Menu

Premium

Roept het van de bergen!

2e zondag van de Advent ( Jesaja 40,1-11 en Johannes 1,19-28)

Reeds in het eerste hoofdstuk van Johannes, bij het optreden van zijn naamgenoot, zien we een tegenstelling tussen mensen van de tempel en de wegbereider van de Ene. Daarbij lezen we dat ‘de Joden’ uit Jeruzalem kwamen om poolshoogte te nemen. Het zijn mensen uit de tempel, priesters en levieten. Mensen van wie je mag verwachten dat ze hun zaakjes op hun duimpje kennen.

In het Johannesevangelie is vaak sprake van tegenstellingen waarbij gesproken wordt over de ‘Joden’. Daarmee zouden we dit evangelie kunnen uitleggen als een pamflet tégen de Joden, tégen het jodendom en de joodse religie. Maar het Griekse woord Ioudaioi kan ook vertaald worden met ‘Judeeërs’. Daarmee komen de tegenstellingen in een ander perspectief te staan. Dan hebben we niet een tegenstelling tussen messiasbelijdende Joden of christenen aan de ene kant en Joodse mensen aan de andere kant, maar dan gaat het om een tegenstelling tussen degenen die uit de landstreek Judea komen en degenen die afkomstig zijn uit Galilea. Zo bezien gaat het om een richtingenstrijd bínnen de joodse religie en cultuur.

Plaats van handeling

Het is sowieso van belang aandacht te schenken aan de situatie waarin de evangelist de gebeurtenissen laat plaatsvinden. Zeker hier, waar sprake is van Betanië, dat wil zeggen het ‘huis van de arme’. Bovendien speelt ons verhaal zich af in het over-Jordaanse. Daar, aan de andere kant van de Jordaan, is die grote zandbak! Daar trok Israël veertig jaar, een mensenleven lang, doorheen om uiteindelijk bij de Jordaan zicht te krijgen op het Beloofde Land, op de bestemming van een mens. Zicht op dat land van vrede, waar ieder mens mag rusten onder de eigen vijgenboom; dat land dat is als een grote wijngaard.

Maar kennelijk is daar nog niet veel van te merken. Want we zijn niet in het land, we zijn aan de kant van de woestijn. Dat onland, die dorre steppe. Nogmaals: in het ‘huis van de arme’. Johannes de Doper – hij wordt in dit evangelie niet ‘de Doper’ genoemd, daarom moeten we hem en de schrijver goed uit elkaar houden – gaat naar de kant van al die mensen die tot de have nots van de samenleving behoren. Het zijn in andere evangeliën de melaatsen, blinden, kreupelen, doven, stommen, de mensen die geen stem hebben in de samenleving. Mensen voor wie het leven vaak alleen maar ploeteren is, voor wie oogsten niet is weggelegd, laat staan dat er een wijngaard is. Er zal dan ook straks op de bruiloft géén wijn zijn!

Het is voor deze mensen, in het over-Jordaanse, dat Johannes een bemoedigende boodschap heeft. De messiaanse tijd zal aanbreken, ook voor jullie. Daartoe doopt hij, om als het ware opnieuw door het water heen, door die Jordaan heen, het Beloofde Land te mogen betreden. Zo ging ooit het volk door het water van deze rivier, waarbij men de ark van het verbond meevoerde: de verbondsark die in de woestijn onderdak kreeg in een tent, verplaatsbaar en mobiel, als teken van een God die met mensen meetrekt en die om mensen bewogen is.

Verstarring

Wanneer een religie zich eenmaal een vaste plaats heeft verworven, zoals in dat land en in de tempel in Jeruzalem, dan wordt een religie een instituut. De leer en de religieuze gebruiken lopen dan het risico vast te lopen in hun eigen structuren, waarbij de eigen identiteit opgehangen wordt aan vaste normen. Dan gaat het niet meer om mensen, maar om het eigen gelijk van de heersende bovenlaag. Vandaar dat de tempeldienaren, de priesters en Levieten, willen weten wat voor vlees ze in de kuip hebben.

Ook Jesaja 40 heeft het over een andere samenleving. Jesaja voorziet de terugkeer van het volk uit de ballingschap. De mensen zullen zich in de ballingschap hebben aangepast aan de plaatselijke mores. Misschien hebben zij het er gemaakt. Maar ook dan moesten zij ervaren dat zij tweederangs burgers waren. Daarom houdt ook Jesaja de mensen voor dat het Beloofde Land voor ieder mens bestemd is. Of misschien beter gezegd: dat ieder mens voor dat land bestemd is.

De komst van de Messias

Wanneer Johannes wordt gevraagd wie hij is, dan klinkt vooral: ‘Ik ben niet…’ (1,20-21). De woorden ‘Ik ben’ zijn voorbehouden aan de Komende, aan Hem die zevenmaal over zichzelf zal spreken in termen die aanvangen met ‘Ik ben’, tevens het begin van de Naam. Nee, Johannes is slechts de heraut, de aankondiger. Jesaja wijst ons erop dat die komst niet vanzelf gaat. Hoewel het straks in vele toonaarden zal klinken tijdens de kerstvieringen: ‘Gij komt van alzo hoge’, toch komt het heil, de Messias, niet zomaar uit de hemel naar de aarde. Misschien moeten we eerder spreken van een messiaanse tijd. Een andere tijd, met andere verhoudingen, zowel sociaal als economisch, kortom een wereld die bepaald wordt door rechtvaardigheid, barmhartigheid en gastvrijheid.

Die tijd komt, omdat er mensen zijn die opnieuw door het water durven gaan. Het is een tijd die aanbreekt dankzij die mensen, die zich blijven inzetten voor vluchtelingen, voor de armen, voor klimaat en milieu. Daarmee worden de heuvels en bergen geslecht en wordt de weg des Heren recht gemaakt. Zijn/haar komst in onze wereld – of beter uitgedrukt: die tijd, dat tijdperk – zal komen dankzij al die mensen die niet ophouden te geloven in die andere wereld en die daar getuigenis van afleggen, zowel in woorden als in daden.

Deze exegese is opgesteld door Henk Hudepohl.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken