Menu

Basis

Hoop en wanhoop in het leven van Hildegard van Bingen

Beeld Hildegard van Bingen

‘Ik ben de aanschouwster van het levende oog
die de bedrieglijke verlamming niet misleidt.
Daarom, o duisternis, jij kunt mij niet omhullen’

Deze woorden spreekt de Hoop uit in het deugdenspel Ordo virtutum. In dit spel wordt de strijd tussen het goede en het kwade beschreven. De Hoop schouwt het goddelijke leven, leven wat voor de gelovige mens niet zichtbaar is. ‘Niemand kan mij zien en in leven blijven’, zei God al tegen Mozes. De Hoop schouwt wat is en daarom reikt zij een perspectief aan waarop te vertrouwen is. Daartegenover staat het kwade dat in de werken van Hildegard gepersonifieerd is als de duivel (diabolos). De duivel brengt de gelovige mens op een verkeerd spoor en schept verwarring, hetgeen leidt tot uitzichtloosheid. Wanhoop doet verlammen, zoals is te lezen in de autobiografische passages van Hildegard van Bingen.   

In deze bijdrage ga ik in op twee gebeurtenissen uit het leven van Hildegard waarin er sprake is van hoop en wanhoop. Deze gebeurtenissen hebben te maken met haar roeping tot profetes. Rond haar veertigste levensjaar ontving Hildegard van God in een visioen de opdracht om zijn wegen bekend te maken in een tijd van geloofstwijfel. Deze opdracht kon zij echter niet vervullen, omdat de middeleeuwse vrouw gezien werd als ondergeschikt aan de man. En daarom kon zij met haar profetische opdracht niet in de openbaarheid treden. In een ander visioen ontving Hildegard de profetische opdracht om weg te trekken uit het dubbelklooster waarin zij sinds haar veertiende levensjaar woonde. Deze profetische opdrachten brachten Hildegard in een dilemma dat zij zelf niet kon oplossen. Dit leidde tot een tweestrijd in haar zelf en bracht haar tot wanhoop. In deze strijd werd zij ziek.

Een profetische opdracht

Het leven van Hildegard kreeg een nieuwe richting toen God zich aan haar als een levend Licht openbaarde (1141). In dit visioen ontving zij een profetische opdracht waarin zij werd opgeroepen een boek over Gods wegen te schrijven:

‘Het geschiedde in het jaar 1141 van de menswording van Gods Zoon, Jezus Christus, toen ik 42 jaar en 7 maanden was, dat een vurig licht van een geweldige schittering tot mij kwam vanuit de geopende hemel. (…). Zo moet ook jij, o mens, zeggen wat je ziet en hoort. En schrijf het op, niet volgens jezelf, noch volgens een ander mens, maar volgens de wil van Hem die weet, ziet en alles beschikt in de verborgenheden van zijn mysteriën.’ (Inleiding van Scivias)

Nadat Hildegard deze profetische opdracht had ontvangen, werd haar visionaire ervaring eerst getoetst door de monnik Volmar, een geestelijk begeleider uit het klooster van de Disibodenberg. Hij kwam tot het inzicht dat deze opdracht afkomstig was van God, en daarom werkte hij mee aan het op schrift stellen van de visioenen die opgetekend zijn in haar visioenenboek: Scivias: ken de wegen. Hij was deelgenoot van goddelijke geheimen die Hildegard schouwde. Dit is te zien op de miniatuur. Op deze afbeelding staat Volmar naast Hildegard in het venster, dat de toegang opent voor de goddelijke werkelijkheid (uitgebeeld in de kleur goud). Hildegard werd geïnspireerd door het vurige licht uit de hemel en schreef op een wastafel op wat ze zag en hoorde. Volmar schreef de teksten van Hildegard over op perkament, waarbij hij haar teksten corrigeerde op grammaticale fouten. Daarna las Hildegard de verbeterde tekst nogmaals, ter controle.

Haar stem laten horen

In 1146 was haar boek Scivias in een vergevorderd stadium. Dit leidde bij Hildegard tot een dilemma: zal zij erover spreken of erover zwijgen. God had haar immers een profetische opdracht gegeven, maar daarmee kon zij als vrouw niet in de openbaarheid treden. Om haar profetische stem te laten horen, had zij de erkenning van de kerk nodig. In de twaalfde eeuw konden vrouwen met hun profetische opdracht niet naar buiten treden. De enige mogelijkheid was om zich te beroepen op directe ingevingen van God, die de kerkelijke ambtsuitoefening te boven ging. Visioenen werden algemeen erkend als goddelijke mededelingen. Er werd geluisterd naar vrouwen met visioenen. Pas na de erkenning door de bisschop, konden zij hun stem laten horen. God had zich immers aan hen geopenbaard en dat gaf hen de legitimiteit om profetisch te spreken. Over dit dilemma schreef zij een brief aan Bernardus Clairvaux (1090 – 1153), een groot geestelijk leider in haar tijd. Hij was cisterciënzer en had veel invloed in de monastieke en kerkelijke wereld. In haar brief legt zij aan hem haar dilemma voor:

‘Goede en zachtmoedige vader, ik richt mij tot uw ziel, opdat u mij door uw onderzoek zult openbaren, of u wilt dat ik hierover openlijk spreek of in stilzwijgen zal bewaren. Want ik heb grote moeilijkheden met dit visioen; in hoeverre ik zal zeggen wat ik gezien en gehoord heb. En ondertussen word ik door dit visioen met zware ziekten op bed neergeworpen, zodat ik mij niet kan oprichten.’ (Brief 1)

Dit dilemma kwam niet tot een oplossing. In tegendeel, ze werd er wanhopig van en ziek.

In zijn reactie schreef Bernardus dat hij verheugd was, omdat ze al zoveel genade ontving. Hij spoorde haar aan om nederig te zijn, maar hij ging niet inhoudelijk in op het dilemma dat Hildegard hem had voorgelegd.

Een jaar later, in 1147, werden de visioenen van Hildegard erkend op de Synode van Trier door Paus Eugenius III. Ook Bernardus was aanwezig op deze kerkvergadering. Dankzij deze erkenning kon ze met haar visioenen naar buiten treden en haar profetische stem laten horen.

Scheve verhoudingen

Hildegards erkenning op de synode van Trier gaf het klooster op de Disibodenberg een goede reputatie. Rond 1150 was er een toeloop van meisjes en vrouwen die wilden intreden in het  vrouwenconvent op de Disibodenberg, dat een dubbelklooster was. Het mannendeel van dit klooster was veel groter dan het vrouwendeel en omvatte min of meer het gehele kloosterterrein. Het vrouwendeel bestond uit slechts drie kleine ruimten aan de rand van het kloostercomplex. De verhouding tussen de monniken (broeders) en de monialen (zusters) was totaal niet in balans. Dit dubbelklooster stond onder leiding van de abt en de monniken die het bestuur van dit dubbelklooster in handen hadden.   

Door de komst van de nieuwe vrouwelijke kloosterlingen was de ruimte in het vrouwenconvent te krap om iedereen te herbergen. Dit leidde echter niet tot een verruiming van het vrouwenconvent. Integendeel, de inkomsten die de nieuwe zusters meebrachten bij hun intrede (erfdelen en bruidsschatten) kwamen niet ten goede aan het vrouwenconvent, maar werden besteed aan de verbouwing van het mannenklooster op de Disibodenberg. De toe-eigening van de inkomsten van de zusters leidde tot scheve verhoudingen tussen de zusters en de broeders van de kloostergemeenschap. De zusters werden geconfronteerd met onrecht dat hen door de broeders werd aangedaan. Zij hadden geen perspectief op een groter convent en dat leidde tot wanhoop bij hen.

Een goddelijk appel

In deze situatie ontving Hildegard een sprankel hoop in een visioen. Daarin werd haar getoond dat ze moest verhuizen naar de Rupertsberg, een oude bedevaartsplaats vlakbij Bingen. Dit visioen ervoer ze als een goddelijke opdracht waaraan ze niet twijfelde, maar die ze aanvankelijk verzweeg. Vanwege de kloostergelofte om ‘stabiel’ op deze plaats te zijn, die zij had afgelegd, moest ze verbonden blijven met de benedictijnse gemeenschap op de Disibodenberg. Zij zag echter geen mogelijkheden om deze opdracht uit te voeren en zich van de Disibodenberg los te maken. Over dit dilemma vertelt Hildegard:

‘Op een keer zag ik vanwege een donkere floers voor mijn ogen geen enkel licht. En mijn lichaam werd door zo’n zwaarte neergedrukt, dat ik me niet kon opheffen. En neergeveld op de grond werd ik door zeer grote pijnen bevangen. Waarom ik zo leed, was omdat ik een visioen dat mij was getoond, niet heb medegedeeld, namelijk dat ik mij met mijn dochters van de plaats waar ik aan God was geofferd naar een andere plaats moest gaan. Ik heb dit zo lang moeten verdragen, totdat ik de plaats waar ik nu ben, genoemd heb. En plotseling kreeg ik mijn gezichtsvermogen terug, hoewel ik nog niet geheel van mijn ziekte bevrijd was.’ (Vita II, 5)

De boodschap van dit visioen zette haar onder druk. Zolang Hildegard geen gehoor gaf aan dit goddelijke appel, bleef ze verstrikt in zichzelf en dat leidde tot psychosomatische klachten: het zicht werd haar ontnomen en fysiek kon ze geen kant op. Deze klachten werden veroorzaakt door de kracht die uitging van dit visioen. Deze kracht ging dieper dan haar zintuiglijke en lichamelijke vermogens konden bevatten. Door met de boodschap van dit visioen in te stemmen en de plaats waar ze naartoe moest verhuizen te noemen, herstelde ze plotseling. Met het woord ‘plotseling’ is aangegeven dat God in haar ziel werkzaam was. Dankzij dit visioen durfde Hildegard verdere stappen te zetten op de aangewezen weg: zij besloot zich los te maken van de Disibodenberg en te verhuizen naar de nieuwe woonplek die haar was getoond in het visioen: de Rupertsberg.

Met de ziel waarnemen

Sommigen menen dat Hildegard dit visioen gebruikte om haar plannen kracht bij te zetten. Wanneer hiervan wordt uitgegaan, dan zou dit visioen niet afkomstig zijn geweest van God. Dat dit visioen veroorzaakt was door God, daarvan getuigde ook een broeder van de Disibodenberg, de monnik Godfried. Hij schreef een hagiografie (heiligenleven) over Hildegard:

‘En toen het ene woonvertrek van de kluis hen nauwelijks allemaal kon bevatten en er al beraadslaagd werd over verplaatsing en uitbreiding van hun verblijfplaats, werd aan Hildegard door de Heilige Geest de plaats aangewezen, waar de rivier de Nahe in de Rijn stroomt, en wel de heuvel die van oudsher genoemd was naar de heilige Rupertus. (…). Door het graf en de relieken bleef de plaats met zijn naam verbonden.’ (Vita I, 5)

De monnik Godfried vertelt dat het visioen waarin Hildegard de opdracht had gekregen om naar de Rupertsberg te verhuizen, gezien moet worden als een innerlijk visioen. Zij zag deze bedevaartsplaats niet als een materieel object met haar lichamelijke ogen. Hildegard nam de Rupertsberg waar van binnen, in haar ziel. Dit innerlijke visioen gaf haar een perspectief waar zij op kon vertrouwen.

Niet zonder slag of stoot

De verhuizing verliep niet zonder slag of stoot, want er was veel weerstand van de kant van de abt van de Disibodenberg, die de plannen van Hildegard dwarsboomde. Het vertrek van de zusters betekende een groot verlies van inkomsten. Ondanks de weerstand van de kant van de abt, abt Kuno, zette Hildegard door. Daarbij werd zij ondersteund door verschillende begunstigers zoals de aartsbisschop van Mainz. Hij gaf haar toestemming voor de vestiging van haar klooster op de Rupertsberg. Zo vertrok zij met twintig zusters naar de Rupertsberg en ook de monnik Volmar ging met haar mee (1150). Dankzij de vele hulp die hun vanuit hun nieuwe leefomgeving werd geboden, lukte het hen om een nieuw klooster te bouwen.

Gedurende de verhuizing kreeg Hildegard te maken met bespottingen uit haar omgeving, die haar moeten hebben doen wanhopen:

‘Toen begon de oude verleider mij met veel bespottingen door te ziften, zodat velen zeiden: “Hoe komt het dat nu juist aan deze dwaze en ongeleerde vrouw zoveel mysteriën geopenbaard worden, terwijl er nog zoveel sterke en wijze mannen zijn? Dit loopt uit op verdeeldheid.” Want velen vroegen zich verwonderd af of de openbaring wel van God kwam of van de dorre verdorvenheid van luchtgeesten die velen verleiden.’ (Vita II, 5)

Haar omgeving maar ook sommige medezusters van Hildegard twijfelden aan het visioen dat ten grondslag lag aan de verhuizing naar de Rupertsberg. Was dit visioen wel afkomstig van God? Was er geen sprake van ijdelheid waardoor zij bedrogen was? Had een dwaalgeest haar ertoe hadden aangezet om te vertrekken van de Disibodenberg? Deze twijfels hadden ook te maken met Hildegards vrouw-zijn en die moeten haar diep gekwetst hebben en wanhopig gemaakt hebben. Ondanks deze bespottingen stelde Hildegard haar hoop op God:

‘O, o, God beschaamt niemand die op hem zijn vertrouwen stelt’ (Vita II, 5).

Op de Rupertsberg lagen de wegen voor Hildegard open. Ze benutte deze wegen om haar profetische boodschap kenbaar te maken in brieven en preekreizen. Zij had voldoende gezag opgebouwd om invloedrijk te functioneren. Zij hield zich niet aan de gewoonte dat vrouwen niet over geloofszaken mogen spreken, preekte in het openbaar en sprak zich onomwonden uit over allerlei kwesties in kerk en politiek. Zij verzette zich tegen de verderfelijke daden van de wereldlijke en kerkelijke leiders. In haar brieven plaatst zij de goddelijke inspiratie tegenover het ongeïnspireerde machtsdenken van de clerus. Zo gaf Hildegard als bazuin van het levende licht gestalte aan haar profetische roeping.

Van een opgelegde identiteit bevrijd

De hoop en de wanhoop van Hildegard staan in relatie tot de profetische opdrachten die God aan Hildegard gaf. De hoop toonde zich innerlijk, in haar ziel, als drager van een goddelijke boodschap die zich verwerkelijkt in de toekomst. De wanhoop was een gevolg van het niet kunnen realiseren van deze boodschap vanwege de kerkelijk gebonden identiteit die Hildegard als vrouw opgelegd had gekregen. Vanwege deze opgelegde identiteit kon zij deze dilemma’s niet zelf oplossen. Deze dilemma’s kwamen tot een oplossing door de leiding die van God uitging. Daarin toonde zich een contemplatieve weg die het ‘openbarende’ in de visioenen bevestigde en realiseerde.

Korte biografie over Hildegard van Bingen

Hildegard van Bingen (1098-1179) werd vermoedelijk in Bermersheim geboren. Haar ouders schonken Hildegard, hun tiende kind – naar analogie van het tiendrecht in de Bijbel (Lev. 27, 30) – aan God. Op veertienjarige leeftijd trad ze, samen met Jutta von Sponheim, in een vrouwenkluis in die tegen een benedictijns klooster, de Disibodenberg, gebouwd was. Met de komst van vrouwen werd dit mannenklooster een dubbelklooster.

Haar leven kreeg een nieuwe richting door een openbaring van God (‘levende Licht’), die haar een profetische opdracht gaf om de goddelijke boodschap bekend maken. Dankzij de erkenning van Paus Eugenius III op de Synode van Trier (1147) kon ze met haar visioenen in de openbaarheid treden en haar profetische stem laten horen. Hildegard stichtte een zelfstandig vrouwenklooster op de Rupertsberg (1150). In 1165 stichtte zij een tweede klooster in Eibingen. Hildegard stierf op 81 jarige leeftijd in 1179.

Haar werk bestaat uit verschillende genres: visioenen over theologische, mystieke en ethische thema’s (Scivias, Liber Vitae Meritorium en Liber Divinorum Operum), brieven (Liber Epistolarum), liederen (symphonia armonie celestium revelationum); boeken over medicijnen en therapieën (Physica en Causae et Curae).

In 2012 werd Hildegard door Paus Benedictus XVI heilig verklaard en uitgroepen tot kerklerares.

Dr. Kitty Bouwman is geestelijk begeleider en onderzoeker verbonden aan het Ruusbroecgenootschap (Antwerpen) en het Titus Brandsma Instituut (Nijmegen). Sinds vele jaren verdiept zij zich in de visioenen van Hildegard van Bingen. Onlangs verscheen haar nieuwe boek over Hildegard: Schepping uit Liefde.

Literatuur

De Vita van Hildegard, Ingeleid en vertaald door Tony Lindijer, Hilversum 2000.

Kitty Bouwman, Schepping uit liefde, de gestalten Caritas en Wijsheid bij Hildegard van Bingen, Baarn 2025.

Hans Wilbrink, Leven en werk van Hildegard van Bingen, Heeswijk 2018 (derde, geheel herziene druk).

Hans Wilbrink (red.), Zicht op Hildegard, Leven, Visioenen, Geneeskunst, Muziek, Heeswijk 2020.

Wellicht ook interessant

"De Rechtszaak van de Shpoler Zeide". Olieverf op doek, 91,44 X 91,44 cm, 2015
"De Rechtszaak van de Shpoler Zeide". Olieverf op doek, 91,44 X 91,44 cm, 2015
Basis

God in de beklaagdenbank

Het chassidisme is in Oost-Europa in de vroege 18e eeuw begonnen met Rabbi Israel Baal Shem Tov, de Meester van de Goede Naam. Het is een mystieke beweging die meer nadruk legt op het enthousiasme in het dienen van HaShem (God) dan op pure kennis en studie van de Geschriften. Intellectuele kennis werd als erg belangrijk beschouwd in de toenmalige Oost-Europese Joodse wereld van de grote en toonaangevende Talmoed geleerde Elijahu ben Shlomo Zalman, de Vilna Gaon – tot frustratie van Joden die om wat voor reden ook niet geleerd waren of konden worden.

Basis

Hoop, een kwaliteit van de ziel

Hoop doet leven: iedereen kent die uitdrukking wel. Wie hoop heeft, heeft uitzicht. Uitzicht op iets wat er nu nog niet is, maar in de toekomst misschien komt. Wie hoopvol is, heeft er vertrouwen in dat dat toekomstige zich op enig moment zal aandienen. Hij of zij verlangt ernaar en leeft uit dat verlangen. Hoop is een belangrijke bron van energie. De vraag is wel, waar die energie op gericht is. Wat is nu eigenlijk het ‘object’ van de hoop? Hoop je op succes, een geslaagd resultaat of een goede afloop? Maar wat bepaalt of iets geslaagd of goed is?

Nieuwe boeken