Hoop, een kwaliteit van de ziel
Hoop doet leven: iedereen kent die uitdrukking wel. Wie hoop heeft, heeft uitzicht. Uitzicht op iets wat er nu nog niet is, maar in de toekomst misschien komt. Wie hoopvol is, heeft er vertrouwen in dat dat toekomstige zich op enig moment zal aandienen. Hij of zij verlangt ernaar en leeft uit dat verlangen. Hoop is een belangrijke bron van energie. De vraag is wel, waar die energie op gericht is. Wat is nu eigenlijk het ‘object’ van de hoop? Hoop je op succes, een geslaagd resultaat of een goede afloop? Maar wat bepaalt of iets geslaagd of goed is?
Aan de Tsjechische schrijver, dissident en politicus Václav Havel (1936-2011) wordt een gedicht toegeschreven dat vaak geciteerd wordt als het gaat om hoop. Het is een beroemd gedicht, waar blijkbaar veel mensen zich in herkennen. Ik ben benieuwd of dat voor jou ook geldt: wat resoneert er bij je als je het gedicht leest, wat raakt je, of juist niet? En wat maakt dat dat zo is?
Havels ‘Hoop’
We zullen het gedicht per strofe doornemen. Er bestaan verschillende vertalingen van de tekst van Havel. Onze versie is genomen uit Heilige teksten van denkers, dichters & doeners, uitgegeven door NCRV-IKON in 2012, ter gelegenheid van het 10-jarig jubileum van het tv-programma Het Vermoeden (destijds gepresenteerd door Annemiek Schrijver, die nu De verwondering presenteert).
Hoop
Diep in onszelf dragen wij de hoop.
Is ze niet daar, dan is ze nergens.
Hoop is een bewustzijn
en staat of valt niet met wat er
in de wereld gebeurt.
De hoop wordt hier meteen gelocaliseerd: ze bevindt zich niet buiten ons, maar diep in onszelf. Wij dragen haar met ons mee. Als een bewustzijn. Dat is een psychologisch woord. Soms vind je ook een meer spirituele vertaling: ‘Hoop is een kwaliteit van de ziel’. En die kwaliteit, of dat bewustzijn, laat zich niet beïnvloeden door wat er in de wereld gebeurt.
Nu is dat, zoals je weet, een heleboel. We hebben te maken met klimaatverandering, natuurrampen, oorlogen, armoede, krapte op de woningmarkt, onvoldoende plaats voor vluchtelingen, een gebrek aan vertrouwen in de politiek, en ga zo maar door. En dan is er nog het leed dichtbij: mensen in je omgeving die het moeilijk hebben door eenzaamheid, ziekte, verlies, rouw. Of het overkomt jezelf. Door al die dingen is er een kans dat je de moed verliest. Dat je je afsluit van de buitenwereld en onverschillig wordt, of verlamd raakt. Wat kan ik eraan doen, niets toch? Het is te groot voor mij. Je trekt je terug in je eigen, schijnveilige bubbel. Of je wordt juist strijdvaardig en gaat de straat op, laat je vastketenen op de A12.
Ben jij iemand die diep van binnen hoopvol is? Hoe zou je dat ‘diep van binnen’ noemen? De ziel, je bewustzijn, of iets anders?
Hoe ga jij om met wat er om je heen – dichtbij en ver weg – gebeurt? Beïnvloedt dat jouw hoop?
Hoop zit ons in de ziel
Hoe houd je de hoop hoog te midden van alles wat je omringt, dichtbij en ver weg? Volgens Havel is hoop niet afhankelijk van de gebeurtenissen om ons heen, ze is volledig zelf-standig: ze staat of valt niet met de ups en downsvan dit leven. We lezen verder:
Hopen is voorspellen noch voorzien.
Hoop zit ons in de ziel, in het hart gegrift,
ligt voor anker voorbij de horizon.
Hoop heeft niet te maken met voorspellen of voorzien. We kunnen niet in de toekomst kijken, we kunnen die niet beheersen. Hoop zit ons in het hart gegrift. We hebben het merkteken ontvangen van de hoop, het is onuitwisbaar aanwezig in onze ziel.
De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886) vergelijkt in haar gedicht ‘Hope’ de hoop met een vogeltje, dat neerstrijkt in de ziel om daar zijn lied te zingen en ons nooit verlaat (thehiddenlaw.com):
Hope is the thing with feathers –
That perches in the soul –
And sings the tune without the words –
And never stops – at all –
Hoop is dat ding met veren,
Dat neerstrijkt in de ziel,
En ’t wijsje zingt, zonder de woorden,
En dat ons nooit – nog nooit – ontviel.
Hoop is dat ding met veertjes: teder en kwetsbaar. Het is als een vogeltje dat zich diep in ons nestelt, in onze ziel, en zingt zonder woorden en zonder ophouden. Het is dus ook krachtig. Een stille kracht.
Onlangs was ik in het hospice van Delft en bezocht daar een dame die ik al geruime tijd als geestelijk verzorger mag begeleiden. Ze is nu aan het einde van haar leven gekomen. Daar is ze zich van bewust en ze weet dat ze zich erbij neer moet leggen, maar het doet pijn dat ze haar geliefden moet loslaten. Haar kinderen en kleinkinderen. Vooral om haar gehandicapte dochter maakt ze zich zorgen, hoewel die volwassen is. Hoe oud je ook wordt, je ben nooit ‘ouder af’. Als ik haar de regels voorlees van Emily Dickinson en vraag wat ze hoopt, dan zegt ze: ‘Dat het goed zal gaan met mijn dochter en dat het voor mijzelf voorbij de horizon beter is dan hier. Dat het vogeltje in mijn zieke lichaam zal opvliegen naar de hemel. Dat er daar een en al liefde zal zijn’. Hoop als geloof in de liefde dus. En ze hoopt dat ze haar mobieltje mee kan nemen, om haar geliefden vanuit de verte nabij te kunnen zijn…
Voor Emily Dickinson is hoop kwetsbaar en krachtig tegelijk. Ervaar jij dat ook zo?
Kun jij ook een voorbeeld noemen van een hoopvolle ontmoeting?
Hoop is een houding
Havel vervolgt:
Hopen,
in deze diepe en krachtige betekenis,
is anders dan blij zijn om wat goed gaat
of je graag inzetten voor wat zeker succes heeft.
Als iets goed gaat, zijn we blij. Terecht, want het is fijn als iets lukt of slaagt. Als dat niet zo is, kan ons dat ontmoedigen. We hebben ons ingezet, maar zonder succes. Waarom ergens mee doorgaan als het niks oplevert? Hoop in de visie van Havel laat zich echter niet leiden door deze resultaatgerichtheid. Dit doet me denken aan wat de Franse filosofe Simone Weil zegt over spiritualiteit of geestelijk leven (van spiritus, ‘geest’). Hét fundament van geestelijk leven is volgens haar aandachtig wachten. Alles wat je met aandacht doet, brengt licht in de ziel. Ze noemt het voorbeeld van scholieren die zich met gebalde vuisten, ingehouden adem en gefronste wenkbrauwen inspannen om een wiskundesom op te lossen of een Latijnse vertaling te maken. Een vruchteloze exercitie, vindt ze. Beter zou zijn om te ontspannen, te ademen, vanuit de gedachte dat alleen al de oefening in het aandachtig met iets bezig zijn vroeg of laat zijn vruchten zal afwerpen. Dus als je na een dag werken of zorgen denkt dat er niets nuttigs uit je handen gekomen is, dan heb je het mis. Een troostrijke gedachte, vind ik, die de gerichtheid op het resultaat verplaatst naar de houding waarmee je dingen doet. In het aandachtig wachten – voor Simone Weil is dat uiteindelijk het wachten op God – zit de hoop. Op zijn tijd en manier zal God er zijn.
Waar hoop jij op? Ben je wel eens teleurgesteld als je op iets hoopte en het gebeurde niet? Hoe ging je daarmee om?
Hoop is een levenskunst
We lezen in Havels gedicht:
Hoop is de kunst om ergens aan te werken
omdat het goed is,
niet omdat het kans van slagen heeft.
Hoop is een kunst, je zou kunnen zeggen: een levenskunst. Je werkt ergens aan, omdat je weet dat het goed is. Ongeacht het resultaat. Je bent intrinsiek gemotiveerd, van binnenuit. Je ziet dat wel om je heen, bij sommige voorbeeldfiguren. Van vroeger en nu. Moedige mensen die zich soms met gevaar voor eigen leven wijden aan wat zij als ‘goed’ ervaren. Denk bijvoorbeeld aan oppositieleider Aleksej Navalny die in februari 2024 overleed in een Russisch strafkamp. Na zijn behandeling voor vergiftiging in Duitsland had hij in het westen kunnen blijven, maar hij koos er bewust voor om naar Rusland terug te gaan om mensen daar hoop te geven op een betere toekomst. Elke keer als hij op televisie verscheen, oogde hij opgewekt. Hoe is zoiets mogelijk? Dissident Havel schrijft:
Hopen is niet optimisme,
niet de overtuiging dat iets goed zal aflopen.
Hopen is zeker weten dat iets zinvol is,
ongeacht de afloop.
Hoopvolle mensen zijn ervan overtuigd dat het zinvol is in zichzelf om voor een goede zaak te gaan. Om zich in te zetten en zelfs hun leven te geven voor anderen, zoals ook Jezus Christus dat deed. ‘Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden’, lezen we in het Johannesevangelie (Joh. 15:13). Dat gedenken we in de passietijd. Passie in de dubbele betekenis van het woord: hartstocht en lijden. Hoopvolle mensen zijn van binnenuit geïnspireerd en gedreven om zich met liefde te wijden aan het welzijn van hun naasten.
Niet iedereen is een Jezus of Navalny. Maar we kunnen wel allemaal op onze eigen plek en naar eigen vermogen hoop uitdragen en verspreiden. We kunnen dat doen door het vogeltje dat de hoop is te blijven voeden. Door stil te worden of juist onze stem te laten horen. Door goed voor elkaar en onszelf te zorgen en aandacht te geven aan wie kwetsbaar is. Door ergens aan te werken, omdat je weet dat het goed en zinvol is. En door je niet te laten ontmoedigen door tegenslag, maar te vertrouwen op de ‘goede afloop’, wat die ook is.
Wie is voor jou een voorbeeldfiguur als het om hoop gaat?
Hoe geef jij, in jouw situatie en met jouw persoonlijkheid en kwaliteiten, uiting aan de hoop?
Barbara Zwaan is geestelijk verzorger en docente spiritualiteit en zingeving aan de Utrechtse Academie voor Geesteswetenschappen. Ze is hoofdredactrice van de Redactie Spiritualiteit van www.theologie.nl.