Is dit een mens?
De knecht is wel de meest intrigerende gestalte uit Jesaja 40-55. Wie is deze knecht? Welke rol vervult hij? Talloze exegeten hebben geprobeerd hem als een historische figuur te duiden. Maar ligt de kracht van de knecht niet veeleer in zijn anonimiteit? In dit artikel gaat het er niet zozeer om de knecht te identificeren. Het gaat er veeleer om iets te zeggen over de rol van de knecht als plaatsbekleder, als iemand die de plaats van een ander inneemt, als een ’vertegenwoordiger’.
De christelijke theologie heeft de woorden over de knecht in Jesaja altijd als vanzelf toegepast op de lijdende Christus. Wie in de NBG-vertaling van 1951 Jesaja 52:13 – 53:12 openslaat, treft onder die tekst van vijftien verzen maar liefst veertien verwijzingen naar het Nieuwe Testament aan. De knecht van Jesaja bleek de sleutel die voor christenen nodig was om het ongehoorde lijden van hun Heer een plaats te geven. Deze toepassing ging daarmee aan het jodendom voorbij. Bij Emmanuel Levinas lezen we een andere invulling: Jesaja’s woorden over de lijdende knecht ontvingen pas hun volle kracht na de ervaring die joden hebben opgedaan tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De toepassing van, of de identificatie met het gegeven van de lijdende knecht leent zich niet voor discussie. Wie kan beweren, wie durft te beweren dat de herkenning van de lijdende Christus of het lijden van onschuldige joden in werk- en vernietigingskampen in de lijdende knecht van Jesaja onzinnig of onterecht zou zijn? Bij de herkenning gaat het niet zozeer om de vraag naar ’waar of niet waar’ als wel om de herkenning van corresponderend leed en om de poging existentieel een plaats te geven aan ongehoord en onverteerbaar lijden. Lijden waaraan geen eind lijkt te komen. Lijden ook dat als vanzelf roept om identificatie. En die mogelijke identificatie is, zolang het lijden van onschuldigen in onze geschiedenis zich voordoet, onbegrensd.
Moeilijker is het verschijnsel van de plaatsbekleding zelf te begrijpen. Wat is in vredesnaam – ja, letterlijk: in vredes naam – de zin daarvan? Wat is de zin van de zwaar geslagen en daardoor ogenschijnlijk totaal mislukte mens die zich niet verzet tegen zijn lot? Voordat ik hier (naar vermogen) op die vraag zal ingaan, is het van belang dat duidelijk wordt wat we precies onder plaatsbekleding verstaan. Voor dit artikel is heel bewust gekozen voor het woord ‘plaatsbekleding’, en niet ‘plaatsvervanging’. In het boek Stellvertretung uit 1965 maakt de theologe Dorothee Sölle duidelijk dat het van belang is een onderscheid te maken tussen Ersatz en Stellvertretung. In het Nederlands zou je moeten zeggen: tussen plaatsvervanging en plaatsbekleding. Hoewel onze hedendaagse ’cultuur’ nadruk legt op het gegeven dat iedere mens uniek en daardoor onvervangbaar is, is plaatsvervanging in onze neoliberale samenleving aan de orde van de dag. Voor wie zijn baan verliest, staan heel wat anderen klaar. Mensen worden gemakkelijk vervangen, als zij in de praktijk van het werkzame leven niet veel meer zijn dan een deel van heel het economische proces dat gedreven wordt door het streven naar winst. In onze tijd is plaatsvervanging (Ersatz) dan ook veeleer iets dat je overkomt, terwijl plaatsbekleding (Stellvertretung) ook nog een bewuste keuze lijkt te veronderstellen van de plaatsbekleder…
De knecht van Jesaja bleek de sleutel die voor christenen nodig was om het ongehoorde lijden van hun Heer een plaats te geven
Na de Tweede Wereldoorlog heeft het verschijnsel een aantal malen nadrukkelijk aandacht gekregen in West-Europa, zowel in de literatuur als in de theologie en de wijsbegeerte. Die aandacht begon met het boek van de schrijver André Schwarz-Bart: De laatste der rechtvaardigen (Le dernier des justes), dat in 1959 verscheen.
De laatste der rechtvaardigen
Het verhaal van Schwarz-Bart stoelt op een oude joodse legende. In iedere generatie, zo heet het, worden zesendertig rechtvaardigen geboren, die het lijden van de wereld op zich nemen. Zulke rechtvaardigen onderscheiden zich in niets van gewone stervelingen. Maar wanneer er ook maar één zou wegvallen, zou de mensheid met een schreeuw uitdoven. Want de mensheid steunt op de zesendertig. In hen wordt al ons verdriet uitgestort als in een kom. Sommige rechtvaardigen zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid, andere weten er niets van. Maar in beide gevallen geldt dat zij een bewuste keuze maken zich niet met geweld te verzetten, ja zelfs lijden dat daarvan mogelijk het gevolg is op zich te nemen. Het lot van de rechtvaardige die zijn rol niet kent, is beklagenswaardig. Wanneer zo’n rechtvaardige ten hemel vaart, is hij zo koud dat God hem duizend jaar in zijn handen moet verwarmen voordat zijn ziel de gelukzaligheid van het paradijs deelachtig kan worden. En het is bekend dat verschillende van hen tot in eeuwigheid geen troost vinden voor het ongeluk van de mens, zodat zelfs God er niet in slaagt ze te verwarmen. Daarom zet de Schepper, hij zij geloofd, nu en dan de klok van het laatste oordeel een minuut vooruit.
André Schwarz-Bart beschrijft de lotgevallen van het joodse geslacht Levy, dat door de eeuwen heen het hoofd moet bieden aan de haat van de christelijke samenleving. Het boek begint in het middeleeuwse Engeland, in de stad York, waar kruisvaarders een slachting aanrichten onder de plaatselijke joden. Honderden joden weten te vluchten naar een burcht, die dagenlang door een gewapende menigte wordt belegerd. Liever dan zich onder dwang te laten dopen verkiezen de belegerden te sterven. Degene die hun vrijwillige doodvonnis voltrekt, is rabbijn Jom Tov Levy. Mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards, allen staken hem het hoofd toe voor zijn zegen en vervolgens de keel voor de dolkstoot die hij toediende met de andere hand. Ten slotte slaat de rabbijn de hand aan zichzelf. Maar God heeft deernis met de gestorven rechtvaardige. Hij schenkt hem een uitzonderlijke gunst. Niet alleen wekt hij de omgekomen zoon van de rabbijn weer tot leven, hij belooft bovendien dat voortaan in iedere generatie Levy een rechtvaardige zal opstaan. Zo zal dit geslacht het voortbestaan van de mensheid waarborgen. De rechtvaardige nakomelingen van de rabbijn van York trekken in optocht aan het oog van de lezer voorbij: ze zijn geneesheer of schoenlapper, marskramer of talmoedist. Waar in Europa ze zich ook vestigen, overal worden ze het doelwit van beroving, verbanning, foltering, moord. Zo ontstaat een kroniek van welhaast duizend jaar joodse ellende, die zijn dieptepunt bereikt in de twintigste eeuw. Ernie Lery, de laatste der rechtvaardigen, sterft in Auschwitz. Het is een dood die hij, precies zoals zijn verre voorvader in York, zelf heeft gekozen. Hij meldt zich in 1943 vrijwillig aan voor deportatie, omdat hij wil delen in het joodse lot. Tijdens zijn tocht naar de gaskamer ’had hij het gevoel dat een eeuwige stilte neerdaalde over het joodse vee dat naar de slachtbank werd geleid; dat geen nazaat, geen herinnering de stille mars van de slachtoffers voor vergeten zou behoeden, geen klok zou luiden; het enige wat zou overblijven, waren de langs de hemel glijdende sterren.’
Der Stellvertreter
Plaatsbekleding veronderstelt een bewuste keuze. Dat blijkt ook nadrukkelijk in het theaterstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhuth, dat in 1963 voor het eerst in Berlijn werd opgevoerd. In dit stuk, dat speelt in de Tweede Wereldoorlog, wordt paus Pius XII opgevoerd als de plaatsbekleder van Christus op aarde. Die rol schept verwachtingen waaraan niet wordt voldaan. Deze paus heeft te midden van oorlogsgruwelen die hem zeker bekend waren (voor zijn ogen werden joden uit Rome gedeporteerd) gezwegen. Naar het heet om erger kwaad te voorkomen. Daarmee heeft hij echter niet echt gekozen. Een officieel uitgesproken Vaticaans protest tegen de uitroeiing van de joden heeft nooit geklonken. Hannah Arendt noemt een dergelijk gedrag kiezen voor het mindere kwaad, en stelt daar vanuit het oogpunt van verantwoordelijkheid indringende vragen bij. Hochhuths stuk bracht een schok teweeg. Zo wordt verhaald dat men paus Johannes XXIII in de maanden voor zijn dood Hochhuths boek te lezen gaf en dat men hem gevraagd heeft wat daartegen te doen. De paus zou hebben geantwoord: ‘Daartegen doen? Wat kun je tegen de waarheid doen?’ Maar niet alleen het Vaticaan reageerde. Ook denkers als Karl Jaspers en de hierboven al genoemde Hannah Arendt bijvoorbeeld stonden stil bij Der Stellvertreter.
Hochhuths stuk is niet eendimensionaal. De paus, die plaatsbekleder (van Christus) heet, is het niet, maar een priester, pater Riccardo Fontana s.j., blijkt het uiteindelijk wel te zijn. Deze Fontana komt door de SS-Obersturmführer Kurt Gerstein op de hoogte van de massale vernietiging van joden in de concentratiekampen. Diep geraakt door dit onwaarschijnlijke onrecht zoekt hij met Gerstein gedreven naar mogelijkheden om aan de nazimisdaden een halt toe te roepen. In de ogen van Fontana zou de paus daarbij als hoofd van de kerk een centrale rol kunnen vervullen. De paus echter geeft, zoals gezegd, niet thuis. Dan kiest Fontana er aan het eind van zijn mogelijkheden voor het lijden van de joodse gedeporteerden uit Rome te delen. Hij overlijdt in Auschwitz als de plaatsbekleder van ‘de plaatsbekleder’, delend in het lot van de tallozen die hij niet heeft kunnen redden. Hij is in dit stuk, net als Ernie Levy in het boek van Schwarz-Bart, de persoon in wie de lijdende knecht van Jesaja wordt herkend.
Amen
In 2002 is het stuk van Hochhuth door de regisseur Costa-Cavras verfilmd. De titel van deze film is Amen. In de film wordt vooral de SS’er Kurt Gerstein gevolgd. In een sobere en integere vormgeving stelt Cavras ons voor aan SS-officier Gerstein. Gerstein werkt aan een middel dat gebruikt kan worden om tyfus te voorkomen onder de Duitse troepen. Tot zijn grote schrik en afgrijzen komt hij erachter dat het zogeheten Zyklon B-gas voor heel andere doeleinden wordt gebruikt. Wanneer hij in een waas van geheimzinnigheid meegenomen wordt naar een concentratiekamp, krijgt hij door een klein kijkgaatje te zien waarvoor zijn uitvinding ingezet wordt: het doden van joden. Volledig van de kaart moet Gerstein het hoofd koel houden, maar de last drukt zwaar op zijn geweten. Hij besluit de gruweldaden van de vernietigingskampen openbaar te maken. Gerstein zoekt contact met een bisschop in Duitsland, maar die wil helemaal niets horen van zijn verhaal en bagatelliseert de kwestie. Door het bezoek komt hij wel in contact met de eerdergenoemde jonge priester Riccardo Fontana. Terwijl treinen met joden af en aan rijden, proberen Gerstein in Duitsland en Fontana in Rome hun boodschap over te brengen. De muur van politieke en kerkelijke belangen is echter te hoog, en met de moed der wanhoop besluit Gerstein uiteindelijk zelf in het diepste geheim naar Rome af te reizen. Het mag allemaal niet baten.
Costa Cavras richt zich met Amen op de strijd van één man tegen het systeem en benadrukt met de film eerder het slechte van de mens in de wereld dan het goede. Door de herkenbaarheid is Amen een van de meest indringende films die Costa Cavras op zijn naam heeft gezet zonder zich over te geven aan oorlogsspektakel. In mijn ogen blijft het gegeven van de plaatsbekleding in de film, hoewel duidelijk aanwezig, toch te weinig uitgewerkt. Ook Gerstein zelf blijft een mens die kiest voor het mindere kwaad. Hij is weliswaar degene die de misdaden waarvoor hij ongewenst medeverantwoordelijk was, wereldkundig heeft gemaakt, ja zelfs degene die alles in het werk heeft gesteld om aan deze afschuwelijke praktijken een halt toe te roepen, maar hij is geen plaatsbekleder zoals Fontana werd. We zouden Gerstein vandaag een diplomatieke klokkenluider noemen. Voelde Cavras verlegenheid bij de rol van Fontana? Wellicht. Maar dan is die verlegenheid al te vinden in het stuk van Hochhuth zelf. Het is tekenend dat Gerstein in het stuk van Hochhuth een historische figuur is, terwijl Fontana – in de woorden van Karl Jaspers – is geconstrueerd. Jaspers voegt eraan toe dat Fontana’s geloof voor hem onduidelijk blijft. En dat is ongetwijfeld niet voor niets. De rechtvaardige is zich ervan bewust dat God – in de woorden van Franz Rosenzweig – de wereld, en niet de godsdienst heeft geschapen. Voor recht en onrecht is er immers geen ander toneel dan de wereld zelf. In die wereld is de plaatsbekleder, wat zijn geloof ook moge zijn, vooral overtuigend door wat hij niet is: de mens die de wereld gewelddadig naar zijn hand zet en die wereld zo het aanschijn geeft van wat wij er doorgaans van zien.
De vraag naar schuld en verantwoordelijkheid zoals die in dit verband (in het stuk van Hochhuth) is opgenomen door Hannah Arendt, laat ik hier, gezien de ruimte voor dit artikel, rusten, om mij vooral te concentreren op de vraag of de houding van Fontana in het stuk van Hochhuth zinvol is. Heeft hij met zijn ‘daad’ überhaupt iets bereikt? Deze vraag is gelijk aan de vraag naar de betekenis van de lijdende knecht in Jesaja. De bijbeltekst geeft onomwonden een positief antwoord op deze vraag, wanneer de Eeuwige in de woorden van Jesaja zeg: ‘Ja, mijn dienaar zal slagen, hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien. Zoals hij velen deed huiveren – zo gruwelijk, zo onmenselijk was zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens –, zo zal hij veel volken opschrikken, en koningen zullen sprakeloos staan. En zij aan wie niets was verteld, zullen zien; zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen’ (Jesaja 52:13-15).
Dat begrijpen is echter niet zomaar gegeven. Plaatsbekleding lijkt het omgekeerde te zijn van wat René Girard mimesis noemt. De begeerte van de ene mens die spiegelend verlangt naar wat de andere mens is of heeft. De plaatsbekleder kent deze begeerte niet. Integendeel, hij bekleedt de plaats van een mens die niemand wil zijn. De weduwe, de wees en de vreemdeling. Hij is de mens die de dood van zijn naaste meer vreest dan zijn eigen dood. Hij is de mens wiens wijsheid ogenschijnlijk een dwaasheid is. De mens die spreek als starets Zosima in De gebroeders Karamazov van Dostojevski: ‘leder van ons is schuldig tegenover alle anderen, en ik meer dan wie ook.’
Niets maakt de mens meer tot mens dan dat hij de mogelijkheid heeft in te staan voor een ander
Is zo’n houding überhaupt te begrijpen? Voor een antwoord op deze vraag moeten we overgaan naar een analyse van het verschijnsel zelf. Die (intentionele) analyse is gegeven door de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas. Hij schreef in 1968 het artikel La Substitution, en nam dit artikel later als vierde en tevens kernhoofdstuk op in zijn tweede hoofdwerk Autrement qu’être ou au-delà de l ’essence. Het artikel verscheen in 1989 onder de titel De plaatsvervanging in het Nederlands, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Theo de Boer. Het is een ronduit moeilijke tekst, deels doordat Levinas heel de westerse filosofiegeschiedenis als bekend veronderstelt, deels ook doordat hij in die westerse filosofiegeschiedenis iets totaal nieuws wil inbrengen: ethische inzichten uit het rabbijnse jodendom. Levinas’ latere filosofie is, zoals De Boer zegt, een bezinning op de subjectiviteit. Je zou het een wijsgerige antropologie van de verantwoordelijkheid kunnen noemen. Centraal staat de vraag hoe we de relatie van-de-een-voor-de-ander moeten denken. Stap voor stap vraagt Levinas terug naar de verantwoordelijkheid, en komt zo uiteindelijk niet slechts tot de conclusie dat de verantwoordelijkheid die ik heb voor de ander die een beroep op mij doet, niet van mij kan worden overgenomen (dat zou Ersatz zijn), maar meer nog dat mijn instaan voor de nood, ja zelfs de dood van de ander (Stellvertretung) mijn meest wezenlijke zelf is. Het antwoord op de vraag naar het wezen van de mens is zijn zijn-voor-anderen. In die zin kan Levinas elders schrijven: ‘le Messie c’est Moi, Être Moi, c’est être Messie’ (Difficite Liberté, 120). Onvervangbaar. De Messias is de rechtvaardige die lijdt, degene die het lijden van anderen op zich heeft genomen. En, zo vraagt Levinas retorisch: ‘Wie neemt uiteindelijk het lijden van anderen op zich als dat niet de mens is die “ik” zegt?’ Daarmee is verantwoordelijkheid voor Levinas, wat ik bij hem het specificum humanum zou willen noemen. Niets maakt de mens meer tot mens dan dat hij de mogelijkheid heeft in te staan voor een ander.
Afsluitend
De plaatsbekleder is de mens die instaat voor het goede, en daardoor slachtoffer wordt. Het is niet een enkele historische persoon (wie dat denkt, ontkracht de tekst van Jesaja), maar een mogelijkheid voor eenieder die deze levensweg wenst te gaan. Wie die levensweg gaat, maakt een bewuste keuze in zoverre dat hij afziet van geweld. Hij verzet zich niet tegen het lot dat hij ondergaat, omdat het verzet hem even gewelddadig zou maken als degene die hem geweld aandoet. De plaatsbekleder doorbreekt in een vorm van passiviteit (hij ziet af van geweld) de gang van zaken en opent op die wijze een toekomst die onttrokken is aan de geweldsspiraal. Om die reden wordt hij bijbels ook geprezen. De lijdende rechtvaardige neemt het lijden op zich … hij draagt het naar de hemel en legt het aan de voeten van de Eeuwige. Daarom bestaat de wereld voort.
Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar. Hij is sinds het begin van Schrift betrokken geweest als redactielid, beeldredacteur en auteur.
Literatuur
– André Schwarz-Bart, De laatste der rechtvaardigen (vertaling Eveline van Hemert), Amsterdam 2OO3;
– Rolf Hochhuth, Der Stellvertreter (met essays van Jaspers, Muschg, Piscator en Golo Mann), Hamburg 1963; in het Nederlands: De plaatsbekleder (vertaling Gerrit Kouwenaar), Amsterdam 1964;
– Dorothee Sölle, Stellvertretung, Stuttgart 1965; in het Nederlands: Plaatsbekleding (vertaling H.A. Schreuder), Utrecht zonder jaartal;
– Costa-Cravas, Amen, Frankrijk/Duitsland 2002;
– Hannah Arendt, ‘De plaatsbekleder: schuld door stilzwijgen?’, in: Responsability and Judgement, 2OO3; in het Nederlands: Verantwoordeliikheid en oordeel (vertaling Marjolijn Stoltenkamp), Rotterdam 2004;
– Emmanuel Levinas, De plaatsvervanging (vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Theo de Boer), Baarn 1989.