Menu

Premium

Rest, overblijfsel

Geloofstaal & cultuurtaal

Het kan negatief klinken om tot een rest te behoren. Een rest kan het laatst overgeblevene zijn, wat op het punt staat te verdwijnen. De resten van een kasteel, de restjes van een maaltijd en de laatste rest van mensen die nog een bepaalde gedachte voorstaan, dit alles heeft een negatieve betekenis. Maar een ‘rest’ hoeft niet te duiden op vergane glorie. In de theorie van ‘survival of the fittest’ zijn juist degenen die overblijven de garantie voor het voortbestaan van een soort. Zo bezien kan het behoren tot een rest begerenswaardig zijn. Wie tot de rest behoort, hoort bij de ‘happy few’.

Woorden

In het Oude Testament komt het begrip ‘rest’ veelvuldig voor, in de geschiedschrijving en bij de profeten. Het Hebreeuws kent hiervoor met name de woordensjaär enjatar met afgeleide vormen. In het Nieuwe Testament komt het begrip nauwelijks voor. Het Griekse (hupo-)leimma, dat hiervoor gebruikt wordt, is slechts een enkele maal te vinden. In de bijbelvertalingen wordt gesproken over ‘overblijfsel’. Verwant is het begrip loi-pos, c.q. epi- of kataloipos, ‘overig’.

Betekenis in context

Oude Testament

Totaal bederf, en tóch een rest

De eerste keer dat er in de Bijbel sprake is van een overblijfsel, is in de geschiedenis van Noach. De achtergrond hiervan ligt in de verschrikkelijke werkelijkheid zoals beschreven in Genesis 6. Na de schepping is de mens van God afgevallen. God constateert dat alle overleggingen van de mensen boos zijn, zodat Hij besluit een eind te maken aan het leven op aarde. Alleen Noach en zijn gezin vinden genade in Gods ogen. Zij vormen het eerste ‘overblijfsel’, waarmee God verder gaat (Gen. 7:23). Deze rest beklemtoont de ernst van het totale bederf van de mensheid en tegelijk het wonder dat God toch trouw blijft aan zijn belofte.

Diezelfde tweeslag komt even later in het boek Genesis terug. Het feit dat God Abraham en zijn nageslacht verkiest, wordt getekend tegen de donkere achtergrond van de totaleafval, die een culminatie vindt in de torenbouw van Babel (Gen. 11:1-9; 12:1-3). Als Abraham geroepen wordt, komt dat niet omdat hij beter is dan de anderen (vgl. Joz. 24:2, 3). Gods genade laat een rest over die tegelijk een onderpand wordt voor Gods handelen, waarin Hij toch alle volkeren op het oog houdt. Door het nageslacht van Abraham zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden (Gen. 12:3). Abraham is slechts een rest; en tegelijk juist zo een representant door wie er hoop blijft voor de volkeren.

God houdt de rest in stand

Een volgend moment in de geschiedenis van Israël, waarin sprake is van een overblijfsel, is de periode van het optreden van de profeet Elia. Nu onderstreept het feit dat er slechts een rest van getrouwen is overgebleven in Gods volk, de totaliteit van de afval van Israël in de tijd van de koningen. Nadat de profeet Elia op de berg Karmel heeft kunnen laten zien dat er maar één levende God is, moet hij de volgende dag de wijk nemen, omdat men hem naar het leven staat. Voor zijn besef is hij de enige in zijn volk die trouw wil blijven in de dienst aan God. ‘Ik ben alleen overgebleven’, klaagt hij (1 Kon. 19:10, 14). In het antwoord dat hij krijgt, wordt de ernst van de situatie niet ontkend. Inderdaad is er slechts een rest over, wat impliceert dat het grootste gedeelte van het volk de afgod Baäl dient. Dat neemt niet weg dat God er zelf voor zorgt dat Elia toch niet als enige overblijft. ‘Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet hebben gebogen voor de Baäl en elke mond die hem niet gekust heeft’, zegt God (1 Kon. 19:18). De nadruk ligt op het wonder van Gods ingrijpen. Het getal ‘zeven’ ziet op een totaliteit die God in stand houdt en het wordt vermenigvuldigd met duizend om te tonen, dat Elia die totaliteit van God niet kan overzien.

God zorgt ervoor dat zijn volk niet verloren gaat, door een rest in stand te houden. Het feit dat God daarvoor zorgt, betekent overigens niet dat zij zelf geen verantwoordelijkheid dragen. Het zijn mensen die zelf de knie niet voor Baäl buigen; op die manier volharden zij in hun trouw aan God. Maar de diepere achtergrond van wat zij doen, ligt in het handelen van God zelf. Alleen doordat Hij een rest overlaat, is er toekomst voor Gods volk.

Oordeelswoord, toch ook heilswoord

Bij de profeten uit de tijd voor de ballingschap vormt het begrip ‘rest’ een belangrijk element in de oordeelsprofetie. Amos gebruikt het om de totaliteit van Gods komende oordeel te onderstrepen. ‘Zoals een herder uit de muil van een leeuw twee schenkels redt of een lapje van het oor, zo zullen de Israëlieten gered worden’ (Am. 3:12). De reden waarom een herder zo’n stukje van een schaap moest redden, was om aan te tonen, dat het dier werkelijk door een leeuw was aangevallen en verslonden. Mogelijk is de achtergrond van deze profetie te zoeken in de gedachte die bij het volk heerste, dat wanneer God zou ingrijpen, zij zelf in elk geval wel gered zouden worden. Zij behoorden immers tot de rest die God in stand hield. Het zal als een bom zijn ingeslagen, dat die rest in feite alleen dient als bewijs van de totale vernietiging. Zelfs de overgeblevenen zullen aan Gods oordeel niet kunnen ontsnappen (Am. 4:2; 9:1).

Als de profeet oproept tot bekering, ziet hij nog wel een mogelijkheid dat de Here ‘misschien’ aan Jozefs rest genadig zal zijn (Am. 5:5, 14, 15). Dit ‘misschien’ biedt maar een smalle opening. Toch is die opening er wel. En juist dat is het evangelie van de ‘rest’. Aan het eind van zijn profetie mag Amos verkondigen dat dit ‘misschien’ een werkelijkheid zal worden. God zal het huis van Jakob niet geheel en al verdelgen; Hij zal Israël schudden, als in een zeef, maar ‘geen steentje (of: graankorrel) zal ter aarde vallen’ (Am. 9:9). Dat is een andere manier om over de rest te spreken: God blijft het oog houden op ieder lid van zijn volk afzonderlijk en Hij zorgt er voor dat er mensen blijven die Hem zoeken(Am. 9:9, vgl. 5:4, 14).

Die overgebleven rest is de waarborg dat God zijn belofte aan Davids huis gestand zal doen. Men kan zelfs zeggen dat het de manier is waarop God de vervallen hut van David weer opricht (Am. 9:11). In en door de rest maakt God zijn beloften waar. Zelfs uit de volkeren rondom Israël zal er een rest overblijven (Am. 9:7, 12). In Handelingen 15:16, 17 wordt deze profetie aangehaald om de onverwachte trouw van God aan Israël én de heidenen te onderstrepen.

De rest als waarborg

Dezelfde twee lijnen komen in de profetie van Jesaja naar voren. Enerzijds onderstreept de profetie dat Gods oordeel over zijn volk totaal moet zijn, omdat zij de Here verlaten hebben en onrecht plegen. Er is geen plek die niet ziek is (Jes. 1:4-6). Daarom zal er ook geen plek gespaard worden als het oordeel komt. Jesaja 6:13 gaat nog verder dan Amos: zelfs als er een tiende deel zou overblijven, zal dit opnieuw verwoest worden. ‘Evenals van een terebint of een eik na het vellen een tronk overblijft, zo zal er slechts een stompje overblijven.’

Maar dit stompje zal tegelijk ‘een heilig zaad’ zijn. De logische conclusie uit de situatie van Jesaja 1 zou moeten zijn: een totale vernietiging. Maar ook Jesaja 1 zegt dat God ervoor zorgt dat er nog ‘enige weinige ontkomenen overgelaten’ worden (Jes. 1:9).

Die kleine rest is een waarborg voor Gods toekomstig handelen. Juist de door God gereinigde rest van Sion zal heilig heten en bevat een belofte voor een onvoorstelbaar heerlijke toekomst (Jes. 4:3-6).

Deze profetie van heil die ontspringt aan de rest die God heeft overgelaten, wordt door Jesaja verbonden met de komst van één bijzonder rijsje, dat uit de afgehouwen tronk van Isaï zal voortkomen. Het heilige zaad van Jesaja 6:13 wordt in Jesaja 11:1 verder uitgelegd als een scheut die vrucht zal dragen voor Israël, maar ook voor de volkeren die de wortel van Isaï zullen zoeken (Jes. 11:10). Deze profetie uit Jesaja wordt door de komst van Jezus Christus vervuld. Hij is de rest bij uitstek, door wie God zijn bedoeling voor Israël en de volkeren waar maakt.

Zo bevatten de profetische woorden ten aanzien van de rest een versmalling en een verbreding. Sléchts een rest kan overblijven, omdat Gods volk in zijn totaliteit schuldig is geworden. En tóch blijft er een rest over, omdat God trouw is aan zijn beloften. In en door de rest worden Gods bedoelingen en trouw aan het gehele volk zichtbaar. Door de rest heen blijft God het oog houden op het geheel en het gehele volk oproepen om tot Hem te komen. Het is veelzeggend, dat de naam van een van de kinderen van Jesaja die oproep letterlijk bevat: ‘Schear-Jaschub’ betekent: ‘een rest bekeert zich’ (vgl. Jes. 7:3).

Nieuwe Testament

De apostel Paulus worstelt met de vraag hoe het mogelijk is dat slechts een rest van het volk Israël in zijn dagen Jezus als de Christus aanvaardt. Eén van de antwoorden die hij vindt in de Schrift komt uit de geschiedenis van de profeet Elia. De belofte die God aan Elia gaf, dat Hij een totaliteit van zevenduizend getrouwen zou overlaten, krijgt voor Paulus nieuwe betekenis voor zijn eigen tijd (in Rom. 11:4 citeert hij de genoemde profetie uit 1 Kon. 19:18).

Net als Elia vraagt Paulus zich af hoe hetmogelijk is dat er slechts een kleine rest van Gods volk over scheen te blijven. En kennelijk kan Paulus in het antwoord een zelfde houvast vinden, als Elia in zijn tijd nodig had. Ondanks dat het voor het oog van mensen een schamel overblijfsel is dat trouw blijft aan God, ligt juist in dat overblijfsel Gods belofte voor de toekomst.

In hetzelfde verband haalt Paulus ook de zojuist geciteerde profetie uit Jesaja 1 aan (Jes. 1:9 in Rom. 9:29). Een andere rest-tekst uit Jesaja vult de verwachting van Paulus aan (Jes. 10:22, 23 in Rom. 9:27, 28). In Jesaja 10:22 staat dat slechts een overschot uit geheel Israël zich zal bekeren. De context van Jesaja 10 onderstreept het wonder dat God ervoor zal zorgen dat die rest er blijft. Paulus beschouwt zichzelf als een deel van die rest, door wie God laat zien dat Hij trouw is aan zijn woord (Rom.11:1).

Aan die rest van Israël worden nu gelovigen uit de heidenen toegevoegd (Rom. 11:25). Zij vormen ook een rest, namelijk van de volkeren die nu metterdaad mogen delen in de zegen van Abraham. Zo zorgt God er voor dat zijn bedoeling werkelijkheid wordt, ook als Hij dat realiseert door een rest heen. Die rest is een onderpand, dat God zijn beloften niet vergeet en op zijn manier zal vervullen.

Kern

Het feit dat Gods beloften slechts voor een rest verwerkelijkt worden, heeft steeds een donkere achtergrond. Dat ligt alleen aan de mens, die zich schuldig heeft gemaakt. Het spreken over een rest in de Bijbel onderstreept de totaliteit van het oordeel, dat mensen verdiend hebben. Dat er toch een rest overblijft en God geen totaal einde aan de geschiedenis heeft gemaakt, is te danken aan de liefde en trouw die helemaal van zijn kant komt. In die rest wordt de oorspronkelijke bedoeling van God zichtbaar. Door die rest maakt God die bedoeling ook waar.

Terwijl in het algemeen gedacht kan worden dat zij die het sterkste zijn, zullen overleven (‘survival of the fittest’), of zij die toevallig geluk hebben (‘happy few’), kan op grond van de Bijbel gezegd worden, dat zij die geleerd hebben om van genade te leven het werkelijke geluk zullen kennen. Het besef door God begenadigd te zijn brengt tot verwondering en tot de geestelijke houding die het behoren tot de rest in bijbelse zin typeert.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: verkiezing.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken