Als je zo begint …
De haan kraait dat de dag begint. Daarom noemde de dichter Aurelius Prudentius Clemens (348 – omstreeks 405) hem in de uitgebreide Hymnus ad galli cantum de gevleugelde bode van de dag (ales diei nuntius). Mede door dit lied kreeg de haan in de christelijke traditie een symbolische meerwaarde. Die meerwaarde was echter niet slechts voorbehouden aan het christendom. Ook in de joodse traditie kende en kent men een grote waardering voor (het beeld van) de haan.
De haan die hierboven staat afgebeeld, komt uit de achttiende-eeuwse Lobhymnen für den Schöpfer. Het boek zelf ken ik niet, maar alles bij dit plaatje doet denken aan een leerplaat. Linksboven staat in (nabijbels) Hebreeuws aangegeven dat het om de haan (tarnegol) gaat, en rechtsonder vinden we in kleinere Hebreeuwse letters de vraag: ‘Wat zegt hij?’. Een antwoord op die vraag kan gevonden worden in Spreuken 6:9: ‘Hoe lang blijf jij nog liggen, luiaard? Wanneer sta jij op uit je slaap?’. Zo zet je kinderen op een spoor.
ln een commentaar op een passage uit de Talmoed noemt de Franse joodse wijsgeer Emmanuel Levinde haan ‘de specialist van het licht’. Een ogenschijnlijk vreemde uitdrukking, maar Levinas gebruikt haar omdat het juist de haan is, die de dageraad al ‘weet’ te onderscheiden in de nog duistere nacht, de nabijheid van het licht nog voor zijn doorbraak. En zo klinkt het ook in het dagelijks gebed: ‘Gezegend zij de Eeuwige, die aan de haan de intelligentie heeft gegeven om te onderscheiden tussen dag en nacht’. De inhoud van deze lofprijzing gaat terug op Job 38,36: ‘Wie legde wijsheid in het innerlijk, of wie gaf kennis een hemels inzicht?’. Het is een duister vers, dat zeer uiteenlopend vertaaldwordt vanwege het Hebreeuwse woord sekwi. Je kunt het lezen als ‘begiftigd zijn met intelligentie of inzicht’, maar ook als bijbels Hebreeuws voor ‘haan’, en dan luidt het vers (in de vertaling van Pius Drijvers en Pé Hawinkels): ‘Wie heeft de ibis zijn kennis gegeven, wie de haan met inzicht begiftigd?’.
De eerste scheppingsdaad waarbij de Eeuwige spreekt, is dan ook niet toevallig het scheiden van duisternis en licht
Hoe het ook zij, de haan is het beeld bij uitstek als het gaat om een hoorbare scheiding tussen nacht en dag. Vanuit die scheiding wordt in de joodse en christelijke traditie gedacht. En Levinas zegt het zelfs nog pregnanter: ‘Het onderscheiden van de nabijheid van het licht nog voor zijn doorbraak, dat is misschien wel de intelligentie zelf’ (Difficile liberté,123).
Er wordt vanuit het duister naar het licht geleefd, gedacht en geloofd. De eerste scheppingsdaad waarbij de Eeuwige spreekt, is dan ook niet toevallig het scheiden van duisternis en licht (Genesis 1:4). Van het een naar het ander, in een ritme dat zich dagelijks herhaalt: toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zoveelste dag. Keer op keer aangekondigd door de haan, die kraait dat het licht op doorbreken staat. En als je zó begint, geeft dat te denken. Over duisternis en licht – en vooral over de doorbraak van dat laatste.
Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar. Hij is sinds het begin van Schrift betrokken geweest als redactielid, beeldredacteur en auteur.
Eerder gepubliceerd in Schrift 201 (2002), 100