Reactie op de recensietour Geloof en gender
Boeiend om te zien hoe er via KokBoekencentrum al een eerste gesprek op gang is gekomen rondom mijn boek Geloof en gender – zoeken naar een begaanbare weg. Ik heb alle reacties door me heen laten gaan, en soms ontstond er een mailwisseling met de respondent. Laat ik nu proberen om enkele lijnen in de discussie te trekken.
1. De eschatologie, dus Gods grote toekomst, Gods nieuwe wereld: wat betekent dat voor onze lichamelijkheid, voor onze geslachtelijkheid en voor hedendaagse gendervragen?
Carlo van Dijk volgt mij als het erom gaat dat onze lichamelijkheid relevant is en telt tot in het eschaton. Dat is Gods grote ‘ja’ van Pasen. Maar geldt dat evenredig ook voor onze geslachtelijkheid? Als voortplanting en seksualiteit hebben afgedaan (zoals ik in mijn boek veronderstel), hebben sekse/geslachtelijkheid dan nog wel reden van voortbestaan? Voor Carlo hoeft dat niet. “Vasthouden aan lichamelijkheid onder relativering van geslachtelijkheid vanuit eschatologisch perspectief schept ruimte.”
Een spannende en zeer relevante vraag! Dat ik onze geslachtelijkheid als relevant zie tot op de nieuwe aarde, heeft zeker iets speculatiefs in zich. En je kunt de lijn ook doortrekken vanuit 1 Johannes 3:1 “Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij zal verschijnen.” Wat ik heb willen poneren is: God blijft trouw aan het werk van zijn handen, zijn scheppingswerk. Het is in de nieuwe schepping niet Control Alt Delete, dus helemaal opnieuw beginnen. Dan zou de oude schepping als een paar waardeloze schoenen weggegooid worden. Maar als er een zekere continuïteit is tussen ‘oud’ en ‘nieuw’, dan is het een voor de hand liggende gedachte dat de huidige binaire ordening m/v blijft bestaan. “De nieuwe orde van Gods Koninkrijk heft de oude scheppingsorde niet op” (Hans Alblas).
Ik blijf dus ruimte zien voor geslachtelijkheid, ook al staat die wel onder het teken van de totale vernieuwing. Daarnaast heb ik in mijn boek uiteengezet dat ik een gnostische tendens achter het genderdenken bespeur. In het genderdenken zie je een gnostische onderwaardering van het materiële en het lichamelijke terug, een devaluatie van Gods scheppingswerk. Niet toevallig maakte de vroeg-kerkelijke gnostiek een onderscheid tussen een lagere Schepper God en de Vader van Jezus Christus. De Bijbel en de realiteit van Pasen leren ons dat het lichamelijke ertoe doet tot op de nieuwe aarde onder een nieuwe hemel.
2. Marc ten Brink, als predikant betrokken bij transpersonen en hun naasten, stelt soortgelijke vragen vanuit een ander perspectief. Als ik hem goed lees, zegt hij: “Goed om het uitgangspunt te nemen in de binaire orde van Genesis 1 en 2. Maar kan er in Gods Koninkrijk, in die nieuwe wereld die nu al zichtbaar kan zijn, geen ruimte zijn voor een diversiteit die deze oorspronkelijke orde overstijgt? Wat is daarin het nieuwe van de verlossing en de vernieuwing die God in Christus en door Zijn Geest wil geven?” En zouden we om die reden niet eens, misschien experimenteel, de Bijbelverhalen kunnen herlezen vanuit een queer-perspectief? (Pieter van den Berg)
Mij lijkt het hier mede beslissend, hoe we de doorwerking van de zondeval taxeren en deze theologisch verdisconteren. Kunnen we genderdiversiteit duiden vanuit Gods nieuwe wereld die zonder twijfel veelkleurig zal zijn? Of staat een gendertransitie primair in het teken van de gebrokenheid van de schepping? Dat laatste is de lijn die ik in mijn boek heb willen uitwerken. Het wordt me dan ook niet in dank afgenomen dat ik spreek in termen van ‘een soort psychische prothese’ (Piet Verhagen: “ik noem dat onnodig stigmatiserend”). Overigens wordt die gebrokenheid vaak door transgenders zelf ook als zodanig ervaren. Een medische transitie kan veel lijden wegnemen (“nu mag ik zijn wie ik ben”), maar het blijft een gebrokenheid in zich dragen, alleen al vanuit anatomisch oogpunt. Er blijft een zekere mate van dysforie bestaan.
3. Dit brengt me bij het volgende punt: in hoeverre willen we nog zeggen dat we de gevolgen van de zondeval met ons meedragen, ook in onze lichamelijkheid, of je nou cisgender of transgender bent of jezelf als non-binair identificeert? Wat ik meen te proeven in de verschillende reacties en ook in de discussie op het kerkelijk erf: de grote terughoudendheid en voorzichtigheid om te spreken in termen van gebrokenheid of zonde. In gesprek met iemand die veel contacten had met intersekse-personen, waarbij ik de binaire orde m/v overeind wilde houden: “Wat is dan jouw pastorale antwoord aan intersekse-mensen?” En als het gaat om transgenders en een gender transitie: “Ik ben toch geen weeffoutje in de schepping of een foutje van God?”.
De reflex is dan: probeer het eens te zien vanuit het perspectief van de genderdiversiteit die wellicht in Gods nieuwe wereld zichtbaar zal zijn (Marc ten Brink). Dan denk ik: laten wij het niet te mooi maken. We delen allemaal in ‘het zuchten van de oude schepping’ (Rom. 8:18vv), hetero’s en homo’s, transgenders en cisgenders. En we leven allemaal van de belofte dat ons armzalige lichaam gelijkvormig gemaakt zal worden aan het verheerlijkte lichaam van Christus (Fil. 3:20-21). Bovendien snijden de vragen rondom genderissues ook in eigen vlees. In mijn hoofdstuk 16 lanceer ik de gedachte dat er aardig wat transitiewensen van jonge meisjes gevoed worden door de pornografie, want daar zijn ze als vroege tiener al aan blootgesteld. En wat doet dat met je beeld van vrouwelijkheid?
Ik voeg daar nog iets aan toe, een gedachte die ontstond in mijn contacten met non-binaire personen: wat doen al die mannenblikken met jonge meisjes, blikken die borsten van meisjes en vrouwen keuren? Het aantal borstamputaties onder transmannen (geboren als vrouw) en non-binairen is immens groot. Het zette mij aan het denken en vervult mij als heteroman soms met (plaatsvervangende) schaamte. Ik kan het niet anders zien als een doorwerking van de zondeval.
4. Dat brengt me bij mijn laatste punt: een veilig gesprek over genderissues. Dieke Oosterwijk zegt naar aanleiding van mijn hoofdstuk 18 daar behartigenswaardige dingen over. Allereerst over het formuleren van een beleid inzake lhbtiq-kwesties. Met een (kerkelijk) ‘beleid’ kan het gesprek zomaar verstommen, spreek daarom liever in termen van ‘richtlijnen’. Ik vind dat een waardevol advies. En waarom een ‘beleid’ (of ‘richtlijnen’) specifiek voor lhbtiq-ers en niet voor de hele gemeente van Christus, cisgenders en heteroseksuelen voorop? Juist als het gaat om identiteit, relaties en seksualiteit, is het van groot belang dat we nadenken wat de navolging van Christus ook op deze gebieden van ons vraagt. Die verbreding naar elke gelovige is me uit het hart gegrepen.
Jan Minderhoud is actief in gebedspastoraat en auteur.
Jan Minderhoud, Geloof en gender. Zoeken naar een begaanbare weg. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2025. 224 pp. € 24,99. ISBN 9789043542432
