Rein en onrein –ontzag en vervreemding
7e zondag van de zomer (Deuteronomium 10,12-21, Psalm 15, Efeziërs 4,17-25 en Marcus 7,1-23)
De teksten van deze zondag brengen twee vragen samen. Enerzijds de vraag waar het hart, het innerlijk kompas op gericht is. En anderzijds de vraag naar de waarde van het naleven van geboden en wetten. De waarde van dat naleven staat in relatie tot waar het hart op gericht is. Marcus laat Jezus er een nieuwe inhoud van de begrippen rein en onrein mee aan de orde stellen.
Het gedeelte dat we lezen uit Deuteronomium vormt in de loop van het boek een indringende tussenstap. Het volk mag na de Tien Geboden opnieuw te hebben ontvangen wel verder gaan op weg naar het land van de belofte, maar het dient zich eerst te binnen te brengen dat de HEER niets anders van hen vraagt dan ontzag. Het zal gaan om het dienen van de HEER met hart en ziel. Een besnijdenis van het hart wordt het in vers 16 genoemd, als een soort van oriëntatie van het innerlijk kompas op de HEER. Alleen die beweging in het hart en daarmee in de ziel van het volk, zal een eind kunnen maken aan de halsstarrigheid die op de weg naar het land van de belofte voor zoveel oponthoud heeft gezorgd.
Dat ontzag, die bekering van hart en ziel, zal maken dat het het volk goed gaat. Die innerlijke ommekeer gaat vooraf aan het naleven van de geboden en wetten die Mozes het volk voorhoudt. Het ontzag voor de HEER als de oriëntering van het innerlijk kompas op de HEER, maakt de kern uit van het volk van de belofte.
Dit ontzag speelt ook een rol in Psalm 15. Het vormt in vers 4b de kern van het antwoord op de vraag waarmee de psalm opent: ‘Wie mag gast zijn in uw tent, wie mag wonen op uw heilige berg?’ In de psalm, met name in vers 2b, horen we die ommekeer in hart en ziel weer klinken. Die klank komt wat meer tot zijn recht wanneer we de meer letterlijke vertaling volgen waar de Statenvertaling voor kiest bij vers 2b: ‘die met zijn hart de waarheid spreekt’. Letterlijk staat het er in het Hebreeuws nog iets sterker: ‘die in zijn hart de waarheid spreekt’.
Vanuit het hart
In de Brief aan de Efeziërs komt het negatief van deze ommekeer van hart en ziel ter sprake. De weg van de heidenen wordt een weg van duisternis en van vervreemding genoemd, omdat ze ‘hun hart voor de Heer gesloten hebben’. Die duisternis en vervreemding komt met andere woorden daaruit voort dat ze geen deel hebben aan een ommekeer van hart en ziel. Het niet kennen van de Heer is daar de uitdrukking van. Ze hebben daarmee ook geen deel aan ‘de nieuwe mens’, de mens die in het hart, van binnenuit, naar Gods wil geschapen is.
Paulus brengt aan het eind van dit gedeelte in vers 25 iets ter sprake dat een bijzondere overgang kan vormen naar het gedeelte uit het Evangelie volgens Marcus. In dit vers valt op een bijzondere wijze de nadruk op de reden waarom men de waarheid tegen elkaar moet spreken. In vers 25b klinken de redengevende woorden ‘want wij zijn elkaars ledematen’. Daar zit iets in van het deel aan elkaar hebben en elkaar nodig hebben omdat men één lichaam vormt. Het elkaar de waarheid zeggen correspondeert met het kennen van de Heer en met het hart voor Hem geopend hebben. De verbondenheid met elkaar in waarheid correspondeert zo met de innerlijke ommekeer van hart en ziel.
Waarheid
Het gedeelte uit het Evangelie volgens Marcus lijkt hoopvol te beginnen. Farizeeën en schriftgeleerden bevinden zich in de ‘nabijheid’ van Jezus. In de meest positieve interpretatie hiervan lijken ze zich verbonden te voelen met Hem en zijn leerlingen. Ze weten zich immers gedrongen, zou je kunnen zeggen, om hun de waarheid te zeggen. Die waarheid betreft het gegeven dat de leerlingen brood eten met onreine, want ongewassen, handen. Ze constateren een overtreding van de tradities die zij in ere houden.
Jezus lijkt hun ‘nabijheid’ serieus te nemen wanneer Hij hun op zijn beurt de waarheid zegt en wel met woorden van de profeet Jesaja, waarvan de kern luidt: ‘hun hart is ver van Mij’. Jezus stelt hun ‘nabijheid’ aan de kaak. Met dat de farizeeën en schriftgeleerden hun hart, hun innerlijk kompas, niet gericht hebben op en niet geopend hebben naar God toe, maken ze de geboden van God volgens Jezus ongeldig. Zoals we in Deuteronomium hebben gezien, moet er iets voorafgaan aan het naleven van de geboden van God. Als het ontzag voor God er niet is, als het hart niet georiënteerd is op God, maakt dat het naleven van de geboden leeg en ongeldig.
Jezus stelt evenwel niet alleen een oppervlakkig naleven van de geboden onder kritiek. Hij gaat nog een spade dieper. Wanneer mensen behoeftig zijn, neem bijvoorbeeld je ouders – die je toch dierbaar zouden moeten zijn – en je onthoudt hun de middelen van bestaan omdat je die met een gebod tot offergave hebt verklaard, dan maak je daarmee het gebod ongeldig van ‘toon eerbied voor uw vader en uw moeder’. Jezus raakt daarmee het punt aan waarop aan de oppervlakte nageleefde geboden mensvijandig worden.
Als het kompas van je leven, je hart, niet georiënteerd is op God, dan kunnen er slechte dingen uit voortkomen. Mensvijandige dingen zijn het volgens Jezus die een mens onrein maken. Jezus schaft daarmee het onderscheid tussen rein en onrein niet af. Hij tilt het op een ander niveau. Onrein is datgene dat voortkomt uit vervreemding van God. Rein is datgene dat voorkomt uit ontzag voor God.
Deze exegese is opgesteld door Trinus Hoekstra.