Menu

None

Psalmen in ’t groen

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Deze bijdrage richt zich eerst op de taal van de Psalmen, biedt daarna een overzicht van groene Psalmen, peinst vervolgens over de positie van de mens in Psalm 105 en stelt ten slotte de vraag hoe giftig Psalm 8 is. De titel van deze bijdrage is gekozen met het oog op de biodiversiteit.

Laudato si

Paus Franciscus ontleent de woorden Wees geprezen, mijn Heer! aan het Zonnelied van Franciscus van Assisi en maakt ze tot incipit van zijn encycliek die als ondertitel heeft Over de zorg voor ons gemeenschappelijk huis (2015). Zo zet hij de toon in een brief die begint met een gedetailleerde beschrijving van wat er mis is met ‘ons huis’, die vervolgens de menselijke wortel van de ecologische crisis blootlegt en ten slotte pleit voor een integrale ecologie. Deze brief verwijst voor hij nog begonnen is, naar het loven van God voor en door zijn schepselen.

De waarden die de integrale ecologie bepalen, komen naar voren in een passage waarin de paus Franciscus van Assisi tot voorbeeld stelt en daarna in een hoofdstuk over het evangelie van de schepping. We citeren hier twee volzinnen die ingaan op onze taal:

Zijn (Franciscus) getuigenis toont ons ook dat een integrale ecologie vraagt om een open staan voor categorieën die de taal van de exacte wetenschappen of van de biologie te boven gaan en ons verbinden met het wezenlijke van de mens. (…) Als wij zonder deze openheid voor verbazing en verwondering de natuur en het milieu benaderen, als wij niet meer de taal spreken van broederschap en schoonheid in onze relatie met de wereld, zullen onze gedragingen die zijn van een overheerser, van een consument of van een pure uitbuiter van de natuurlijke bronnen, die niet in staat is paal en perk te stellen aan zijn directe belangen.

Laudato si, §11

De passage doet ons denken aan de subtiele taal van Charles Taylor en de tweede naïviteit van Paul Ricoeur en vraagt om een taal die ons kan verbinden met het wezenlijke van de mens, met betrokkenheid en schoonheid, met verbazing en verwondering. We zullen hier niet ingaan op de noodzaak van een dergelijk spreken – lees daarvoor de encycliek – maar zoeken in deze taal de raison d’être van al die Psalmen die het loven van God verbinden met zijn scheppingswerk.

Groene psalmen

We vinden passages in de Psalmen waarin de mens zijn zelfverbeelding zoekt in de natuur. De rechtvaardigen zijn als een vruchtbare boom, geplant aan stromend water, of als een palm, als een ceder van de Libanon zij dragen nog vrucht als ze oud zijn, terwijl de goddelozen zijn als kaf dat verwaait in de wind of als onkruid dat bloeit alleen om te worden verdelgd (Psalm 1 en 92; vergelijk 37,2; 83,14-16).

Fresco St. Franciscus preekt voor de vogels
Giotto, St. Franciscus preekt voor de vogels. Fresco (1297-1299) in de basiliek van St. Franciscus, Assisi.

In bijna alle andere passages waarin de natuur een rol speelt, gaat het om God en zijn scheppingswerk. Soms – lang niet altijd, zoals ik dacht – worden de schepselen opgeroepen tot lof. Psalm 148 is een gaaf voorbeeld met een oproep tot lof gericht aan alle schepselen, eerst de bewoners van de hemel (vv. 1-6) en dan die van de aarde (vv. 7-14). Wanneer de Schepper-koning in aantocht is om de volken te oordelen – en wie koestert dat verlangen niet?! –, wordt heel de (niet-menselijke!) schepping opgeroepen om hem al lovend in te halen (Psalm 96,11- 13; 98,7-9). De hemel heeft geen oproep nodig, het uitspansel roemt het werk van zijn handen, van dag tot nacht tot dag, en dan de zon, niets blijft voor zijn gloed verborgen. Deze klankloze lof vindt zijn spiegeling in de wet (Psalm 19; vergelijk de wat rauwere spiegeling in Psalm 147,15-20).

Meestal ligt toch de lof Gods in de mond van de mens zelf, die al lovend beschrijft wat God gedaan heeft en doet in zijn scheppingswerk. De mooiste voorbeelden zijn Psalm 8 en 104, we komen er nog uitgebreid op terug, maar Psalm 65 is ook niet misselijk, of de hymne die in Psalm 74 is ingebed (vv. 13-17).

Psalm 104

Met enige ecologische opluchting merken lezers op dat er in Psalm 104 weliswaar mensen rondlopen, maar dat de mens niet in het centrum staat en dat hij genoemd wordt als één van de vele schepselen.

Nergens de notie dat de wereld zou zijn geschapen voor de mens of dat de mens het in deze wereld voor het zeggen heeft, als heerser of rentmeester. De mens is deel van het web van de schepping en deelt zo in het wonder en de vreugde van het leven.

Ze hebben gelijk. Psalm 104 is een geweldige psalm en mooi. Nergens een hiërarchie van schepselen zoals de priesterschrijvers die in Genesis 1 presenteren, nergens de insteek van Psalm 8 dat de mens een wapen is in de hand van God in zijn strijd met de afgoden, zodat de mens als bijna-god heerst over de schepping waar eerst afgoden hun gang dachten te kunnen gaan. Neen, in Psalm 104 spreekt de wijze, die als het ware neutraal beschrijft wat God in zijn schepping gedaan heeft en doet.

Separatie

Goed, maar hoe staat het nu werkelijk met de positie van de mens in deze Psalm? Een mooi voorbeeld van het egalitair perspectief van de Psalm is de verdeling van dag en nacht over mens en dier:

Bij zonsopgang trekken zij (de leeuwen) zich terug
en leggen zich neer in hun legers.
De mensen gaan aan het werk
en arbeiden door tot de avond.

Psalm 104,22-23

Maar het vreedzaam samenwonen van schepselen wordt bereikt door de menselijke wereld en de wilde wereld te scheiden, hier door de verdeling in de tijd, maar eerder al door die in de ruimte. Het rustige tweede deel van de Psalm (vv. 10-18) bestaat uit vier strofen. De eerste en de laatste zijn gewijd aan de ‘wilde’ natuur, waarin wilde ezels, ooievaars, steenbokken en klipdassen moeite doen deze psalm te maken tot de psalm van de biodiversiteit (zoals iemand op internet bloedserieus meent), terwijl de twee middelste strofen de wereld van de mens met zijn landbouw en veeteelt schetsen.

De mens centraal

Op die manier staat de mens letterlijk centraal, in de twee middelste strofen. Bovendien, de derde strofe opent het gevoel, de emotie van de mens:

Zo zal hij brood winnen uit de aarde
en wijn die het mensenhart verheugt,
geurige olie die het gelaat doet stralen,
ja, brood dat het mensenhart versterkt.

Psalm 104,14c-15

Zoiets horen we niet van de klipdassen. We houden hier geen pleidooi voor antropocentrisme, maar willen benadrukken dat een menselijk perspectief niet te vermijden is, zolang mensen en niet olifanten spreken en schrijven. Niet voor niets vragen we in een literaire analyse steeds weer wie er kijkt en spreekt.

Nog een stap verder, we zullen ons moeten verzetten tegen de neiging alles af te meten aan ons zelf maar zullen ook onze eigen, speciale positie in de wereld moeten erkennen, omdat alleen wij de ecologische crises ten goede kunnen keren.

In bijna alle passages waarin de natuur een rol speelt, gaat het om God en zijn scheppingswerk.

Leven en dood

Terug naar Psalm 104 en Gods scheppingswerk. De Psalm bezit een grote mate van harmonie, maar niet een paradijselijke of romantische. De schepping waarvoor de psalmist God looft, is complex en combineert leven en dood, orde en chaos. De dichter kiest geen partij voor orde en leven tegen dood en chaos. Hij accepteert de wereld zoals zij is, in haar complexiteit. Hij beschrijft en suggereert daarmee de zinnigheid van alles wat hij in de schepping ziet.

Over leven en dood van mens en dier zegt de dichter – en nu volstrekt egalitair:

En allen zien ernaar uit
dat u brood geeft, op de juiste tijd.
Geeft u het, dan doen zij zich te goed,
opent zich uw hand, dan worden zij verzadigd.

Verberg uw gelaat en zij bezwijken van angst,
ontneem hun de adem en het is met hen gedaan,
dan keren zij terug tot het stof dat zij waren.
Zend uw adem en zij worden geschapen,
zo geeft u de aarde een nieuw gelaat.

Psalm 104,27-30

Het geweld van God

Scheppen is een kwestie van geweld. De Psalm weidt uit over de oervloed die de aarde bedekte:

Toen u hen (de wateren) dreigde, vluchtten zij weg,
toen uw donderstem klonk, stoven zij heen: naar hoog in de bergen,
naar diep in de dalen, naar de plaatsen die u had bepaald.
U stelde een grens die zij niet overschrijden, nooit weer zullen zij de aarde bedekken.

Psalm 104,6-9

Het water is van dan af leven gevend, als bronen regenwater (vv. 10-11.13.16). De geweldenaar die schept, is in staat om de orde te verstoren. In de profetische geschriften kan dat ver gaan, hier wijst de dichter aan waar dat het geval is in de ‘alledaagse’ schepping. God toont zich in onweer en bliksem:

U maakt van de wolken uw wagen
en beweegt u op de vleugels van de wind,
u maakt van de winden uw boden,
van vlammend vuur uw dienaren.

Psalm 104,3-4

En ook in aardbeving en vulkaanuitbarsting:

Hij richt zijn oog op de aarde en zij beeft,
hij raakt de bergen aan en zij stoten rook uit.

Psalm 104,32

Tegelijk is er de schoonheid: Met glans en glorie bent u bekleed, in een mantel van licht gehuld (vv. 1-2.31a). Een treffende verbeelding van Rudolf Otto’s mysterium tremendum et fascinans.

Psalm 29 is de Psalm waarin deze kant van God alle ruimte krijgt. God trekt een spoor van vernietiging vanaf zee, over de bergen, naar de steppe, en voortdurend die stem, de donder, het beven. Hoe kan een zinnig mens – dus even los van het geheimvolle van Otto – hierin een reden zien om te prijzen en te loven? Psalm 29,10-11 zegt het. De macht van deze koning-schepper is dé garantie voor de vrede en de veiligheid van zijn volk:

JHWH heeft zijn troon boven de vloed,
ten troon zit JHWH als koning voor eeuwig.
JHWH zal macht aan zijn volk verlenen,
JHWH zal zijn volk zegenen met vrede.

Psalm 29,10-11

Voor de dichter van Psalm 104 speelt dat niet. Voor hem is de brute natuur een gegeven, een zinvol deel van de schepping, een nuchtere acceptatie van het leven, of misschien meer nog een omarming van wat is.

Psalm 8

Psalm 8 lijkt niet echt een bijdrage te leveren aan een ecologisch verantwoorde theologie en praktijk. De NBG-51 zegt het zo:

Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt,
en hem met heerlijkheid en luister gekroond.
Gij doet hem heersen over de werken uwer handen,
alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd…

Psalm 8,6-7 – NBG ’51

De Psalm lijkt een subliem voorbeeld van de ongebreidelde arrogantie van de mens. Niet alleen positioneert hij zich in deze tekst als heerser over de natuur, meer nog, hij dicht zichzelf hierin goddelijke kwaliteiten toe. De beeldspraak toont dat hem geen grenzen gesteld zijn. Hij kan zijn eigen gang gaan, alles behoort hem toe, hij is god. In een tijd van ecologische crises is zoiets onhoudbaar. De mens heeft het immers definitief verbruid.

Cancelen

Natuurlijk doet deze lezing geen recht aan de Psalm – we gaan dat nog zien –, maar de woorden zijn helder en zijn op het eerste gezicht – en vele mensen komen niet verder – een krachtige legitimatie van de onbegrensde macht van de mens over de planeet. De Psalm eindigt bij de diepzee: en alles wat trekt over de wegen der zeeën (Psalm 8,9) – en we weten inmiddels wat dat is: de plasticsoep, nietsontziende visfabrieken, crashende olietankers… Psalm 8 is voor iemand die de planeet dierbaar is meer dan voldoende reden de Bijbel te cancelen.

God-loos lezen

Voordat we ons richten op de betekenis en de waarden van Psalm 8, lassen we een kleine oefening in, een exercitie in god-loos lezen, om zo bewust te krijgen hoe de moderniteit ons discours heeft veranderd. De secularisering heeft God de rol ontnomen die hij eertijds speelde binnen de domeinen van maatschappij, geschiedenis en natuur. Indien we God buiten Psalm 8 zetten, blijven twee personages over, de mens en de schepping. Beiden veranderen daarmee fundamenteel van karakter. De mens wordt een autonoom Ego. Rentmeesterschap wordt een hol concept, want de mens heeft niemand meer boven zich die hem controleert en ter verantwoording roept. De beeldspraak van Psalm 8 is realiteit geworden. Was de mens ooit ‘bijna goddelijk’, nu is hij god zelf, koning en heerser.

Maar ook het derde personage verandert van karakter. Niet alleen schiet de mens in de rol van god, maar in dezelfde beweging door ontstaat de natuur. Wat we eerst zagen als schepping, zien we nu als natuur. Met God uit zicht verdwijnt ook ‘het werk van zijn handen’. Een natuur die geen schepper heeft en daarmee geen beschermer, is overgeleverd aan de mens die daar al vlug objectiverend en instrumenteel mee om zal gaan. Niet voor niets zijn er radicale ecologische groeperingen die van de weeromstuit de natuur vergoddelijken. Ze hebben in zekere zin gelijk. Alleen god kan god tot staan brengen. De goddelijke Natuur tegenover het autonome Ego.

Psalm 8 is voor iemand die de planeet dierbaar is meer dan voldoende reden de Bijbel te cancelen.

Discours

Deze kleine oefening maakt twee zaken duidelijk. Willen we een antieke tekst als Psalm 8 begrijpen, dan kunnen we niet denken in termen van mens en natuur, maar moeten we ons voegen in het oude discours. Alles wat in Psalm 8 staat veronderstelt dat we de natuur zien als schepping, de mens als deel van die schepping en God als schepper. Pas als we de tekst in dat conceptuele kader zetten, valt er verder te praten. Dit lijkt een open deur. Toch is het dat niet, omdat we voortdurend geneigd zijn van discours te veranderen, en dan is de schepping natuur, de mens god en God foetsie.

Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat we in ons geseculariseerde denken een essentiële waarde missen, verantwoordelijkheid en verantwoording. We zijn verantwoordelijk, maar leggen geen verantwoording af. We komen daar nog op terug.

Gods naam

We richten ons nu op de betekenis en de waarden van Psalm 8. Het kader-refrein – JHWH, onze Heer, / hoe machtig is uw naam / op heel de aarde – opent en sluit een loflied op God (Psalm 8,2a.10), maar wijst naar de aarde. De bewondering geldt Gods presentie op aarde.

Hoe komt dan die heerlijkheid van Gods naam tot stand? We kunnen denken aan de stille lof van de hemel (Psalm 19,2-5) of aan de mens die over heel de aarde Gods naam lovend uitroept, maar Psalm 8 gaat een forse stap verder. Het is de mens die over heel de aarde God zo wonderlijk present stelt. Let wel, de Psalm is geen roemdicht op de mens maar op God. De verwondering die in deze Psalm woorden zoekt, geldt God zelf. Hij is de aangesprokene, bij hem ligt het initiatief en alles gaat om wat hij gemaakt heeft.

Een paradoxale identiteit

Maar dan de mens. Wat God met hem doet, is paradoxaal en de psalm maakt dat op twee manieren duidelijk. Beide momenten beginnen in de hemel, in wat God daar toont en wat de mens – ik, want een abstracte mens kan zich niet verbazen – daar ziet (Psalm 8,2b.4a).

Een luisterrijke God zoekt in een nietige mens een tegenmacht tegen zijn vijanden:

U die aan de hemel uw luister toont –
met de stemmen van kinderen en zuigelingen
bouwt u een macht op tegen uw vijanden
om hun wraak en verzet te breken.

Psalm 8,2b-3

Het pure bestaan van de mens – de kreet van een pasgeborene, het gekrijs van een zuigeling om de borst, het huilen van de peuter om zijn moeder – is hét pronkstuk van deze schepper. Zijn opgeheven vinger tegen de afgoden. De mens in al zijn onmacht symboliseert Gods presentie op aarde. Ook de tweede paradox begint met de hemel en focust dan op de aarde:

4 Zie ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd,
5 wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet?
6 U hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie,
7 hem toevertrouwd het werk van uw handen en alles aan zijn voeten gelegd: (…)

Psalm 8 – NBV

Is de hemel het pure domein van God, op aarde heeft hij een waarnemer. Hij heeft een sterveling, een adam-iet, een mensenkind de taak gegeven te zorgen voor zijn schepping, een taak die bijna goddelijke proporties heeft. Toont God zijn luister aan de hemel, op aarde is er deze nietige mens, gekroond met glans en glorie.

Toevertrouwen

De ware lezer heeft nu ontdekt dat de zin: (U hebt) hem toevertrouwd het werk van uw handen (NBV) anders vertaald is in de NBG-51: Gij doet hem heersen over de werken uwer handen. De NBG-51 is in letterlijk zin juist, maar mist een notie die verborgen ligt in vers 5. Daar staat: (Wat is dan) het mensenkind dat u naar hem omziet? We lezen dat omzien meestal als een vorm van betrokkenheid, zorgen voor, maar het Hebreeuwse werkwoord pqd heeft een scala van betekenissen die allemaal draaien om opdracht en functie. Van het geven van een opdracht tot het controleren (visitatie!) of de opdracht is uitgevoerd, en het belonen of straffen al naar gelang. De notie dat God de mens een taak toevertrouwt, komt in de NBV naar voren in vers 7. Een mooi voorbeeld voor de keuze van de NBV om geen woorden en zinnen te vertalen maar de tekst als geheel. Daarbij hoort natuurlijk het feit dat het heersen – dat hier is weggelaten – volop tot uiting komt in de rest van de verzen 6-7.

Bescheidenheid en verwondering

De betekenis van Psalm 8 in zijn oude setting wijst ons op een drietal waarden: het gegeven zijn van mens en wereld, de paradoxale identiteit van de mens en de rol van verantwoording.

Schepping bevat de notie dat mens en wereld (een) gegeven zijn. Ook als je mens en wereld niet kunt zien als een geschenk, dan nog is er een waardevol bewustzijn dat wij onszelf niet gemaakt hebben, laat staan de wereld. We kunnen ons voor laten staan op wat we gemaakt hebben, al is het een kind, maar nooit raakt dat het fundamentele feit dat mens en wereld zichzelf en elkaar aantreffen, zichzelf en elkaar tegenkomen. We ‘zijn er’. En niet dankzij onszelf. Die notie geeft aanleiding tot een zekere bescheidenheid.

De mens is schepsel, deel van de schepping. Psalm 8 benadrukt zijn sterfelijkheid, ook en juist in de kreet van de pasgeborene. Hij deelt die met andere schepselen, zoals de dieren die in de laatste strofe de revue passeren. Dat hij dan toch een speciale rol mag vervullen op aarde, is reden voor verbazing en verwondering. De paradox van Psalm 8 – zie hier de mens, een baby van belang! – is geen reden om het ego op te blazen. Een functie die in verwondering vervuld wordt, geeft geen ruimte voor trumpiaanse tirannie.

‘zie hier de mens, een baby van belang!’

Verantwoording

Ook als we het beheer van de mens over de aarde niet kunnen zien als een door God gegeven opdracht, dan nog is het goed te denken in termen van taak en functie. Immers, daarmee is het menselijk gedrag moreel gebonden, te beoordelen in termen van goed en kwaad. De mens dient zich op een of andere manier te verantwoorden. We missen in onze geseculariseerde wereld het oordeel van God en zullen elkaar bij de les moeten houden in mondiale regelgeving en verantwoording.

Belangrijker nog dan regelgeving is wisseling van perspectief. Mocht je niet bereid zijn je af te vragen wat God van ons gedrag vindt, dan nog kun je vermijden objectiverend en instrumenteel met de aarde om te gaan. In plaats van het perspectief van de Ander kunnen we vragen naar het perspectief van de anderen, de aarde en haar bewoners. Maak van de natuur een gesprekspartner. Een het kun je uitbuiten, een jij niet. En zo zijn we terug bij Franciscus en het Zonnelied, waarin de schepselen aanwezig zijn als zuster en broeder.

Harm van Grol is ouduniversitair docent Exegese van het Oude Testament aan de universiteit van Tilburg.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken