt met: ‘als een kleinigheid’, ‘als een niets’. De bedoelde hoogmoedigen, SV dwazen, pralers, zijn diegenen die aan de ene kant hoogmoedig, aan de andere kant verward en dwaas doen. Zij worden vereenzelvigd met de openbare zondaars, de goddelozen. Het afwijken van de psalmist en het uitglijden van zijn voeten doet denken aan het verlies van geloof ofwel aan wat een berijming zegt: en mijn treên van ‘t spoor der Godsvrucht afgegleên. De sjalom van de goddelozen wordt omschreven als een moeiteloos leven, dat hun geen reden is tot dankbaarheid en voorzichtigheid, maar dat hen doet leven als de dwaas van Ps. 14 en 53, die constateert dat God Zich er toch niet mee bemoeit, vgl. hier vs 11, en dat hij dus doen kan wat hij in zijn goddeloos hart doen wil. Met name die kant van hoogmoed, dat pralende komt in vss 6-9 sterk tot uitdrukking. Vs 10 is moeilijk te vertalen. Het wil uitdrukken dat Gods volk door hen opgedronken, opgeslorpt wordt als water, zoals Ps. 14 de werkers der ongerechtigheid het volk van God opeten alsof zij brood aten. Het weten en de wetenschap (vs 11) drukken de bekommernis, de bemoeienis van God met het aardse gebeuren uit. Die bemoeienis is er niet. Op grond van Gods afwezigheid spelen zij zelf voor heer en meester. Itt. deze goddelozen heeft Asaf niet zijn bezit vermeerderd, maar wat hij nog had, zijn reine hart, heeft hij tevergeefs rein gehouden en zijn handen voor niets in onschuld gewassen. Van de bij vs 1 genoemde betekenissen is dus alleen de eerste van toepassing: de goedheid van God voor de reinen van hart betekent dat er een rechtvaardige beloning is. Asaf is in zijn hart ondanks zijn afgunst niet onrein geworden, en de volgende verzen maken duidelijk, dat het Asaf niet aan reinheid, maar aan inzicht ontbrak om te verstaan, waarom God het zo toelaat. Meedoen met de goddelozen kon hij niet, want (vs 15) dan had hij verraad gepleegd aan het geslacht van Gods zonen, zie Gen. 6:2, dezelfden als de reinen van hart, van wie Jezus zegt (Mat. 5:8), dat zij God zullen zien. Het woord zoon kan hier het beste weergegeven worden met iemand die behoort tot. Zij behoren bij God, en jegens hen wil Asaf niet trouweloos zijn. Vs 17 biedt de oplossing. Evenals in een andere psalm van Asaf, Ps. 77:14, is Gods heiligdom de plaats waar de geheimen, waar Asaf tevergeefs probeerde in te dringen, onthuld worden. Deze onthulling houdt niets anders in, dan dat Asaf ziet waar al die voorspoed, die sjalom toe dient. Wanneer God opwaakt ten gerichte (vs 20), dan zal het beeld, dwz. de uitdrukking van de trotse werkelijkheid van mensen, in wier leven alles voorspoedig ging, veranderen in een schaduwbeeld, vergelijkbaar met wat er van een droom overblijft na het ontwaken.
Tenslotte stelt nu Asaf daarto. wat er van hèm overblijft. Hoe redeloos en zonder inzicht hij ook was, ja als een stuk vee, toch blijft hij bestendig bij God, die zijn rechterhand vat en hem leidt – de beste voorwaarde voor leven – om hem vervolgens in heerlijkheid, in gewicht op te nemen. Het daarna (vs 24) herinnert aan het einde van de goddelozen en hoogmoedigen (vs 17). God en zijn nabijheid gaan hemel en aarde te boven en zelfs het einde van vlees en hart betekent nog niet echt het einde, want God is de rots van Asafs hart en zijn (aan)deel aan het leven in eeuwigheid. Nog eenmaal wordt (vss 27-28) de tegenstelling als in een leerdicht ons voor ogen gesteld. Het ver zijn van God, waar (vs 11) de goddelozen zich zo op beroemden, blijkt nu de reden van hun ondergang te zijn en wordt als hoererij aangemerkt. De nabijheid Gods is het goede, waar de psalm ook mee begon. Toen was dat goede van God een twijfelachtige zaak, nu is het een zekerheid, want God is een toevlucht, een verberging bij wie men al zijn werken kan tellen en vertellen. Psalm 73 wordt niet direct in het N.T. geciteerd.
Psalm 74
Ook dit klaaglied van Asaf wordt niet met zoveel woorden in het N.T. aangehaald. Het thema is duidelijk: Asaf stelt de vraag naar het waarom bij de verwoesting van de tempel en de verdrukking van Gods volk, zonder dat God zijn rechterhand uitstrekt om de vijand tegen te houden. Een vijand die Gods Naam hoont (vs 18). De psalm bestaat uit drie delen: vss 1-11 de vraag naar het waarom aan het begin en aan het eind, vss 12-17 de belijdenis van God de Schepper, de Almachtige, die aan de macht van zijn vijanden een einde maakt, vss 18-23 het gebed om het gedenken van God aan wat zijn vijanden Hem aandoen, zie gedenken vs 18 en vs 22.
Terwijl Asaf in de vorige psalm over de persoonlijke tegenstelling tussen de rechtvaardige en de goddeloze zijn waaroms had en in het heiligdom uitkomst en een antwoord vond, wordt nu juist dit heiligdom samen met alle vergaderplaatsen des HEREN in het land weggenomen, en hiermee wordt het waarom nog klemmender. God verstoot zijn volk voor lange tijd. Het hebr. werkwoord betekent behalve verstoten ook: voor verworpen verklaren; anderen geven het weer met verafschuwen. Het gedenken van God aan de berg Sion en aan zijn volk leidt tot een komen van God om alles in ogenschouw te nemen. Voorgoed vs 3 herinnert aan het voor altoos in vs vs 4 worden de tekenen van God, zijn wonderen of de besnijdenis en de sabbat, als tekenen (Ex. 31:13) genoemd, vervangen door de tekenen van Gods tegenstanders ofwel degenen die Hem benauwen en die zijn volk het leven onmogelijk maken. De woning van Gods naam (vs 7) herinnert aan vs 2: Gods woning die Hij op Sion heeft gevestigd. Niet alleen Gods huis op de Sion, maar ook al zijn vergaderplaatsen in het land worden verbrand. ‘Onze tekenen‘ (vs 9) heeft dezelfde inhoud als vs 4: Gods tekenen moeten wijken voor de tekenen van de godsdienst der vijanden. En zoals zo vaak dragen deze godsdienstige tekenen een triomfantelijk karakter, zie 1 Sam. 5:2. Deze tekenen zijn verbonden met de afwezigheid van een profeet, die kan zeggen hoe lang het nog duurt. Daarom vraagt Asaf het God rechtstreeks: tot wanneer? De verdrukker of benauwer, zie vs 4, is in de eerste plaats de benauwer van Gods Naam, zijn vijand. Waarom houdt God zijn rechterhand, die zulke krachtige daden doet, bij zijn boezem (vs 11), dwz. op de plaats waar zijn straffende gerechtigheid vandaan komt?
Terwijl Asaf op zijn bede aan God om een voleinding te maken (te verdelgen), niet direct antwoord krijgt, bezingt hij intussen Gods koningschap met de verlossingen, de bevrijdingen die Hij bewerkt. Niet alleen het midden der aarde, waar ieder het kan zien, maar ook de zee met alle kenmerken van de oerwateren en van de chaos is het gebied van zijn koninklijke heerschappij. Het verbrijzelen van de koppen der draken herinnert aan de moederbelofte, Gen. 3:15, en het vermorzelen van de koppen der Leviathan aan Egypte, waar het monster dat uit de Nijl opkomt, zijn kop verliest, evenals (Ex. 14:30) Israel de Egyptenaars dood zag aan de oever van de Schelfzee. Het is niet juist om vss 13-14 alleen te laten slaan op de overwinning van God over Egypte. Ook de overige godenmachten, wier tekenen immers nu in het ontwijde heiligdom staan opgericht, moeten buigen en zijn vanouds overwonnen door de God van Israel. God breekt bron en beek open en doet altijd water bevattende stromen verdrogen. Hij regeert over dag en nacht, over maanlicht en zon, over de grenzen der aarde, over zomer en winter. Het formeren betekent net als in het beeld van de pottenbakker, dat de HERE er macht over heeft. In het laatste gedeelte wordt het gedenken, het honen en het smaden (vss 2 en 10) herhaald. To. het wild gedierte, dat God kan overwinnen zoals draken en Leviathan, wordt Israel als een tortelduif voorgesteld. Vgl. Ps. 68: 14. De tortelduif is opmerkelijk genoeg zowel het beeld van Israels schoonheid in de ogen van God, bv. in het Hooglied, als een voorgeschreven offer der armen. Aan beide betekenissen valt te denken. Wanneer God op zijn verbond met Israel ziet, dan zal Hij handelend optreden, nu niet slechts de tempel en alle andere vergaderplaatsen vol van onrecht zijn, maar ook het hele land vol holen van geweld is. Dat betekent dat de onderdrukte, neergebogene en arme het ontgelden moet. Maar wanneer God zijn twistgeding voert, dan keren zij niet beschaamd terug uit de rechtszaal waar ze geen gehoor ontvingen, doch prijzen zijn Naam. De HERE is niet een onrechtvaardige, een corrupte rechter. De tegenstanders, die in vs 18 en hier dwazen genoemd worden, zijn opstandelingen tegen God als Israels Koning. Hij staat op (vs 22) en zij staan tegen Hem op (vs 23). Met een laatste bede om gedenken en niet vergeten eindigt deze psalm.
Psalm 75
In onderscheid van de vorige psalm is nu Gods naam nabij, reden waarom Hij tweemaal wordt geloofd, en ook zijn wonderdaden worden verricht en daarom verteld. Sommigen vertalen: Nabij is uw naam hun die uw wonderen vertellen. Deze God wordt nu als rechter voorgesteld, zie vs 8. Hij kiest en neemt het juiste of afgesproken tijdstip en richt rechte zaken ofwel in rechtheid. Het gevolg van deze rechtspraak is dat zelfs een wankelende aarde (of land) wordt vastgemaakt. De hoogmoedigen en goddelozen (zie Ps. 73) moeten onder Hem bukken en mogen hun hoorn, hun sterkte, of hun hoofd niet omhoog steken. De trotse hals wijst in dezelfde richting. Vs 7 wijst alle windrichtingen (elders nog vermeerderd met: noch van de bergen = het noorden) af als plaatsen waar hulp daagt voor hen, die door God veroordeeld worden. Het begeerde verhogen staat alleen aan God te geven, en het is verbonden met zijn rechtdoen. God geeft een volle beker van zijn toorn te drinken aan alle goddelozen, zie ook Ps. 11:6 en 60:5. Deze rechtsuitspraak met haar gevolgen wordt door Asaf blijvend vermeld en bezongen. God vernedert en verhoogt (vs 8), en dienovereenkomstig worden de hoornen der goddelozen (zie vs 5) afgehouwen en die van de rechtvaardigen verhoogd. Het probleem is, dat het lijkt alsof Asaf de hoornen der goddelozen afhouwt. Beter is het om het laatste vers als uitspraak van Godzelf op te vatten. Deze uitspraak kan dan de inhoud zijn van wat Asaf zingt. De aanduiding Jakobs God of God van Jakob zal niet meer inhouden dan: God van Israel.
Psalm 76
Werd in Ps. 74 Sion ontwijd door de vijanden, in deze psalm blijkt God in datzelfde Sion juist geducht te zijn. Salem en Sion zien Hem bij zich wonen, zijn tent en woning is minstens zozeer zijn paleis als zijn tempel.
De eerste verzen, tot vs 4 spreken over God in de vierde naamval, vanaf vs 5 wordt Hij rechtspreeks aangesproken. Dat Hij bekend is in Juda (vs 2), houdt in dat zijn daden Hem bekend hebben gemaakt, en daarom is zijn naam ook groot. De naam Salem (vs 3) duidt op een lang wonen van God in Jeruzalem dat in de voortijd Salem heette. Hij woonde er reeds toen Melchisedek Hem daar diende. Daar – en het woord heeft in het Hebr. nadruk -heeft God de wapens van de vijand verbroken en zelfs de oorlog. In vs 5 wordt God als verlicht of omstraald beschreven en heerlijker dan het roofgebergte. Geen mannen van kracht vonden hun handen. Reeds Gods schelden of dreigen was genoeg om alles dat zich tegen Sion en zijn God verhief, in slaap te doen vallen, vss 6-7. Vgl. Ex. 15 en 1 Sam. 26:12. Vanaf vs 8 wordt nu het beeld van de rechter benadrukt. Niemand kan voor God bestaan, die (vs 9) niet slechts op de Sion troont, maar uit de hemel het oordeel doet horen. Daarom vreest de hele aarde en verlost Hij alle neergebogenen der aarde. Het is verleidelijk om de aarde als het land Israel en Juda op te vatten, dat immers (vs 2) als het gebied aangegeven wordt, waar God groot is. Maar gezien het feit dat hier êrets direct op de hemel volgt, is het waarschijnlijk juister om met ‘aarde’ te vertalen. De neergebogenen der aarde zijn dan degenen die onrecht lijden. De vraag in hoeverre dit onrecht met de dienst aan en het geloof in God samenhangt, wordt door vs 12 beslist. Zelfs degenen die op God vertoornd zijn en alles tegen Hem in stelling brengen en dan ook tegen zijn land en stad, zie vs 4, moeten Hem loven. IJdele geloften kunnen deze machtige en te vrezen God niet gedaan worden. Alle volken moeten hun geloften aan Hem, aan wie ze alle schatplichtig zijn, betalen. Want Hij is te vrezen.
Psalm 77
In dit gebed staan denken en gedenken centraal. Het gebed komt op uit de nood van de benauwdheid, waarvan kennelijk niet een vijand de oorzaak is, maar het inhouden van de goedertierenheid, goedgunstigheid, genade en barmhartigheid des HEREN. De uitgestrekte hand (vs 3) is, hoeveel men er ook achter gezocht heeft, tot en met veranderingen in de tekst toe, niets anders dan de hand die zich opheft tot God in gebed, en Asaf vertelt dat dit gebed ook ‘s nachts niet ophield. In vs 4 spreekt hij de eerste maal van gedenken. Hij stelt zich de HERE voor ogen, zie Ps. 16:8. Maar dat is hem geen troost, doch oorzaak van smart. Zo ook wanneer hij de dagen vanouds, toen het kennelijk allemaal anders was, telt (vs 1, het hebr. werkwoord betekent niet denken of overdenken). Terwijl nu zijn hand zich biddend uitstrekt tot God, in de nacht (vs 3), gedenkt hij aan vroegere nachten, toen hij snarenspel mocht voortbrengen. Zijn hart en geest peinzen over deze vraag: Verstoot God in eeuwigheid en neemt Hij niet meer in genade aan? De werkwoorden in vs 8 zijn eikaars tegenstelling. In wisselende bewoordingen geldt ditzelfde dan van Gods goedertierenheid (verbondstrouw), zijn woord, zijn genade en zijn barmhartigheid.
Met vs 11 sluit het eerste gedeelte af of begint het tweede deel van de psalm. Dit hangt van de vertaling af, en die is problematisch. SV ziet een tegenstelling tussen het gekrenkt zijn van Asaf en de verandering die door Gods hand kan worden bewerkt. Dan gaat het om een gunstige verandering. NBG denkt veel meer aan het feit dat God niet aan zijn vroegere goedgunstigheid gedenkt, en vat het veranderen van Gods rechterhand op als oorzaak van het gekrenkt zijn van Asaf. Anderen denken aan de jaren van de rechterhand van de Allerhoogste. Aangezien echter het verband tussen jaren en de rechterhand des Aller-hoogsten moeilijk in te zien valt, is het veranderen in de zin van NBG nog het meest voor de hand liggend. Dat God ook metterdaad op zijn goedertierenheid, goedgunstigheid, woord, genade en barmhartigheid terugkomt, is de reden waarom Asaf ziek is van peinzen.
Opvallend is dan de tweede strofe, die op dat gedenken terugvalt. Gods daden en wonderen worden ondanks alle vragen toch weer in geloof present gesteld. De dagen vanouds (vs 6) blijken vol te zijn van Gods wonderen vanouds. Het peinzen van vs 4, dat zo’n pijn deed,is nu een overpeinzen van Gods daden (vs 13). Nu blijkt ook de reden waarom Asaf dacht dat God veranderd was. Gods weg is immers in het heilige of in het heiligdom, vs 14, en zijn gedachten en plannen gaan ons denken en gedenken te boven. Maar het is voldoende dat de wonderen van God tot verlossing van zijn volk dienen (vs 16), en dat er in die zin ook op Asafs vragen en zoeken dag en nacht een antwoord is. Deze wondere wegen liggen niet in de hoogte, maar in de diepte, in de wateren van de Rode Zee, in de Exodus. De weg van God in het heiligdom of in heiligheid (vs 14) is een weg in de zee (vs 20). Wateren en diepten beefden voor God, de lucht getuigde mee door watermassa’s als ten tijde van de zondvloed, bliksems en aardbeving onderstreepten het wondere handelen van God. Onverklaarbaar groot is Hij. Maar het meest wonderlijke is, dat Hij temidden van deze ontzagwekkende wonderen, waar zijn vijanden de dood in vonden, zijn volk leidde als een kudde schapen door de hand van twee mensen. Het is zijn rechterhand, waarbij Asaf voor raadsels stond (vs 11). En het is hun hand. En het volk van God wordt zo veilig geleid.
Vs 20 wordt, zoals door velen aangenomen wordt, geciteerd in Rom. 11:33. Treffend is de gelijkenis van deze psalm met Hab. 3.
Psalm 78
Deze psalm, die zichzelf aandient als een leerdicht van Asaf en waarvan vs Mat. 13:35 en vs Joh. 6:31 wordt aangehaald, gebruikt het overzicht van Israels geschiedenis en vooral die van het noordelijke deel der stammen als een waarschuwing, wat er gebeurt met hen die zgn. op God vertrouwen, terwijl zijn verbond en wet verbroken en overtreden wordt. De psalm eindigt met het versmaden van de stammen van Jozef en het verkiezen van Sion door God om daar te wonen. In één adem wordt dan David genoemd als de herder van Gods volk. De eerste twee verzen spreken van een ‘ik’, die wijsheidverkondigt. Vanaf vs 3 staat deze ‘ik’ in het kader van de ‘wij’, de generatie die rond de dichter staat en die wat hun vaderen hun verteld hebben, doorvertelt aan hun kinderen. Deze kinderen zijn niet de rechtstreekse kinderen van die vaderen, maar eigenlijk hun kleinkinderen, hun kindskinderen. Doordat zij de kinderen der vaderen genoemd worden, of letterlijk hun zonen, worden zij rechtstreeks betrokken bij de geestelijke erfenis van die vaderen en gaat wat er met de vaderen gebeurd is, deze kleinkinderen aan. De in de eerste verzen bedoelde verborgenheden (raadsels) blijken de daden en wonderen des HEREN te zijn. Het in vs 5 genoemde getuigenis en de daarop volgende wet kan opgevat worden als een negatief, waarschuwend getuigenis (‘edoef) en een positief, onderwijzend getuigenis (tora): God onderwijst zijn volk langs twee wegen, hoe het zich heeft te gedragen in het verbond met Hem. Na de vermelding van de-traditie: de vaderen, hun kinderen, het volgende geslacht, de kinderen die geboren zouden worden, hun kinderen, wordt het doel van dit alles verteld: op God vertrouwen, zijn daden niet vergeten, maar zijn geboden bewaren. Onder de vaderen zijn niet alleen de getrouwen die de daden en woorden van God hebben doorverteld, maar ook de ontrouwen, voor wie tweemaal het woord generatie, geslacht gebruikt wordt. Zij vormden een weerbarstig en weerspannig geslacht, dat zijn hart niet vastmaakte in de trouw jegens God en zijn verbond, vgl. Ps. 119:133. Dit geslacht moet (vs 9) vooral onder Jozefs zonen, en speciaal in Efraïm gezocht worden, reden waarom aan het slot God ook niet verkiest om in Jozefs tent te wonen. Opnieuw komen de vaderen ter sprake (vs 12), en de wonderen die God deed in het land Egypte rond de oude hoofdstad van Egypte, Soan, in de Nijldelta. De uitleg, waarbij deze wonderen met de plagen in Egypte worden gelijkgesteld, is niet waarschijnlijk. Het gaat in het licht van de volgende verzen om de wonderen tot uitleiding en verlossing van Israel. Mogelijk is het veld van Soan gelijk te stellen met het land Gosen, waar de zonen van Israel leefden. Vgl. met vs 43. Ondanks de wonderen die God aan Israel deed, zondigden de vaderen – nu algemener dan de stam Efraïm – tegen God verder. Het hebr. werkwoord dat (vs 8) de weerspannigheid van de daar genoemden omschrijft, wordt in vs 17 herhaald. Die weerspannigheid blijkt in de woestijn uit de vraag naar brood en water. Er is sprake van verzoeking, die in vss 41 en 46 herhaald wordt. In vs 18 moet ‘hun lust’ eigenlijk vertaald worden met ‘hun ziel’. In hun hart verzochten zij God, doordat zij overeenkomstig hun ziel, hun wezen eten vroegen. De verhalen van de woestijnreis laten het zondige hiervan uitkomen: zij vergeleken de woestijn met Egypte, dat in hun gedachten plotseling veranderde van een land van slavernij in een land van vleespotten. Zie Num. 11:4-5. Bovendien is het brood te weinig. Kan Hij ook vlees, of wildbraad aan zijn volk verschaffen? De oorzaak van dit verzoeken wordt (vs 22) verteld: zij geloofden niet en vertrouwden niet op Gods verlossing. Hoewel Exodus de volgorde omgekeerd noemt – eerst brood, dan water – wordt hier eerst vermeld, wat Ex. 17 vertelt over water uit de rotssteen, en dan wat Ex. 16 vertelt over het manna uit de hemel. Het manna wordt (vs 25) brood der engelen genoemd. Lett.: een machtige, Ps. 68:31 met een stier gelijkgesteld. Ps. 103:20 gebruikt ter aanduiding van een engel. Omdat het hier om brood uit de hemel gaat, denkt men bij machtigen aan engelen. Het vlees, ook hier zoals in vs 20 met sheer, een speciale lekkernij, aangeduid, komt op een soortgelijke wonderlijke manier, nl. met de oostenwind. Maar Gods toorn, reeds in vs 21 aangekondigd, ontbrandt direct, zie Num. 11:33. Ondanks deze straf zondigen zij verder en worden dan opnieuw gestraft. Velen verwijzen hier naar Lev. 26: 16, somigen naar Num. 14:28-34. De hierop volgende bekering was een kwestie van bedrog. Voor vs 37 zie vs 8. Dit alles verandert Gods wezen echter niet: Hij is barmhartig, verzoenend, zijn toorn afwendend, en Hij gedenkt dat het volk vlees is. Vgl. Ps. 103:15-16.
In het ‘hoe vaak’ (vs 40) wordt aangegeven dat het verzoeken van God door Israel in de woestijn een doorlopende aangelegenheid was, zie Ps. 95:9-10. Iov. vs 12 w duiden hier de tekenen en wonderen wel degelijk op de plagen in Egypte, waarvan in vss 44 w er een aantal genoemd wordt. Opmerkelijk is dat ook deze wonderen (vs 42) dienden tot verlossing in de zin van loskoping. Met ‘hun leven’ (SV: hun gedierte) worden waarschijnlijk niet de mensen bedoeld, maar (Ex. 9:6) het vee. Zie voor het beeld van het volk als een kudde schapen Ps. 77:21. Vs 54 wordt met de berg het bergachtige land aangeduid ofwel het gehele beloofde land, waarvan dan de bergen de zekerheid uitdrukken. Maar ook de wonderlijke uittocht, de veilige leiding en het verkrijgen van een land om niet en door geen enkele krachtsinspanning brengt Israel er niet vanaf om God te verzoeken en (vs 57) te bedriegen. Dit bedrog wordt nu (vs 58) concreet gemaakt in Israels afgoderij. Dit is de reden waarom God Silo, het heiligdom ten noorden van Bethel in Efraïm, prijsgaf en Israel, het noorderrijk, versmaadde ofwel verwierp. Vs 61 beschrijft de wegvoering van de ark in het land der Filistijnen. Dienovereenkomstig gaat het dan in de volgende verzen om de overheersing van de Filistijnen over de stammen van Israel. Gods ontwaken geldt nu de tijd van David, die op de donkere dagen van Eli en Samuël volgt. Juda komt in plaats van Efraïm te staan en Sion in plaats van Silo, terwijl David de plaats inneemt van Jozef om met het volk te doen, wat de HERE gedaan had op de woestijnreis: hen als een kudde leiden. En hij doet dat met een volkomen hart en met kundige hand. Hij is waard om koning te zijn onder de grote Koning van Israel.
Psalm 79
Gods erfdeel wordt nader bepaald door Jeruzalem en de tempel. De inhoud van de psalm, die lijkt op die van Ps. 74, doet denken aan de verwoesting van de tempel door de Babyloniërs, zie 2 Kon. 25:13 w. Voor de onbegraven lijken zie tal van plaatsen bij Jeremia. Meestal denkt men bij de knechten en gunstgenoten aan Gods volk of aan de martelaars, in ieder geval aan hen die vanuit Gods verbond leven en Hem trouw zijn. Er valt ook te denken aan degenen die Hem in de verwoeste tempel hebben gediend. De schimp, spot en hoon van degenen die Israel omringen (vs 4), bestaat kennelijk hierin, dat God Israel niet helpt, vgl. Ps. 22:9. Let bij vs 5 op het dubbele argument: hoe lang duurt het? en: zal het voortdurend zijn? inmiddels blijkt uit dit gebed, dat de psalmist rekeninghoudt met Gods toorn over Israel. Gods naijver houdt in, dat andere goden in zijn plaats worden gediend en dat Hij dit niet duldt. Maar Hij wordt nog gediend (kennen en Naam aanroepen) vs 6, reden waarom Asaf God vraagt zijn toorngloed eerder uit te storten over de gojim, die Hem met kennen en Hem niet dienen. Ten bewijze van het laatste wordt de verwoesting van Gods tempel en van zijn volk vermeld. In de volgende verzen doet hij tot tweemaal toe een beroep op de naam des HEREN, die overigens alleen in vs 5 genoemd wordt. Hij vraagt om vergeving, allereerst zo dat God de overtredingen van de voorvaders niet gedenkt en ze niet in het heden stelt als zonden van dit geslacht, ten tweede in die zin dat God de zonden van dit geslacht bedekt en verzoent en zijn volk redt. De heerlijkheid van Gods Naam (vs 9) houdt het gewicht, de betekenis, de zwaarte van die Naam in. Die Naam zal zo zwaar wegen, dat nooit meer de gojim zullen vragen: Waar is hun God? en Hem smaden, en dat als God tegenwoordig is, het bloed van vs 3 bezocht en gewroken wordt en degenen die nu nog gevangen zitten en de dood verwachten (de zonen des doods) in het leven behouden blijven. De zevenvoudige wraak, vgl. Gen. 4:15 en 24, raakt de boezem, het hart, het levenscentrum van de vijanden die Israels naburen zijn. Wanneer God zo Zichzelf gewroken heeft, zal Hij voor eeuwig en van geslacht tot geslacht geprezen worden door zijn volk, dat ook hier zoals in de andere liederen van Asaf wordt voorgesteld als een kudde schapen, die door God geleid wordt.
Psalm 80
Hier wordt niet alleen Israel als een kudde, maar ook God als de Herder voorgesteld, vgl. Gen. 48:15 en 49:24. Aan Hem wordt om herstel van Israel gebeden; vss 4, 8, 15 en 20. Israel wordt (vs 2) Jozef genoemd naar de tien stammen in het noorden. Ook het noemen van Jozefs twee zonen en van Benjamin, de andere zoon van Rachel, wijst in de richting, dat geheel Israel, ook het zuiden, wordt genoemd naar de twee zonen van Jakob en Rachel. ‘Vóór’ (vs 3) kan wellicht het beste met: voor het aangezicht van, worden weergegeven. De in vss 3 en 4 genoemde verlossing bestaat volgens de meeste vertalingen en uitleggers niet uit een terugbrengen, maar een herstellen, dat bewerkt wordt doordat God zijn aangezicht over Israel doet lichten. Het beeld van Gods brandende toorn, vgl. Ps. 74:1, niet slechts tegen, maar ten tijde van het gebed van zijn volk, wordt Klaagl. 3:44 zo voorgesteld, dat God Zich met een wolk heeft bedekt, zodat er geen gebed kan doordringen. Terwijl het volk bidt, staat het van tevoren vast dat de God der legerscharen niet zal verlossen, omdat Hij toornig is. Zie voor het ‘eten’ van tranen Ps. 42:4. ‘In overvloed’ is een vertaling van shallish, het derde deel van een efa, een voor tranen overvloedige maat. Het volgende beeld is dat van de wijnstok, die vss 9-12 God heeft overgeplant uit Egypte naar het beloofde land. De overvloedige groei van deze wijnstok blijkt uit vs 11: de bergen droegen zijn schaduw en de geweldige ceders van de Libanon droegen zijn twijgen. De rivier is de Eufraat, die de oostgrens aangeeft, zoals de zee de westgrens. Tegenover de ongelooflijke en wonderlijke groei van de wijnstok staat nu de afbraak van de muren van de wijngaard, niet door vijanden, maar door God Zelf. Ook wanneer de muren als de grenzen van het land moeten worden verstaan, dan nog komen de vijanden die het land binnenvallen, niet uit zichzelf, maar van Godswege. Er wordt een beroep gedaan op God om om te zien als de God der legerscharen naar de stam, de stek die zijn verkiezende en almachtige rechterhand geplant heeft. Kan God hem vergeten? Het hebr. werkwoord in vs 15 betekent niet alleen beschouwen, maar ook bezoeken en verlangen naar. Zo zal het bedoeld zijn. Verlangt God dan niet naar wat zijn hand plantte? De zoon (vs 16b) is niet zonder meer gelijk te stellen met deze stek, ten eerste omdat iov. het vorige het woordje ‘op’ ervoor staat en ten tweede omdat in vs 18b van de mensenzoon sprake is, en ook van deze wordt gezegd dat God hem sterk heeft laten worden. Achter het beeld van Israel, dat uit een spruit, een stek is groot geworden, staat Hij die als een rijsje is voortgekomen uit de tronk van Isaï, Jes. 11:1. Het vuur waardoor de wijnstok is verbrand, heeft alles te maken met het vuur van Gods toorn (vs 5). De Zoon des mensen die God gesterkt heeft, is de Man van zijn rechterhand, zijn verkoren Zoon. Ipv. maak ons levend (NBG) heeft SV: behoud ons in het leven. Met het aanroepen van Gods Naam wordt zijn dienst bedoeld. Wanneer God zijn volk weer levend maakt, zal het volk Hem dienen.
Psalm 81
Het feest naar aanleiding waarvan Ps. 81 gecomponeerd is, is het Paasfeest (vss 6-8), dat bij volle maan op de 14e Nisan gevierd werd. Daarentegen verbindt de joodse traditie de psalm met het druivenoogstfeest, het Loofhuttenfeest in de zevende maand van het jaar. Er is niets tegen om beide feesten als achtergrond van de psalm te beschouwen en het horen naar de HERE en het wandelen in zijn wegen als verbindende schakel te zien. Opvallend is de opsomming van de instrumenten, die haar hoogtepunt vindt in vs 4: elke nieuwe maan werd als een klein feest gevierd, en speciaal de nieuwe maan van de maanden, waarin Pasen en Loofhuttenfeest gevierd werden. Vs 5: terwijl Israel Gods inzetting onderhoudt, voert Hij -op deze wijze zijn gerechtigheid uit. Het getuigenis dient om de Exodus door de viering ervan levend te houden. Vanaf vs 7 beschrijft God de verlossing, die begint met het vrijmaken van de schouder en van de handen. Die handen moesten een kookpot of, hier toepasselijker, een mand torsen, waarin klei en/of stenen vervoerd werden. En Exodus vertelt ons, dat dit in een tempo geschiedde en in een hoeveelheid, die bovenmenselijk waren. Die last en die mand zijn de tekenen van de slavernij, waar God Israel van bevrijdt. Het redden van vs 8 is een losmaken, een uittrekken. De volgende uitspraken strekken de verlossing van Israel uit over de woestijnreis, waarvan het hoogtepunt (vss 9-11) de Sinaï en de geboden van God zijn. Vooral vs 10 wijst op het grote gebod: Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben, gij zult liefhebben de HERE uw God met heel uw hart… ‘Vreemd’ betekent ongeoorloofd, ‘uitlands’ is een god die in het buitenland, bij een ander volk vereerd wordt. De belofte die (vs 11) met het gebod van God verbonden wordt, is veelzeggend: Israel heeft niets buiten de HEREte zoeken. Geheel in tegenstelling tot de vreugde van Pasen, maar geheel in overeenstemming met de manier waarop Jezus met zijn discipelen Pasen heeft gevierd, is de klacht dat Israel niet naar de HERE luistert = gehoorzaamt, en dat het volk God ook niet wil, niet aanneemt. Van vss 12-13 kan men zeggen dat het een gebeuren in het verleden betreft, de woestijnreis, een geslacht dat hardnekkig was, maar dat dit de komende generatie die Paasfeest viert, niet behoeft te raken of te veroordelen. Dit wordt echter weersproken door vss 14 w, waarin het wel degelijk om Israels toekomst gaat. Die toekomst zou, wanneer Israel naar Hem hoorde en in zijn wegen wandelde, een toekomst zijn, waarin het volk vrij was van vijanden en overvloed zou hebben. Vooral het verzadigen sluit aan bij het oogstfeest: overvloed is er alleen in de gehoorzaamheid aan de HERE en het wandelen met Hem. Vs 13 illustreert, hoe de verwerping in de Bijbel veel meer een laten en loslaten van God is, waarbij het volk op eigen wegen wandelt, dan een aparte daad naast en tegenover de verkiezing.
Psalm 82
De grote vraag bij deze psalm is: Wie zijn die goden, in wier vergadering God staat? Sommigen menen dat het om de vergadering, de gemeente van Israel gaat en dat dit ook geldt voor het gericht, dat God houdt ‘te midden der goden’. Mensen worden als Gods afgevaardigden en als beelddragers van God goden genoemd. In overeenstemming met een aantal teksten als Ex. 21:6 en 22:7, 8 en 27 worden de goden (elohim) (vs 1) slot door anderen opgevat als richters. Uit vss 6-7 blijkt dat het in ieder geval om sterfelijke ‘goden’ gaat. De goden worden ont-goddelijkt en sterven als een mens, vallen als een der onder God gestelde vorsten, die hun verantwoordelijkheid jegens Hem ontkennen.
De oorzaak van deze godenval of godenverduistering is gelegen in het onrecht, dat arme en wees, neergebogene en behoeftige, arme en ellendige wordt aangedaan, doordat hun gerechtigheid, recht en verlossing wordt onthouden. En de oorzaak hiervan is weer dat deze rechters geen kennis en geen inzicht hebben, en in duisternis wandelen. Reden waarom alle grondvesten der aarde wankelen. De aarde staat immers op recht en gericht en wordt door waarheid en getrouwheid in stand gehouden! Jezus haalt deze psalm aan Joh. 10:34-36. Het is duidelijk dat voor Hem de betekenis van de benaming goden daarin ligt, dat Gods Woord tot hen gekomen is. Jezus acht het een eretitel voor mensen, die verwaardigd worden het Woord van God te horen; eigenlijk een aanvulling op Ps. 81:9-14. Had Israel, hadden de wereldrech-ters maar naar Gods stem geluisterd!
Psalm 83
In onderscheid van sommige psalmen worden hier in vss 7-9 de vijanden concreet genoemd. Zij zijn de traditionele vijanden van Israel en wonen vooral in het zuiden: de Hagrieten wonen ten oosten van Gilead op de andere zijde van de Jordaan, Gebal bevindt zich ten noorden van Edom. Gebal, een overigens onbekende stad, en misschien ook de Amalekieten zijn te rekenen bij Edom, dat gezocht moet worden ten zuidwesten van de Dode Zee. Ook Ammon moet gezocht worden in het Oostjordaan-land. Wanneer de Amalekieten niet als deel van Edom te rekenen zijn, maar op zichzelf genomen worden, is hun gebied gelegen tussen de Negev en het Sinaï-schiereiland. Terwijl Edom ten zuidwesten van de Dode Zee ligt, moet het gebied van Moab ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht worden.
De woorden blijf niet werkeloos (SV zijt niet stil, Buber: solist nimmer rasten) zijn vertaling van een hebr. werkwoord, dat ‘rust hebben’ betekent. Centraal staan vss 56, de eensgezindheid van de vijanden, het verlangen om Israel te verdelgen en de zorg dat de gedachtenis van Israels naam en daarmee Israels betekenis in het heden en de toekomst ten einde komt. Overigens is dit alles (vs 6) een verbond tegen de Gód van Israel. De genoemde vijanden zijn een arm, speciaal een onderarm voor de zonen van Lot, Ammon en Moab, geworden, van wie het initiatief uitgaat. In vss 10-13 wordt de gedachtenis van Israel, die immers moest verdwijnen (vs 5), de vijanden even noodlottig als in de geschiedenissen van Ri. 4, 5, 7 en 8, die weer tot levende werkelijkheid worden. De werveldistel (vs 14), betstaat uit de wielvormige resten van een distel, die de wind tot schrik van de paarden verder draagt. Hier wordt evenals Jes. 17:13 bedoeld wat voor de stormwind niet bestaan kan. Laat de vijanden weggedreven worden. Gods vuur, vlam en wervelwind achtervolgen de vijand. Dit heeft twee gevolgen. De vijand wordt beschaamd (vss 17-18), maar zoekt tegelijk de Naam des HEREN en weet dat de HERE alleen de Allerhoogste is over de gehele aarde. Het doel om aan Israels naam een einde te maken wordt niet alleen verijdeld, maar ook in het tegendeel veranderd: nu is Israels God, tegen Wie uiteindelijk de hele actie gericht was (vs 6), de God van de hele aarde en van alle volken.
Psalm 84
Het overbekende loflied op de woningen van de HERE der heerscharen, gezongen door de zonen van Korach, wordt in het N.T. niet geciteerd, of het moest zijn dat Jezus in Mat. 8:20 vs 4 bedoelt. In elk geval is daar geen sprake van citeren. Ook Psalm 42 is afkomstig van de zonen van Korach en is van een soortgelijk verlangen naar de woningen van God vervuld. Terwijl daar echter de psalmist op een afstand blijft van de tempel, gaat hier een pelgrim de weg naar het heiligdom. Zijn hele wezen (mijn ziel) bestaat nog bij gratie van het verlangen naar Gods voorhoven. Het smachten (vs 3) is eigenlijk een opeten, een verteren en in dat smachten gaat het de pelgrim om de levende God zelf, tot wie hij jubelt en in jubel roept.
Met een beroep op de vogels, die bij God een woning hebben, zoals ze door God ook gevoed worden (Mat. 6: 26), belijdt de psalmist God als zijn Koning en zijn God, bij wie hij hoopt te komen en te verblijven. Het geluk van een die bij God mag wonen, is dat hij God voortdurend prijst. Hetzelfde geluk kent nu de pelgrim, wiens sterkte, toevlucht, veiligheid in God is en dat daarom in zijn hart de gebaande wegen naar Sion zijn. Hij zal er zeker komen. Aangenomen dat er een dal met de naam Baka bestond, dan is het waarschijnlijk dat niet alleenhet dorre van het dal met de balsemstruiken is aangeduid, maar ook dat het een dal van geween was. De vreugde van het komen in Sion voor de grote feesten werd overschaduwd door de gevaren, die de pelgrims bedreigden. Maar doordat hun sterkte en hun toevlucht in God is, maken zij zelfs deze bange plaats tot een oord van bronnen. SV spreekt ipv. ‘het’, nl. dit dal, van ‘Hem’, nl. God. Zij stellen Hem tot een fontein. Waarschijnlijker is dat bedoeld wordt, hoe deze duistere plaats van karakter verandert door de hoop en het geloof van de pelgrims. In die dorre droogte daalt de vroege regen neer in de vorm van zegeningen, dwz. er is nieuwe levenskracht. Er is in de hebreeuwse tekst geen reden om aan te nemen dat, zoals SV weergeeft, de pelgrims voorwerp van deze regen zijn: ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken. Evenmin maakt de hebreeuwse tekst deze lezing onmogelijk. Zij wier toevlucht in God is, gaan nu van kracht tot kracht en vinden van stap tot stap het vermogen om in Sion te komen. Menige vertaling voegt in vs 8 ‘ieder’ toe. De hebr. tekst bedoelt dat de pelgrim zich zien laat bij God, voor God verschijnt, zoals in Ps. 42:3 de klacht luidt: wanneer zal ik komen en voor God verschijnen?
Nu begint vanaf vs 9 het gestadig loven dat reeds in vs 5 aangekondigd werd. De pelgrim is in Gods huis aangekomen, hij stelt zich voor de HERE en roept Hem aan. Het eerste gebed geldt dan de koning, de gezalfde. Hierna belijdt de pelgrim met de verzekering ‘voorwaar’ ipv. ‘want’ (er is geen verbinding met het koningschap van de gezalfde), dat deze plaats boven elke andere te verkiezen is, ook wanneer men als smekeling op de drempel moet staan of liggen, zoals sommigen het verstaan. Dit verkiezen van een plaats op de drempel is daarom zo opvallend, omdat hier Korachieten aan het woord zijn. Zij als dienaars en zangers zouden nog liever helemaal aan de rand van Gods huis staan dan een generatie lang wonen in de tenten der goddeloosheid. De reden van dit verkiezen van Gods drempel ligt in Hemzelf. Hier alleen in de Bijbel wordt God een zon genoemd. Hij is het licht en geeft licht. Maar Hij is ook een schild tegen alle vijanden, zie onder vs 7. Hij geeft gunst en eer, gewicht, betekenis aan het leven, zelfs van één die op de drempel in Gods huis staat. Hij onthoudt niet het goede van het leven, zie Ps. 27, aan hen die in volkomenheid wandelen. Deze volkomenheid is geen zedelijke prestatie, maar duidt op een heel hart, een ongedeeld leven. Alle aandacht is voor Hem die (vs 13) nog eenmaal bezongen wordt: reeds het vertrouwen op Hem is de gelukzaligheid, die in vss 5-6 bedoeld werd.
Psalm 85
Het welgevallen, dat God aan zijn land heeft gehad en betoond, wordt het gemakkelijkst verklaard vanuit de terugkeer van Israel uit ballingschap, en toch tonen teksten als Job 42:10, dat het niet noodzakelijk is, dat hier het wenden van de gevangenschap of gevangenis slaat op de terugkeer uit de ballingschap. In het geval van Job is het een geestelijke en materiële keer in het leven van Job. Het belangrijkste is ook hier dat de HERE zijn gunst bewijst. God heeft hun ongerechtigheid gedragen en al hun zonden (doel missen) verborgen. Terwijl God zijn volk laat weerkeren, keert Hij Zichzelf van zijn vlammende toorn.
In de tweede strofe, vss 6-8, doet de psalmist een beroep op Gods heil, Gods redding, en ook dit gebed begint met het werkwoord ‘wederkeren’. Kennelijk is de weerkeer tot God en tot het land het grote thema van de psalm. In het werkwoord ‘toornen’ (vs 6) zit tevens de betekenis van versmaden en afwijzen. Zal God zijn volk voor eeuwig versmaden en van geslacht tot geslacht zijn toorn uitstrekken? Vs 7 wordt de weerkeer gelijkgesteld met levend maken, en ook in dit verband wordt het werkwoord ‘weerkeren’ gebruikt. Zult Gij niet weerkeren, ons levend maken? zoals de lett. vertaling luidt. Het tonen van Gods goedertierenheid is een bewijs dat Hij het verbond met zijn volk onderhoudt, en in deze lijn mag de gave van zijn redding, verlossing verwacht worden.
Nu volgt de derde strofe, die het antwoord op het voorafgaande gebed behelst. God zal tot zijn volk en degenen met wie Hij zijn verbond onderhoudt, zijn gunstgenoten, van vrede spreken. Dwz. dat Hij over zijn volk regeert. Maar dat volk mag niet tot dwaasheid terugkeren; wéér het werkwoord weerkeren! Voor wie Hem vrezen, is de eerder vermelde redding, verlossing nabij, en zodoende zal Israel weer van betekenis zijn (kabod = eer, gewicht). Dat gewicht wordt uitgedrukt in de ontmoeting van goedertierenheid en trouw (waarheid), gerechtigheid en vrede. De Koning der koningen regeert over zijn volk, en dit verbond kan niet breken. Zoals zovaak worden hemel en aarde tot getuigen, maar ook tot terrein van deze heerschappij: de trouw uit de aarde en de gerechtigheid uit de hemel. In deze weg geeft de HERE het goede (denk aan Gen. 1, waar alles goed en zeer goed is) en geeft de aarde haar gewas. Opvallend is (vs 13) het dubbele geven. Waar de HERE regeert, daar kan de aarde, het land niets anders geven dan wat Hij geeft. Wanneer de gerechtigheid voor Hem uitgaat, dan maakt zij Gods voetstappen tot een weg, een hoopvol teken voor de toekomst. God verbreekt zijn verbond niet.
Psalm 86
Dit lied van David bestaat uit een gebed, een belijdenis en een lofzang. Het gebed (vss 1-7) stelt David voor als neergebogen, arm en behoeftig, maar ook als godvrezend, een die het verbond met God houdt, en uw knecht die op God vertrouwt en tot God zijn ziel opheft. Dat God bereidwillig zou zijn om zijn oor tot David te neigen en zijn ziel, zijn leven te behoeden en genadig te zijn, ligt in drie dingen verankerd: Hij is goed, Hij vergeeft en Hij houdt het verbond met degenen die Hem aanroepen. Daarom heft David zijn ziel ook tot God op, dwz. hij beveelt zijn hele bestaan God aan met de bede: Behoed het. De ganse dag (vs 3) is de dag van Davids benauwdheid (vs 7).
Vss 8-10 bevatten een belijdenis, waarin de onvergelijkelijkheid van God en van zijn daden wordt uitgedrukt. Daarom zullen alle gojim hun goden verlaten (vs 9) en zich voor God op de grond werpen (alleen God mocht men aanbidden). De daden van God (vs 8) zijn wonderen (vs 10), en daarom is Hij alleen God. Vss 11-17 vormen het slot, een danklied ingeleid door het gebed: Wijs mij uw weg. Wanneer dan David in Godstrouw wandelt en vanuit een ongedeeld hart als levenscentrum de HERE vreest en dient, wordt zijn leven een lofzang of danklied, dat tegelijk het karakter van een belijdenis heeft. De reden tot deze belijdenis is dat God zijn ziel, die David immers aan God had aanbevolen, gered heeft, SV uitgerukt heeft uit het zeer diepe dodenrijk NBG, uit het onderste des grafs SV. De voorstelling van de dood en wat zich onder het graf bevindt als een put, verklaart deze uitdrukking.
Nog eenmaal confronteert David deze God, die hij in vs IS belijdt in de vijf genoemde deugden, die gebruikelijk zijn in het O.T., zie Ex. 34:6 en Jona 4:2, met zijn vijanden, misschien Saul en zijn handlangers. Hij noemt hen een schare van geweldhebbers, tirannen. Vgl. Ps. 54:5. Maar wanneer God zijn sterkte aan zijn knecht, zie ook vs 2, geeft, dan heeft David niets te vrezen. Hij noemt zichzelf de zoon van uw dienstmaagd, niet om daarmee de verhouding van zijn moeder tot God aan te duiden, maar om zoals Ps. 51:7 tot uitdrukking te brengen dat hij van zijn geboorte af in de relatie van een knecht tot God staat. 9 x noemt hij de HERE Adonaj, mijn Here. Na de vermelding van de tekenen, die immers wonderen bleken te zijn, vraagt hij nog eenmaal om een teken, hem ten goede. De HERE is immers goed! Dit teken zal de haters, die het zien, tot hun schande en beschaamdheid ervan overtuigen, dat Gij HERE (met grote nadruk) mij helpt en troost, of: mij geholpen en getroost hebt.
Er is geen direct citaat uit deze psalm in het N.T. te vinden, maar wel doet de bende van geweldenaars, de schare der tirannen (vs 14) sterk denken aan de bende met zwaarden en stokken gewapend, die uitgezonden werd om Jezus te vangen. Zoals vs navolging van Ps. 16: 10 (vgl. Hand. 2:25-31 niet primair op David, maar op Davids grote Zoon ziet.
Psalm 87
De stichting van God is de stad Jeruzalem, speciaal Sion, waarin God immers een uiterste hoeksteen heeft gelegd. Binnen deze stad van God zijn gewichtige dingen (vs 3) gebeurd. Daar is namelijk het wonder geschied dat Ra-hab (Egypte) en Babel God kennen, vgl. Jes. 19:19-25, en dat er van Filistea, Tyrus en Ethiopië geboren zijn in Sion. ‘Deze’ geeft aan wie er van die landen en volken in Sion geboren zijn, dwz. als zonen meegeteld. Denk aan de proselieten. Maar van Sion wordt gezegd: Man voor man, ofwel ieder is daarin geboren en zelf onderhoudt de Allerhoogste Sion. Tenslotte wordt gezegd, dat ze als op fluiten blazend zingen: Al mijn bronnen zijn in u, in Sion. Deze bronnen zijn volgens algemeen gevoelen de bronnen of fonteinen van het heil. Zij die deze zang aanheffen, vormen het gehele volk van God, zowel Israel, dat man voor man geteld wordt als kinderen van Sion, als degenen die individueel geteld worden uit de heidenvolkeren. Vgl. Rom. 11:25-26.
Psalm 88
Het enigszins onbegrijpelijke opschrift spreekt van Ma-chalat, wat het beste met ziekte of zwakte kan worden weergegeven, en leannot, een meervoud voor het woord ‘alsem’. Heman is een in 1 en 2 Kron. veelvuldig voorko- mende levitische zanger.
Alleen de aanhef: HERE, God van mijn heil en vs 14: Maar ik roep tot U… zijn positieve woorden temidden van een psalm, die alleen als klaagzang is aan te merken. In het onlangs opgegraven huis van Kajafas in Jeruzalem bevindt zich een kelder, waar volgens de traditie Jezus verkeerd heeft vóór of na zijn verhoor door de hogepriester en Annas, en waarvan bezoekers zeggen dat vele details van Ps. die kelder terug te vinden zijn.
Vs 2 omschrijft Hemans gebed dag en nacht. De reden is dat zijn leven raakt tot aan de dood en het graf, alles wat met dodenrijk (vs 4) wordt uitgedrukt. Dat dodenrijk wordt beschreven als een boor, een put, een kuil (vs 5), en de psalmist geldt reeds als één die gestorven is en in de kuil daalt. Hij is eigenlijk in de ogen van vriend, metgezel en bekende (vs 19) reeds een dode. Een mens zonder kracht, een der doorboorden die in het graf liggen en aan wie God niet gedenkt in die zin, dat Hij hen weer levend-maakt en hun toestand verandert. Als voorbeeld worden genomen de verslagenen ten tijde van de wegvoering van het volk in ballingschap: zij zijn eigenlijk voor niets gevallen en hun massagraven maken deel uit van het verwoeste Samaria en later Jeruzalem. Het niet gedenken wordt concreet in het ontrukt zijn aan Gods hand, SV: afgesneden van Gods hand. De HERE gedenkt hen niet meer.
De put of kuil (vs 5) (niet: groeve, NBG) wordt in vs 7 de diepste of onderste kuil genoemd. Vgl. Ps. 86:13, waar van het diepste of onderste van het dodenrijk sprake is. Die diepte wordt met het meervoud van duisternis en diepte aangeduid. Zoals Ps. 42 wordt deze diepte als toorn van God ervaren, die de psalmist alleen te dragen heeft: niemand is met hem, de bekenden die (vs 19) nogmaals genoemd worden, worden van hem verwijderd. Hij is hun tot iets afschuwelijks geworden. Opmerkelijk is dat hier een meervoud wordt gebruikt: afschuwelijk dus in een veelvoud; en verder dat het woord speciaal gebruikt wordt in een rituele zin. Heman is in de dienst van God afschuwelijk voor degenen die hem kennen en dus met hem plegen om te gaan. Hij is onrein. Maar dit alles doet zijn voortdurend gebed niet teniet, zie vs 2.
In de tweede strofe van de psalm wordt dit voortdurend gebed gesteld tegen de ‘onmogelijkheid’ dat God aan doden een wonder doet of dat Hij de dodengeesten doet opstaan om Hem te loven en te danken. Opmerkelijk is echter dat de psalmist het niet voor onmogelijk houdt dat dit gebeurt. Hij vraagt het aan God, die alleen het dode levend kan maken. Deze God gedenkt echter de doden niet en ze zijn aan zijn hand en macht ontrukt of ervan afgesneden (vs 6). Zal God de deugden van zijn goedertierenheid en trouw, zijn vasthouden aan zijn verbond en woorden in het graf en de plaats van de ondergang (of: verlorenheid) laten verkondigen en zijn wonder in de duisternis en zijn gerechtigheid – die kennelijk bij het wonder behoort en waardoor Hij mensen weer mensen doet zijn – in het land van het vergeten, waar Hij (vs 6) niet gedenkt, toch bekend mäken? De psalmist kan in deze geweldige vragen niet beslissen, maar gaat des te meer voort in het aanhoudend gebed.
De psalmist die zó de HERE zoekt, vraagt waarom God hem verstoot, eigenlijk hem verafschuwt. Het niet gedenken en vergeten uit het eerste deel keert hier terug inhet verbergen van het aangezicht door God. Daarom is de psalmist ook van zijn jeugd af aan aan het verscheiden, aan het omkomen, aan het wegsterven. Hij beleeft ‘dit leven, dat toch niet anders is dan een gestadige dood’ (Doopsformulier) vanuit de verberging van Gods aangezicht en Gods verschrikkingen (angsten) en vlammen (toorn). Zelfs vriend en metgezel en de reeds (vs 9) genoemde bekenden zijn van hem verwijderd en zijn duisternis of een duistere plaats, waar iemand verdwaalt. Bedoeld is niet: ik vind hen niet, zij zijn niet te bezoeken, maar: zij zijn lichtloos, heilloos. Slechts God blijft voor Heman HERE, God van mijn heil (vs 1).
Psalm 89
Ethan de Ezrachiet (zie ook de inleiding) wordt 1 Kron. 15:17, 19 genoemd als muziekmeester naast Asaf en Heman. In de Psalmen 70-89 staan de liederen van Asaf, Heman en Ethan met nauwelijks onderbrekingen achter elkaar. De psalm begint met opsomming van Gods gunstbewijzen of goedertierenheden, zijn vasthouden aan zijn verbond, en zijn trouw, waarin de troon en het koningschap van David en zijn zonen vastligt. Deze goedertierenheid en trouw worden herhaald (vs 3): niet alleen van geslacht tot geslacht, maar voor eeuwig, en niet alleen op aarde, maar ook in de hemel(en) bevestigt God zijn verbond. David heet uitverkorene en knecht van God, niet alleen persoonlijk, maar ook met inbegrip van al zijn zonen. Hij is de verkorene, de geliefde, zoals God van zijn Zoon bij diens doop getuigt: Gij zijt mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen, Mar. 1:1. Opmerkelijk is het herhaalde bouwen, eerst tav. Gods goedertierenheid (vs 3) en dan inzake Davids troon (vs 5). Deze onverbreekbare belofte aan David en zijn huis is de reden waarom de hemelen God loven vanwege zijn wonderen en de gemeente Hem looft vanwege zijn trouw. Tot vs 19 loopt nu de jubel over Gods macht en trouw in een kosmisch verband: de gemeente der heiligen, dergenen die Hem toegewijd zijn, is vergelijkbaar met vs 8, de raad der heiligen (di. een kring van vertrouwden). In het ene geval wordt gedacht aan engelen, in het andere aan de in vs 7 genoemde goden; in beide gevallen gaat het niet om een aardse, maar om een hemelse gemeenschap. Niet alleen al het aardse is Hem onderworpen, maar ook al het hemelse is rondom Hem en Hij is er het centrum van. De beelden van de oerwateren, van Rahab, Egypte dat verslagen is aan de Rode Zee, van de bergen Tabor in het westen en Hermon in het oosten onderstrepen het koningschap van God (vs 15), dat op gerechtigheid en rechtdoen stoelt, terwijl goedertierenheid en waarheid of trouw zijn gangen bepalen. Deze Koning voert een volk aan, dat het alarmsignaal voor de uittocht en aanval kent, ermee leeft en erdoor in beweging komt. Achter Hem aan wandelt men in het licht, juicht men (van overwinning) de hele dag en door Gods gerechtigheid worden zij verhoogd, verheven ipv. verslagen en neergebogen. God is (vs 18) het sieraad voor zijn volk en doordat Hij een welgevallen in hen heeft, verhoogt Hij hun hoorn, dwz. het symbool van hun macht. De koning van Israel (zie het begin: David en zijn huis) staat in rechtstreeks verband met het koningschap van Godzelf. Hij heet de Heilige van Israel (vs 19) (vgl. eerste deel van Jesaja), omdat Hij het volk Zichzelf heeft toegewijd en tot een eigendom gemaakt.
In vss 20-38 wordt nu de directe relatie tussen God en Davids huis nader uitgewerkt. David is held, verkorene en gezalfde, aan wie God hulp heeft geschonken en die Hij met zijn hand (vgl. vs 14) heeft gesterkt. Hierdoor is David onoverwinnelijk. Gods trouw en goedertierenheid (vs 3) zijn met hem en zijn hoorn (zie vs 18) wordt verhoogd. Zelfs de wateren van de zee behoren tot zijn gebied en tot God staat hij in een verhouding van zoon tot Vader. Men kan hier rechtstreeks denken aan Jezus Christus, maar het is minstens gepast om te overwegen, dat het bijzondere van het koningschap van David en zijn huis tot uitdrukking wordt gebracht op twee punten: de zee is zelfs zijn gebied en God is zijn Vader. Hoewel deze psalm niet rechtstreeks geciteerd wordt in het N.T., neemt Jezus dit beeld van de bijzondere relatie van David tot God wel over, wanneer Hij spreekt over Ps. Mat. 22:44. De eerstgeborene (vs 28) herinnert aan de uitverkorene (vs 4). Deze eerstgeborene is de uitbeelding van Gods kracht en tegelijk de erfgenaam. Toch gaat dit eeuwig verbond van God met David niet zonder meer op zijn nakomelingen over. Met vier woorden (vss 31-32), nl. Gods wet (tora), zijn verordeningen (rechten), zijn inzettingen en zijn geboden, geeft God de verhouding aan tussen zijn goedertierenheid en trouw enerzijds en Davids zonen anderzijds. Toch betekent de breuk met hen niet een breuk met David (vss 34-35). God kän David niet misleiden en daarom staat zijn troon vast als zon en maan en zal hij altijd, ja eeuwig nakroost hebben. Er is een getrouwe getuige in de hemel, dwz. in de wolken of in het luchtruim. Wellicht biedt Job 16:19 de aanwijzing voor de uitleg van deze woorden. Zij betekenen dan, dat God met hemelse zekerheid de belofte aan David onderhoudt, zonder dat uitgemaakt behoeft te worden, of met deze getuige de maan of de regenboog of nog iets anders wordt bedoeld. Enerzijds wordt dus gezegd dat Davids zonen het gevaar lopen, dat zij op grond van wetsverach-ting gestraft worden, anderzijds wordt met klem gezegd dat ondanks dit alles de troon van David geen gevaar loopt. Davids Zoon behoeft niet de Zoon van Davids zonen te zijn! Hij is van boven.
Vss 39-52 omschrijven het verstoten en versmaden van Gods gezalfde. Wie is die gezalfde! Gaat het ook nu om een zoon van David of om het volk? Zeker is de koning in het geding, want zijn kroon, zijn diadeem, teken van de gewijdheid van koning en hogepriester aan God, ligt op de grond en is ontwijd. Maar daarachter gaat het om Jeruzalem, om de stad en om het volk. Sommigen lezen in de plunderende buren het volk van Edom, zie Obadja. Alles wat (vss 22-24) van de koning gezegd wordt, wordt (vss 42-46) in het tegendeel verkeerd. Zelfs de troon van de koning ligt op de aarde geworpen. En de verlenging van dagen, waaruit Ps. 21 het welbehagen van God blijkt, valt hem niet ten deel, integendeel, zijn dagen worden verkort (vs 46). Opmerkelijk is dat Ethan in de ik-stijl verder gaat. Hij is, zoals alle profeten, betrokken bij het oordeel dat over zijn volk gaat. En het raakt niet slechts Israel. Immers, David en zijn huis staan als teken van Gods goedertierenheid en trouw over hemel en aarde: alle zonen van Adam (vs 48) leven onder het oordeel, wanneer Israel en Davids huis daaronder zuchten. Niemand kan zichzelf redden uit dit oordeel, dat de dood het dodenrijk (hel), in zich bergt. Nog eenmaal, doch nu niet in een danklied, maar in een weeklacht, wordt een beroep gedaan op Gods goedertierenheden en trouw. Tweemaal roept Ethan Gods gedenken in, vss 48 en 51, waarbij niet te denken valt aan schone zaken, maar aan de levensduur en aan de smaad, waarmee Gods knechten, vgl. vs 4, worden gesmaad en waarmee dus de HERE Zelf wordt gesmaad. Het gaat om de voetsporen van Gods gezalfde. En met dat woord herinnert Ethan de HERE aan de heilige zalfolie (vs 21), waarmee God David voor eeuwig aan Zich verbonden heeft en hem tot koning, knecht en zoon heeft verheven. De gunstgenoten van God wéten dat door een gezicht, een visioen (vs 20), dat de kracht van openbaring heeft. Zou God in zijn toorn over zijn gezalfde (vs 39), ongetwijfeld vanwege de zonden van Davids zonen, nu toch zijn eeuwig verbond vergeten en toestaan dat anderen zijn gezalfde en daarmee de HERE Zelf smaden!
Vs 53 sluit dit derde boek der psalmen af.
Psalm 90
De psalm die bij ons bekend staat als de Oudejaars-psalm, is een gebed van Mozes en vertoont veel overeenstemming met Deut. 32 en 33. Zie bijv. man Gods in Deut. 33:1. Er is geen directe noodzaak om vanuit gelijkenis met bepaalde wijsheidsliteratuur aan een late datering te denken.
Tegenover elkaar staan in de psalm de eeuwigheid van God en de vergankelijkheid van de mens onder de toorn van God. Maar ze staan niet alleen tegenover elkaar. De HERE is ook de toevlucht, Hij ontfermt Zich, Hij verzadigt met goedertierenheid, hij verheugt, Hij toont heerlijkheid en schenkt lieflijkheid.
Let op de parallel tussen vs 1 van geslacht tot geslacht en vs 2 van eeuwigheid tot eeuwigheid. De schepping wordt als één grote geboorte voorgesteld, vgl. geboren en voortgebracht met Deut. 32:18. De betekenis van vs 4 is dat God zover boven ons verheven is, dat onze grootste tijdspannen voor Hem niet meer zijn dan een nachtwake, het derde deel van een nacht, vgl. Ri. 7:19. Septuagint leest vs 3: doe de mens niet weerkeren tot vernedering (stof). Gij spoelt hen weg (vs 5) is de vertaling van een woord, dat lett. betekent: onder gestadige donder ontladen. Het beeld van de slaap die ‘s morgens wijkt en van het gras dat ‘s avonds verdort, wisselen elkaar af. De reden van dit alles is echter niet vergankelijkheid, maar ongerechtigheden en het verborgene van de mens. Juist dit laatste komt te staan in het licht van Gods aangezicht: er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden. De dagen die voorbijgaan, wenden zich, terwijl met een verwant woord het aangezicht van God (vs 8) werd aangeduid. Zij keren en wenden zich door Gods verbolgenheid, door de opwelling van Gods toorn. In de vss 9-12 en straks ook vs 15 wisselen dagen en jaren op een veelbetekenende wijze elkaar af. Schril steken de zeventig en tachtig jaren af tegen de duizend jaren die niet meer waren dan een dag die voorbij is, en als het derde deel van een nacht (vs 4). Even weinig zeggend zijn de krachten (meervoud), en het dringen en bewegen dat zich daarin voordoet, door NBG vertaald met onze trots (vs 10). Het voorbijgaan is in het Hebr. gras dat wordt gemaaid en wel heel snel, ijlings. Voor wie kent? (vs 11) leest de hebr. tekst: wie is kennende? Daar zit duurzaamheid in. Het voortdurend kennen van de sterkte van Gods toorn betekent dat een mens het onder die toorn uit kan houden en er gemeenschap mee kan hebben. Voor verbolgenheid wordt hetzelfde woord gebruikt als in vs 9: de opwelling van Gods toorn. Vs 12, het tellen van de dagen is óf een tellen en uit elkaar leggen óf een bepalen en inhoud geven aan de dagen. Het is de mens niet gegeven om onder Gods toorn te bestaan, maar God kan hem wel een wijs hart geven om de dagen die voor God opgeteld als niets zijn, toch te vullen met de vreze des HEREN. Een wijs hart is een hart dat voor God weet te leven en in de vreze des HEREN de levenskunst verstaat.
De laatste verzen roepen Gods berouw over zijn knechten in. Zie Deut. 32:36, waar knechten met volk gelijkgesteld worden. Het werkwoord ‘verzadigen’, dat in het O.T. meestal met dagen gevuld wordt, wordt hier opmerkelijk genoeg niet met een lengte van dagen of een lang leven, maar met Gods goedertierenheid verbonden, zijn vasthouden aan het verbond. Wanneer God de morgen vult met zijn goedertierenheid, dan volgen er dagen van jubel en vreugde. Deze vreugde komt (ys 15) in de plaats van het neerbuigen en het zien van het kwade. Vss 16-17 brengen het werk van God en ons werk tot elkaar. Gods werk wordt niet door druk, maar door heerlijkheid, sier, schoonheid, verhevenheid gekenmerkt. Zo komt Gods vriendelijkheid over zijn knechten te liggen. Eigenlijk worden zijn werken nu hun werken, het zijne tot het hunne gemaakt. Tweemaal bidt Mozes om de bevestiging of het oprichten van het werk van onze handen. Toch gebruikt hij voor Gods werk en voor ons werk verschillende woorden. In Gods werk zit tegelijk de betekenis van loon, resultaat, terwijl ons werk een doen zonder meer is. Daarom is het genoeg dat Gods werk gezien wordt, maar ons werk moet bevestigd worden.
Psalm 91
Deze psalm heeft geen opschrift en roept dus de vraag naar auteurschap en datering op. Septuagint schrijft de psalm toe aan David, mogelijk vanwege sommige termen die aan Davids psalmen eigen zijn. De rabbijnse traditie kent de psalm voornamelijk aan Mozes toe, waarschijnlijk vanwege overeenkomsten, zoals in Ps. 90, met Deut. 32 en 33. De Targum houdt het op een gesprek tussen David en Salomo. Moderne commentaren gaan af op het verweer tegen demonen en achten op grond daarvan een zeer late ontstaanstijd waarschijnlijk. In aanmerking genomen de overeenkomsten met Ps. 90 is een late ontstaanstijd niet waarschijnlijk.
De vertaling van de eerste verzen verschilt en is afhankelijk van het feit welke naamval men kiest in vss 1-2. Gods hoogheid en almacht dienen tot bescherming van wie op Hem hopen. To. de vogelvanger wordt God Zelf voorgesteld als een vogel met geweldige vlerken en vleugels, die zijn jongen afdoend beschermt. Hierna wordt de waarheid, de trouw van God aan zijn beloften voorgesteld als een wapenrusting die het lichaam geheel omringt en beschermt. Noch wapengeweld noch pestepidemie raakt degene, die door God beschermd wordt. Duizend entienduizend vallen, de kracht van het leger wordt gebroken, maar hij alleen blijft bestaan. Hij is niet meer dan een toeschouwer, zoals Israel zo vaak was, wanneer de HERE redding bewerkte. In feite herinnert de pestziekte aan Ex. 11, en het zien van de val der vijanden aan Ex. 14:13. Vss 11-12 worden door de duivel in de verzoeking van Jezus in de woestijn geciteerd Mat. 4:6, terwijl zij in een verwijderde zin ook doorklinken in Jezus’ woorden (Mat. 26:53). Een engel is in O.T. en N.T. niet meer dan wat het woord ‘engel’ uitdrukt, namelijk een bode. Overeenkomstig Heb. 1:14 komt hun dienst de tot heil bestemden ten goede. Wie zo op God vertrouwt, verricht de wonderen die in Mar. 16:18 en Luc. 10:19 de discipelen en apostelen worden beloofd.
Na wat God beschermend en door zijn engelen heeft gedaan, spreekt Hij nu van wat Hij doen zal aan degene die op Hem hoopt. De lengte van dagen en het heil van vs 16 herinneren aan Ps. 90:14-16. Zeer beminnen (vs 14) is de vertaling van een hebr. woord dat ‘hangen aan’ betekent. Het wordt Deut. 7:7 en 10:15 gebruikt van de liefde en de verbintenis tussen God en Israel, en in die lijn behoeft men ook niet in een speciale richting, bv. van de koning, te zoeken om de persoon te leren kennen, van wie dit alles gezegd wordt. Hij is eenvoudig Israel, wanneer het op God hoopt. Het bijzondere is nu dat hier niet van God gezegd wordt, dat Hij zich op het innigste met Israel verbonden heeft, maar omgekeerd: dat Israel God bemint. Vs 14 is een chiasme, waarin voor en na wordt aangegeven het aanhangen van God en het kennen van Gods naam als redenen waarom God Israel uitredt, beschermt, antwoordt, met hem is in de benauwdheid, hem bevrijdt, hem tot eer, dwz. tot gewicht en betekenis brengt, hem met lengte van dagen verzadigt en hem Gods heil laat zien, zoals Israel de ondergang van zijn vijanden zag aan de Rode Zee.
Psalm 92
Volgens de joodse traditie heeft Adam deze psalm gecomponeerd op de eerste sabbat, en in de tempel werd dit lied elke sabbat door de Levieten bij het morgenoffer gezongen. Een direct verband met de sabbat geeft deze psalm overigens niet, of het moest zijn dat tegenover de werkers der ongerechtigheid de werken van God worden bezongen en de rechtvaardigen die tot in de grijsheid in Gods huis geplant zijn en vruchten dragen, die God verheerlijken.
Zeven maal wordt God in deze psalm de HERE genoemd. Ook in de strofen, waaruit deze psalm bestaat, schijnt bij nauwkeurige studie het getal zeven, het sabbatsgetal naar voren te komen.
De psalm begint vs 2 met het woord goed, dat het resultaat van Gods scheppingshandelen (Gen. 1) bepaalt. Het was goed, ja zeer goed in de ogen des HEREN. Vs 3 wordt niet alleen in de morgenstond Gods goedertierenheid verteld of verkondigd, maar ook in de nacht zijn trouw en waarheid, ja zelfs in de nachten. Het is of het duister zich in een meervoud voordoet. En het duister is vol van de vijandschap tegen God en zijn werken. Toch moet de duisternis wijken en plaats inruimen voor de verkondiging van Gods trouw en waarheid.
In Gods werken is immers vreugde (vs 5). Hier wordt hetzelfde woord gebruikt als Ps. 90: het werk van God is een werk mèt loon en resultaat. Dat dit geen tegenstelling vormt met het hebr. woord waarmee Ps. 90 het werk van de mens typeerde, blijkt uit het vervolg, waar Gods werken tweemaal met het hebr. woord worden omschreven, waarmee menselijke werken worden aangeduid. Gods ‘werken’ (vs 6) zijn niet alleen zijn gedachten, maar vooral ook wat Hij Zich voorneemt, zijn plannen. Wat de domme, redeloze mens, die op het vee gelijkt (zie Ps. 49:11 en 73:22), niet verstaat, is hoe God de openbare misdadigers en de werkers van ongerechtigheid (dit to. het werken van God) laat groeien en bloeien, opdat zij voor eeuwig verdelgd worden. Vgl. Ps. 90:5 en 73:18-20. Omdat God verheven is voor eeuwig (vs 9), gaan Gods vijanden te gronde (zie Ps. 1) en de werkers der ongerechtigheid worden van elkander gescheiden, worden verstrooid. De hoorn (vs 11) van de psalmist is beeld van de verdedigende kracht, zoals de verse olie het lichaam vervult met nieuwe krachten en zeker en blij maakt vanwege de overwinning. Ook het beeld van de eenhoorn, Ps. 22:22 en Job 39:9-12 wijst in die richting. Net als in Ps. 91 is degene die op God hoopt, slechts oog- en in dit geval ook oorgetuige van de overwinning van God over zijn vijanden (vs 12).
To. de kortstondigheid van het leven van de openbare misdadigers en werken der ongerechtigheid staat het duurzame van het leven van de rechtvaardigen. Naast de palm, de koning onder de bomen, dient de ceder van de Libanon, zie Ps. 29:5, als beeld van het leven van de rechtvaardige. Overigens is met ‘tamar’ de dadelpalm bedoeld, die rijk is aan vruchten, en om die vruchten die God verheerlijken, gaat het tenslotte. Even rijk is de ceder aan altijd blijvend groen. En dat altijd jong blijven voltooit het beeld van de rechtvaardige, die immers in de grijsheid nog vruchten draagt. Vs 14 maakt het onderscheid tussen het geplant zijn in het binnenste van het huis des HEREN en het vruchtdragen en bloeien in de voorhoven. De psalm eindigt met het vertellen, verkondigen, zoals we dat in vs 3 tegenkwamen. Bij God is geen bedrog: wie op Hem vertrouwt, wordt niet verdelgd, maar leeft in zijn huis. Zijn leven draagt vrucht.
Psalm 93
Doordat God het koningschap heeft aanvaard ofwel het koningschap uitoefent, bekleed met hoogheid, bekleed met sterkte en ompantserd, staat de wereld (het vasteland) vast. Zij wankelt niet, omdat Gods troon van oudsher vaststaat en omdat God van eeuwigheid is, zie Ps. 90. Tegenover dit dubbele vaststaan wordt driemaal gezegd, dat de stromen en daarmee de kracht van het duistere water, zie Gen. 1, zich verheffen tegen zijn heerschappij. Maar boven de stemmen van vele wateren, zie Op. waar deze stemmen meermalen klinken, en boven de heerlijke of geweldige baren der zee is de HERE heerlijk in de hoogte of in zijn verhevenheid. Daarom zijn ook zijn getuigenissen, zijn vermanende woorden, waarin tegelijk de gemeente die tot dienst vergaderd is in zijn huis, begrepen is, zeer betrouwbaar, /n lengte van dagen is de heiligheid het sieraad van het huis des HEREN. De tempel wordt niet meer ontheiligd, en de woorden van God, waardoor Hij zijn dienst onderhoudt en die tegelijk zijnopenbaring uitmaken, zijn sterker en blijvender dan al het geweld dat zich tegen Hem verheft.
Psalm 94
Deze wraakpsalm begint met het tweemaal aanroepen van God als God van de wraak, zoals ook tweemaal van de goddelozen (vs 3) sprake is. Die goddelozen zijn niet gelijk te stellen met mensen buiten Israel, want in vs 8 worden de redelozen en dwazen juist onder het volk aangewezen en aangesproken. Die dwaas ontkent net als in Ps. 14 en 53 het ingrijpen van God en kan daarom in hoogmoed zich vergrijpen aan het volk van God, en uiteraard bij voorkeur aan de rechtelozen en machtelozen: weduwe, vreemdeling en wees (vs 6). Zij worden echter uit hun eigen mond geoordeeld. Vandaar het herhaalde opmerken, vss 7 en 8: Niet merkt het Jakobs God. Merkt, gij dommen. Vgl. voor dezen, die zo dom zijn als vee, Ps. 92:7. Vanuit de schepping van de mens wordt hun redenatie en hun handelwijze gelogenstraft. To. Gods kennis staan de ij dele gedachten of plannen van de mens. Ook wat hij tegen de weduwe, vreemdeling en wees beraamt, zelfs ten dode, is toch ijdel, vergankelijk als lucht.
Vss 12-15 heten de man ‘welgelukzalig’, dien God kastijdt. Voor die man wordt een woord gebruikt, dat de jonge krachtige man aanduidt. Zijn geluk ligt niet in de kracht, maar in de kastijding van God en het onderwijs van Gods tora, want zo ontgaat hij het onheil en vindt hij de rust van God. Hij leeft, terwijl voor de goddeloze van vs 3 de kuil wordt gegraven. Gods volk als erfdeel duidt op de blijvende eigendomsrelatie, waarin Israel, en in dit geval het godvrezende Israel, tot God staat. De concrete rechtsuitspraken (vs 15) keren terug tot gerechtigheid, tot die gemeenschap tussen God en mens en mensen onderling, waarin het heil gelegen is. Gods gerechtigheid gaat zich weer van het recht onder Israel meester maken. En die recht zijn van hart en leven sluiten zich daarbij aan (vs 15).
Vss 16-19 beschrijven de rechtspraak. Wanneer God niet de advocaat van de (onbekende) psalmist was geweest, dan zou het met hem gedaan zijn. De stilte is het zwijgen van de onderwereld, vgl. Ps. 115:17. Het wankelen van de voet, vgl. Ps. 38:17, houdt het vallen in van Gods kinderen in het gericht, onder de druk van het geweld, dat in vss 4-6 werd beschreven: vertreden, verdrukken, doden en vermoorden. Maar Gods goedertierenheid, zijn trouw aan het verbond met zijn volk, ondersteunt hen. ‘De gedachten’ in vs 19 zijn niet gedachten zonder meer, maar verontrustende gedachten, en hun veelheid betekent dat het binnenste van de psalmist vol onrust is. Maar Gods vertroostingen wekken de treurige, evt. rouwende, die door de dood getroffen wordt of dreigt te worden getroffen, op. De gevallene of degene die wankelt en dreigt te vallen, wordt opgericht door God.
Verschillend wordt vs 20 vertaald. Aan pijn veroorzaken naar de Wet. Dit wordt door NBG weergegeven met: onder (de) schijn van recht onheil stichten. Aan de in vs 21 genoemden wordt gevraagd wat zij gemeen hebben met de stoel van het verderf. De schijn van recht ligt dan in die stoel, die zetel die zgn. het recht symboliseert, terwijl het toch een zetel van onrecht, van verderf, van begeerte is. Maar ook tegen dit vermeende recht dat, omdat het recht schijnt te zijn, des te meer onschuldige mensen het leven kost, is God een onneembare vesting. Hij laat hun slechtheid op hen weerkeren, en tenslotte staat er tweemaal, zoals aan het begin tweemaal van God van de wraak en van goddelozen sprake was, dat God hen doet zwijgen. Met nadruk heet Hij die de goddelozen doet zwijgen, de HERE onze God. En met deze belijdenis eindigt deze psalm, waarvan vs 1 Kor. 3:20 en vs 14 wellicht in Rom. 11:2 geciteerd wordt.
Psalm 95
Met een veelzeggend Komt begint de psalm, die in de geschiedenis der kerk als ochtenlied heeft gediend. Het is een opmaat voor wie zich opstellen voor Gods aangezicht en de HERE met zang en muziekinstrumenten tegemoet treden. De reden is dat Hij een groot God en een groot Koning is, niet alleen over Israel, maar over de gehele aarde, in de diepte en in de hoogte, zowel over de zee als over het droge. Ging het in vss 1-5 over het komen om Hem te ontmoeten, nu staan zijn dienaren in zijn huis en voor zijn aangezicht. Daarom volgt nu Treedt toe (vs 6) als een inleiding tot het zich neerwerpen en de knieën buigen voor de HERE onze Maker. Bij deze God is het volk te vergelijken met een kudde schapen, vgl. Ps. 23 en de wijze waarop Hij hen leidt, komt zijn groot koningschap tot uitdrukking.
Middenin vs 7 slaat nu de lof- en dankzegging om in een ernstige nodiging om zich toch door deze God te laten leiden. Daarbij komt de verharding van Israel onder de wonderwerken van God in de woestijn ter sprake in vss 7-11, die geheel of gedeeltelijkin Heb. 3:7-11,15; 4:3, 5, 7 geciteerd worden. Het wezen van deze verzen die de HERE in de mond gelegd worden en de inhoud vormen van wat zijn stem spreekt, is dat al Gods trouw en wonderen het volk niet hebben kunnen bewegen om zich door Hem te laten leiden. Deze verharding voltrok zich, doordat het volk God op de proef stelde, uitgedrukt met twee werkwoorden. Dit op de proef stellen geschiedde, hoewel zij Gods werk zagen. Dus het was een verachten van Gods werken en toch maar doorgaan met nog meer tekenen vragen en nog meer wonderen willen zien. Dit niet kennen van de wegen des HEREN stond de HERE veertig jaren lang tegen, en het oordeel dat Hij over het volk uitspreekt, is een overgeven van het volk aan eigen dwaasheid en dwaalzucht. Omdat zij zo dwalen in hun hart en Gods wegen niet kennen, komen zij niet in zijn rustplaats van grazige weiden en stille wateren, Ps. 23. Deut. 12:9 wordt de rustplaats met het erfdeel ofwel met het beloofde land gelijkgesteld. Dit harde oordeel, waar de psalm mee eindigt, vormt een ernstige waarschuwing voor de tempelgangers, die aan het begin worden genodigd om tot God te komen en zich voor Hem neer te buigen.
Psalm 96
Ook deze psalm reikt verder dan de grenzen van Israel. Het nieuwe lied, waartoe Israel het gebod krijgt om dat te zingen voor de volken der aarde, wordt aan het begin van Ps. 98 precies zo omschreven. Daar zijn het de wonderen van God, die de aanleiding vormen toteen nieuw lied, en hier is het het heil van God, zijn bevrijding, zijn verlossing, die inspireert om Hem op nieuwe wijze en met nieuwe woorden groot te maken. Na het drievoudige Zingt de HERE vss 1-2 vervolgt de psalm met de oproep om Gods naam te zegenen, dwz. kracht toe te kennen. Zijn heerlijkheid moet onder de volken worden verteld, en daarmee zijn betekenis en gewicht boven alle goden uit: Hij alleen doet wonderen. Hij alleen is te vrezen en te dienen boven alle goden. Tot het inzicht bij de volkeren, dat de HERE God is boven alle goden – en dit inzicht is de grote verandering, die in het nieuwe lied bezongen wordt – behoort ook dat de goden afgoden zijn. De (onbekende) psalmist gebruikt in vs 5 een woordspeling: elo-him elilim. Elilim betekent lett.: nietsen. Zij hebben geen heerlijkheid, geen gewicht, zij zijn ijdeler dan’ de ijdelheid zelf. Deze tegenstelling wordt onderstreept door het feit dat de HERE de hemel heeft gemaakt en dat in zijn heiligdom, waarschijnlijk het aardse, dezelfde heerlijkheid heerst als toen Salomo de tempel inwijdde.
Nadat nu driemaal in vss 1-2 Israel is opgeroepen om Hem te zingen, wordt aan de volken (vss 7-8) driemaal bevolen om Hem te geven. Dit geven is niet onbepaald, maar heeft de inhoud van de schatting, de kostbare gave die schatplichtige volken van jaar tot jaar aan hun overwinnaar brachten. De inhoud van deze belasting is niet zeer verschillend van wat Israel van de HERE zingt: ook hier de heerlijkheid, die we in vs 3 tegenkwamen, het zwaar maken van de naam des HEREN, zelfs tot tweemaal toe, vss 7-8. Voor de opvatting dat het in vs 6 om het aardse heiligdom van de HERE gaat, pleit de nodiging tot de volken (vs 8) om met offer in Gods voorhoven te komen. Ook de volken zijn Hem toegewijd, vandaar het woord heilig, en deze toewijding is tegelijk hun sieraad, of hun kleed waarmee ze voor God komen, zoals in de nieuwtestamentische gelijkenissen over het bruiloftskleed gesproken wordt, dat de gast om zijn gastheer te eren moet dragen. Het zich neerbuigen is overeenkomstig Ps. 95:6 veeleer een zich neerwerpen, de diepste vorm van aanbidding. Van vs 10 mag aangenomen worden, dat het de volken die Hem komen vereren, zijn welke nu op hun beurt onder de volken moeten spreken, dat Hij Koning is, en dat daarom de wereld, het vasteland, onwankelbaar vast staat en dat Hij de volken recht verschaft volgens alles wat recht is. Dit koningschap des HEREN, dat zulke rechtsgevolgen heeft, is de reden waarom de hemelen zich verheugen en de aarde juicht en de zee bruist of dreunt met al wat haar vult. Ook het veld en de bomen jubelen voor het aangezicht des HEREN. En dan eindigt de psalm met de verzekering tot tweemaal toe, dat de HERE komt om de aarde te richten, en ook dit richten wordt tweemaal vermeld in vs 13. Het vasteland, uit vs 10, wordt gericht in die trouwe gemeenschap, die heil bevat en de volken worden gericht met waarheid die trouw uitstraalt. Daarom is het niet juist om de verzekering dat God komt om de aarde te richten, op te vatten als een onheilsprofetie. Geheel in de lijn van het overige van de psalm gaat het ook nu om een richten in de heerlijkheid van de Koning die in hemel en op aarde, voor Israel en de volken verlossing wil bewerkstelligen en die zorgt voor het vaststaan van de aarde en voor het vaststaan van het recht onder de volken, vgl. Ps. 89.
Psalm 97
Sommige commentaren veronderstellen, dat Ps. 95-99, volgens anderen 95-100 één geheel vormen, gezien de thema’s die telkens terugkeren. Ps. 95:3 spreekt van de HERE als van een groot Koning, Ps. 96:10 geeft opdracht om onder de volken te zeggen: De HERE is Koning, Ps. 97 en 99 beginnen met de feestelijke uitroep of belijdenis: De HERE is Koning, en Ps. 98:6 spreekt van een juichen voor de Koning, de HERE. Het koningschap, dat de HERE uitoefent of aanvaard heeft, is ook nu reden tot juichen en vreugde voor de aarde en vele kustlanden. Terwijl donkerheid en wolken zijn omhulling zijn (vgl. Ex. 20:21), wordt zijn troon, die tevens Gods rechterstoel is, vastgezet door gerechtigheid = de gemeenschap tussen God en mensen, waarvan het heil te verwachten is, en recht = de uitoefening van voornoemde gerechtigheid in het doen van recht. Terwijl wolken en donkerheid rond God Zelf zijn, is vuur rond zijn tegenstanders, de vijanden die benauwen. Overeenkomstig Ps. 29 wordt de heerlijkheid des HEREN (vss 4-6) beschreven: God is een God die te vrezen is. Het beeld van de smeltende bergen onderstreept dit. Maar de bedoeling is, dat de gerechtigheid van God gemeld wordt en zijn heerlijkheid, zijn gewicht gezien wordt door de volken. Vs 7 voegt iets toe, dat vorige psalmen niet kenden, namelijk de dienst van de afgoden, de ‘nietsen’, vgl. Ps. 96:5. De beschaming over zulke dienst vloeit voort uit de vergelijking van de HERE met deze goden, die trouwens zelf worden opgeroepen om dan tenminte nog één goed ding te doen: zich neer te werpen (niet: buigen, NBG) voor deze God. Sion dat deze gerichten en ook het bericht van het zich neerwerpen der goden hoort, verheugt zich samen met de dochters van Juda, omdat God op deze wijze zijn recht uitoefent. Het meervoud ‘gerichten’ komt voort uit de hemel en aarde omvattende openbaring van Gods heerlijkheid in de eerste verzen. In vs 9 wordt in aansluiting aan vs 8 de HERE als de Allerhoogste en Verhevene rechtstreeks aangesproken en beleden.
De laatste verzen roepen de rechtvaardigen, de liefhebbers van God, de gunstgenoten die het verbond onderhouden en de oprechten van hart, kennelijk omschrijvingen van dezelfde mensen, op om het kwade te haten en zich in de HERE te verheugen en te danken tot gedachtenis van Gods heiligheid. Temidden van deze oproep wordt van God gezegd, dat Hij zijn gunstgenoten redt en bewaart, en dat degenen die in gemeenschap met hun God en met elkander leven (de rechtvaardigen), heil mogen verwachten. Licht, het wezen van God Zelf en de eerste levensvoorwaarde in de schepping, wordt voor hun voeten gezaaid, niet als iets verborgens dat later op zal komen, zoals sommige commentaren menen, maar als iets dat voor hun voeten wordt neergeworpen, zoals een zaaier doet met het zaad dat hij aan de akker toevertrouwt. Hij strooit het voor zich uit. Vs 7 wordt geciteerd in Heb. 1:6 naar de Septuagint, die goden in engelen verandert.
Psalm 98
Zie voor vs 1 Ps. 96:1. De zege van vs 1 is weergave van het hebr. woord voor heil, bevrijding. Gods heilige armof arm van zijn heiligheid houdt in dat zijn arm die wonderen doet, zijn heiligheid tot gelding brengt. Gods kracht paart zich aan zijn heiligheid. Zijn gerechtigheid, die volgt op de bekendmaking van zijn bevrijding en verlossing – door zijn rechterhand en arm reeds gewerkt – is verbonden met het slot (vs 9): Hij zal de wereld richten in gerechtigheid. Bij alle treffende overeenkomst met Ps. 96:13 is het toch de vraag, of niet het werkwoord richten erop duidt, dat er twee zijden aan deze gerechtigheid zijn. God houdt vast en onderhoudt de gemeenschap tot heil, maar tevens houdt Hij zich aan de normen, die Hij Israel en de volken gesteld heeft, en het heil dat zijn hand en arm bewerkt, betekent dat degenen die zich niet willen neerwerpen om Hem te kennen en te erkennen, veroordeeld worden.
Opvallend is in vss 2-3 de wijze waarop Israel onder het gedenken van God aan zijn goedertierenheid en waarheid staat ingeklemd tussen de volken, die Gods heil en gerechtigheid zien, en de einden der aarde, die zijn heil schouwen. De God van Israel heeft het goede voor met zijn volk èn met de gojim. Zelfs aan het einde, aan de rand der aarde wordt zijn heil gezien. Daarom kan Hij niet genoeg geprezen, bejubeld en groot gemaakt worden: lier, snarenspel, trompetten en bazuin moeten dienen om de Koning, de HERE te verheerlijken. Vss 7-9 doen behalve met gedeelten uit Jesaja een treffende overeenkomst zien met Ps. 96:11-13. Vgl. met vs 13 voor het richten van de volken in wat recht is, Ps. 96:10.
Psalm 99
Zie voor het thema van het koningschap van God onder Ps. 97. Ipv. het juichen vanwege het feit dat de HERE het koningschap op zich genomen heeft, is er nu sprake van een beven en sidderen. Hij wordt geloofd vanwege zijn grootheid en heiligheid en omdat Hij te vrezen is. Tweemaal wordt het concrete recht bezongen, dat de Koning uitvoert, vs 4. De volken die Gods naam loven, vinden een voorbeeld van zijn rechtdoen en zijn gerechtigheid, die gemeenschap met zijn volk sticht, in Jakob. De woorden ‘in Jakob’ zijn te verstaan in verband met vs 2: in Sion. De sterkte van de Koning kan bezwaarlijk (vs 4) onderwerp zijn van het liefhebben. Daarom is de vertaling: en de sterkte van de Koning die het recht liefheeft, te prefereren. Vs 5 verklaart dat het verhogen of verheffen van de HERE samenvalt met het zich neerwerpen voor de voetbank van zijn voeten. Gezien vs 9 moet de uitspraak: de HERE, onze God, wel verstaan worden als gesproken door Israel. Bovendien is het ‘onze God’ gegrond in de vergeving ofwel het dragen van de zonden van het volk.
Nadat in vss 3 en 5 tweemaal van de heiligheid des HEREN sprake is, wordt nu de dienst van Mozes, Aäron en Salomo verteld als een inleiding tot de derde maal dat God heilig genoemd wordt en de tweede maal waarop zijn volk wordt uitgenodigd om Hem te verhogen en zich voor Hem neer te werpen. De heiligheid van God betekent dat Hij de gans Andere is, dat Hij op Sion tussen cherubs en serafs woont en dat Hij gediend moet worden. Hij verdient de verhoging en verheffing, waar de psalmist tweemaal toe uitnodigt.
Het spreken tot hen (vs 7) moet worden verstaan als een spreken tot Jakob di. Israel. Gods heerlijkheid blijkt pas ten volle uit de wijze waarop zijn volk tot Hem roept en Hij zijn volk antwoordt. Daarbij is het onderhouden van Gods getuigenissen en inzettingen niet maar een voorwaarde voor de verhoring der gebeden, doch eerder een illustratie, waarom Mozes, Aäron en Samuël (vs 6) naast elkaar worden genoemd als degenen die zijn Naam aanroepen. Niet slechts de bidder, niet slechts de hogepriester, maar ook de wetgever is een aanroeper van de Naam des HEREN. En die drie aspecten zijn niet van elkaar te scheiden.
Zo staat ook in vs 8 de vergeving der zonden naast de wraak over de handelingen van de zijnen als kenmerk van Gods antwoord. In feite ligt dit alles in het zich verheugen en bejubelen van God naast het beven voor zijn aangezicht.
Let erop, dat in vs 9 de voetbank van Gods voeten is vervangen door de berg van zijn heiligheid, waardoor tweemaal in dit vers de heiligheid des HEREN genoemd wordt. Verder is het: Heilig is Hij, uitgebreid tot: Heilig is de HERE, onze God.
Psalm 100
Sterker nog dan in de voorgaande psalmen wordt hier de hele aarde of, volgens sommigen, alle landen geboden om voor de HERE te juichen als een lofoffer of ter gelegenheid van het lofoffer. Het dienen van deze God, lett. zijn knecht zijn, is een zaak van blijdschap. Ongehoord is dat de volken voor zijn aangezicht mogen komen met gejuich ipv. met beving vanwege zijn heiligheid. Er is kennelijk een toegang gemaakt voor de volken en landen tot de God van Israel.
Datgene dat de volken met Israel verbindt, althans dient te verbinden, is dat Hij hun gemeenschappelijke Maker is. De vertaling: en niet wij (SV en vele andere oude vertalingen) wordt tegenwoordig door velen vervangen door: en Hem behoren wij toe. Toch blijft de masoreti-sche tekst wat de medeklinkers betreft lezen ‘niet’ ipv. ‘hem’. Het feit dat de volken geschapen zijn door Hem, wordt (vs 3) uitgebreid tot de aanduiding: zijn volk, schapen van zijn weide. Zie voor de wijze, waarop God degenen die niet zijn volk zijn, toch zijn volk noemt, Hos. 2:22.
De volken die nu als zijn volk geteld worden, vgl. Ps. 87, gaan Hem in zijn voorhoven dienen, vooral met een danklied, maar dan ook met het zegenen van zijn Naam. Zij worden verwaardigd om Hem, hun Schepper en Herder, levenskracht toe te bidden. Het: prijst zijn Naam, vs 4, dient dan ook te worden vervangen door: zegent zijn Naam. Van dit grote wonder is Gods goedheid, zie Gen. 1 na elke scheppingsdag, en zijn goedertierenheid, zijn vasthouden aan het verbond de reden, alsmede zijn waarheid en trouw, die van geslacht tot geslacht zijn.
Psalm 101
De koning bezingt in deze psalm van David zijn ‘regeringsprogram’, dat zijn eigen huis en gezin en al wat bij hem in- en uitgaat, raakt (vss 2 en 7) en tegelijkertijd land en stad (vss 6 en 8) vervult van goedertierenheid en recht. Het regeringsprogram wordt bepaald door de beginseien van goedertierenheid, trouw aan het verbond tussen koning en volk, en tussen God en de koning en God en het volk (zie Ps. 89), en recht, dwz. het concrete recht doen, waartoe de koning als rechter geroepen is. De koning die dit beginselprogramma toonzet en bezingt, mag (vs 2) verwachten dat de HERE tot hem komt. Het is mogelijk dat in deze vraag: Wanneer zult Gij tot mij komen? een diep verlangen schuilgaat naar de toekomst des HEREN, wanneer de HERE definitief en eeuwig Koning zal zijn. Zo spreken ook Davids laatste woorden, 2 Sam. 23:3, van een heerser in de vreze van God. Het huis en gezin van David, dat juist in die laatste woorden zo’n hachelijk punt is, wil David hier tot een voorbeeld stellen: hij wil erin wandelen met een oprecht of volkomen hart. Hij mengt zich niet in belialsstukken, schandelijke zaken, nietswaardige en uitzichtloze dingen. Het verkeerde, verdraaide hart (vs 4) is een tegenstelling van het oprechte en volkomen hart (vs 2). Het kennen (vs 4) houdt gemeenschap in. Daar waar het in vs 5 niet bij het binnenste blijft, maar waar het kwaad tot daden overgaat, volstaat ook deze koning niet met een afwijzende houding, doch gaat hij over tot daden: tot zwijgen brengen (waarschijnlijker dan de betekenis ‘verdelgenden niet verdragen. Heel belangrijk is, wie de koning om zich als adviseurs heeft, en dezen zijn in zijn geval de getrouwen en degenen die net als hij (zie vs 2) volkomen en recht zijn in hun hart: hetzelfde woord als in vs 2 gebruikt hij in vs 6. Met name het bedrog (vs 7) duidt ook in de richting van de valse en bedrieglijke adviseur, de man van valse lippen als Doëg bij Saul. Ook in vs 8 is niet zozeer sprake van verdelgen alswel van doen zwijgen, aangezien hetzelfde werkwoord en dezelfde werkwoordsvorm gebruikt wordt als in vs 5. De eigenlijke bedoeling ligt in vs 8: uit de stad van Jahwe worden de werkers der ongerechtigheid uitgeroeid of afgesneden. Hoogstwaarschijnlijk sluit het feit dat dit elke morgen geschiedt, aan bij het morgenoffer. De koning die in de poort zit, heeft de gelegenheid om door de rechtspraak en door het recht doen de werkers der ongerechtigheid uit de stad te verwijderen.
Psalm 102
Het opschrift geeft duidelijk aan, wie de componist van deze psalm is: een ellendige, een neergebogene. De beschrijving van Sion en de hoop op herstel wijzen in de richting van de ballingschap. Vss 1-12 bestaat uit een gebed (vss 2-3) en het aangeven van de reden tot dit gebed. Vss 13-23 belijden de zekerheid van God en zijn koningschap en vandaaruit het zicht op herstel van Sion. Vss 24-29 verbinden het eerste en het tweede: de vergankelijkheid van de neergebogen psalmist komt te staan in het teken van Gods eeuwigheid.
Vs 2 schildert het komen van het hulpgeroep tot God, vs 3 het openbaren van Gods aangezicht voor de psalmist en het antwoorden van God. Bang te moede is weergave van een woord dat lett. betekent: benauwd. Het bezwijken van de psalmist verklaart het vragen om haast bij Gods antwoord. Voor het beeld van vuur en rook vgl. Ps. 22:15; 31:11; 37:20 en 68:3. Vs 5 is het vergeten brood te eten niet oorzakelijk verbonden met het vorige. Daarom is het beter om ipv. ‘want’ ‘ja’ te vertalen: mijn hart is verzengd en verdord als gras (kruid), ja, ik vergat mijn brood te eten. Ook vs 6a: vanwege mijn luide zuchten, kan beter bij vs 5 gelezen worden dan bij vs 6. De pelikaan, steenuil en eenzame vogel worden genoemd vanwege hun geïsoleerde positie, waarmee de psalmist zich vergelijkt. Sommigen lezen in plaats van een pelikaan een watervogel. In elk geval geldt hij als een onreine vogel, zie Lev. 11:18, en bovendien is de toevoeging ‘in de woestijn’ een aanduiding, dat hij wel degelijk in de wildernis thuishoort. Zo kan hij met de andere vogels een beeld zijn van de verlatenheid van de psalmist. Vss 9-11 voegen aan het eerder genoemde de ‘vloek’ der vijanden en de toorn van God toe. Lett, staat er (vs 9) dat zijn vijanden hem smaden, en dat degenen die met hem de spot drijven, als vorm van spot bij hem zweren. Deze betekenis is aannemelijker dan die van vloeken. Zij zweren bij hem, omdat hij zo vergankelijk is, er geen enkele zekerheid in zijn leven is, en dus een eed, in zijn naam afgelegd, onzin is. Vs 9 is dus vol van spot. In vs 11 is Gods toorn zijn vloek, die samen met Gods toorn daaruit bestaat, dat Hij de psalmist verwerpt, vgl. Job 30:22 en Jer. 7:15. Achter deze verzen staat het beeld van de ballingschap.
De tweede strofe bezingt Gods eeuwigheid en gunst. Uw naam (vs 13) is weergave van het werkwoord gedenken, dat niet direct de naam des HEREN behoeft aan te duiden, evenzeer het gedenken van God aan Israel kan bedoelen. Als gevolg van dit gedenken staat God op en erbarmt Hij zich over Sion, omdat de tijd om haar genadig te zijn, de afgesproken of vastgestelde tijd, is gekomen. Deze vastgestelde tijd kan zien op de beloften van God, en dit is temeer waarschijnlijk, omdat een méns erover spreekt en ervan weet. Let op het drievoudige ‘want’, dat we ook in de eerste strofe enkele malen tegenkwamen. Tweemaal wordt want op God toegepast, de derde maal op Gods knechten, die behagen hebben om Sion weer op te bouwen. Zij bewijzen genade aan het kruis van Sion overeenkomstig het genadig zijn van God, zoals dat vs 14 is beschreven. In plaats van de knechten des HEREN te identificeren doen wij er verstandig aan, ons te verwonderen over het feit dat er knechten van Hem zijn, hoewel zolang reeds de tempel leeg staat en tot een ruïne vervallen is. Want de tempel is in deze psalm het belangrijkste deel van Sion. God zelf zal Sion bouwen en zijn heerlijkheid, zijn gewicht in haar herbouw openbaren. Daarop zullen de volken de Naam des Heren en de koningen zijn heerlijkheid, zijn gewicht, de betekenis van deze Koning vrezen. Hij die Sion bouwt, wendt zich tot het gebed van de naakte, de ontblote. Duidelijk wordt hier het gebed van de eenzame psalmist gelijkgesteld met de nood van Sion, de ontmuurde, de ontblote stad. Het was niet puur om eigen nood dat de psalmist God aanriep. Sommigen gaan zover dat zij dan ook de psalmist met het volk in ballingschap gelijkstellen. Omdat God gedenkt aan Israel van geslacht tot geslacht, moet wat gebeurt in de bouw van Sion, worden opgeschreven voor het volgende of voor het latere geslacht en het volk dat geschapen wordt. In ‘scheppen’ is meer te horen dan alleen dat het om een volgend geslacht gaat. Het wonder van God is dat Hij Sion herbouwt en ook een volk schept om in Sion te wonen en zijn lof te verkondigen. Dit volk wordt geschapen, doordat God het zuchten der gevangenen (ballingen) verhoort en de kinderen van de dood losmaakt. En ook nu is het vertellen en loven van de Naam des HEREN in Sion en Jeruzalem het doel. Wanneer het zo met de knechten des HEREN gaat, dan komen de volken en koninkrijken om God te dienen. Zij verzamelen zich op één punt: Sion wordt het middelpunt der aarde. De laatste strofe is een verbinding van de klacht van de psalmist, waarin de woorden van Hizkia Jes. 38:10 doorklinken en waarin de psalmist een beroep doet op de jaren des HEREN, die zijn tot in het geslacht der geslachten, dwz. door alle geslachten, door alle generaties heen. Ook deze klacht begint met de belijdenis dat hij een ellendige, eengebogene is, vgl. vs 1: Hij heeft op de weg mijn kracht neergebogen. Die weg is kennelijk niet zozeer de levensweg, alswel de weg van Sion naar het land van de ballingschap. Zelfs hemel en aarde zullen vergaan, maar de HERE zal staan (vs 27) en blijft Dezelfde en zijn jaren komen niet tot een eindpunt. Dat Hij de eeuwige is, blijkt daaruit dat de zonen van zijn knechten (zie vs 15) wonen en hun nageslacht bestendigd is voor Gods aangezicht.
Vss 26-28 worden geciteerd in Heb. 1:10-12.
Psalm 103
Deze psalm van David vertoont een zeer sterke compositie, waardoor in feite de hele psalm verklaard kan worden. Zij begint en eindigt met het zegenen van de HERE. De ziel van de psalmist kent Gods heilige Naam levenskracht toe, en in dit zegenen vergeet hij niet, slaat hij niets over van alles wat de HERE voleindigde, wellicht hier met weldaden te vertalen. Deze voltooide daden des HEREN bestaan uit drie delen, elk door een of meerdere deelwoorden ingeleid: Hij is vergevende alle zonden, Hij is genezende alle ziekten, Hij is loskopende het leven uit het verderf of de groeve, Hij is kronende met goedertierenheid en ontfermingen, Hij is verzadigende voor immer met het goede, zodat de jeugd van de psalmist zich vernieuwt als die van de adelaar.
Vss 6-18 of 19 beschrijven de daden des HEREN aan Israel en aan de afzonderlijke mens, de sterveling. Het begin is gerechtigheid (gemeenschap tot heil) en het uitoefenen van recht aan al degenen, aan wie onrecht geschied is. Let op ‘al degenen’, in overeenstemming met het vergeven van alle ongerechtigheden en het genezen van alle ziekten. Na gerechtigheid en recht komt de openbaring van Gods wegen en daden aan Mozes en Israel. In dit alles is de HERE barmhartig en genadig: Hij ontfermt Zich (zie vs 13) en Hij schenkt gunst, Hij is lankmoedig en groot van goedertierenheid, rijk in het vasthouden aan het verbond. Dit wordt uitgelegd in een viervoudig niet: niet twisten, niet toornen, niet naar onze zonden en niet naar naar onze ongerechtigheden. Thans komen drie vergelijkingen: zo hoog de hemel is boven de aarde, zo geweldig is Gods goedertierenheid boven wie Hem vrezen. Zo ver het oosten van het westen verwijderd is (of: de opgang van de avond verwijderd is), zo ver verwijdert Hij van ons onze overtredingen. Zoals een vader zich over de zonen ontfermt, ontfermt Zich de HERE over wie Hem vrezen, vgl. vs 11 slot. Vanuit dit wezen van God is er nu een diepe bekommernis met de sterfelijke mens. Déze God weet, dwz. bekommert Zich erom, dat wij een maaksel, een beeld, een vorm van klei zijn, en Hij gedenkt hoe Hij ons gemaakt heeft uit stof.
Onder deze ontferming van God is de mens een sterveling. Hij zou voor altijd als gras en kruid zijn vergaan, vgl. Jes. 40:6-8, ware het niet, dat de trouw van God aan zijn verbond is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen en zijn gerechtigheid, zijn gemeenschap tot heil aan de zonen van de zonen (vgl. vs 13), aan hen die Gods verbond en bevelen onderhouden. Nu eindigt de psalm met een lofzang op het koningschap van de HERE en met het viervoudig herhaalde: zegen(t), waarmee de psalm ook begon. Gods koningschap in de hemel geeft aan zijn troon zekerheid en alomvattendheid. Zijn engelen, zijn boodschappers doen zijn woord, doordat ze gehoorzamen aan de stem van zijn woord, vgl. Ps. 19. Zijn legerscharen, naar wie de HERE Jahwe Tsebaot heet, doen zijn welgevallen. Zijn werken loven Hem alle aan ólle plaatsen van zijn heerschappij. En de psalm eindigt, zoals zij begon: zegen, mijn ziel, de HERE.
Psalm 103 wordt niet geciteerd in het N.T.
Psalm 104
Deze psalm begint en eindigt op dezelfde wijze waarop Ps. 103 begint en eindigt: zegen, mijn ziel, de HERE. Hierom en vanwege het ontbreken van een opschrift kan men menen, dat de twee psalmen door één en dezelfde psalmist gecomponeerd zijn, indien men niet de gedachte is toegedaan, dat zij oorspronkelijk een eenheid vormen. Mogen zij in metrum en taal onderscheiden zijn, men kan de themata zeer goed met elkaar verbinden: God openbaart zich en wordt gezegend in de geschiedenis en in de schepping. Vss 2-4 worden Gods grootheid, majesteit en luister in een aantal deelwoorden uitgelegd, waarin evenals in het vervolg de scheppingsdagen zijn te herkennen. Nadat Gods plaats in de hemel is beschreven, wordt nu de vastheid van de aarde (vs 5) en de scheiding tussen het droge en de wateren omschreven. Het rijzen en dalen van bergen en dalen (vs 8) onderstreept, dat er voor de wateren nu een vaste plaats is, waarvan zij de grenzen niet overschrijden. Voor vs 9b: zie Gen. 9:11-17 en Job 38:8- de volgende strofe gaat het om de wilde dieren, die de aarde bewonen, en om het gebergte dat God te hunnen behoeve drenkt. Met Gods werken (vs 13) zijn zijn scheppingswerken bedoeld, en met de vruchten datgene wat God vanuit die scheppingswerken laat geschieden: Hij drenkt immers de bergen vanuit.zijn opperzalen, waar Hij (vs 3) de wateren had opgeborgen. Vanaf vs 14 volgt een strofe waarin oa. de mens temidden van brood en wijn beschreven wordt. En wel zo, dat ook die mens, die in vs 15 als de sterfelijke mens, wordt aangeduid, dienst verricht aan het vee en de bewerking van de aarde. Dat in vs 16 van de bomen des HEREN gesproken wordt, waarmee kennelijk de cederen zijn bedoeld, heeft te maken met het altijd groene van de cederen, met het feit dat het om geweldige bomen gaat en tenslotte met de opmerking dat de HERE Zelf de cederen heeft geplant. Aan de groei van de cederen op de Libanon kan immers een mens niet toedoen. Het is eenvoudig een wonder van God.
In de strofe, die met vs 19 begint, gaat het om maan en zon en de tijden, die met hen gegeven zijn. De duisternis wordt in dit verband niet als iets afschrikwekkends geschilderd, maar als de tijd van de wilde dieren, terwijl de dag de tijd is van de mens om te werken.
De volgende strofe spreekt (vs 24) van de talrijkheid van de werken des HEREN, nadat het dagwerk van de mens genoemd is. Het laatste woord van vs 24 wordt door SV met goederen, door NBG en vele anderen met schepselen weergeven. Nadruk ligt ivm. de talrijkheid, op de volheid van die goederen op aarde. De uitgestrektheid van de zee en de verscheidenheid van de zeedieren, oa. de Leviathan, één van de zeemonsters, uit Gen. 1:21, onderstrepen die volheid en dat talrijke. Verschil in vertaling is er bij het slot van vs 26: om ermee te spelen, of: om erin te spelen. In het eerste geval – zo NBG – speelt de HERE met de oermonsters. In het andere – zo klassieke vertalingen als SV ea. – speelt de Leviathan in de zee. De eerste vertaling kan dienen om de verhevenheid van God uit te drukken. Datgene waar wij voor vrezen, is speeltuig in zijn handen. Nog nauwkeuriger dan in vs 21 bij de wilde dieren gebeurde, wordt hier aangegeven, hoe die volle en uitgebreide watermassa leeft van de bewegingen van God en daarop wacht. Hij kan te eten geven en zijn hand openen, maar Hij kan ook zijn aangezicht verbergen, vgl. Ps. 30, en dan geschiedt met de zeedieren wat met de mens geschiedt, wanneer God zijn aangezicht verbergt: zij sterven. Door Gods Geest, zie Gen. 1:2, worden de dieren geschapen en is er nieuw leven. Ditzelfde geldt voor de hele aarde, die immers (vs 9) niet weer door wateren zal worden bedekt.
De psalm sluit af met een loflied, dat begint met de heerlijkheid, het gewicht, de betekenis des HEREN. God ver-heuge zich in zijn werken en het bezig zijn van de psalmist geve de HERE vreugde, het zij Hem aangenaam. Bovendien neemt hij zich voor, zich in de HERE te verheugen door psalmgezang. Het einde van Gods werken is dat geen zondaar of kwaaddoener meer op aarde bestaat.
Vs 4 wordt Heb. 1:7 en vs 12 Mat. 13:32 geciteerd.
Psalm 105
Ook deze psalm heeft geen opschrift. Zij begint niet met het zegenen van de HERE, zoals de vorige psalmen, maar met het danken van Hem en het aanroepen of uitroepen van zijn naam en het bekendmaken van zijn daden onder de volken. In een aantal werkwoordsvormen wordt het roemen in zijn heilige naam, het vragen naar en zoeken van de HERE en het gedenken aan zijn wonderen, vgl. vs 5 met vs 2, bevolen. Het nakroost van Abraham en de zonen van Jakob worden door God gebruikt en opgeroepen om de volken te zeggen, wie de HERE is.
Gods wonderen worden nu in een lange historische rij vermeld. Hij oefent zijn gerichten uit over de hele aarde (vs 7) en Hij gedenkt aan zijn verbond tot in eeuwigheid, dwz. dat Hij degenen met wie Hij een verbond sloot, voor eeuwig voor zijn aangezicht stelt. Concreet wordt dit verbond, deze eed, in de toekenning van het land der belofte (vs 11) als een erfenis, die Israel van God ontvangt.
De vervulling van dit verbond en deze eed geschiedt door merkwaardige middelen: toen het volk uit enkelingen bestond en als vreemdeling zonder land rechteloos was, heeft God het niet laten verdrukken – iets dat normaal geweest was in de wereld van het oosten. Opmerkelijk is het noemen van Gods gezalfde (vs 15). Men kan in het woord gezalfden zowel als in de aanduiding profeten overeenkomstig Gen. 14 en 20 een toespeling op de aartsvaders lezen. Het feit dat God koningen met deze woorden bestraft, duidt aan dat de aartsvaders door Gods woord en toedoen een koninklijke positie innamen. Deze eerste vijftien verzen van de psalm keren terug in 1 Kron. 16:8-22.
Het toebereidende werk voor Israel wordt vervolgens duidelijk uit het vooruitzenden van Jozef (vs 17), die uit de vernedering en de gevangenis wordt verhoogd door de vervulling van Gods woord, dat Jozef louterde of in het gelijk stelde. De laatste betekenis past bij de verlossing van Jozef uit de gevangenis het beste, de eerste zou meer zien op wat in Potifars huis is gebeurd. Maar in dat verband wordt in de geschiedenissen van Jozef niet van een speciaal woord van God gesproken. Ook nu, evenals vs 14, moet de koning van Egypte meewerken om Jozef van knecht of slaaf (vs 17) tot heer over zijn huis en al zijn bezit te stellen. Toen Jozef de vorsten van farao door diens ziel of naar zijn wil bond en de oudsten een wijsheid leerde, die kennelijk in Egypte niet voorhanden was, was de tijd gekomen dat Israel naar Egypte kwam. Ook nu weer hetzelfde als in de geschiedenis van Jozef. Zoals Jozef van slaaf tot heer werd, zo werd Israel van vreemdeling tot een volk dat machtiger was dan zijn… tegenstanders (vs 24). Op het ogenblik dat Israel krachtiger wordt dan de volken, worden de volken zijn vijand. De reden van de haat is niet gelegen in een speciale handelwijze van Israel, maar eenvoudig in Israels vruchtbaarheid en in de macht, die zich in de veelheid van Israels zonen openbaart, zie begin Exodus. Ook nu zendt God een man, Mozes, vgl. bij vs 17, een knecht van God, en Aäron, een uitverkorene van God. Het woord slaaf, dat (vs 17) de neergang van Jozef in de gevangenis omlijst, wordt in vs 26 als eretitel voor Mozes gebruikt. Werden in vs 2 reeds Gods wonderen genoemd, nu zijn tekenen en wonderen in de zin van hemelse verschijnselen en voortekenen. Vss 28-36 sommen de plagen van Egypte als tekenen op. De woorden (vs 28): en zij waren tegen zijn woorden niet weerspannig, leveren bij de uitleg problemen op. Een oude joodse uitleg laat hen slaan op Mozes en Aäron. Anderen lezen er een vraag in: waren zij (de Egyptenaren) tegen zijn woorden niet weerspannig? De lezing, waarbij het volk van God bedoeld zou zijn, is zeer gezocht. Wellicht wordt de duisternis bedoeld, die luistert naar het woord van God itt. de Egyptenaren. Het meervoud ‘zij’ kan dan verklaard worden uit de dubbele uitdrukking: Hij zond duisternis èn maakte het duister. Let overigens op het ook hier gebruikte ‘zond’, dat tevoren voor de zending van Jozef en Mozes en Aäron gebruikt werd. De gezondene is tevens gezalfde. In één adem met deze tekenen en wonderen wordt nu de uittocht verhaald, omdat die immers opnieuw een bewijs is van de wonderen van God in de geschiedenis: door lijden tot heerlijkheid. Dat de uittocht zonder struikelen geschiedt, betekent dat God een volkomen werkdoet. Net als bij Jozef zijn ook nu de rollen omgekeerd: Egypte vreest voor Israel, vs 38, vgl. Ex. 15:16.
In de laatste strofe is daar allereerst de aanwezigheid van God in vuurkolom en wolkkolom, vervolgens voedsel en drank, en dit alles eveneens als een wonder. De wonderen uit het begin van de psalm keren nu terug en zo ook het verbond met Abraham en Gods belofte, zijn heilig woord, zijn eed, vgl. vs 9. De vreugde van Egypte (vs 38) is niet te vergelijken met de blijdschap, de jubel, waarmee God Israel uitvoerde. De overwinning, die vrucht is van Pasen (Pésach, Exodus), blijkt uit de omkering van de verhouding: Israel dat ooit onder de bescherming van God als vreemdeling onder de volken verkeerde, vss 1213, is nu de erfgenaam geworden van wat de volkeren bezaten, zie vs 11. Maar het doel van dit alles is de onderhouding of bewaring (shamar) van Gods inzettingen en het bewaren (natsar) van zijn tora.
Psalm 105 wordt niet in het N.T. rechtstreeks geciteerd.
Psalm 106
In Psalm 106 wordt de geschiedenis verder doorgetrokken en gaat het om wat Israel met Gods inzettingen en zijn tora heeft gedaan.
Deze psalm die begint en eindigt met Halleluja, bezingt in de eerste vijf verzen de grootheid des HEREN en bidt in diezelfde verzen om het welbehagen en het heil van God voor de psalmist, voordat hij de geschiedenis vertelt van het volk, waar hij ten nauwste mee verbonden is.
Er pleit veel voor de gedachte dat deze psalm en de vorige van dezelfde psalmist stammen. Van de ik-stijl gaat de psalmist in vs 6 over in de wij-stijl. Wij hebben gezondigd mèt onze vaderen, houdt meer in dan: evenals onze vaderen. Het kan betekenen dat de latere generaties in die vaderen gezondigd hebben, of ook dat zij gezondigd hebben in geméénschap met die vaderen. Er is dan in de zonde een diepe en taaie verbondenheid (zie Ps. 51). Opvallend is de opsomming, waarin het ene werkwoord op het andere volgt: wij hebben gezondigd, wij hebben ongerechtigheid gedaan, wij hebben misdadig gehandeld, vs drie regels worden dan de zonden der vaderen in Egypte opgesomd, waarvan twee bestaan in het niet letten op en het niet gedenken. Wat elders van farao en zijn volk gezegd wordt, namelijk dat ze niet letten op wat God deed, geldt nu van Gods eigen volk. Daarop antwoordt God echter met bevrijding, verlossing. Aan het eind, in vs 47, keert het werkwoord ‘verlossen’ in het gebed van de psalmist terug. De reden waarom God hen verlost, is zijn naam (zo ook vs 47) en zijn kracht. Die kracht, die heldenkracht die Hij wil bekendmaken, komt uit in de weg door het water en in het bedekken van de vijand met de wateren. Hier gelooft Israel zijn woord, terwijl later zal blijken, zie vs 24, dat zij in de toekomst zijn woord niet geloven. Het zingen van Gods lof herinnert aan het lied van Mozes en Mirjam, Ex. 15. Dit hele gebeuren bij en door de Rode Zee is een verlossing, vs 10.
Dan herhaalt zich (vs 13) de zonde van het vergeten of niet gedenken, waarvan (vs 7) in Egypte reeds sprake was. Het niet geloven is een niet gedenken, een niet van betekenis achten voor het heden van wat God zegt. Opmerkelijk genoeg gaat deze zonde samen met die tegen het tiende gebod: gij zult niet begeren, nu in de zin van verzoeken, zie Ps. 95. Terwijl God het volk geeft wat zij begeren, zendt Hij een magerheid aan hun ziel, dwz. hun eigenlijke leven lijdt honger. Hoeveel zij ook krijgen, het verzadigt niet. De afgunst tegen Mozes en Aäron wordt Num. 16 beschreven, en de zonde van het gouden kalf Ex. 32. Duidelijk is dit aantasten van Gods gezalfden en deze zonde van afgoderij gevolg van die magerheid aan hun ziel, waar vs 15 van spreekt. Hun eer (vs 20) betekent, dat God aan het leven van Israel betekenis en zwaarte toekent. Hem verruilen voor andere goden betekent dat het volk zichzelf tekort doet, in feite hetzelfde als de magerheid aan de ziel van vs 15. Vs 21 herhaalt het motief van het vergeten, vgl. vss 7 en 13. Dit vergeten is verbonden met de eerder genoemde verlossing en Verlosser uit Egypte. Israel vergeet de God van de Exodus en snijdt de tak door waar het op zit. ZoalsAäron in vs 16 de heilige des HEREN heet, zo Mozes in vs 23 zijn uitverkorene, voornamelijk daarin dat hij voor Israel bij God in de bres staat en zo als voorspreker, zie Ex. 32, voorkómt dat Israel verdelgd wordt. Ps. 105:26 heet Mozes Gods knecht en Aaron Gods uitverkorene. Voor het versmaden of misachten (vs 24) zie Num. 14, en voor het ongeloof vgl. vss 7 en 13. Zie voor de eed (vs 26) Num. 14:28 w. Het verstrooien over de landen staat itt. het land dat kostbaar is, maar dat zij versmaadden. Vs 31 herinnert aan Gen. 15:6. De toevoeging van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid verklaart het altoosdurende karakter van het priesterschap, vgl. Ps. 110. De verklaring van Num. 20:8 w. in vss 32-33 als zonde tegen de Geest van God komt ook voor Jes. 63:10. Het verdelgen (vs 34) herinnert aan vs 23. Ook het niet verdelgen van de volken is zonde tegen het woord van de HERE. Vs 35 w vat de geschiedenis van het boek Richteren samen. De zonde van afgoderij eindigt (vs 38) in bloedschuld. Voor bloed dat het land ontwijdt zie Num. 35:33 en Jes. 24:5 en 26:21. Nadat de afgoderij overspel genoemd is, wordt Gods toorn op de meest verschrikkelijke manier samengevat: Hij gruwde van zijn erfdeel. Dit erfdeel, dat bestemd was om voortdurend Gods eigendom te zijn, houdt hetzelfde in als de woorden: zijn volk. Israel is Gods erfdeel. Maar nu heeft Hij een afschuw van zijn erfdeel en maakt Hij het tot iets afschuwelijks. In vss 4142 keert Egypte terug. Daar past ook het bevrijden van vs 43 bij. Voor het weerspannig zijn, zie vss 7 en 33. Hun raad staat to. Gods raad, vgl. vs 13. Toch is er een macht, die groter is dan die van al de genoemde zonden: vss 44-45 het zien van de benauwdheid van Israel door God, het horen van hun gejammer, vgl. Ex. 2:23-24; het gedenken aan zijn verbond en het berouw hebben naar de veelheid van zijn goedertierenheden. Vs 46: zie Gen. 43:14 en 1 Kon. 8:50. Het is de vraag of dit vers nog ziet op de vijanden uit de Richterentijd, zoals de Filistijnen, of dat het gelezen moet worden tegen de achtergrond van de ballingschap.
Nadat in vs 47 de psalm is afgesloten met een gebed dat overeenkomt met dat van vss 4-5 (met dit verschil dat wat aan het begin in enkelvoud staat, nu in meervoud door het volk gebeden wordt), sluit het vierde boek der psalmen op de gebruikelijke wijze af, zie inleiding.
Psalm 107
De eerste psalm van het vijfde boek der psalmen begint op dezelfde wijze als Ps. 106 en vele psalmen na deze. Deze dankzegging past in de mond van de verlosten, de bevrijden die losgekocht zijn. De bevrijden zijn tegelijk de verzamelden, vgl. vss 2-3, met Ps. 106:47. Velen denken aan de vergadering van de ballingen uit de ballingschap.
Van dit verlossende en vergaderende werk worden nu vier voorbeelden gegeven. Vss 4-9 spreken van een dwalend volk dat hongerig en dorstig is en waarvan de ziel versmacht, vgl. Ps. 106:15. De HERE redde hen echter van de (doods)angsten en van de benauwdheid. Deze redding hield in dat er een effen weg ofwel een rechte weg van Godswege was naar de stad ter woning, die zij (vs 4) tevergeefs zochten. De eenzame weg, de woeste weg van vs 4 staat to. de rechte weg van God. In alle vier voorbeelden komt de aansporing om God te danken vanwege zijn goedertierenheid en wonderen voor, maar in elk van de vier wordt een onderscheiden reden opgegeven. Hier in vs 9 is dat het lessen van de dorst en het verzadigen van de honger, waar immers (vs 5) de woestijnreiziger aan gekend wordt. Het is niet ver gezocht te veronderstellen, dat Israel bedoeld is, dat gedwaald heeft in de woestijn.
In de tweede strofe komt de zonde als oorzaak van de ellende duidelijk uit, zie vs 11. Het beeld van donkerheid en diepe duisternis past bij de ballingschap, zie Jes. 42:7, waar het verlossen daaruit het werk van de Knecht des HEREN is. Voor het weerstreven van Gods woord en versmaden van zijn raad (vs 11) zie onder Ps. 106:13 en 24-25. Het vernederen en laten struikelen (vs 12) is het werk van God. Nu herhaalt zich het thema: zij riepen en Hij verloste hen. Zoals in de eerste strofe Gods rechte weg stond to. hun woestijnweg, zo staat nu in vs 14 het uitvoeren van God to. hun donkerheid en diepe duisternis. Ook hier heeft het danken van de HERE om zijn goedertierenheid en wonderen een eigen reden: Hij die (vs 9) gezegd werd de dorstende ziel gelaafd en de hongerige met goed vervuld te hebben, heet hier de God die koperen deuren heeft verbroken en ijzeren grendels verbrijzeld ofwel zijn gevangen volk uit de gevangenis (oa. de ballingschap) verlost.
Ook de derde strofe, het derde voorbeeld geldt mensen die om eigen wandel vol overtredingen en ongerechtigheden als dwazen gepijnigd werden. Of het een ernstige ziekte is of een andere vorm van lijden, in ieder geval worden ze door eigen schuld tot aan de rand van het graf gebracht. Het beeld van de ziekte komt overeen met de genezing door het woord des HEREN (vs 20), een genezing van een dodelijke kwaal. Opnieuw de aansporing tot dankzegging, dit keer niet gevolgd door vermelding van een reden, ingeleid door ‘omdat’, maar door de extra aansporing om dankoffers te offeren en met gejubel zijn daden te vertellen, vs 22.
De volgende strofe, het laatste voorbeeld betreft hen die op de zee neerdalen of de zee afdalen in schepen. Maar in dit geval gaat het zien van de daden en wonderen des HEREN aan de benauwdheid vooraf. Ook is in dit geval niet hun zonde in het geding, maar de levendige beschrijving van een storm op zee (vss 25-27). Met de ‘wijsheid’ (vs 27) wordt uiteraard de stuurmanskunst bedoeld, die moet helpen om hieruit te geraken. Nadat in vs 6 van uitredden en in vss 13 en 19 van verlossen, bevrijden sprake was, wordt in dit laatste voorbeeld het werkwoord uitvoeren gebruikt in vs 28. Het stillen van de storm komt overeen met wat Jezus doet op de zee van Tiberias (Mar. 4:39). Zoals het redden uit de angsten en het voeren naar een stad ter woning (vss 6-7) onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn, zo hier het uitvoeren uit de angsten en het leiden naar de haven van hun begeren, vs 30. De haven is hier beeld van rust en veiligheid. Het hebr. woord voor ‘haven’ kan ook stad betekenen ter aanduiding van sterkte. Ook nu, evenals vs 22, geen reden, door ‘omdat’ ingeleid, njaar een extra aansporing om God te verheffen in de gemeente van het volk (vgl. Ps. 40) en Hem te prijzen met psalmen in de zitting der oudsten.
Het slot is een lofzang op de Strafgerichten van God, die de bozen met zoute grond (vs 34) ipv. vruchtbaar land vergeldt, maar hongerigen en armen doet wonen en gedijen en hen beschermt. Nadruk valt op het wónen van wie boos zijn op zoute grond, de aanduiding van de steppe in Job. 39:8 en Deut. 29:23. Hiertegenover staat het stichten van een stad ter woning voor en door de hongerigen, vgl. de hongerigen en dorstigen, die geen stad ter woning vonden, maar die toch van God ontvingen, vss 4 en 7. Opmerkelijk is de overgang van vs 38 naar feite is deze vermindering, veroorzaakt door de prinsen of edelen (vs 40), van voorbijgaande aard. Daarom kan vs 39 als bijzin bij vs 40 gelezen worden: verminderen zij dan toch en zinken weg door de druk of hinder van kwaad en kommer, dan giet Hij over de edelen verachting uit. Aan deze edelen voltrekt zich het eerste voorbeeld: dwalen in de wildernis zonder weg en zonder stad. De arme echter wordt beschermd en breekt uit in menigte. De rechten zien dit en verheugen zich, maar alle verkeerdheid of slechtheid moet zwijgen. Nog eenmaal keert een van de refreinen van deze psalm dan weer, nu ingeleid door de vraag of de bijzin: wie is wijs? of: wie wijs is… zie vs 27. De gunstbewijzen (vs 43) slot zijn de goedertierenheden des HEREN, waarvoor in elk voorbeeld gedankt wil zijn.
Psalm 108
Davids hart is niet: gerust (NBG), maar vast (Buber). Vgl. voor de eerste helft van deze psalm Ps. 57:8-12. De eer van David (met ja van harte te zwak weergegeven) al wat hij aan heerlijkheid en bezit heeft, moet dienen om God te verheerlijken. Dat deze dank God toekomt onder de volken en niet beperkt blijft tot Israel, is omdat Gods goedertierenheid boven de hemelen is, zijn trouw of waarheid tot aan de wolken en zijn heerlijkheid over de gehele aarde, vss 5, 6.
De tweede helft van deze psalm komt overeen met Ps. 60:7-14. Zie aldaar. De verschillende werkwoordsvorm voor juichen over Filistea in Ps. 60:10 en Ps. 108:10 is nauwelijks als een verschil aan te merken. Het is mogelijk om Ps. 60:10 als een juichen van Filistea over David aan te merken en Ps. 108:10 als een juichen van David over Filistea. Men kan deze psalm opvatten als een dankzegging en een gebed. Concreter is om te spreken van een vereren van God en een daarop gegrond verzoek of Hijmet David en Israels leger meetrekt om de vijanden te verslaan.
Psalm 109
God is de God van Davids psalmgezang (tehilla), en daarmee begint en eindigt de psalm (vs 30). Intussen is David een aangevallene, aangevochtene en aangeklaagde. Zijn vijanden bestrijden hem met name met woorden, die leugen en haat openbaren in ruil voor zijn liefde en kwaad voor goed (vss 4-5), maar hij antwoordt hen niet, doch is in gebed zoals de hebreeuwse tekst (vs 4b) het uitdrukt. Daarom vraagt hij God niet te zwijgen, maar in Davids plaats – die immers alleen maar bidt – te antwoorden. Zo de eerste vijf verzen niet de situatie van de rechtbank uitdrukken, dan leiden zij in ieder geval daarheen, want vss 6-7 stellen de vijand voor, wanneer hij voor het gericht gedaagd wordt en een goddeloze over hem of tegen hem gesteld wordt en een satan, een aanklager aan zijn rechterhand, vgl. Zach. 3:1. De aanklacht moge gevolgen hebben in de uitspraak, het vonnis: schuldig. Maw. de gevonniste is zelf even slecht als degene die (vs 6) over of tegen hem gesteld werd. Zelfs zijn gebed is zonde, vgl. met David die een en al liefde en gebed is, vs 4. Zijn dagen zijn weinige, een andere neme zijn ambt, een vers dat op Judas wordt toegepast, Hand. 1:20. Hij laat kinderen en een vrouw achter, die als rechtelozen over de aarde gaan, want van het in vs 6 beschreven gericht is voor hen geen goeds te verwachten. Van zijn bezit geldt wat een der grootste kwaden onder de zon is in de Wijsheidsboeken: dat het aan een vreemde toevalt, vs 11. Omdat niemand hem de goedertierenheid houdt, vs 12, dwz. met hem in een verbond blijft en niemand genade bewijst aan zijn wezen, wordt zijn nageslacht tot op zijn naam toe uitgewist: hij telt in het volgende geslacht niet meer mee onder de geslachten van Israel en in de toekomstverwachting voor Israels zonen. Dat is vanwege Gods gedachtenis aan de ongerechtigheid van zijn vaderen en de zonde van zijn moeder, vgl. Ps. 51:7. Hij was immers zelf niet gedachtig, vs 16, om goedertierenheid te bewijzen aan de neergebogene en arme. Zij moesten sterven. Nu sterft hijzelf en heel zijn nageslacht. Vs 17 beklemtoont aan de hand van de woorden vloek (licht achten) en zegen (levenskracht schenken), hoe het kwaad dat hij liefheeft, uitverkiest, op hemzelf neerkomt. Dit liefhebben staat in schrijnende tegenstelling tot de liefde, waarvan bij David vss 4-5 sprake is. Juist omdat aan het slot van dit gedeelte, in vs 20, verklaard wordt dat dit alles vanwege de HERE hem overkomt, is het goed te bedenken dat alles wat de leugenachtige bestrijder van David overkomt, gevolg is van de rechtspraak (vss 6-7). Daarentegen beroept David zich rechtstreeks op de HERE als zijn Here. God handele met hem naar zijn naam, de uitdrukking van zijn wezen. Deze Naam die als JHWH en Adonai (vs 21) wordt omschreven, is de reden waarom God de psalmist bevrijdt. In zijn Naam schuilt zijn goedertierenheid die goed is. Het beklemtoonde ‘Gij’, begin vs 21, past bij het beklemtoonde ‘ik’ in vs 22. God is goed in zijn goedertierenheid, David is ellendig, neergebogen en arm. Die twee ‘passen’ bij elkaar. Voor de zich verlengende schaduw zie Ps. 102:12. Het gaat om een schaduw die zich neigt.
Het voortdurende vasten is vergelijkbaar met het voortdurend gebed (vs 4). Zie voor vs 26 vs 21. Wanneer God in zijn goedertierenheid trouw is aan zijn verbond, dan is toeval uitgesloten: zowel wat de vijand overkomt, vss 620, als de verlossing van David zal dan duidelijk het werk van Gods hand zijn en dat zal bij vriend en vijand geweten worden. Vs 28 staat to. vs 17: ipv. vloek zegen voor David, ipv. verheffing te schande worden van zijn vijanden, terwijl Gods knecht zich mag verheugen. Die vreugde komt uit in dank aan de HERE en de reden waarom Hij temidden van de gemeente, zie Ps. 40, bezongen wordt, is dat Hij een Rechter is die aan de rechterhand van de arme staat om hem te verlossen van die zijn ziel richten. Het is het tegendeel van vs 6.
Psalm 110
Het opschrift boven deze psalm van David luidt in de NBG-vertaling: de priesterkoning des HEREN. Hiermee is deze zeer belangrijke en in het N.T. herhaaldelijk geciteerde psalm getypeerd. Jezus haalt vs Mat. 22:44 en parallelle teksten bij Mar. en Luc. aan om te bewijzen dat de Christus Davids Zoon en Davids Here is. Petrus gebruikt hetzelfde vers in Hand. 2:34-35 om aan te tonen dat niet David, maar Christus de Here ten hemel gevaren is. En in Heb. 1:13 geldt hetzelfde vers om het verschil in hoogheid en heerlijkheid tussen Christus en de engelen uit te drukken, terwijl 1 Kor. 15:25 het tweede deel van het vers: totdat Ik uw vijanden gelegd heb enz., betrekt op de wederkomst en het koningschap van Christus tot aan zijn wederkomst. Vs 4 staat in Heb. 5:6 en 7:17 en 21 achtereenvolgens voor het wettig karakter van Christus’ priesterschap: Hij is dit naar een ordening, en voor het onvergankelijke van het priesterschap van Christus alsook voor de eedzwering waarmee Zijn Vader Hem tot priester heeft gemaakt.
Overeenkomstig de belangrijkheid van de psalm bestaan er tal van suggesties om de priesterkoning te identificeren, van David af tot Simon de Makkabeeër toe. Het is ons echter niet gegeven om buiten de nieuwtestamentische uitleg van Jezus en de apostelen om te gaan, die wij vooral vinden in Mat. 22:42-45, 1 Kor. 15:25-28 en Heb. 5:6 en 10 en 6:20-7:24. Jezus onderscheidt David van zijn Here en laat er geen twijfel over bestaan dat Adonaj de Here van David is, zoals JHWH zijn God is. Tegelijk stelt Jezus vragenderwijs, dat deze Here Davids Zoon is. Wij hebben dus de priesterkoning te zoeken onder de zonen van David. Wanneer de woorden: aldus luidt het woord des HEREN, herinneren aan Num. 24:3-4 en 1516, dan is het zieners karakter en daarmee het profetische van dit woord in het geding. Davids Here, tegelijk Davids Zoon, is een persoon in de toekomst, tot wie de HERE in de toekomst zeggen zal: Zet u aan mijn rechterhand. Het gaat dan niet om de verordening van de Zoon van eeuwigheid, zoals vs 4, maar om het loon op zijn werk in de toekomst. Jezus geeft de verklaring, hoe David aan deze profetische uitspraak komt, door te zeggen in Mat. 22:43, dat David Hem in of door de Geest Here heeft genoemd. Wanneer de vijanden de voetbank van de koning zijn, dan regeert de koning over allen en alles. Het zitten aan Gods rechterhand en het delen in Gods gezag en macht wordt nu (vs 2) concreet gemaakt in het feitdat de machtige scepter of scepter van macht door God wordt uitgestrekt of gezonden uit Sion. Het hebr. werkwoord dat door ‘heersen’ vertaald is, betekent ook treden. Het wordt gebruikt voor het treden van wijn in een wijnpersbak. Deze betekenis past bij de vijanden die de voetbank van deze koning vormen. Dat dit treden en heersen temidden of in het gebied van de vijand geschiedt, betekent dat de vijand machteloos is en dat zijn gebied de koning van Israel is toegevallen. Op de dag dat de koning het volk monstert (de dag van uw heerkracht of heerban), bestaat het volk uit gewilligheid: het is één met de koning. De heiliging die van de sierlijke kleding afstraalt, is dan ook te verstaan als toewijding aan de zaak van de koning. Dat deze gewilligheid een wonder is, bewijst het vervolg: uit de schoot van de dageraad is de dauw van de jeugd van zijn leger. Zij zijn als dauw, fris en ontelbaar als de druppels, die op de koning neerdalen. De slotwoorden van vs 3 vertalen wij niet met ‘voor u’, zoals NBG, maar met ‘aan u’.
Zoals vs 1 vooruit ziet, zo ziet vs 4 terug. De HERE heeft een onberouwelijke eed gezworen, en het gaat kennelijk om dezelfde Persoon als in vs 1 vv. De Koning van Sion is dezelfde als de Priester in eeuwigheid. Tussen deze twee onderdelen van Gods eed (vs 4) staan dan nog de woorden: naar de wijze (NBG), naar de ordening (SV). Septuagint: kata tèn taxin, en zo ook in de nieuwtestamentische citaten. Gezien Luc. 1:8 is het niet voldoende, wanneer taxis met natuur weergegeven wordt, zodat het uitsluitend zou gaan om een overeenstemming tussen Jezus en Melchisedek in hun optreden en werkwijze en in hun verborgen herkomst en toekomst. Wel degelijk is ook het begrip orde van toepassing. Er is een indeling in de priesterlijke bediening, en hierin zijn Melchisedek uit Gen. 14 en Jezus van een geheel eigen orde en plaats: Zij zijn namelijk voor eeuwig priester.
Zo betekent dit woord niet alleen ‘wijze’ of ‘manier’, maar tevens zaak, bij voorbeeld wanneer het om een rechtszaak gaat. Het onderscheid tussen Jezus en de aardse priesters in Heb. bestaat niet bij gratie van een verschillende manier van priesterlijke bediening, maar het is gelegen in de verschillende taxis: was Hij op aarde geweest, dan was Hij geen priester geweest noch als zodanig geaccepteerd, omdat de Here uit Juda stamt en het priesterschap aan Levi en zijn huis is voorbehouden. Hij moet dus tot een heel bijzondere orde behoren, namelijk die van Melchisedek.
Opmerkelijk is dat deze onberouwelijke eed van God, die voor eeuwig geldt (en ook van eeuwigheid is), door David vermeld wordt tussen de dag van het monsteren van het leger en de dag van de grote slag. Zoals de HERE tot Davids Here zegt dat Hij Zich aan de rechterhand van God zal zetten, zo wordt nu mijn Here (Adonaj) in vs 5 beschreven in de uitvoering van het woord des HEREN. God had Hem beloofd dat zijn vijanden zijn voetbank zouden zijn, en overeenkomstig dit woord is nu de koning doende om de koningen te verslaan op een wijze die aan Ps. 2 herinnert. Het is alleen de vraag, wie mijn Here en wie u(w) is. Wanneer met mijn Here dezelfde Persoon als in vs 1 bedoeld wordt, dan kan met u(w) niet ook de priesterkoning bedoeld zijn. Wanneer echter in dit geval Adonaj Godzelf is, dan is met u(w) de priesterkoning bedoeld. De laatste uitleg is echter gezien het vervolg onmogelijk: deze dingen kunnen niet van Israels God gezegd worden. Zover gaan de anthropomorfismen in de Bijbel niet. Daarom moet de lezing van veel handschriften, die JHWH ipv. Adonaj stellen, zo SV en NBG worden afgewezen en zullen wij in de u(w) een ander moeten lezen, bijvoorbeeld de koning, van wie het volk zingt. Een andere mogelijkheid zou zijn, dat ‘Hij’ (vs 5b en volgende verzen) dezelfde is als u(w) en dat dan toch met de Here (Adonaj) de HERE bedoeld zou zijn. Logischer is echter om ‘uw rechterhand’ te vergelijken met ‘mijn rechterhand’ (vs 1) en de zin zo op te vatten: Adonaj is aan de rechterhand van God en ontleent aan de HERE de geweldige kracht, die Hem in staat stelt om te handelen in de strijd, zoals vss 5-7 verhalen. Het onderweg drinken uit de beek slaat niet op het hoofd over een groot land (beter dan: hoofden op het wijde veld, NBG), maar op Adonaj die overwinnend zijn weg gaat en alleen stilstaat om Zich te verfrissen en dan weer overwinnend verder trekt. Let op de tegenstelling: het hoofd van een groot land wordt verpletterd, maar Adonaj heft het hoofd op.
Psalm 111
Met deze psalm begint Hallel. God wordt gedankt en geprezen in de kring der oprechten, der gemeente, terwijl Ps. 112 de oprechte en zijn nakroost worden zaliggepre-zen. Achtereenvolgens worden Gods daden, zijn werk en zijn gerechtigheid geprezen.
Vanaf vs 4 worden die daden en dat werk omschreven. Hij doet zijn wonderen gedenken, dwz. Hij stelt hen tegenwoordig, Hij geeft voedsel, Hij gedenkt zijn verbond. Hij verkondigt de kracht van zijn daden aan zijn volk, door de erfenis van de gojim Israel te doen toekomen. Gods daden zijn waarheid en rechtsuitoefening, zijn verordeningen zijn getrouw, voor altoos en eeuwig gefundeerd, gedaan in waarheid en recht. Loskoping zond Hij zijn volk, Hij gebood zijn verbond voor eeuwig.
Nu eindigt de psalm met het wezen van God in zijn Naam en in zijn vreze. De zin: de vreze des HEREN is het begin(sel) der wijsheid, is het motto der wijsheid bv. Spr. 1:7 en 9:10, en komt in soortgelijke woorden voor in Job 28:28.
Ps. Ill is zo goed als Ps. 112 gerangschikt naar het hebreeuwse alfabet. Vs 2 wordt geciteerd in Op. 15:3.
Psalm 112
In aansluiting aan de vorige psalm wordt nu de man die de HERE vreest, welzalig geheten en het eerste wat van hem bezongen wordt, is dat hij grote lust of groot behagen heeft aan Gods geboden, vgl. Ps. 111:2. Het geslacht der oprechten zal gezegend worden, vs 2. De zegen bestaat in het toekennen van levenskracht, en aan zijn geslacht wordt zegen toegekend, doordat het zo genoemd wordt. Hiernaast bestaat het geluk, waar de psalm mee begint, uit macht (heldendom), overvloed en rijkdom en een blijvende gerechtigheid. Deze gerechtigheid, de gemeenschap met God en de naaste, blijkt (vs 4) hieruit dat in de duisternis het licht straalt voor de oprechten. Dat dit licht genadig, barmhartig en rechtvaardig is, kwalificeert het als het licht dat van Gods aangezicht straalt, vgl. Ps. 68:4. Wordt in vs 1 van deze man gezegd, dat hij welzalig is, nu volgt in vs 5 dat hij goed is en dat het hem goed gaat. Hij schenkt en leent uit en volvoert zijn zaken in rechtdoen, hij zal in eeuwigheid niet wankelen. Ook blijft zijn naam bestaan, want zijn gedachtenis is in eeuwigheid. Telkens weer zal hij en zijn naam present zijn, oa. in zijn nageslacht, maar ook in zijn doen en laten, dat een blijvend en vooral een rechtvaardig, gemeen-schapstichtend karakter heeft.
Wat de rechtvaardige en degene die de HERE vreest, verder kenmerkt, is dat hij overigens geen vrees heeft; tweemaal wordt dit vermeld, vss 7 en plaats van vrees vertrouwt hij en is zijn hart vast en gezekerd. Hij mag neerzien op zijn benauwers als in overwinning, zie Ps. 22:18 en 118:7. Het eerste deel van vs 9 wordt geciteerd in 2 Kor. 9:9. Voor de verhoogde hoorn zie Ps 75:5 en 89:18 en 25. De eer, het gewicht en de positie van degene die de HERE vreest, is reden van de ergernis, het verdriet en de boosheid van de goddeloze. Terwijl de psalm begon met het welgevallen van de rechtvaardige, eindigt hij nu met de begeerte van de goddelozen, die vergaat, vgl. Ps. 1:6.
Psalm 113
De Septuagint oa. heeft ipv. knechten kinderen in het eerste vers, nl.: prijst, kinderen, de Here, prijst de Naam des Heren. Er is echter voor die verandering geen dringende reden. Ook is het, gezien een ontbrekend verbindingswoord, niet aannemelijk om in het eerste geval de HERE als een vierde naamval te lezen. Te verkiezen is de lezing: knechten des HEREN. Het gaat nu in het vervolg van de psalm om die Naam, die het wezen van God uitdrukt, de Naam HERE (JHWH). Het geprezen vs 2 is beter te vertalen met gezegend: aan de Naam moet levenskracht worden toegekend en toegezongen van nu tot in eeuwigheid, van de opgang der zon tot haar neder-gang. Vss 4-5 drukken de verhevenheid en onvergelijkelijkheid des HEREN uit. Dit onvergelijkelijke wezen van God, de God van Israel, wordt allereerst in twee tegenstellingen rond de begrippen hoog en laag uitgedrukt: Hij maakt het hoog wat zijn zitten betreft, Hij maakt het laag wat zijn zien betreft, in de hemel en op de aarde. En de tweede tegenstelling: Hij doet de geringe, neergedrukte (op)staan uit het stof en Hij verheft de arme uit de as, en Hij doet hem zitten bij de edelen, bij de edelen van zijn volk, boven aan de tafel (‘vriend, kom hogerop’, Luk. 14:10). Tenslotte wordt het wezen van God daarin verklaard, dat Hij de onvruchtbare plaats of een woning geeft in het huis als een vrolijke moeder van kinderen. Let op de herhaling van het wonen of zitten of plaats geven in de laatste verzen: het zitten van God (vs 5), het zitten van de arme en geringe op een plaats die hem toekomt, omdat zijn God zo hoog woont en de nederige verhoogt, en tenslotte het zitten van de onvruchtbare in het huis. Zij heeft recht om daar te wonen en mag niet verstoten worden, want God heeft haar schande weggenomen: zij is een vrolijke moeder van kinderen.
Halleluja, waarmee de psalm sluit, kan ook als begin van Ps. 114 worden aangemerkt. Zo de Septuaginta.
Psalm 114
Voor het volk van vreemde taal zie Gen. 42:23. De keuze van het heiligdom door God wordt reeds vroeg genoemd, Ex. 15:17. Voor het verkiezen van Juda zie Ps. 78:68. Voor de vastheid van het heiligdom van God zie Ps. 78: vss 5-6 wordt aan de zee, de Jordaan, de bergen en heuvelen in precies dezelfde volgorde als in vss 3-4 de vraag gesteld, waarom zij zo beven voor Juda en Israel. Met de herhaling van het woord aangezicht (vs 7) is het antwoord gegeven: de genoemde onderdelen van Gods schepping beven of hebben weeën voor Hem die zelfs van rots en rotssteen water maakt, vgl. Ex. 17:6 en Num. 20:8 w.
Psalm 115
Het zijn niet de mensen, die Gods Naam zwaarte en gewicht toedragen, maar Godzelf geeft het gewicht aan zijn Naam door trouw aan zijn verbond en waarheid, vgl. Ps. 138:2. Dit gewicht, deze betekenis en zwaarte van de Naam des HEREN voorkomt dat de gojim vragen: Waar is toch hun God? (vs 2). In ‘hun’ horen we Israel, dat dit lied van Hallel zingt voor God. Vgl. voor deze vraag Ps. 42:4 en 11, en 79:10. Ook het antwoord vs 3 met de woorden onze God verklaart dat Israel dit lied zingt. De hemelse God van Israel staat to. hun godsbeelden, dwz. de beelden van de gojim. Het ware, dwz. het hemelse zijn komt de God van Israel toe, het aardse zijn, het materiële zijn en dus het niets-zijn kenmerkt de goden van de gojim. Vss 4-8 keren in verkorte vorm en overigens letterlijk terug in Ps. 135:15-18. Alle zintuigen van de afgoden zijn werkeloos. Men wordt op alle punten door hen bedrogen. De kern is dat vs 8 besluit met het vertrouwen op de beelden of afgoden. Het grote verschil tussen de HERE die in de hemel is en de afgoden die het niets-zijn vertonen op de aarde, is dat de Eerste te vertrouwen is, de tweede niet.
Dit vertrouwen en het zegenen vormen de thema’s van de tweede strofe, waarin Israel, het huis van Aäron en allen die de HERE vrezen, wordt geboden op de HERE te vertrouwen, omdat Hij hun hulp en schild is (vs 9). Vgl. Ps. 118 voor de volgorde Israel, het huis van Aäron en degenen die de HERE vrezen. In antwoord daarop zal de HERE het huis van Israel, het huis van Aäron en degenen die Hem vrezen, zegenen, dwz. levenskracht schenken. De kleinen met de groten duiden het geheel van de gemeenschap of gemeente van Israel aan. Dat zij Hem gezegend zijn of wellicht beter vertaald door Hem gezegend zijn, wil zeggen dat de levenskracht die de HERE zijn volk schenkt, uitkomt (vs 14) in het toevoegen aan hen en hun kinderen. Tot in een ver geslacht zal de zegen des HEREN ervaren worden. Deze zegen zal blijken op een aarde, die dit keer niet aan de afgoden, vgl. vss 4-8, maar aan de mensenkinderen gegeven is. Buiten Israel wonen de gojim, die nu niet als makers van afgodsbeelden, maar als gunstgenoten van God gelden. Itt. de doden die de HERE niet zullen prijzen, staan ‘wij’ in vs 18 (met klemtoon in het hebr.), die de HERE zullen zegenen (niet: prijzen) van nu tot in eeuwigheid. Opvallend is dat niet een tegenstelling wordt geschapen tussen doden en levenden, maar tussen de doden en ‘ons’. Het leven tot ineeuwigheid voor ‘ons’ die de HERE vrezen, bestaat hierin, dat ‘wij’ de HERE zegenen overeenkomstig het eerste Vers, waarin de betekenis, het gewicht niet aan ons toekomt, maar aan de naam des HEREN. Zo wordt Hem nu ook tot in eeuwigheid de levenskracht toegebeden en toegezongen, waarin Hij de God van Israel is. Vgl. Jes. 38:18-19.
Psalm 116
Lezen wij in het werkwoord liefhebben de betekenis verkiezen, dan houdt het ik heb lief, waar de psalm mee begint, een verklaring van de keuze van de psalmist voor déze God en geen andere in. De reden is dat Hij zijn oor neigt tot wie tot Hem roepen en smeken. Omgekeerd zegt de psalmist dat hij God in zijn dagen ofwel zijn leven lang zal aanroepen. Zeker gaan hier de betekenissen van smeken en belijden, aanroepen en lofzingen in elkaar over, zoals ook uit het vervolg van de psalm blijkt.
De wederkerigheid van het roepen tot God en het neigen van Gods oor wordt nu in de volgende verzen uitgewerkt. Banden van de dood en benauwdheden van het dodenrijk geven aan dat, was de psalmist niet door de HERE gered, hij zeker het leven verloren had. Evenals Ps. 89:49 spreekt de psalmist biddend van een wegslippen uit de macht van de sjeool. Ipv. de vermelding dat God het roepen van vs 4 hoort, wordt nu het wézen van God beschreven. Dat komt overeen met het feit dat de psalmist de Nóóm des HEREN aanriep en dat de naam JHWH in vs 4 tweemaal genoemd wordt. Genadig, rechtvaardig en Zich ontfermend, maar ook bewarend (deelwoord) is de HERE. Hij verlost de geringe of verzwakte. Daarom kan ‘mijn ziel’ (vgl. slot vs 4) tot rust weerkeren, want de HERE heeft het voor de psalmist voleindigd. Vss 8-9 beschrijven de volkomen bevrijding van de dood en het wandelen voor des HEREN aangezicht in de landen der levenden. Vgl. met Ps. 56:14 en 27: 13, waar dezelfde uitdrukking in enkelvoud staat. Het meervoud landen kan duiden op een menigte van mogelijkheden en op een veelvoud of hevigheid van leven.
Vs 10 wordt in 2 Kor. 4:13 geciteerd volgens de Septuaginta: ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Nieuwere vertalingen en commentaren willen de woorden lezen als: ik heb geloofd, of: ik ben blijven geloven, ook wanneer ik moest spreken. De opvatting van de oudere vertalingen kan worden overgenomen, wanneer wij tussen het spreken en het verdrukt zijn van de psalmist een streep zetten en vs 10b als een nieuw begin opvatten. To. het geloven of vertrouwen en spreken staat dan de combinatie: ik (met nadruk) ben zeer neergebogen, ik (met nadruk) heb gezegd in mijn haasten… In de eerder beschreven benauwdheid van de sjeool kon immers geen mens de psalmist helpen. Maar zoals vs 7 het voleindigend werk van God redding bracht, zo wordt ook nu het volkomen werk van God als dè verlossing beschreven, met de vraag: hoe zal ik ooit wat God gedaan heeft, vergelden? Het enige dat de psalmist voor de HERE, die hem uit de sjeool volkomen gered heeft, doen kan, is dat hij de beker der verlossingen aan de Paasmaaltijd (vgl. Mat. 26: 27) opheft, de Naam des HEREN aanroept (vgl. vs 4) en zijn geloften de HERE betaalt temidden van al zijn volk. Het kostbare van de dood van Gods gunstgenoten is hierin gelegen dat de HERE het niet gemakkelijk tot hun dood laat komen, maar vss 3-6 hen redt uit de macht van de sjeool. Met een hernieuwen van de geloften wijdt de psalmist zichzelf aan de HERE ogv. de losgemaakte banden, waar vs 3 van spreekt. Hij kan nu vrij doen wat hem te doen staat om de HERE als een knecht te dienen: na het drankoffer (de beker der verlossingen) een dankoffer, het aanroepen van de Naam des HEREN – een thema dat telkens terugkeert – en geloften vervullen ten overstaan van Gods volk, in de voorhoven, temidden van Jeruzalem.
Psalm 117
De kortste psalm bezingt Gods goedertierenheid en trouw, op een met Ps. 100 vergelijkbare manier. De gojim moeten Hem hierom prijzen en de natiën moeten Hem roemen. Immers, die goedertierenheid en trouw zijn geweldig en tot in eeuwigheid. Er is nauwelijks een meer directe verbinding te leggen tussen het wezen van de God van Israel en de volkeren van de wereld. Tegelijk is het over ons een aanduiding van Israel zelf.
De volkeren worden opgeroepen God te prijzen en te roemen, doch niet zonder dat zij ook zelf in zijn goedheid delen.
Psalm 118
Deze psalm die begint en eindigt met de oproep om de HERE te danken vanwege zijn goedheid en eeuwigdurende goedertierenheid, herinnert in het begin aan Pasen en de Exodus als hart van al Gods verlossingen, en in vs 25 aan de vruchten van Pasen op het feest der eerstelingen. Centraal staat de verworpen steen die tot hoeksteen is geworden, profetie van de Here Jezus Christus en in die zin ook geciteerd in het N.T. Sommigen lezen in het geheel het feest van de tempel vernieuwing. Voor de opsomming van Israel, het huis van Aäron en degenen die de HERE vrezen, zie onder Ps. 115:9-13. Voor de benauwdheid (vs 5) vgl. Ps. 116:3-4. Wanneer wij de hebr. tekst lett. vertalen, dan luidt vs 5: Uit de benauwdheid riep ik de HERE aan, de HERE heeft mij geantwoord in de wijdte. Dit antwoorden van God, dat kennelijk een daad van verlossing en verruiming is, wordt nu concreet in tweemaal de HERE is voor mij ofwel de mijne, tweemaal het is beter bij de HERE toevlucht te zoeken en driemaal in de Naam des HEREN heb ik hen neergehou-wen. Het deel van de verlossing eindigt met de belijdenis: de HERE heeft mij geholpen, de HERE is mijn sterkte en psalm en Hij is mijn verlossing (geworden). ‘Gij’ vs 13, die stotende gestoten heeft, is met de bouwlieden (vs 22) de enige aanduiding van tegenstand en zal als een omschrijving van de vijanden van Israel in het algemeen moeten worden opgevat.
De beschreven verlossing wordt (vs 15) w tot een lied, waarvan het refrein luidt: de rechterhand des HEREN is verhoogd, de rechterhand des HEREN doet krdchtige daden. In het vertellen van de daden des HEREN door deze rechterhand vindt de psalmist het leven tegenover de dood, opnieuw een aanduiding van de bedreiging van het leven: alleen de HERE kan, zoals Ps. 115 en 116, uitkomst dwz. leven geven. Wat in vs 13 als stoten door eenvijand wordt beschreven, heet in vs 18 een kastijden, een tuchtigen van de zijde des HEREN. Evenals in vs 13 wordt het werkwoord herhaald: tuchtigende heeft de HERE mij getuchtigd. Maar omdat Hij het is, die tuchtigt, geschiedt deze tuchtiging ten goede, voor het leven en niet voor de dood.
De tempelpoorten heten (vs 19) poorten der gerechtigheid vanwege het verkeer tussen God en zijn volk in gerechtigheid en heil, mogelijk ook als een aanduiding van Jeruzalem-Jebus als een stad der gerechtigheid, zie Jes. 1:26, of woning der gerechtigheid (Jer. 31:23 en 50:7). Haar koning was Melchisedek, mijn koning is rechtvaardig, en het is waarschijnlijk dat ook andere koningen, zoals Adonisedek (Joz. 10.T en 3), de aanduiding gerechtigheid of rechtvaardig in hun naam droegen. Hier heeft het woord ook de betekenis van gerechtigheid voor en gemeenschap met God. Binnen deze poorten ontmoet men de HERE. Daarom wordt (vs 20) gezegd dat de rechtvaardigen door de poort des HEREN binnengaan, kennelijk om de HERE te danken (vss 19 en 20). Ik dank U, omdat Gij mij gebogen hebt en tot verlossing zijt (geworden). Vss 22-23 worden (Mat. 21:42) via een gelijkenis door Jezus op Zichzelf toegepast. Evenzo 1 Petr. 2:4 en 7. Voor de betekenis waarbij Sion de hoeksteen is, zie Jes. 28:16. Het slot staat in dezelfde toonaard als het begin en vs 15: de HERE heeft hem tot een feestdag gemaakt door zijn daden. In dit alles past de opvatting dat de Psalm bij het terugkeren uit de ballingschap en het herstel van Jeruzalem en de herbouw van de tempel gecomponeerd is. Zo zien velen overeenkomsten met Ezra 3 en 6. Ogv. de verlossing die de HERE heeft bewerkt, mag gebeden worden om verdere verlossing en heil en bevrijding. Het bekende ‘Hosanna’ uit de geschiedenis van de intocht te Jeruzalem wordt hier (vs 25) gebruikt als een bede om heil. Zodoende gaat het Hosanna ook vooraf (Mat. 23:39) aan de bede om zegen voor Hem die komt in de Naam des HEREN, de wettige Gezalfde, de Gezondene die de Messias is. Ook om deze reden is het de vraag of vs 22 uitsluitend op Sion betrokken mag worden of dat het juist de bedoeling is om de Messias ermee aan te duiden. Jezus Zelf heeft zonder twijfel het laatste bedoeld. En die uitleg wordt versterkt door dit vers. Velen uit het land zochten op het pascha Jezus in de tempel vanuit de overtuiging dat Hij Zich nu bekend moest maken als Messias, juist op het feest, zie Joh. 11:55-56. De zegen vanuit het huis des HEREN houdt in dat de levenskracht voor Hem die komt in de Naam des HEREN, komt van het altaar, van het feest(offer), dat gebonden wordt tot aan de hoornen van de slachtplaats, het altaar waar de offers op geslacht worden. Met verschillende oude varianten kan gelezen worden dat de takken dienen als feestversiering in de tempel, zelfs tot aan de hoornen van het altaar. Een andere mogelijkheid, die ook met de bedoelde hoofdstukken uit Ezra in overeenstemming is, wijst in de richting van de menigte van dieren, die met touwen moesten worden vastgebonden en vastgehouden, totdat het hun beurt was om geslacht en aan God op deze grote feestdag geofferd te worden. Dan wordt de grootheid des HEREN uitgedrukt in de veelheid van de offerdieren. De belijdenis ‘mijn God’ (vs 28) wordt geaccentueerd door het danken en verheffen, waarna het laatste Hallellied besluit, zoals het begon. Zie voor het citaat uit vss 25 w naast Mat. 23:39, Mat. 21:9 en parallelle plaatsen.
Psalm 119
Ook deze psalm begint met welzalig, zie Ps. 1. De inhoud is weer te geven met drie woorden: wet, loven en vijanden. Deze psalm van de vreugde der wet stelt de knecht des HEREN, zoals de psalmist zich voortdurend noemt, tegenover hen die hem vervolgen en verdrukken. Behalve de indeling aan de hand van de letters van het hebreeuwse alfabet, als beginletters van op elkaar volgende reeksen van acht verzen, is het moeilijk te ontdekken welke volgorde de psalm vertoont. Gezien het bestek van deze commentaar kunnen we de psalm niet vers voor vers behandelen.
Vss 1-8 gaan uit van de tora, vss 9-16 van Gods woord. Vss 17-24 cirkelen rond het leven uit het woord, en zo ook vss 25-32. Vs 32 wordt geciteerd 2 Kor. 6:11. Vss 3340 raken Gods woord of wet als weg, vss 41-48 leren dat deze weg van woord en wet een zaak van Gods goedertierenheid is, waarin Hij trouw is aan zijn verbond en zijn beloften vervult. Vss 49-56 pleiten op het gedenken van God, waarop het gedenken van de knecht van God volgt. Vss 57-64 spreken van de HERE als erfdeel van de psalmist, vss 65-72 van de goedheid en het goeddoen van de HERE aan zijn knecht, vss 73-80 van het geschapen-zijn van de psalmist om Gods geboden te leren, en vss 81-88 van het verlangen naar Gods hell. De afkeer, die de psalmist heeft van de goddelozen, gaat in het vervolg van de psalm steeds meer over in bespotting en vervolging, die hij van hen te verduren heeft. Vss 89-96 bezingen de volmaaktheid van Gods woord en vss 97-104 belijden de liefde van de psalmist voor Gods tora. Vss 105-112 beschrijven Gods woord als een lamp op de weg, en vss 113-120 wijzen de bozen af: God zal hen oordelen. Vss 121-128 vormen een gebed, dat God zijn knecht niet over zal geven aan de vijanden, want Gods knecht heeft recht en gerechtigheid gedaan. Vss 129-136 spreken van het bewaren van Gods getuigenissen, en vss 137-144 van Gods gerechtigheid die in eeuwigheid is. Vss 145-152 bidt de psalmist om Gods verhoring en vss 153-160 om verlossing. In beide gedeelten hoopt hij op Gods woord en bewaart hij Gods geboden. Vss 161-168 komen de lof van God en de vrolijkheid van de psalmist op tegen de druk van de vorsten die zonder reden is, wier getal groeit en van wie hij vss 169-176 nogmaals bidt te worden verlost. Opmerkelijk is het slot, waarin de psalmist belijdt als een schaap te hebben gedwaald. Toch bleef hij Gods knecht, die Gods geboden niet vergat. Het is onwaarschijnlijk dat hier een schuldbelijdenis bedoeld zou zijn, eerder dat het dwalen een kwestie is van de weg kwijt zijn, vgl. Ps. 107:4. Dat dit ronddolen mede veroorzaakt is door degenen die de psalmist vervolgen, is zeker. Vgl. Luc. 15:1-7.
Psalm 120
De redding van de ziel van de psalmist van de leugenlip en van de bedrieglijke tong, die tweemaal genoemd wordt, verplaatst ons naar Mesek, het land tussen de Zwarte en de Kaspische Zee, waar een volk woont dat genoemd wordt naar de zoon van Jafet (Gen. 10:2). Kedaris de tweede zoon van Ismael (Gen. 25:13). Hij staat voor de Syrische woestijn en debedoeïenen die daar wonen. Zij worden (Jes. 21:17) een volk van helden met bogen genoemd. Vandaar het haten van de vrede (vs 6) en het uit zijn op strijd tegenover de vrede, waar de psalmist van spreekt (vs 7). De HERE vergeldt de bedrieglijke tong met pijlen van een held, die zeker raken, en met gloeiende kolen, die het beeld vormen van oordeel en verbranding. De door sommigen voorgestelde uitleg, waarbij de bedrieglijke tong wordt vergeleken met scherpe pijlen die doel treffen en overeenkomstig Jakobus met brandende kolen van een brandend vuur, zou op zichzelf aannemelijk zijn, wanneer niet de woorden ‘wat zal Hij u geven, en wat zal Hij u toevoegen, gij bedrieglijke tong?’ daartussen stonden. De vergelding van de HERE is tegelijk de bevrijding en redding van de psalmist.
Deze psalm is de eerste van vijftien psalmen (120-134), die de liederen hamma’alot heten, door NBG met bedevaartsliederen weergegeven. De Mishna zegt dat vijftien treden opwaarts leidden van de voorhof der vrouwen tot de voorhof der Israëlieten, overeenkomstig de vijftien liederen der opgang in de psalmen, en op hen (nl. die treden) plachten de levieten te zingen.
Psalm 121
Deze psalm wil gezongen worden als stem en tegenstem, waarschijnlijk door de pelgrims naar Sion. Voor de bergen, waar Jeruzalem op ligt, zie Ps. 87:1; 125:2; 133:3. Het slot van vs 1 is geen bijzin (zie SV: vanwaar mijn hulp komen zal), maar een vraag: vanwaar zal mijn hulp komen? Tweemaal is sprake van mijn hulp of helper. Deze Helper is tegelijk de Bewaarder van Israel, zo driemaal vss 3-5. De schaduw aan de rechterhand heeft weinig met de zonneschijn te maken, maar met de onbeschermde kant van één die gewapend een stad nadert. De weg was zo aangelegd, dat hij met de onbeschermde kant van zijn lichaam – hij droeg het schild aan de andere zijde – de stadsmuur naderde, vanwaar men hem kon beschieten. Voor schaduw in de betekenis van sterkte en beveiliging, zie Ps. 91:1. Zonder de HERE die hemel en aarde gemaakt heeft, zijn zon en maan gevaarlijk. Alleen met de HERE aan de rechterhand kunnen wij in de schepping verkeren. In een laatste opsomming van het bewaren en bewaken door God klinkt de grootheid van God door. Vooral het In- en uitgaan was voor de pelgrims belangrijk, niet alleen met het oog op het huis des HEREN, maar ook met betrekking tot hun eigen huizen en al hun zaken, vgl. Deut. 28:6 en 31:2.
Psalm 122
Ook deze psalm past geheel in het opgaan van de pelgrims naar Jeruzalem. De blijdschap over wie zeggen: Wij zullen gaan (of: laten wij gaan) naar het huis des HEREN, wordt bepaald door de schoonheid van Jeruzalem (vs 3), het huis des HEREN en de gemeenschap met God (vs 9), maar ook de gemeenschap met de broeders en vrienden (vs 8). Reeds zijn de pelgrims over de bergen van Ps. 121 heen en staan hun voeten in Jeruzalems poorten. Nu wordt eerst de schoonheid en harmonie van de stad van God geprezen: zij is een stad die wèl samengevoegd is. Alles is gevoegd tot een eenheid en vormt zo het voorbeeld voor het volk van God dat een eenheid moet zijn.
Dat volk wordt als een eenheid van stammen beschreven, die maar één doel hebben: de vermaning na te komen, dat men de naam des HEREN zal danken. Ook de positie van de gerichtszetels, zetels van het huis van David, dient nergens toe dan om dit oorspronkelijke recht, waardoor God aan zijn eer komt, ten uitvoer te leggen. Het tweede deel van de psalm, vss 6-9, cirkelt rond het thema vrede. Wanneer de bede om vrede, harmonie en welzijn in vervulling gaat, hebben degenen die Jeruzalem liefhebben of ook verkozen hebben (als woonplaats in de nabijheid van God), rust. Die twee woorden worden (vs 7) herhaald en (vs 8) wordt de broeder en de naaste voorwerp van deze sjaloom. De psalm eindigt met de verbinding van het huis, de tempel des HEREN en het goede, het welzijn voor Jeruzalem. Haar welzijn wordt immers bepaald door Gods huis in haar midden.
Psalm 123
Nu is de pelgrim in Gods huis. Maar hij beseft dat wat hij hier ziet, de afbeelding is, die aan Mozes op de berg getoond werd. Het origineel is boven in de hemelen.
Gods volk in zijn huis wordt vergeleken met knechten en dienstmaagden, en in die vergelijking is bepalend de verbinding tussen ogen en hand. De ogen zien uit naar wat de hand kan doen. Maar de ogen van Israel zijn op de HERE Zelf, totdat Hij Israel gunst verleent. Bij alle vernedering, waarin sommigen ten onrechte een aanduiding vinden, dat de psalm in de griekse en dus late tijd gecomponeerd is, zegt de uitdrukking: ik hef mijn ogen op tot U, en: zo zijn onze ogen op de HERE, onze God, dat Israel het volk van Gods openbaring is, waar Hij zich aan bekendmaakt.
Het thema van de gunst wordt nu( vs 3) nog tweemaal herhaald, wanneer het volk van de pelgrims als een volk wordt beschreven, dat onder verachting en spot door moet. Het is een vernederd volk, dat we tegenkomen in het huis van God, maar in de vernedering onder de HERE is er hóóp. Hij zal de pelgrims niet verstoten, bespotten of verachten, maar hen genadig zijn.
Psalm 124
De vorige psalm eindigde met de spot der zorgelozen en de verachting der hoogmoedigen. Deze psalm beschrijft de verlossing uit de macht van zulke vijanden. Bovendien is dit lied van de opgang, evenals Ps. 122, een psalm van David en hiermee komt de psalm in het licht van het bedreigde koningschap en het even bedreigde volk te staan. Het herhaalde met ons (vss 1 en 2) kan beter worden weergegeven met ‘voor ons’, of ook ‘de onze’. Indien niet de HERE Israels God geweest was, dan had de vijand Israel verslonden. Tegenover elkaar staan ‘voor ons’ of ‘de onze’ van God en tegen ons van mensen. Opvallend is dat de vijand van Israel niet nader wordt omschreven: hij is mens en wordt (vs 7) vergeleken met de vogelvanger, en daarmee is alles gezegd. Het gaat niet om een speciale vijand, maar om Israels vijand in het algemeen. Vgl. voor het levend verslinden (vs 3: Ps. 55:16). Ook kan gedacht zijn aan de geschiedenis van Korach Num. 16:30vv. Zie ook Spr. 1:12. Voor de wateren als beeld van de vijand zie Ps. 18:17,18; 69:2,3.
Het gezegend de HERE (vs 6) leidt het tweede deel en hiermee de verlossing van Israel in. De HERE heeft Israel namelijk niet aan de tanden van mensen, die levend-willen verslinden, overgegeven. Voor het beeld van de vogel, vgl. Ps. 11:1, en voor dat van de vogelvanger Ps. 91:3. In het bij ons sedert de Reformatietijd bekende votum, dat vergelijkbaar is met Ps. 121:2, wordt de lof des HEREN bezongen als van Israels God, die tegelijk Schepper van hemel en aarde is.
Psalm 125
Het beeld van de bergen uit Ps. 121 keert terug in dit pelgrimslied, dat de onwankelbaarheid van de berg Sion bezingt. Het bijzondere van deze psalm is, dat degenen die op God vertrouwen, met de berg Sion vergeleken worden, en dat de bergen rond Jeruzalem met de HERE Zelf vergeleken worden. Zoals de bergen rond Jeruzalem – en daarmee rond de berg Sion – zijn, zo is de HERE rond zijn volk van nu tot in eeuwigheid. Zowel vs 1 als vs 2 spreken van dit: tot in eeuwigheid. Het blijven (vs 1) kan het zitten op een troon als een koning betekenen, en in dat geval komt het overeen met het beeld van de scepter (vs 3). Op het lot, het door lotstenen toegemeten stuk land van de rechtvaardigen, die de gemeenschap met God en met elkander onderhouden, zal de scepter van de goddeloze niet rusten, want dan zouden de rechtvaardigen hun handen uitstrekken tot slechtheid en dan zou de HERE, met wie de rechtvaardigen in gemeenschap staan, door hen gelasterd worden. Met de bede om het goede voor de goeden en rechten van hart en om vrede over Israel besluit deze psalm. Tussen de beden om het goede en om vrede staat de zekerheid dat die afbuigen, als werkers der ongerechtigheid worden overgelaten aan hun kromme wegen en datgene waar die wegen heenvoeren.
Psalm 126
Vss 1 en 4 worden gekenmerkt door dezelfde woorden: het doen terugkeren. Vs 1 beschrijft de terugkeer (van Sion, niet van de gevangenen van Sion, zoals NBG en SV ea.) uit de ballingschap, vs 4 bidt om die terugkeer. Het naderen van Jeruzalem in het lied van de opgang wordt nu niet beschreven vanuit het gezichtspunt van de pelgrims, maar vanuit de ervaring van het in ballingschap gevoerde volk, waarvan een rest weerkeert. Zowel het dromen als het lachen en gejuich moeten worden verklaard vanuit het grote dat God aan Israel gedaan heeft, vss 2-3 tweemaal vermeld. Het is met noodzakelijk dat de psalm gelezen wordt in de verleden tijd. Het doen wederkeren is een wonder van God, dat zich in de geschiedenis van Israel telkens herhaalt en dat evenzeer tot Israels toekomst als tot Israels verleden behoort. In de bede van vs 4 zit het beeld van de Negev, die afhankelijk is van de beken vol water, die van de bergen afdalen in het regenseizoen en die de aarde vruchtbaar maken. Zo dorst het land naar inwoners, die uit de ballingschap zullen komen en het land weer vullen en bebouwen. In de woorden: Wend ons lot zit ook de notie van de omkeer. Israels zonen komen uit een even onverwachte richting als het water dat van de bergen afdaalt, onverwacht is. Even ongedacht en onverwacht is de keer in de opbrengst van het op zichzelf dorre land, uitgedrukt in het beeld van de zaaier die met tranen zaait; hij gaat en weent bij het gaan. Dat is het enige water dat de grond nat maakt. Maar hij komt, hij komt eenmaal in jubel of gejuich (vgl. vs 2). Opmerkelijk is dat ook in dit beeld het gaan en het terugkomen is terug te vinden.
De weerkeer, met zoveel kracht weergegeven in deze psalm, waar de gojim (vs 2) dezelfde commentaar op geven als Israel zelf (vs 3), is niet alleen een uiterlijk terugkeren tot het land der belofte, maar ook bedoeld als een innerlijke en geestelijke terugkeer en bekering tot de God van Israel.
Psalm 127
Dit liedhammaäloth staat op naam van Salomo, en hiermee is het huis dat gebouwd wordt, getypeerd. Het gaat om het huis van God, het huis van Salomo, maar ook om de bouw van Israel tot een geestelijk huis van God en wat daarvoor nodig is, 1 Kon. 3 en 6-8. Vandaar het beeld van de stad na het huis. Het begin van de psalm verbindt het niet bouwen en het niet bewaren van God met het driemaal herhaalde tevergeefs, dat ook verkeerd betekent. Tegenover het laatste vergeefs van alle inspanning staat de ontspannen slaap van Gods beminden, Gods lievelingen. Het vroeg, volgens Buber tè vroeg opstaan en het volgens zijn weergave tè laat gaan zitten en het eten van smartenbrood vormen een duidelijke tegenstelling tot het korte: zó (is het), Hij geeft het zijn beminden slapende.
Dat God het schenkt, wordt nu vss 3-5 duidelijk gemaakt aan de hand van het voorbeeld van de zonen, waar immers Israels toekomst mee staat of valt. Het woord erfdeel herinnert aan de wonderlijke manier, waarop Israel een land beërfde dat het niet veroverde, steden bewoonde, die het niet gebouwd had en de vrucht van wijngaarden at, die het niet geplant had. Wanneer Israel met deze zonen omgeven is, is het tegelijk beveiligd tegen de vijanden. Niemand zal het wagen om dit sterke Israel te beschamen, en het gesprek over de vredesonderhandelingen met de vijanden in de poort zal voor Israel gunstig aflopen. Zij worden niet beschaamd, herinnert aan het herhaalde vergeefs aan het begin van de psalm. Voor de beminden des HEREN is dit vergeefs nu definitief, zelfs in de moeilijkste omstandigheden, weggenomen.
Psalm 128
Het welzalig van deze psalm sluit aan bij het welzalig aan het slot van de vorige psalm. De vreze des HEREN uit zich in het wandelen of gaan op Gods wegen, vervat in zijn tora. Vgl. Ps. 1. Het eten van de moeite of het gewin van wat de handen hebben verricht, is in de Schrift een speciale gunst, reden waarom het welzalig hier wordt herhaald met de verzekering dat het hem wel zal gaan. Een speciale vloek is het daarentegen, wanneer iemand een vermogen of bezit heeft bijeengebracht, waar een ander van eet, zie Ps. 6:2. Tot het welzalig behoort ook datde vrouw vruchtbaar is en dat zonen rond de dis zijn als olijfscheuten, zie Ps. 52:10. De wijnstok en de olijfboom worden genoemd als beeld van vruchtbaarheid en rijkdom, bezit. Dit alles komt als zegen, als levenskracht toe aan degene die de HERE vreest, en de zegen wordt dan ook herhaald. Dat de zegen uit Sion komt, vgl. Ps. 133:3 en 134:3, bepaalt ons bij Gods troon en altaar in zijn heiligdom. Vgl.het goede van Jeruzalem met de woorden: het zal u welgaan, vs beide gevallen wordt het hebr. woord ‘tob’ gebruikt. De levenskracht blijkt daaruit dat niet slechts nu de zonen om de dis zitten, doch dat degene die de HERE vreest, de zonen van zijn zonen zien zal. Dat dit alles mogelijk is, hangt samen met sjalom voor Israel, vgl. Ps. 125:5, want het vrezen van de HERE door de enkeling is de basis van het welzijn van het hele volk.
Psalm 129
De zeer grote benauwenis van Israel wordt beschreven met het beeld van ploegers die lange voren trokken op de rug van het volk. Het gaan over Israel en over de rug van Israel is geen onbekend beeld, zie Ps. 66:12 en Jes. 51:23. Met het woord voor ‘voren’ wordt de ploeglijn bedoeld, een voor heen en een voor terug. Na de tweemaal beschreven benauwdheid bestaat de verlossing des HEREN uit het doorsnijden van de touwen der goddelozen, een beeld dat herinnert aan de bevrijding uit slavernij of aan het losmaken van de touwen van de ossen die voor de ploeg staan, waarmee Israels rug werd geploegd. De HERE beschaamt Israels vijanden zo, dat zij worden als verdord gras, dat niet als hooi kan dienen. Maaiers zijn niet nodig voor dit gras en tot hen zal de gebruikelijke groet, vs 8, vgl. Ruth 2:4, waardoor de zegen en de levenskracht, de voorspoed en het geluk des HEREN wordt uitgedrukt, niet worden gesproken.
Psalm 130
Luther kende aan deze psalm de profundis, uit de diepten, speciale betekenis toe onder de Paulinische psalmen, zoals hij hen noemde: 32, 51, 130 en 143. Zij heeft hem geïnspireerd tot het lied: ‘Uit diepe nood roep ik tot U’. Velen achten de overeenkomst met 2 Kron. 6:39-40 aanwijsbaar.
De diepten (vs 1) worden met hetzelfde woord in Ps. 69: 3,15 nader omschreven als waterdiepten. Het is de plaats van de grondeloze modder, waar men niet staan kan, vgl. Ps. 40. De diepten, waar de psalmist uit roept, blijken diepten van zonden en schulden te zijn. In zijn roepen richt hij zich tot God, die hij aanroept bij zijn naam JHWH en met de naam Adonaj. De ongerechtigheden, de vergeving en het vrezen van God herinneren aan Ps. 32. Er is geen reden in ons (omdat), enkel in God en een doel van Gods vrije genade (opdat). Vanaf vs 5 staat de psalm dan in het teken van de verwachting, de hoop en de verlossing. Opmerkelijk genoeg keert in de wachters, die op de morgen wachten, het werkwoord terug dat als een ‘bewaren’ van ongerechtigheden, dwz. niet willen vergeven, (vs 3) gebruikt wordt. Het in gedachtenis houden NBG (vs 3) is dus een bewaren van de ongerechtigheden. Ook nu is de reden van het hopen op God in Godzelf gelegen. Israel mag op Hem hopen, omdat bij Hem de goedertierenheid, het vasthouden aan het verbond in goedheid en liefde, en ook een veelheid aan loskoping uit de slavernij is. Deze loskoping geldt nu ook de ongerechtigheden, die in vs 3 genoemd werden en op het slot herhaald worden. Dat het Israel is, dat van al zijn ongerechtigheden verlost moet worden, keert terug in het herstel van Israel (Rom. 11:26-27).
Psalm 131
Dit lied hammaüloth wordt door velen gekenschetst als een juweel onder de psalmen vanwege de schoonheid van compositie en de diepe vroomheid en het kinderlijk vertrouwen die eruit spreken. Velen wijzen op de overeenkomst met Davids antwoord aan Michal (2 Sam. 6:21 w). Dit lied staat op Davids naam. In plaats van zichzelf iets groots of wonderlijks toe te dichten, vergelijkt David zich met een kind dat bij moeder gedronken heeft en nu verzadigd in haar armen rust. Hij heeft zichzelf ‘geëffend’ of tot rust gebracht en tot stilte of zwijgen. Tot tweemaal toe noemt David zich een gespeend kind, een kind dat ontwend wordt aan de moederborst. Hij is verzadigd van de weldaden van God en vraagt niets groters of wonderlijkers. Het slotvers herhaalt het thema van de hoop en verwachting van Israel op de HERE, zie Ps. 130.
Psalm 132
Dit lied hammaüloth is niet van David, maar vraagt de HERE wel aan David te gedenken. David is hier het voorbeeld van een neergebogene, die toch onder ede zwoer dat hij voor God een huis zou bouwen. Vss 3-4 hebben de vorm van een eed, die begint met ‘indien ik’. De bedoeling is: indien ik dat doe; dan moge God mij straffen. Vss 6 w gaan nader in op die woning. Het neergebogen zijn van David ofwel zijn moeite (vs 1) wordt door velen betrokken op 2 Sam. 6:1-11, waar Uzza sterft, omdat hij zijn hand naar de ark uitstrekt, en waar David bevreesd de vraag stelt: Hoe zou de ark des HEREN tot mij komen?
Dat van de ark gehoord wordt in Efratha, houdt verband met het feit dat Kirjath-Jearim, de uitgebreide naam voor Jaär, ligt in het district Efratha, 1 Sam. 6:21-7:1. Vs 8 stamt van Num. 10:35. Zie voor vs 10:2 Kron. 6:42. De gezalfde is dus de gezalfde koning.
Vs 11 noemt de eed, die de HERE omgekeerd tov. vs 2 aan David heeft gezworen, en waarin Hij hem een huis beloofd heeft (2 Sam. 7:11 w). De woorden, die hier gebruikt worden, staan daar in vs 12. Het is overigens de vraag, of met op uw troon of eerder met ‘voor u op de troon’ vertaald moet worden. De voorwaarden voor dit verbond, zoals vs 12 die noemt, staan in het negatieve (Ps. 89:31-33) vermeld, waar overigens erop volgt dat ook wanneer de Davididen Gods verbond niet houden, God van zijn kant zijn verbond wel houdt. Vs 12 besluit met dezelfde woorden als vs 11.
In de laatste strofe wordt Sion verbonden met de belofte aan David. In Sion komen namelijk de ark en de troon samen. Met de rustplaats, vgl. Ps. 5:8, is de plaats van de rust voor de ark (Num. 10:36) bedoeld. God heeft Sionverkoren en begeerd, en dit komt tot uitdrukking in een zegen voor priesters en vromen, die samen met de armen wel de gunstgenoten van vs 9 zullen zijn, aan wie God zijn verbond houdt en die het verbond met hun God trouw zijn. Rijkelijk zegenen (vs 15) is in het hebreeuws een verdubbeling: zegenen (ja) zegenen. Voor vromen (vs 16) wordt hetzelfde woord gebruikt als (vs 9) voor gunstgenoten. Waar God nu woont en zo zegent, daar is Davids toekomst in zijn verbond gegarandeerd. De hoorn duidt (vs 17) op verdedigende en overwinnende macht, en de lamp, vgl. Ps. 18:29, houdt niet alleen vreugde, maar ook de belofte van toekomst in. De lampen die brandende blijven, symboliseren in en buiten het heiligdom de hoop van Israel. Ging het (vss 9 en 16) tweemaal pjn de kleding van de priesters, die uit gerechtigheid en heil bestaat, nu op het slot belooft God dat Hij Davids vijanden en speciaal de vijanden van de Zoon, in wie het zitten op de troon onder Gods zegen bewaarheid wordt, zal bekleden met schande, terwijl op die Zoon het diadeem, dat de waardigheid van de koning uitdrukt, zal bloeien. Men kan in navolging van NBG het werkwoord vertalen met ‘blinken’ of ‘glanzen’, maar er is ook veel voor te zeggen om een verband te zien tussen de uitspruitende hoorn en de bloeiende kroon, vgl. 2 Sam. 23:4-5. Zijn heerschappij is niet statisch, maar levend en zij breidt zich uit. Ten bewijze dat we met een zeer speciale koning van doen hebben in Davids grote Zoon, leven die hoorn en deze kroon.
Psalm 133
De psalm spitst zich toe op de zegen te Sion (vs 3), van-waaruit het samenwonen van de broeders verklaard moet worden. Die zegen, die levenskracht maakt van Israel wat het moet zijn in de ogen des HEREN: een volk van broeders, die samenwonen, vgl. Ps. 72. Dit samenwonen krijgt met name gestalte op de grote feesten te Jeruzalem, te Sion. En de zegen, die te Sion verkregen wordt en die in de volgende psalm nog nadrukkelijker aan de orde komt, is leven tot in eeuwigheid.
De vergelijking met het goede en liefelijke (vgl. Ps. 135:3 de Naam des HEREN is liefelijk) van de eenheid en gemeenschap van Israel te Sion wordt gevonden in de kostbare, beter vanuit het hebreeuws: goede zalfolie op het hoofd en neerdalende op de baard van Aäron. Niets kenmerkt immers de zegen op Sion zozeer als de zalving van de hogepriester. Die zalving is zo compleet, dat de olie, ‘waarmee hij is aan God gewijd’ zijn hoofd bedekt, dan neerdaalt op zijn baard, dan neerdaalt op de zoom van zijn klederen. De woorden die met name gehoord willen worden, zijn het tweemaal gebruikte ‘goed’ en het driemaal gebruikte werkwoord ‘neerdalen’. Want nadat het neerdalen tweemaal van de heilige zalfolie gezegd is, wordt hetzelfde werkwoord nogmaals gebruikt voor het neerdalen van de dauw van de toppen van de Hermon (Libanon en Antilibanon zijn de hoogste bergtoppen in Israel). Rond de avond daalt deze dauw neer op de lagere bergtoppen in de omgeving. Het schijnt dat door toedoen van een koele wind na een warme dag de dauw van Hermon zelfs Jeruzalem bereikt. Zodoende daalt de dauw van Hermon neer op de bergen van Sion. En deze twee vergelijkingen drukken de overvloed van de zegen des HEREN, leven tot in eeuwigheid uit. Zij omspant het hele land, van noord tot zuid.
Psalm 134
De knechten des HEREN, die de HERE moeten zegenen, Hem groot moeten maken en Hem dus de ‘levenskracht’ schenken, waar Hij als Israels God recht op heeft – want Hij vestigt zich sterkte uit de mond van kinderen en zuigelingen, Ps. 8:3, vgl. Mat. 21:16 – krijgen dit gebod waarschijnlijk niet van een der priesterkoren, doch van de pelgrims, die met dit laatste lied hammaüloth afscheid nemen van Jeruzalem, van Sion. Dat zij in de nachten in het huis des HEREN staan, typeert hen als priesters en Levieten, vgl. Lev. 8:35 en 1 Kron. 9:33. Zij heffen zegenend hun handen op naar het heiligdom of in heiliging en ze zegenen de HERE, ongetwijfeld met het aanreiken van wat de HERE zelf gegeven en verordend heeft aan offers en gebeden. De priester kan God slechts zegenen met wat van God is.
Het laatste vers is de keerzang van de priesters en Levieten in de richting van de naar huis terugkerende pelgrims. Ook zij worden gezegend met hun hele leven, daar in den vreemde, waar ze heentrekken, zie Hand. 2:9-11. Opmerkelijk is dat de HERE zegent uit Sion. En nemen we serieus dat Hij hemel en aarde gemaakt heeft en dus overal tegenwoordig is, aan alle plaatsen van zijn heerschappij, ook overal waar de pelgrims heentrekken, dan krijgt Sion de meerwaarde van het Jeruzalem dat boven is en waar Paulus van schrijft in Gal. 4:26.
Psalm 135
Dit lofprijzende lied roept in de eerste verzen driemaal de knechten des HEREN op om de HERE te roemen of te prijzen. De reden tot dit roemen is God zelf, wiens wezen wordt uitgedrukt in zijn Naam, die goed is en liefelijk, vgl. Ps. 133:1. Opmerkelijk is dat op het tweemaal ‘want’, waarbij de deugden van Godzelf verklaard worden, een derde maal ‘want’ volgt, nu echter met betrekking tot Israel, dat God zich tot zijn volk en erfdeel verkoren heeft. De HERE laat zijn wezen verbinden met zijn verkoren volk.
De volgende strofe beschrijft de grootheid des HEREN temidden van de goden en boven de goden. Vs 5 is moeilijk te vertalen. De letterlijke weergave van het hebreeuws luidt: ja (want) ik weet dat de HERE groter is en onze Here dan alle goden. Maar ook in de hemel en op de aarde en in de oerwateren, alsook in bliksem, regen en wind is Hij de grote God. En tenslotte wordt (vss 8 vv). zijn grootheid beschreven tegenover zijn vijanden, die opgesomd worden in een volgorde, welke wij ook in Ps. 136:14-20 tegenkomen. Slechts zijn hier de koninkrijken van Kanaän erbij gevoegd. De HERE is daarin met name groot dat Hij zijn vijanden overwonnen heeft en zodoende zijn volk Israel ruimte heeft gemaakt.
De laatste strofe begint met een gebed waarin zijn Naam en gedachtenis, dwz. de gedachtenis ään de HERE, centraal staat, duidelijk een onderdeel van lofprijzing. Dan volgt een vergelijking met de godenbeelden der gojim, waar het leven aan ontbreekt. Vs 18 drukt het wezenlijke heel scherp uit: wie op hen vertrouwt, komt bedrogen uiten wordt net als die godenbeelden, levenloos.
Hier tegenover nu wordt het huis van Israel, het huis van Aäron, het huis van Levi en worden die de HERE vrezen, in een volgorde die aan Ps. 115 en 118 herinnert, opgeroepen om God te zegenen (niet: prijzen), dwz. Hem als de Levende te belijden en Hem de levenskracht te geven waar Hij recht op heeft, zie onder Ps. 134.
De psalm eindigt met hetzelfde woord van lofprijzing waar hij mee begon.
Psalm 136
Het eerste vers is oa. in de duitstalige landen bekend als openingsgebed bij de maaltijden. Dit laatste en grote Hallellied is niet alleen met zijn 26 maal weerkerend refrein, maar ook in het eerste lid van de verzen opgebouwd volgens een strenge compositie. Sommigen zien sterke overeenkomsten met Deuteronomium en ieder is het erover eens dat er veel citaten uit of overeenkomsten met andere psalmen in voorkomen. Het refrein zal gezongen zijn door de gehele gemeente van Israel, terwijl een priester- of levietenkoor het eerste deel van een vers zong.
Het thema is: Dankt de HERE, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. En tegen de achtergrond van deze goedheid en trouw van God aan zijn verbond bezingt nu de psalm Hem als de God der goden en de Heer der heren, zie Ps. 135:4. Hij alleen doet grote wonderen, en deze bestaan allereerst uit het inzicht waarmee Hij de hemel heeft gemaakt, en vervolgens alles wat de tweede tot de vierde scheppingsdag kenmerkt, met uitzondering van het kruid. Hierna worden Gods goedheid en goedertierenheid betrokken op het verslaan van Egypte in zijn kracht en toekomst en de uittocht van Israel. Zie voor de sterke hand en uitgestrekte arm (vs 12; Deut. 4:34). Ook vss 13-15 herhalen de straf over Egypte en de zegen over Israel. Dit alles en het verslaan der koningen vss 17-20, alsook het toewijzen van Kanaän als erfdeel aan Israel, vgl. Ps. 135:10-12, is niets anders dan wat er van de scheppingswonderen gezegd wordt. Omdat God de aarde op de wateren uitbreidde en de maan en sterren liet heersen over de nacht, liet Hij in de geschiedenis van Israel zelfs de Schelfzee en de woestijn meewerken ten goede. En in dit alles tot en met het ontvangen van het land als erfdeel toont God dat Hij goed is en dat zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is. Let erop dat IsraelGods knecht (vs 22) genoemd wordt en vergelijk dit woord met Ps. 134 en 135:1-4. De bijzondere knechten des HEREN onder de priesters en Levieten beelden slechts af dat het Gods bedoeling is, dat zijn hele volk Hem dient. De vernedering van Israel, samen met het feit dat Israel Gods knecht is, doet ons denken aan de lofzang van Maria en de lofzang van Hanna, waarin deze beide elementen ook voorkomen. Toch betekent het knecht-zijn niet, dat God Israel in de vernedering laat, maar juist dat Hij aan zijn volk denkt om het te bezoeken en te verlossen, het los te rukken van de benauwers, vs 24. Zeer opvallend breidt nu (vs 25) Gods goedheid en goedertierenheid uit tot alle vlees, aan wie God brood geeft. De God van Israel is immers de God van de hemel en aarde en Hij zegent niet slechts het voedsel van Sion (Ps. 132:15), doch van alle mensen op aarde. Hij wil de God van de ganse aardbodem genoemd worden.
Met het danken van de God des hemels en het refrein eindigt dit groot Hallel.
Psalm 137
Het gedenken, waarvan in de vorige psalmen zulke schone dingen gezegd werden, is nu een bron van wenen. Want van Sions heerlijkheid is weinig meer over. De stromen, waar de Israëlieten aan zitten, zijn de kanalen die Eufraat en Tigris verbinden en die zorgen voor de vruchtbaarheid van het land. De stromen zijn de plaats, waar men tot rust komt en waar de gedachten zich vermenigvuldigen. Het hangen van de citers, die voor vrolijke begeleiding bestemd zijn, aan de wilgen of populieren, die tussen de stromen staan, geschiedt als een demonstratief gebaar op de begeerte van degenen die Israel vingen en folterden, naar woorden van een lied en vreugde: Zingt ons van een Sionszang. Geen lied des HEREN op vreemde bodem, want des HEREN lied is een lied van Sion, dat je niet elders kunt zingen dan op het land, dat God aan Israel ten erfdeel heeft gegeven. Er volgt dan ook een klaaglied ter herinnering aan Jeruzalem, dat verheven wordt boven de top van de vreugde. Vgl. deze vreugde (vs 6) met de vreugde, die folteraars van hen eisten (vs 3). Op dit klaaglied volgt dan weer een wraaklied, waarin het gedenken van Gód aan de dag van Jeruzalem, zie Obadja, uitloopt op een vergelding aan de zonen van Edom en waarin hij gelukzalig wordt geprezen, die de kinderen van de dochter van Babel (tegenover de dochter van Sion) verplettert tegen de rots. Dit welzalig of gelukzalig wordt tweemaal gebruikt en leidt het hardste woord uit het hele Psalmboek in. Veel commentaren hebben zich beijverd te verklaren, dat deze slotwoorden een uiting van menselijke emotie zijn en niet passen in de mond van wie het N.T. kennen en geloven. Volgens het antieke vergeldingsrecht is het echter zo gesteld dat, wanneer de bloedwraak eenmaal aan de kinderen voltrokken is, daarmee de wraak ook ten einde is. Vss 8-9 kunnen dus evenzeer op de wraak als op het einde van de wraak betrokken worden. Wat het N.T. betreft, is het de vraag of Jezus deze verschrikkelijke verzen niet aanhaalt in Luc. 19:44.
Psalm 138
David dankt God tegenover de goden door zich neer te werpen in Gods heilig paleis. Het gaat te ver om de goden als hemelse wezens of engelen op te vatten, in wier tegenwoordigheid David God dankt. Het feit dat hij God dankt met héél zijn hart en tegenover de goden, typeert hen wel degelijk als goden die de God van Israel vijandig gezind zijn. De reden waarom David God dankt, is gelegen in zijn wezen, uitgedrukt door zijn Naam (tweemaal vs 2) en zijn goedertierenheid en waarheid. SV vertaalt: ‘Vanwege Uw ganse Naam’ en NBG: om uws groten naams wil. Anderen lezen de zin zó: Gij hebt bóven Uw ganse Naam Uw woord grootgemaakt. Dit wezen van God is tevens de reden waarom David antwoord en kracht, levenskracht kreeg op zijn roepen. Zelfs de koningen die dit woord horen, dat nog boven Gods Naam verheven is, zullen de HERE danken en zingen van de wegen van Hem, wiens gewicht (heerlijkheid)zo groot is. Er is immers geen god die zoveel betekent als de God van David. Hij ziet naar de diep gelegene, maar de hoge kent Hij zo, dat Hij hem op een afstand houdt. Overigens kent God deze hoge door en door. Sommigen menen dat het feit dat God in de hemelen troont, de hovaardige belachelijk maakt. Hij meent heel hoog te zijn, maar er is een enorme afstand tussen God en hem. David vertoont in de slotstrofe zelf het beeld van de nederige, die in het midden an benauwdheid gaat, er dwars doorheen moet. God maakt hem (weer) levend, zie Ps. 30:4 en 71:20, strekt zijn hand uit tegen Davids vijanden en houdt hun toorn tegen, maar vooral redt Hij David met zijn rechterhand. Zo brengt God ten behoeve van David zijn werk ten einde, en zijn goedertierenheid staat ervoor in. Met de bede dat Gods handen niet slap zullen worden, eindigt David deze psalm.
Psalm 139
God onderzoekt David en kent. Wanneer dit kennen, weten in de meest oorspronkelijke zin moet worden opgevat, dan is de betekenis niet slechts, dat God alles van David weet, maar dat Hij Zich om hem bekommert, Zich met hem inlaat. Deze bemoeienis betreft het zitten en staan, het begin en einde van Davids handel en wandel, maar ook de gedachten die daarachter liggen. Het woord voor gedachte komt alleen hier en in vs 17 voor. De gissing dat het ook Spr. 20:30 gelezen moet worden, is zeer onzeker. Ook het gaan en liggen (vs 3) is voor God niet verborgen, maar Hij bepaalt die. Zover gaat zijn bemoeienis met David, dat de HERE met al Davids wegen vertrouwd is, er (zorgvuldig) mee omgaat. Het woord op de tong, dat nog moet worden uitgesproken, is God reeds bekend. Dat God zijn handpalm, (volgens Buber zijn vuist) op David legt, kan bescherming betekenen. Vs 10 doet ivm. Gods (rechter)hand denken aan bescherming, maar ook aan leiding en bestuur. Deze kennis (van God) is voor David een verborgenheid: zij gaat hem te hoog.
Wil men in de eerste 6 verzen van Gods alwetendheid spreken (zie echter het voorbehoud, dat wij onder vs 1 maakten), dan kan men de tweede strofe, vss 7-12, typeren met Gods alomtegenwoordigheid. Gods Geest en Gods aangezicht (vs 7) duiden beide Gods wezen en zijn aanwezigheid aan. In de woorden hemel en hel of onderwereld (sjeool) ligt de reikwijdte van Gods aanwezigheid besloten, vgl. Job 26:6 en Am. 9:2. De vleugels van de dageraad (vs 9) geven de psalmist snelheid, zoals de vleugels van de wind (Ps. 18:11) en de vleugels van de zon (Mal. 4:2), en het uiterste der zee is het uiterste eind van de zee of de achterste zee, Deut. 11:24, waarachter in het geval van de Middellandse Zee de eilanden der heidenen liggen. Voor hand en rechterhand zie onder vs 5 boven. De verlichting van de nacht (vs 11) kan opgevat worden als een inleiding tot het volgende: de nacht licht als de dag en de duisternis is als het licht. Hierop volgt dan de tegenstelling: het licht wordt niet nacht, maar omgekeerd wordt de nacht licht of dag, zoals op de eerste scheppingsdag. Het gaat immers om het licht dat van Gods aangezicht straalt. Hij is licht en er is in het geheel geen duisternis in Hem, 1 Joh. 1:5.
In de derde strofe, vss 13-18, worden de wonderen van de schepping en daarmee Gods alwetendheid en alomtegenwoordigheid, en vooral die wondere kennis van God, toegepast op de schepping van de mens, heel persoonlijk: het gaat om het worden van de psalmist. Niemand kent het gebeente in de schoot van een zwangere vrouw, Pred. 11:5, maar God kent en doorschouwt de moederschoot en kent de nieren van een foetus. En ook hier is het geen kennen als weten van, maar actieve bemoeienis van God (scheppen, voortbrengen). David dankt God, omdat hij op een te vrezen wijze als een wonder is gemaakt. En het element van het wonder keert terug in de verheerlijking: wonderbaar zijn uw werken (vs 14). Zeer opmerkelijk is dat, terwijl de kennis van God voor David te verheven is, (vs 6) zijn ziel dit wonder’zeer wel weet, het kent, omdat David aan dit wonder en aan de wonderen van Gods werken het leven dankt. Hij ervaart die wonderen dagelijks. Hij is gemaakt in het verborgene, als een weefsel met kleurrijke draden geweven in het benedenste der aarde. Wordt met het verborgene de moederschoot bedoeld, dan gaat het in beide gevallen om een voor mensen verborgen plaats, waar God wel komt en die Hij wel ziet en waarin Hij ook handelt. Evenals Job 1:21 bestaat er een verband tussen de moederschoot en de aarde, dat reeds gerechtvaardigd wordt door de schepping van de mens, stof uit de aarde. Zie de schoot van de onderwereld (Jona 2:2). Het ‘vormloze’ van het embryo wordt in een zeldzaam woord (vs 16) uitgedrukt. Er is geen reden om ipv. dit in het O.T. eenmalige woord een verandering aan te brengen en ‘lot’ te lezen. Toen nog niemand in dat sa-mengewikkelde een mens ontwaarde, waren Gods ogen reeds op David gevestigd. Voordat zijn levensdagen geformeerd werden, waren ze reeds geschreven in het boek van God, zie de boeken in Op. 3, 5, 13, 17, 20 en 22. De slotsom van dit wonder van de schepping van een mens staat in vss 17-18. De tweede regel van vs 17 kan aldus gelezen worden: hoe kernachtig hun hoofdzaken. Ook wanneer de gedachten van God, vgl. vs 2, zo overweldigend zijn, dat David in slaap valt, dan blijkt God bij het ontwaken nog bij hem te zijn en hij met God. De gemeenschap tussen God en David kan niet verbroken worden.
In de laatste strofe, (vss 19-24) komt de goddeloze naar voren, wiens rol niet uit het overige van de psalm kan worden afgeleid. Wie in vs 17 ‘Gods vriend’ of ‘Gods vrienden’ leest ipv. Gods gedachten, kan een tegenstelling zien tussen de vrienden en de goddelozen. Wanneer men deze gissing niet volgt, dan moet men aannemen dat de goddelozen door David naar voren worden gebracht, omdat zij degenen zijn, die zich over de bemoeienis van God, over zijn alwetendheid en alomtegenwoordigheid niet verwonderen, maar integendeel God lasteren en als mannen des bloeds tegen David en hun naaste optreden. Zij spreken over God in de vorm van een boze aanslag (vs 20) en zij behandelen Gods naam als die van een afgod. Zij zijn dan ook Gods tegenstanders, vgl. 1 Sam. 28:16. Wellicht moet men ‘haten’ (vs 21) nemen in de betekenis van voorbijgaan. Maar vs 22 verklaart de volkomen haat in de zin, dat de haters Davids vijanden zijn. Vss 23-24 eindigt de psalm zoals hij begon. Nu is echter de belijdenis een gebed. De confrontatie met Gods vijanden, die nu ook Davids vijanden zijn, maakt David niet trots, maar doet hem vragen dat God hèm onderzoekt enzijnhart, zijn levenscentrum kent, de gedachten die hem onrustig maken (vgl. Ps. 94:19), op de proef stelt en zich ermee inlaat, die kent. Ten bewijze dat deze kennis van God een weg voor Davids voet opent, bidt hij dat God, die alles ziet, de weg die pijn en moeite veroorzaakt, zien zal en daarmee het onheil in zijn voorzienigheid opneemt en afwendt, en David leidt op de eeuwige weg, de weg van de toekomst.
Vs 14 vinden sommigen terug in Op. 15:3.
Psalm 140
Dit gebed van David wordt gekenmerkt door een paar werkwoorden: red mij (vs 2) ofwel ruk mij uit en bewaar mij, bewaak mij (vs 5) en behoed mij. Driemaal worden de mannen van het geweld genoemd (vss 2, 5 en 12) en het is opmerkelijk dat hun slechte voornemens en hun slechte tong hun gedrag kenmerken. Uit het beeld van de slang en adder en uit dat van het vangnet (vs 6) blijkt dat het voornemen van de geweldigen in listen bestaat. Het komt tussen David en zijn tegenstanders tot een dag van strijd, van wapening (vs 8), waarbij David mag weten dat de HERE zijn sterkte en zijn uitredder is. De wijze waarop God het hoofd van David beschermt, roept het beeld op dat God Davids helm is, Davids gebed is nu, dat de goddeloze zich niet zal verheffen en de hinderlaag niet zal gelukken. Tegenover het bedekte hoof van David staat het hoofd (niet: venijn) van wie David omsingelen. In de bede om van zijn vijanden verlost te worden, spreekt David van de pijn van hun lippen. Evenals in de eerste strofe is niet grof geweld, maar de listen en de taal van de tong de ergste bedreiging voor David.De gloeiende of vurige kolen (vs 11) worden hier iov. Rom. 12:20 in de ongunstige zin van het woord bedoeld. Ook (vs 12) net als in het begin van de psalm wordt de man van de tong, zoals hij lett. genoemd wordt, gelijkgesteld met de man van geweld.
Tegenover dit alles helpt naast het feit dat (vs 8) de HERE de wapenrusting van David is, alleen dit dat de HERE de zaak van de neergebogene uitvoert en het recht van de armen. Zodoende zullen de rechtvaardigen, die de gemeenschap met de HERE en hun naaste onderhouden, en de oprechten Hem danken en voor zijn aangezicht wonen of zitten.
Vs 4 is ten dele als citaat te herkennen in Rom. 3:13-14.
Psalm 141
Het gebed van David is zeer dringend, want hij vraagt God Zich te haasten tot hem. Het bekende vs 2 zet reukwerk naast avondoffer. Volgens dit vers verstaan velen de psalm als een gebed ten tijde van het avondoffer. Dit avondoffer bestond wat het reukaltaar betreft uit een reukoffer en wat het brandaltaar betreft uit een graanof-fer op de tijd van het avondgebed, zie Ex. 29:38-42. Bij dit offer past heiligheid. Vandaar (vss 3-4) de bede om een wacht voor de mond en een bewaking voor de deur van de lippen, in wat men wel heeft opgevat als de oudtestamentische bede: ‘Leid ons niet in verzoeking’. Het eten van de lekkernijen van hen die ongerechtigheid werken, houdt in dat men gemeenschap met hen heeft. Zie overigens wat het verzoeken door God betreft Jak. 1: 13-14. Tegenover het eten van de lekkernijen der goddelozen staat het slaan van de rechtvaardige. Terwijl die lekkernijen te mijden zijn, is dit slaan een weldaad, een uiting van goedertierenheid, vasthouden aan verbond en gemeenschap. Evenzo is het kastijden olie op het hoofd, het eerbewijs voor gasten, zie Ps. 23:5. Dit keer weigert David niet. Het slot van vs 5 schijnt te zeggen, dat ook de rechtvaardige boze handelingen verricht. Maar dit is niet bedoeld. Ook het vervolg maakt duidelijk, dat het om de boosheid van de eerder genoemde goddelozen gaat. Nu is David door zijn omgang met de rechtvaardigen en zijn verkeer in Gods huis met offer en gebed, gewapend in het gebed tegen alle boze daden. De rechters, die aan de zijde van de rots worden neergelaten of neergestoten of evt. ook losgelaten, kunnen worden verstaan als de nieuwe regeerders, die in naam van de goddelozen regeren, maar die al heel snel in ongenade vallen, echter niet zo snel vallen dan dat ze toch eerst de liefelijke redenen (vgl. Ps. 133:1, 135:3, 147:1) van David hebben aangehoord. Aan de hand van het beeld van de opgeploegde en omgewoelde aarde wordt duidelijk gemaakt dat zo en even onordelijk de beenderen van Israel – onbegraven – liggen aan de mond van het graf en van de onderwereld. Vs 7 is een moeilijk te verstaan vers, tenzij men het plaatst tegen de achtergrond van de regering der goddelozen. Onder hun heerschappij ziet het er voor Israel zo gruwelijk uit, dat de bede om haast (vs 1) nu des te meer verstaanbaar is. En zo ook (vs 8) de bede dat GodDavids leven niet zal uitgieten als water. De laatste verzen bepalen ons bij de strikken en vallen, die de werkers der ongerechtigheid (vgl. vs 4) hebben gezet, maar waar de goddelozen zelf in zullen vallen, totdat David zal zijn voorbijgegaan of ontkomen. Nog eenmaal dus de bede: ‘Leid ons niet in verzoeking!’. Voor het motief, waarbij de goddeloze in zijn eigen valkuil valt, zie Ps. 7:16-17; 9:16-17; 140:11.
Psalm 142
Deze psalm bevat een nog persoonlijker gebed dan de vorige. Hij behoort tot de acht psalmen, die door David gecomponeerd zijn in de tijd van de vervolging door Saul. Van deze acht heten evenals deze ook 32, 52, 54, 88 een leerdicht. Tot tweemaal toe spreekt vs 2 van: mijn stem (is) for de HERE; vgl. met Ps. 77:2. Vs 3 spreekt van klacht en benauwdheid, en het woord voor klacht, kan ook bedoeling, bezigheid betekenen. Over het kennen als zich bekommeren zie onder Ps. 139 begin. Het pad en de weg maken geen wezenlijk verschil. Soms duidt pad op een concrete handeling en keuze, terwijl dan de weg de levensweg in het algemeen aanduidt, maar in dit vers en bij deze woordkeus ligt dit onderscheid niet voor de hand. Op die weg nu zijn er weer dezelfde vervolgers (vs 7) als Ps. 140, wier kracht ligt in de strikken en hinderlagen, die zij leggen. In dit geval staat David niet alleen tegenover een overmacht, maar ook is er niemand (vs 5, tot tweemaal toe) die David erkent of naar zijn ziel vraagt. Wel zoeken ze zijn ziel om die weg te nemen, maar niemand zoekt zijn ziel om hem goed te doen. Daarom opnieuw (zie vs 2) dat roepen: een klaag-schreeuw uitstoten. God is Davids toevlucht en zijn aandeel in het land der levenden. Voor zover hij nog verder zal leven, zal dit alleen door God komen, die zijn levenis. Verder heeft hij op niets en niemand te rekenen. Zelf is Davidzeer zwak, gering, hulpeloos. Maar wanneer de HERE zijn ziel uit de gevangenis uit het blok haalt, dan ontvangt God de dank die Hij verdient uit Davids mond en uit de mond der rechtvaardigen, die de verloste David omgeven. God doet wel, Hij voltooit zijn werk.
Psalm 143
Ook deze psalm is er een van vervolging, en in navolging van sommige handschriften van de Septuaginta menen velen dat de psalm geplaatst moet worden in de tijd van vervolging van David door zijn zoon Absalom. Vooral vss 3-4 passen zeer wel bij wat ons van de vlucht van David door Absalom bekend is, echter past vs 12 met de bede dat God de vijanden tot zwijgen zal brengen, nauwelijks bij de opdracht van David aan Joab om zacht met Absalom te handelen.
De smekingen (vs 1) zijn smekingen om gunst en het antwoord op Davids gebed zal geschieden naar Gods trouw en waarheid en naar zijn gerechtigheid, waardoor Hij de gemeenschap met David niet doorsnijdt, maar onderhoudt. Vs 2 bevat een zelfbeschuldiging. Ook de knecht des HEREN, David, de man naar Gods hart, is niet rechtvaardig voor Gods aangezicht in Gods concrete gericht over deze zaak met de vijand(en). Men kan bij rechtvaardig zijn denken aan deze betekenis, dat David niet de gemeenschap met zijn God heeft onderhouden. Dat heeft alleen de HERE van zijn kant gedaan. Het is echter ook mogelijk om in navolging van Job 9:2; 25:4 de uitdrukking rechtvaardig zijn zo op te vatten, als wil David zeggen: in het geding met de vijanden ga ik ook niet vrijuit. Dat blijkt wanneer hij in het gericht voor God staat. Vs 3 noemt opnieuw de reden van het gebed: de vijand vervolgt hem, buigt zijn leven ter aarde, doet hem wonen in duisternis en rekent hem tot de doden. Vgl. Klaagl. 3:6. Aan hen die voorlang gestorven zijn, zal niet licht een wonder geschieden, zie Ps. 115, en zo zal David niet verlost worden. Vs 4 beschrijft David als een, wiens geest versmacht en verzwakt en wiens hart verstart ten dode.
In de volgende verzen haalt David wat vroeger geschied is aan de daden des HEREN, naar voren via het gedenken en leest half zacht, murmelend, de werken van God (zie Ps. 1). Evenals Ps. 142:6 verklaart David dat God voor hem het enige leven en de enige levensmogelijkheid is, en hij drukt dat uit in een gebed, waarin hij zichzelf als een dorstig land (vs 6) voorstelt. Zijn geest, waarvan hij (vs 4) beleed dat die versmachtte, eet zich nu op, verteert zichzelf, tenzij God antwoordt (vs 7). Hij herhaalt de stervensangst uit vs 3. De morgen is het beeld van de nieuwe dag èn van de toekomst, vgl. Ps. 30, en er zal voor David toekomst zijn, wanneer God die schenkt door zijn goedertierenheid. Het vertrouwen op God als op een fundament en het opheffen van de ziel als een offeren, het een in de diepte, het ander in de hoogte, komt in deze nevenstelling oa. Ps. 25:1-2 voor. Vanaf vs 8 is er weer uitzicht, er is een weg, die God David op zijn gebed bekend maakt, er is een wil en welbehagen van God, dat de HERE David leren wil. Niet meer de versmachtende geest van David, maar de goede Geest van God gaat hem leiden of: de Geest van God leidt hem goedgunstig. Vgl.
Ps. 51:13. Indien de vervolging door Absalom de achtergrond van deze psalm is, dan hebben de woorden ‘in een effen land’ een diepe betekenis. David keert in zijn land, zijn stad en op zijn troon terug. God heeft alle hobbels en met name de vervolging, die zijn geest doet sterven, weggenomen en heeft de toekomst als een effen land voor hem gemaakt. In vs 11 doet zich weer hetzelfde probleem voor als Ps. 138:7, waar dezelfde werkwoordsvorm gebruikt wordt. Gaat het om in het leven behouden of om levend maken? Ook hier kiezen we voor de vertaling: maak mij levend, of: Gij zult mij levend maken, dit gezien het wonen van David bij de gestorvenen (vs 3). Gods gerechtigheid en goedertierenheid worden als pleit-grond aangevoerd in het slot van deze psalm, waar de benauwdheid en de benauwers genoemd worden en waar David zichzelf net als vs 2 Gods knecht noemt. Met deze aanduiding knecht is de hele inhoud van de psalm in het kader van de dienst aan de HERE komen te staan. De koning is de knecht, die God dient ten goede van Israel. Niet slechts Davids zaak, maar ook die van Israel staat op het spel.
Psalm 144
De eerste verzen komen nagenoeg geheel overeen met Ps. 18:35 en 47-48. Koning David verheerlijkt God en zegent Hem, omdat Hij hem leert testrijden. Vss 3 w. doen eerder denken aan Ps. 8. Alleen werd daar het woord sterveling gebruikt en hier het gewone woord adam, mens. Ook verschillen de werkwoorden: déar gedenken en bezoeken. Hier kennen, zich om hem hem bekommeren, en tellen, voor waardevol houden. De vergelijking van een mens met ademtocht, zie (H)abel in Gen. 4, stemt overeen met Ps. 39:6-7. Ook de verzen 5-7 zijn te herleiden totPs. 18:10, 15 en 17-18 en 104:32. De vreemde (vs 7) is niet alleen de buitenlander, maar vooral degene die andere goden dient, de man van het bedrog. Het nieuwe lied (vgl. Ps 33:3, 40:4, 96.T, 98:1, 108:9) wortelt in Gods nieuwe, verlossende daden. De God, aan Wie de koningen hun overwinning te danken hebben, ontwringt David, zijn knecht, aan het boze zwaard.
Het laatste deel van de psalm beschrijft in de vorm van een gebed de welstand van het volk, wanneer de HERE zo bevrijdend handelt. De zonen zijn als planten, de dochters als hoekzuilen (gedacht wordt aan vrouwenfiguren op zuilen afgebeeld), vgl. Ps. 128, de voorraadschuren gevuld, de kudden schapen vermeerderen zich, de runderen zijn drachtig, de stad is onneembaar. Er is geen klacht te horen op de markten of pleinen, dwz. geen strijd of ondergang binnen de stad. Vs 15 heft het ‘welzalig’ over dit volk aan. De HERE is gezegend (vs 1), maar het volk is welzalig, tot tweemaal toe. Het is kennelijk de bedoeling van het vers, dat het het volk zo goed gaat, omdat zijn God de HERE is.
Psalm 145
Ook deze psalm is acrostisch gecomponeerd, dwz. elke regel begint met een volgende letter van het hebreeuwse alfabet. God wordt verheven, vgl. Ps. 30.T, en gezegend door David. Dat zegenen van de Naam des HEREN wordt (vs 2) herhaald en het prijzen wordt eraan toegevoegd. Is zegenen meer dan verheffen en prijzen? In zoverre zegenen bedoelt iemand de levenskracht toe te-kennen, waardoor Hij is die Hij door zijn Naam heeft te zijn, staat zegenen dichter bij eren, zwaar maken, gewicht toekennen, dan bij prijzen en verheffen. Vs 3 geeft aan, dat Gods grootheid de reden van al deze eer is, en (vss 4-7) die grootheid blijkt uit zijn daden.
In feite is heel deze psalm een opeenstapeling van daden en deugden van God. De befaamde rij van genadig, barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid opent het middendeel (vss 8-13). Deze rij is zoals het geheel van de psalm nergens anders toe bestemd dan om gereciteerd te worden door de vrome Israëliet. Want volgens het tractaat Berachot kan ieder, die deze psalm driemaal per dag herhaalt, er zeker van zijn dat hij een kind is van de toekomende wereld. Zowel Gods werken als zijn gunstgenoten danken en zegenen Hem in zijn daden, die koninklijke daden blijken te zijn. Viermaal wordt van Gods heerlijk koningschap (vss 11-13) gesproken. Dat koningschap, zo blijkt uit de laatste strofe, uit zich niet in wat voor het oog der wereld opzienbarend is. Gods machtige daden gaan diegenen aan, die vallen, en die gebogen zijn, vs 14. Zijn oren zijn gericht op wie Hem in waarheid aanroepen. Om die reden zijn aller ogen op Hem gericht, omdat Hij ieder en allen hun voedsel geeft. Met of naar zijn welbehagen verzadigt God al wat leeft – en hier gaan we over de grens van de mensenwereld heen. Datzelfde welbehagen keert terug (vs 19) in het welbehagen van wie Hem vrezen, dezelfden als die (vs 20) Hem liefhebben, Hem verkiezen als hun God. Het verdelgen van de goddelozen staat in de onvoltooid verleden tijd, die kan zien op een toekomstige handeling. Echter, het schragen en oprichten (vs 14), het geven (vs 15), het open doen en verzadigen (vs 16) en het bewaren (vs 20) staan alle in de vorm van een deelwoord. Er is een voortdurende handeling mee uitgedrukt. Met de lof, waar de Psalm mee begon in zijn opschrift, eindigt David nu ook weer, waarbij opvalt dat niet slechts Davids mond God looft, doch ook alle vlees (vgl. met al wat leeft vs 16) de Naam van Gods heiligheid zegent voor eeuwig en altoos, zie slot vss 1 en 2. Sommigen lezen vs 17 als citaat in Op. 15:3.
Psalm 146
Met Halleluja als opschrift meegerekend, wordt het werkwoord ‘loven’ in de vss 1-2 driemaal gebruikt. Dat prijzen van God staat in het kader van het vertrouwen op God. De woorden zolang ik nog ben onderstrepen deze uitleg. God is de Enige die het leven kan en wil schenken. Daarom kan men ook niet op edelen vertrouwen. Voor ‘edelen’ wordt een woord gebruikt, dat de gewillig schenkenden aanduidt. Hoe graag de edelen ook geven, het leven kunnen zij niet schenken. De edele is (vs 4) immers zelf een sterfelijk mens, een mensenzoon (vs 3), bij wie geen heil is. Alles wat hij zich voorgenomen heeft, ook zijn vrijgevigheid, komt tot een absoluut halt, wanneer hij sterft.
Daartegenover is hij welzalig die de HERE kent als zijn hulp en Hem verwacht. Dat de HERE in vs 2 eerst mijn God en nu hier Jakobs God genoemd wordt, verbindt deze tekst met Ps. 20:2, en evenals daar gaat het ook hier om een speciale hulp, die van de HERE als Jakobs God te verwachten is. Kennelijk is het leven van Jakob en van zijn kinderen en het volk dat uit hen geboren wordt, gekenmerkt door bijzondere uitreddingen. Zie Pss. 20:2 en 114:7. De God van Jakob is ook hier, zoals vaker in het Psalmboek, de God die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat erin is. In een reeks deelwoorden wordt nu de voortdurende werkzaamheid van God beschreven: Hij is bewarende trouw tot in eeuwigheid, Hij is doende recht aan de verdrukten, Hij is gevende brood aan de hongerigen. Hierna gaat de psalmist over op deelwoorden, die alle voorafgegaan worden door de Naam des HEREN. Zo worden al Gods kenmerkende daden vermeld en ze zijn op de Messias of op de koning van Israel of op beiden van toepassing. Vandaar dat het eeuwige koningschap des HEREN (vs 10) bezongen wordt, gevolgd door een laatste Halleluja. Intussen zijn de vijf werken die van de HERE (vss 7b-9a) gezegd worden, volgens sommigen gekozen in overeenstemming met de vijf Boeken van Mozes, wier vervulling door Godzelf hier zou zijn aangeduid.
Na alle goeds, dat van Gods koningschap is te verwachten, vgl. Ps. 72, zegt vs 9b, dat Hij de weg der goddelozen krom maakt en daarmee hun weg misleidt, vgl. Ps. 119:78. Zoals de psalmist met ‘mijn God’ begint, zo eindigt de psalm met ‘uw (nl. Sions) God’. Zoals in zoveel psalmen wordt ook hier het tot in eeuwigheid of voor eeuwig verbonden met van geslacht tot geslacht. De eeuwigheid van de heerschappij van God wordt hier en nu gevoeld en door de ene na de andere generatie beleefd en bezongen. Vs 6 wordt geciteerd in Hand. 4:24 en 14:15. Overigens wordt God ook Ps. 124:8 in iets verkorte vorm zo genoemd als hier (vs 6).
Psalm 147
Ook hier het opschrift Halleluja(ch), dit keer vertaald door SV en NBG, omdat er een bijzin, ingeleid door ‘want’ aan toegevoegd wordt. NBG leest (vs 1), dat het liefelijk is onze God te psalmzingen, terwijl SV ‘liefelijk’ verbindt met Godzelf: dewijl Hij liefelijk is. In Ps. 135:3 wordt het liefelijke op de Naam des HEREN toegepast. Zie ook Ps. 133:1. Het grote thema is de bouw van Jeruzalem, volgens velen de herbouw in de tijd van Ezra en Nehemia, welke periode ook de volgende twee psalmen zou kenmerken. Oa. een vergelijking van vs 6 van deze psalm met Ps. 146:9 zou het verschil tussen vroeger en later spraakgebruik illustreren. God verzamelt de verstote-nen van Israel. In een reeks van deelwoorden wordt nu de diepte van zijn verzamelend werk, maar ook de breedte ervan aangetoond. De verstotenen, vgl. Jes. 56:8 zijn volgens sommigen de outcasts en niet zozeer degenen die door God uit de ballingschap worden teruggebracht; de gebrokenen van hart komen zo ook (Jes. 61:1) voor. Zij zijn het speciale voorwerp van de liefdevolle zorg van de Messias en worden door Hem, zoals hier door de HERE, verbonden en genezen. Zie Luc. 4:16-19. Evenals in Gen. 15:5; Jes. 40:26 vormt het sterrenheer en nog meer Gods heerschappij over hen een garantie van de vastheid van Gods verbond met Israel en een uitdrukking van Gods kracht: Hij is in staat om Israel te vergaderen. Vs 5 herinnert aan Ps. 145:3 en 6. Voor vs 6 vgl. Ps. 146:8-9. Hetzingen (vs 7) wordt door verschillende uitleggers als een wisselzang opgevat, een antwoorden door het lied. Vss 89 bezingen dan Gods voorzienigheid en zorg voor al wat leeft. Hij is niet alleen groot in zijn scheppende daden, maar Hij onderhoudt ook wat Hij gemaakt heeft. Vgl. met het roepen der jonge rasen Mat. 6:26 en Luc. 12:24. Via het aan Ps. 33:16-17 herinnerende vs 10 keert de psalmist tot zijn thema terug: God vergadert Israel en bouwt Jeruzalem. Gods sterkte wordt in zwakheid volbracht, vgl. 2 Kor. 12. Vs 11 komt overeen met Ps. 33: dezen wordt Gods overwinnende kracht verheerlijkt. Vss 12-20 passen nu alles wat tevoren over de grootheid van de God van Israel in en buiten Jeruzalem, in en buiten Israel, op de aarde en in de hemel gezegd is, toe opIsrael en Jeruzalem. De HERE heeft ervoor gezorgd dat de stad sterk en verdedigbaar is, vs 13 vgl. met Neh. 3, en Hij zegent Sions zonen in het midden van Sion. Opvallend is dat tegenover de deelwoorden, waar vanaf vs 2 sprake van was, nu de voltooid tegenwoordige tijden worden gesteld, dit alles heeft God gedaan, het is een onloochenbaar feit. De HERE geeft het gebied vrede, Hij doet in het omgrensde welstand heersen, en die welstand geldt niet slechts de bescherming tegen evt. vijanden, opdat die niet binnenvallen, doch ook naar binnen toe het verzadigen van het volk met het vette van de tarwe. In vss 15-16, waar de deelwoorden weer terugkeren, worden sneeuw en rijp verbonden met het woord en de uitspraak des HEREN. Hetzelfde woord, waardoor Hij (vs 18) het ijs doet smelten en de winden doet waaien en de wateren doet vloeien, is het woord of de woorden, die de HERE aan Jakob bekendmaakt, en zijn inzettingen en rechten aan Israel. In Israel komen alle lijnen samen. Elk ander volk (vs 20) moet deze kennis missen. Ieder ander ervaart ook sneeuw en ijs, rijm, wind en waterstromen, maar kent niet het woord en de woorden, waardoor dit alles wordt geordend tot een geheel, waarvan de grenzen niet te overtreden zijn. Buber geeft wat onze vertalingen met: kennen zij niet, aanduiden, weer met: zij bleven hun onbekend. Vgl. Deut. 4:7 w. en 32-34. Met het Halleluja(ch) van het begin eindigt de psalm.
Psalm 148
De eerste vier verzen worden beheerst door het werkwoord halal, prijzen, loven. Ook hier het opschrift en naschrift Halleluja(ch). De volgorde is opvallend: eerst de hemel (niet in de hemel, NBG, maar vanuit de hemel of uit de hemelen, SV), dan de hoogten, de engelen of boodschappers, Gods legerscharen, zon en maan, lichtende) sterren, hemel der hemelen (de hoogste sferen, Deut. 10:14, 1 Kon. 8:27) en wateren boven de hemel (Gen. 1:7 en misschien Gen. 7:11). Ook vs 5 wijst terug naar de schepping, en vs 6 beschrijft de Schepper, Die tevens de Onderhouder en dus Regeerder is. Nadat de hemelen hun Schepper hebben geloofd, komen nu de aarde en alle schepselen op aarde aan de beurt, waarbij de zeedieren en waterdiepten het bedreigende van Gen. 1:2 en zich bergen, vgl. Ps. 104. De opsomming eindigt vss 11-12 met de mens, die in een reeks van aanduidingen genoemd wordt, welke alle verscheidenheid insluit. Zie voor vs 13 Ps. 113:4. Vs 14 geeft de diepste reden van de lof van God, waarbij de lofzang vervat is in de verhoogde hoorn, zie Ps. 75 ea. Sommigen lezen vs 1 als een citaat in Mat. 21:9b.
Psalm 149
Itt. de vorige psalm beperkt deze psalm de lof van God tot Israel, en het is opvallend hoe uitgebreid hier over de deugden van God gesproken wordt. Hij, Wiens lof gezongen wordt in de gemeente van de vromen die vasthouden aan het verbond, is IsraelsMaker en Koning en Hij is de HERE. Nadat (vs 3) een aantal instrumenten genoemd zijn, die in Ps. 150 terugkeren, en het welbehagen van God is verklaard met het oog op de neergebogenen, die zijn volk zijn (niet ‘kronen’, maar versieren of verheerlijken), blijkt de lof van God of het verheffen van God samen te gaan met een tweesnijdend zwaard (vgl. Gen. 3:24 en Heb. 4.12; Op. 1:16, 2:12) dat door de met heil versierde neergebogenen mag worden gehanteerd. De laatste verzen behelzen het beschreven recht, dat aan de overwonnenen wordt gedaan en dat herinnert aan 1 Kor. 6:2. Terwijl onze vertalingen de heerlijkheid van vs 9 opvatten als een verwijzing naar dit oordelen van de wereld en met name de vijanden van Israel door Gods volk, leest Buber in het hebr. hoe niet ‘dit’, maar ‘Hij’, nl. de HERE, beschreven zou zijn als de glans van al zijn gunstgenoten.
Psalm 150
Het bijzondere van deze psalm is de opsomming van de muziekinstrumenten, waarmee God in zijn heiligdom wordt geprezen, zo goed als in het uitspansel van zijn macht of sterkte: Sion is verbonden met Gods troon en altaar in de hemelen. Vs 3 door Buber met luit weergegeven, kan ook harp betekenen, luit of citer, (vs 4) handtrommel of tamboerijn en reidans, snarenspel en fluit, vs 5 cimbaalgeschal en cimbalen die een alarmsignaal geven. Met een dubbel halleluja(ch), eindigt de psalm en eindigt het hele Psalmboek. Het is duidelijk dat de opsomming van de muziekinstrumenten dient om Gods lof almaar groter te maken en te onderstrepen dat Hij woont in de hoogte en op Sion en dat Hij de God der goden is. Deze muziekinstrumenten passen bij de tempeldienst, zoals blijkt uit 2 Kron. 5. Het woord voor heiligdom kan ook Gods heiligheid aanduiden. God wordt dan geprezen in alles wat zijn heiligheid uitstraalt. Het woord voor uitspansel duidt op de hemel, die ons beschermt. De HERE moet daar geloofd worden, waar Hij de wateren, die het leven bedreigen (zie de zondvloed), terugdringt en het leven voor ons mogelijk maakt.