God in de beklaagdenbank
Een chassidisch verhaal over wanhoop en hoop
Het chassidisme is in Oost-Europa in de vroege 18e eeuw begonnen met Rabbi Israel Baal Shem Tov, de Meester van de Goede Naam. Het is een mystieke beweging die meer nadruk legt op het enthousiasme in het dienen van HaShem (God) dan op pure kennis en studie van de Geschriften. Intellectuele kennis werd als erg belangrijk beschouwd in de toenmalige Oost-Europese Joodse wereld van de grote en toonaangevende Talmoed geleerde Elijahu ben Shlomo Zalman, de Vilna Gaon – tot frustratie van Joden die om wat voor reden ook niet geleerd waren of konden worden.
Het chassidisme trok veel arme Joden aan die hard moesten werken voor een klein stuk brood en die geen tijd en kennis hadden om lange uren door te brengen in het leerhuis. Zij groepeerden zich rond rebbes, chassidische rabbijnen die uiteraard wel geleerd waren en die arme chassidim onderrichten op hun eigen niveau. De chassidim dansten en zongen en vertelden verhalen over de wonderen die hun rebbes hadden gedaan. Gezamenlijke maaltijden tijdens en aan het einde van Sjabbat waren belangrijk. Een rebbe zorgde voor zijn chassidim op elk terrein, luisterde naar hun religieuze, maatschappelijke en familiaire en persoonlijke problemen, en zocht oplossingen.
Enkele maatschappelijke problemen waar veel chassidim mee te maken hadden, waren antisemitisme, een onderdrukkende bureaucratie en diepe armoede, die werden vaak verergerd door plaatselijke hongersnoden en veroorzaakten diepe wanhoop.
De grootvader van Shpola
Het is prachtig om al zingend op God te vertrouwen, maar een mens moet ook eten. Dit wordt geïllustreerd door een beroemd verhaal over Rabbi Aryeh Leib van Shpola (ca. 1725–1811), ook wel bekend als de Shpoler Zaide, de ‘grootvader van Shpola’, een stad in Oekraïne waar hij resideerde en zich om zijn chassidim bekommerde. Oekraïne werd regelmatig geteisterd door hongersnood. In één van die jaren was het zo ernstig dat er geen korrel graan meer te krijgen was en voor de laatste restjes goud werd betaald. Goud had de overwegend arme Joodse bevolking niet en zij dreigde te verhongeren. De kinderen hadden opgezwollen buikjes en iedereen had holle wangen en voelde zich slap en akelig. De Shpoler Zaide zag dit met lede ogen aan, maar gaf de hoop niet op dat hij er iets aan kon doen.
Graan had hij uiteraard niet, maar hij besloot een rabbinale rechtbank op te zetten. Normaal bestaat die uit drie rabbinale rechters, maar deze rechtbank bestond uit tien. Zelf fungeerde de Shpoler Zaide als de president van het hof. Het werd een heel bijzondere rechtbank. De aanklager was namelijk “de Joodse gemeenschap in de Oekraïne” en de beklaagde niemand minder dan God zelf. Dit was ongehoord! Als een ander dan de grote Shpoler Zaide dit had georganiseerd zou hij voor gek worden verklaard, voor waanzinnig brutaal, en de rechtszaak als een uiting van hybris worden weggezet.
De Shpoler Zaide beschuldigde de Beklaagde van plichtsverzuim. Hij verzorgde Zijn kinderen, de Joden met wie Hij een eeuwig verbond had gesloten op de Sinaï, niet goed. Hij was toch hun Vader. De Joden waren ook Zijn dienaren. De president van de rechtbank gaf toe, dat die dienaren regelmatig fouten maakten, zich niet altijd even strikt aan de geboden in de Torah hielden en sommigen zelfs atheïsten waren. Maar aangezien het om feilbare mensen ging ontsloeg dat hun Meester, God dus, niet van Zijn plicht goed voor hen te zorgen.
Zoiets was nog niet eerder vertoond. De hele Joodse gemeente van de stad Shpola vulde de rechtszaal tot de muren bol stonden. Mooi, vond de Shpoler Zeida, dan zijn zij getuigen dat alles volgens de formaliteiten verloopt. God werd door Shpoler Zeida en zijn negen mederechters veroordeeld en verzocht om voor Zijn kinderen en dienaren te zorgen en ze niet te laten sterven van de honger. Shpoler Zeida had goede hoop dat de Beklaagde zich aan de uitspraak zou houden, want het was een gerechtelijk proces volgens de regels van Zijn eigen Torah.
En kijk eens aan! Een poosje later arriveerden er grote volle graanschepen in de haven. De hongersnood was voorbij! Was dit hoogmoed, overmoed, een gotspe, of was deze rechtszaak simpelweg een bewijs dat een Jood alles kan en mag opgeven behalve hoop? Dit verhaal circuleerde uiteraard in de hele chassidische wereld en daarbuiten. Een paar eeuwen later heb ik deze rechtszaak geschilderd. Dat leverde een paar hoofdbrekens op, want hoe verbeeld je God in de beklaagdenbank? Ik koos ervoor om voor de beklaagdenbank een gebedsdoek te hangen, en veel zaken uit te drukken met teksten. Het artikel (in het Engels geschreven) hoe dat allemaal is gedaan, vindt u hier en daar.
Hele fijne feestdagen! Geef de hoop nooit op en wees blij met wat we hebben.
Shoshannah Brombacher studeerde Semitische taal- en letterkunde in Leiden en promoveerde in Leiden. Ze woonde in Jeruzalem, New York en woont nu (weer) in Berlijn. Zij is auteur, kunstenaar en maggidah en houdt zich veel bezig met het chassidisme.