Romeinen
INLEIDING
De situatie van Paulus
Wij zijn eraan gewend, dat de reeks van brieven van Paulus aanvangt met Rom. Nu is echter onze volgorde waarschijnlijk bepaald door de lengte van de brieven of ook door de belangrijkheid der gemeenten, en ook staan de persoonlijker brieven achteraan. In de oude Kerk, die een voorliefde had voor het getal zeven, vgl. de zeven katholieke brieven, de zeven brieven in Op. 2-3, is Rom. soms wel de zevende brief. Het getal zeven is symbool van de volheid en ook van de oekumene. Rom. aan het slot van zo’n reeks is historisch niet misplaatst. Het is in ieder geval voorlopig Paulus’ laatste brief, die hij in vrijheid schreef als afsluiting van jarenlange werkzaamheden in Klein-Azië en Griekenland. Wij weten daarvan met name via Gal. en 1 en 2 Kor. Wij denken dat Paulus Rom. schreef aan het eind van zijn derde zendingsreis en wel in de drie maanden, die in Hand. 20:3 worden genoemd. Hij is dan in Korinthe en staat op het punt weer naar Jeruzalem te gaan (Hand. 19:21). De brief zal wel overgebracht zijn door de Fébe van Rom. 16:1-2, die hier dienares heet, letterlijk diaken, van de gemeente te Kenchreae, de oostelijke haven van Korinthe, negen km. van het centrum van de stad. De brief is in het vroege voorjaar geschreven. In Hand. 20 is nl. sprake van het Paasfeest (vs 6) en van de Pinksterdag (vs 16). Ook weten we, dat de scheepvaart, die ‘s winters stil lag, in het voorjaar op 10 maart na een groot offerfeest op 5 maart, hervat placht te worden. Zo zal de brief begin maart 58 (of 55, 56?), via een secretaris, Tertius (16:22), geschreven zijn. Nemen we 58 aan, dan valt Paulus’ verblijf en gevangenschap in Jeruzalem en Caesarea bij benadering in 58-60 en zijn gevangenschap in Rome (Hand. 28:30) in 60-62.
De nadere omstandigheden van de apostel in verband met het ontstaan van de brief zijn, vgl. 1:8-15 en 15:1433, de volgende. Hij is van mening in het oosten voldoende kernen voor de verdere verbreiding van het evangelie gesticht te hebben en wil dan nu naar het westen en wel naar Spanje. Meteen wil hij dan ook een nieuwe thuishaven: Rome. Daarbij komt dan, dat zijn verhouding tot zijn huidige zendende kerk, Jeruzalem, gespannen is. Hij schrijft daarvan in 15:30-33 en ook in Hand. 20 en 21 lezen wij daarvan. De Joden haten hem en zullen straks een aanslag op zijn leven smeden. De joods-christelijke gemeente zit er tussenin. Paulus voelt zich onzeker en ziet tegen de reis naar Jeruzalem op. Misschien ook ducht hij de komst van agitators uit die hoek om het hem aldaar onmogelijk te maken. Dat was al vaker gebeurd (2 Kor.). Men wilde de door Paulus bekeerde heidenen integreren in een joods-christelijke gemeente, zodat een nieuw Israel ontstond. Maar de apostel wil niet dat er afbreuk gedaan wordt aan de universaliteit van het evangelie. Men hoeft niet joods te worden om christen te wezen. En hij wil ook niet kiezen of delen. Hij wil de geestelijke groei en aldus de geestelijke eenheid, zodat men samen komt tot de volwassenheid in Christus. Er mag niets afgedaan van de binding aan Christus en van de ruimte en de gedrevenheid van de Geest. Uiterlijk teken van de eenheid zou de kollekte zijn (15:26v,31). Afwijzing daarvan zou een scheuring inluiden. Als de apostel het over deze dingen heeft, wordt zijn stijl wat aarzelend en onzeker. Apostolische autoriteit en uiterste persoonlijke bescheidenheid wisselen elkaar af. Het is letterlijk een zaak van geven en nemen (1:11-15; 15:14-16).
De situatie van de christelijke gemeente te Rome
Naar alle waarschijnlijkheid heeft het christelijke geloof spontaan in Rome vaste voet aan de grond gekregen. Er werd in die dagen driftig gereisd en verhuisd. Rome was, voor Alexandrië en Antiochië, de grote wereldstad van die dagen met een enorme aantrekkingskracht op alle mogelijke mensen overal vandaan, een bonte vergaarbak dus, ook van religies en culturen. Ze telde bijna twee miljoen inwoners en vertoonde ook de verschijnselen van onze moderne metropolen: opeenhoping van rijkdom naast afgronden van armoede, paleizen naast krotten, verder flats, huurkazernes, slums. En ieder moest gevoed: handel en nijverheid. Maar het was ook de stad van theaters en amfitheaters, van zedeloosheid en mateloze wreedheid, grotendeels een cultuur van brood en spelen. De misdaad tierde er welig. De straten waren er ‘s nachts onveilig. Oproer was niet zeldzaam, vooral in tijden van overstromingen, honger, epidemieën, grote branden en woningnood. De regering zorgde in de regel voor koren uit Noord-Afrika, mn. Egypte, tegen af-braakprijzen. De stad bestond, in elk geval naderhand, uit veertien kwartieren. Het romeinse verenigingsrecht gebood de decentralisatie, want men vreesde concentraties vanwege het altijd aanwezige gevaar van samenzweringen. Zo hebben wij weet van dertien apart georganiseerde synagoges. Deze mochten zich dus niet aaneensluiten. Het ligt in de rede aan te nemen, dat ook de christelijke gemeente uit een aantal losse huisgemeenten (16:5,10(?),14,15) bestond, mogelijk ook van een onderling verschillend karakter (vgl. Hand. 6:9; 18:25; 19:2), al naar gelang hun wijze van ontstaan. Paulus spreekt hen, anders dan wel in andere brieven, dan ook niet aan als de gemeente van Rome, maar als geroepen heiligen,die te Rome zijn. In 49 verdreef keizer Claudius de Joden uit Rome, vanwege tumulten rond een zekere Chrestus of Christus. Naar Hand. 18:2 trof dat ook Aquila en Priscilla, als christenen uit de Joden. In Hand. (13:50; 14:19; 18:12-17; 19:23-40; 21:27-36) is ook herhaaldelijk sprake van dergelijke tumulten. Na Claudius’ dood in 54 keerden velen langzamerhand terug, onder wie ook Aquila en Priscilla (15:3). Overigens bestond de christelijke gemeente van Rome wel vooral uit vroegere heidenen (1:5-6,13; 11:13; 15:15-16), zij het, dat deze zeer dikwijls eerst een tijd deel hadden uitgemaakt van deze zgn. kringen der godvrezenden dwz. heidenen met een levendige interesse voor het joodse geloof, zonder echter geheel daartoe over te gaan. Ze waren dus geen besneden proselieten, maar wel belangstellenden geweest. En met name na het edict van Claudius zullen zich nog meer van deze godvrezenden hebben aangesloten bij de christelijke gemeente. Het was in dergelijke kringen nu, dat de problemen van Rom. 14 en 15 ontstonden of bestonden over eten en drinken en feestdagen, misschien nog wel aangescherpt door het terugkeren van vele Joden na de dood van Claudius. Het was trouwens niet een probleem van Rome alleen en ook niet alleen daar waar de gemeente bestond uit christenen van joodse en heidense komaf. Het speelde ook bij de Galaten, in Korinthe en in Kolos-se. Het is in feite een algemeen en tijdloos probleem. Het heeft alles te maken met het leven van de christen in deze wereld met de overgang van algemene wettische religie in persoonlijk geestelijk geloof, het probleem van de saecu-larisatie, van de mondig geworden mens. Omdat de toon van Paulus hier verschilt van die in de brief aan de Galaten, denken we, dat de apostel doelt op binnenkerkelijke, plurale, oplosbare problemen, en niet op een concreet en onverdraaglijk judaïsme. Christenen verschillen nu eenmaal altijd van mening over wat de uiterlijke vorm van hun christelijk geloof moet zijn in deze wereld en over wat nu werkelijk wereldgelijkvormigheid heten mag. Het is ook dat, wat in Mar. 7:18-23 speelt, en de apostel zal straks zeggen: Alwat niet uit gelóóf is, is zonde (14:23). Ook als Paulus hieromtrent geen al te concrete berichten uit Rome heeft gehad, had hij er toch veilig over kunnen schrijven. Het zijn voorspelbare problemen.
Inhoud en opbouw van de brief
Het antwoord, dat de gemeente in Rom. 14:1-15:13 ontvangt op het probleem van verschil van inzicht over het christelijk leven gaat verre uit boven het niveau van de gemiddelde discussie. Evenals in 1 Kor. 13 wijst de apostel hier op een weg, die veel verder omhoog voert. In Rom. 14 is het geloof geen eigen bezit, maar binding aan de Here. Hem dient men in alles wat men doet of laat. In hst. 12 en 13 wordt datzelfde bedoeld met de liefde en het offer. En deze komen voort en zijn antwoord op de hen bewezen barmhartigheden Gods (12:1), en daarmee wordt in wezen heel hst. 1-11 samengevat. De bewezen barmhartigheid van God moet de gestalte aannemen van de ervaren barmhartigheid van God, en de liefde Gods moet haar voortzetting vinden in de onderlinge liefde der mensen (vgl. ook 5:5). In hst. 1-11 heette de barmhartigheid van God de gerechtigheid Gods. Daarmee heeftGod zichzelf en de mens recht gedaan (3:21-26), en ook de wezenlijke eenheid geschapen van alle mensen (3:2730). Deze ene gemeente, de ene kerk, de universaliteit van het heil tegenover de verlorenheid van allen, Jood en Griek, is het antwoord op niveau van de apostel (vgl. ook Mat. 18:21-35 en heel de brief aan Efeze). Dan besteedt de apostel er alle moeite aan uit het Oude Testament te bewijzen, dat er bij God, om met Jakobus (1:17) te spreken, geen verandering is of zweem van ommekeer: Het is wezenlijk nooit anders geweest. Het nieuwe ligt in het verlengde van het oude. God is dezelfde. Ook het geloof. Telkens weer fundeert en legitimeert de apostel zijn boodschap en visie door het Oude Testament, hetzij in zijn geheel of via citaten, uit te leggen en aan te wenden. En hij doet dat alles om het de mensen onmogelijk te maken uit te wijken of nog scherper, om het in zijn eigen woorden te zeggen, ongehoorzaam te zijn.
De opbouw van de brief is als volgt: Na een inleiding formuleert de apostel de kern van zijn boodschap in 1:1617. Daarna beschrijft hij het oordeel van God over de algemene zondigheid der mensen: 1:18 – 3:20. In 3:21-30 geeft hij de laatste reactie Gods daarop weer, teruggrijpend op 1:17. Dan volgt 3:31, een vers dat formeel de spil van de brief genoemd kan worden: Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet. De rest van de brief doet nl. grotendeels niets anders dan dit te bewijzen en uit te werken (waarbij wet de dubbele betekenis heeft van wet en Oude Testament). Rom. 4 doet dat wat het geloof betreft: Het ging altijd al om het geloof. In Rom. 5:1-11 werkt de apostel het begrip rechtvaardiging voorlopig (zie 8:18-39) uit, om.in 5:12-21 de zekerheid en de legitimiteit daarvan vast te stellen, en wel aan de hand van de negatieve zin van de Adamsbedeling (vgl. 1 Kor. 15:22). In Rom. 6 wordt betoogd, dat aan de objectieve rechtvaardiging ook een even reëel en existentieel geloof en geloofsleven moet beantwoorden, wil het geloof geen irreëel reciteren van slagzinnen zijn. Anders is het verwijt van joodse zijde (3:8) terecht. Rom. 7 betoogt het onherroepelijke van de objectieve verandering en licht vanaf vs 7 toe, waaruit het oude leven in de oude bedeling in feite bestond, dat men nu achter zich heeft gelaten en daarom laten moet. Rom. 8 vat dan de positieve beschrijving van de rechtvaardiging van 5:1-11 weer op, en karakteriseert dat nieuwe leven dan (weer) als een leven uit en naar de Geest. Zoals Rom. 7 het Oude Testament in zeker opzicht samenvat, geeft Rom. 8 het wezen en het leven weer van het Nieuwe Testament, waarbij de laatste verzen het einde der tijden beroeren. Haast onvermijdelijk (gezien Rom. 2) volgt het beroemde Rom. 9-11, waarin al het voorgaande nog eens concreet wordt toegepast op en geïllustreerd aan de geschiedenis van Israel.
Hiermee hebben wij gekozen voor een indeling aan de hand van een vooral historisch georiënteerde exegese. Het wordt ook wel eens anders gedaan, maar dan valt Rom. 9-11 eigenlijk maar moeilijk te plaatsen. Men krijgt in dat geval na het thema een hoofddeel 1:18 – 5:21 over de rechtvaardiging van de goddeloze of de bevrijding van de schuld der zonde en een hoofddeel 6:1-8:39 over de heiliging of de bevrijding van de macht der zonde. Rom. 9-11 vormt dan een soort uitweiding of excurs. Rom. 12-15:13 geeft aan, dat en hoe de gemeente nu dedaden Gods moet voortzetten, een vervolg moet geven in haar leven in deze wereld. Rom. 15:14 – 16:27 besluiten de brief met persoonlijke mededelingen, groeten e.d. Na dit alles kan nu ook iets naders gezegd worden over Paulus’ bedoelingen met de brief van de gemeente van Rome. Hij had er geen boodschap en toch had hij wat te geven. Zijn evangelie is ditmaal een kerk-brief. Ter gelegenheid van de verplaatsing van zijn werkterrein van het oosten naar het westen formuleert hij abstract-afsluitend en concreet vooruitziend een theologisch evangelie, waardoor hij de oecumenische veelheid van de misschien wel veertien huisgemeenten van Rome hoopte samen te smeden en deze kerk in deze wereldstad dan te gebruiken als uitvalsbasis voor het verdere zendingswerk en de formatie van een wereldkerk, die hem krachtens Gods gave en opdracht voor ogen stond. Zo zou hij toch enige vrucht onder hen hebben en toch niet tegen zijn eer en principe ingaan van slechts daar te werken, waar Christus nog niet bekend was. Het zijn vooral dan ook de theologische implicaties en consequenties van Christus en zijn werk, die de apostel hier uiteenzet nl. de ene universele kerk, vgl. Heb. 6:1, en hij, Paulus, is instrument Gods om heel de wereld aan Zijn voeten te leggen (1:815; 15:14-33). Men kan het ook zo zeggen: Zoals Luc. 2 tegenover de keizer, die de hele wereld onder beslag wil hebben, Jezus als Here zet, stelt Paulus in de brief aan de Romeinen, de stad van de keizer en centrum der wereld, als thema (1:16-17) centraal, dat God aan het einde der dagen en dus definitief (di. met een vreemd woord: eschatologisch) de boodschap doet uitgaan van de verschijning (3:21-26) van zijn koningsgerechtigheid, door welk machtsvertoon (6:13) Hij de hele wereld weer aan Zich wil onderwerpen (10:3), en de apostel is de gevolmachtigde gezant, die alle volken moet brengen tot de beoogde geloofsgehoorzaamheid (15:16,18). Het gaat er dus voor de gemeente van Rome om te weten, dat de dagen van het ene Koninkrijk Gods zijn aangebroken en dat zij onderdaan moeten willen zijn van de ene Here. De implicatie van Christus is herstel van het koningschap Gods (14:17), is eensgezinde onderwerping (14:11). Christus is dus manifestatie van God als koning. Het is niet onmogelijk, dat Paulus daarom juist in de brief aan de christenen van Rome als keizerlijk centrum de gerechtigheid Gods di. het koningschap Gods als thema heeft genomen.
Wat de eenheid van de brief tenslotte betreft: Er zijn geleerden, die oa. uit het grote aantal groeten van de apostel aan mensen in een hem onbekende gemeente en uit de viermaal herhaalde zegenbede (15:33; 16:16,20,24) concluderen, dat Rom. 16 oorspronkelijk niet tot de brief behoord heeft, maar ooit bv. deel uitmaakte van een duplicaatbrief naar Efeze. Hun gelijk ligt in de inderdaad wat onzekere en gevarieerde overlevering van de tekst, maar hun conclusie is onbewijsbaar, en de zaak is voor de uitleg van de brief niet van belang.
Indeling van het boek
Inleiding op de brief 1:1-17
Alle mensen zondaars 1:18-3:20
Het oordeel Gods over de Joden 2:1 – 3:20
Hoe rechtvaardiging tot stand komt 3:21-31
Geloofsgerechtigheid van Abraham 4:1-25
Onze geloofsgerechtigheid 5:1-21
De twee rijken in de praktijk 6:1-23
Principieel betoog over de wet 7:1-25
De bedeling van de Geest 8:1-39
Israel, de oudste 9:10 – 11:36
Christendom in de praktijk 12:1-15:13
Slot van de brief 15:14 – 16:27
VERKLARING
Inleiding op de brief 1:1-17
Adressering 1:1-7
De aanhef is anders en langer dan in andere brieven. Omdat de apostel voor de gemeente een onbekende is, stelt hij zich voor als een dienaar (eretitel) van de Christus (messiaanse titel) Jezus en als een geroepen apostel, dat is een gevolmachtigde, uitverkoren ten dienste van de evangelieverkondiging Gods. Bedoeld is (vgl. ook de Inleiding), dat de apostel ahw. fungeert als een veldheer, die de hele wereld voor God winnen moet en aan Hem onderwerpen. Evangelie kan een politieke term zijn en de heerschappij proklameren van een nieuwe keizer. Daaraan beantwoordt dan de gehoorzaamheid der onderdanen, in dit geval geloofsgehoorzaamheid, en wel aan de Naam (vgl. Mat. 28:18-20), waarmee de naam Here (vgl. Filp. 2:9-11) bedoeld is. Het koningschap Gods bestaat concreet – in de lijn van Ps. 2 en 110 – uit dat van Zijn Zoon, die, uit het geslacht van David zijnde, naderhand metterdaad tot Zone-Gods-bekleed-met-macht is aangesteld en dat op grond van de opstanding uit de doden, de verhoging, waaruit Gods waarderend oordeel sprak over het werk, di. het kruis van de Zoon. Hij is nu gezeten aan Gods rechterhand. Dit lag in de lijn en het verlengde van wat de Heilige Geest, die in de eindtijd heiligend optreedt en ingrijpt (vgl. Mat. 1:18 en Luc. 1:35), bij de doop in de Jordaan al ingeluid had. En zo is Jezus Christus onze Heer geworden (vgl. Filp. 2:9-11). In vs 3a is Zoon van God iets wat van eeuwigheid is. In vs 4 is het een titel, zoals in het Oude Testament wel gebruikelijk van een koning. Het is door Christus, dat Paulusontvangen heeft het apostelschap en de genadekracht daartoe (vgl. 1 Kor. 15:10; 2 Kor. 12:9), met het daaruit uiteraard voortvloeiende effect. Vs 2 bevat een legitimatie. In vss 6-7 valt op, dat niet gesproken wordt van een gemeente, maar dat de ‘losse’ gelovigen (der diverse huisgemeenten) als geroepen heiligen te Rome worden aangesproken en gegroet (vgl. de Inleiding). De christelijke groet is een variatie op het joodse Barmhartigheid en vrede zij met U vgl. Gal. 6:16. Hoofdgedachte van deze perikoop is toch wel die van Christus Imperator. Daaraan ontleent de apostel zijn recht.
Dankzegging en opzet van Paulus 1:8-15
Naar algemene gewoonte opent de apostel zijn brief met een dankzegging en wel, zoals ook in zijn andere brieven, voor de geestelijke welstand van de gemeente. Daarover wordt overal gesproken. Letterlijk staat er, dat deze verkondigd wordt (vgl. SV). Het geloof van de gemeente in de wereldstad Rome is voor de hele wereld een teken aan de wand. Paulus wil hen daarom gaarne bezoeken. Maar als hij dat onder woorden brengt, drukt hij zich ietwat aarzelend uit. Als heidenapostel is hij hier allerminst bescheiden, doch persoonlijk wat terughoudend (vs 12). Overigens moet men deze verzen naast 15:14-33 leggen, vgl. ook de Inleiding.
Het thema van de brief 1:16-17
Het thema van de brief hangt samen met de situatie (vgl. de Inleiding). Paulus is in dienst van de ene God als wereldapostel, die uit naam van die God en ten behoeve van zijn Zoon het evangelie, de proklamatie komt brengen, dat deze God Koning (5:12-21) geworden is, want dat betekent de verkondiging van de gerechtigheid Gods, en uiteraard gaat deze alle mensen aan, dwz. ieder die het maar horen wil, ieder die zich dat maar wil laten welgevallen, di. ieder die gelooft. Elders (3:21) wordt dan gezegd, dat al van die gerechtigheid getuigd was door wet en profeten, en hier dan, van het effect ervan, dat er al geschreven was van de rechtvaardige, die uit geloof leven zal. Het thema is dus de openbaring, di. de komst van de koningsheerschappij van God, welke dan nader specifiek inhoudt, dat de mens daarvan leven moet. Gods gerechtigheid maakt rechtvaardig, herstelt de verhoudingen. De Godsgerechtigheid is een begrip, dat thuis hoort in de verbondssituatie. Het is Gods aandeel en toezegging in het verbond, Gods verplichting, en deze is naar de maat van God. God heet rechtvaardig wanneer Hij Zich houdt aan de beloofde verplichtingen, wanneer Hij voldoet aan wat van Hem verwacht mag worden. Heel de brief legt dan uit, waaruit het specifieke van Gods koningschap, heerschappij, dat Koninkrijk Gods (4:17) bestaat. Toch moet er alvast naar aanleiding van de bewoordingen van de tekst wat van gezegd worden. Als de apostel zegt, dat hij zich het evangelie (van deze koning) niet schaamt, betekent dat het een waarheid en een koningschap betreft, dat men belijden moet en loochenen kan. Men moet hierbij mn. denken aan 1 Kor. 1:18 – 2:5; 2 Tim. 1:8 en Mar. 8:38. Als het dan een kracht Gods genoemd wordt, een term ook gebruikelijk voor wonderen, geeft dat de eigenaardigheid aan van het wonder der prediking (vgl. 1 Kor. 2:4-5). Het is tot behoud, wat alles zegt over hoe de verhouding tussen God en mens in het verbond geworden was. Als er dan staat dat het is voor ieder die gelooft, sluit dat automatisme uit en verantwoordelijkheid in, maar ontkent dat, dat er enig onderscheid tussen de mensen is. Geloof en genade zijn vaak synoniem, en in Gal. 3:25 kan heel het heil aangeduid met de omschrijving: Nu het geloof gekomen is. Dit evangelie werkt egaliserend en unificerend (3:27-30). God stelt geen voorwaarden. Er zijn geen voor-waarden. Men is hooguit te goed, te wijs, teveel individu. De tegenstelling Jood-Griek is een andere dan die tussen Grieken en niet-Grieken (vs 14). In het eerste geval staat de joodse religie tegenover de griekse filosofie, in het andere de cultureel beschaafde tegenover de barbaar. In vs 17 wordt dan gezegd, dat de inhoud van het evangelie uit Gods gerechtigheid, dus ook uit Gods rechten bestaat, maar omgekeerd ook, dat Gods koningschap een zaak van evangelieverkondiging, van woorden is. Zo staat er ook bij het uit geloof tot geloof. Het best kan men dat uit geloof bijvoeglijk bij gerechtigheid Gods nemen, die daarmee omschreven wordt als een geestelijke zaak, een zaak van genade: de geloofs-gerechtigheid is ertoe bestemd, is van dien aard, dat zij die om geloof vräagttot geloof Is: men moet haar, de genade metterdaad in geloof aanvaarden. Ze (de genade) is dus a priori op geloof aangelegd en vraagt daar dan in de praktijk van verkondiging en leven ook om. Bij de term openbaren kan men denken aan het laatste bijbelboek Openbaring, waarin de dingen van God uit de hemel naar de aarde komen (vgl. Gal. 3:23). In 3:21 wordt dat zonder meer zo gesteld, terwijl hier in 1:17 de evangelieverkondiging genoemd wordt als de instantie die metterdaad de Godsgerechtigheid onthult. Daarmee is het evangelie ook een apokalyptische instantie, di. een verschijning uit en van de eindtijd (vgl. Op. 14:6-7). Openbaren betekent dan zoveel als: komen, verschijnen, en wel uit de hemel op de aarde, waardoor Gods raad verwerkelijkt, gerealiseerd wordt (vgl. Rom. 16:25-26; Ef. 3:9; 1 Petr. 1:20). Het citaat uit Habakuk belooft de komst van deze rechtvaardige, waarmee de prediking van de apostel tevens gelegitimeerd wordt. Gezegd is dus, dat de gerechtigheid Gods mensen rechtvaardig maakt, rechtvaardige mensen schept en ook, dat alleen de gelovige rechtvaardig is. Dan zijn dus de beide ver-bondspartners weer rechtvaardig (geworden), vgl. straks 3:21-26.
Alle mensen zondaars 1:18-3:20
De schuld der heidenen en hun straf 1:18-32
Men kan de betekenis van deze verzen, ja van heel 1:183:20 pas onderkennen, als men ziet, dat het evangelie niet alleen voorafgaat (1:17), maar ook volgt (3:21). Evangelie en gericht bestaan niet naast elkaar, maar in elkaar. Zo wordt de wereld geschilderd, waarin het evangelie komt. Maar ook de noodzaak van het evangelie ontvangt haar belichting. Er is geen ander alternatief. Maar ook ontvangen schuld en verlorenheid der wereld hun belichting. De apostel ziet de wereld door Gods ogen. Het is God, die door het evangelie de eindtijd aangeeft en inluidt. Zowel evangelie als de maat der zonde (vgl. Gen. 15:16) zijn apokalyptische grootheden. De tijden van het boek Openbaring zijn aangebroken. Aan de tijd van het evangelie onderkent de apostel de tijd der wereld, hoe laat het in de wereld is. Het een is de thermometer en keerzijde voor de ander. Zowel gerechtigheid als toorn komen uit de hemel. Het is de apostel, die beiden verkondigt. En hij verkondigt Gods gerechtigheid, omdat (want zegt vs 18) deze zelfde God van oordeel is, dat deze wereld dood is in zonden en misdaden (vgl. Ef. 2:1), zoals elders (Gal. 3:22) staat dat de Schrift (di. eigenlijk God) alles besloten (ingesloten) heeft onder (in) de zonde, opdat…, een gedachte, die in Rom. 5:12-21 en 11:32 terugkeert. De doemwaardigheid van alle mensen is echter niet iets dat via een oordeel mechanisch over hen wordt uitgesproken en voltrokken. Neen, Gods strafbestaat hier uit de toestand, waarin ze zichzelf hebben gemanoevreerd. Hun toestand is hun straf. God heeft hen overgegeven, een positieve verlating, de polaire tegenstelling van de bijbelse zegen, waarin God met de mens is, deze ook (in) zijn verantwoordelijkheid latend. Gods toorn is hier dus niet het eindgericht in chronologische zin (vgl. 2:5), maar kwalificeert wel hun toestand als rijp voor het oordeel. Men is aan de grens. Als het aan de wet lag…! Zo is dus vs 18 nauw betrokken op vs 17. En straks volgt op het laatste vers 3:20 dat vs 21: Thans is echter…! Het verband tussen vs 17 en vs 18 wordt duidelijk bv. aan Gal. 2:21: God zou nooit Christus en het geloof hebben doen komen, als heel de wereld zonder uitzondering in Gods oordeel niet definitief rijp was voor Gods gericht. Het is God, die aldus de maat der zonden vol laat worden om… (vgl. Gal. 3:19, Rom. 3:20; 5:20). Vss 18-23 handelen over de schuld der heidenen. Van de mens wordt hier gezegd, dat hij besef heeft van eigen positie, van de aanspraken van God, di. van de waarheid, maar deze niet wil erkennen (goddeloosheid) en dat in zijn levenswandel (ongerechtigheid) tot uitdrukking brengt. De belangen en rechten Gods worden onderdrukt door eigene. Omdat de mens dit willens en wetens doet (vgl. 2:15), is hij niet te verontschuldigen. Anderzijds is hij met die keus ook zijn oordeelskracht kwijt geraakt en beland in duisternis en dwaasheid. Het toppunt van alles is, dat ze, hoewel ze uit de schepping wisten, dat ze maar mensen waren, God de Schepper afgezet hebben en vervangen door eigen opvattingen (beelden) van de schepping, die daarmee schepping-af is geworden en verworden tot natuur, wereld, kosmos of wat men maar wil. Waar loopt dat op uit? En zonde is geen theorie! Vanaf vs 24 worden de praktische gevolgen geschilderd. Driemaal staat er, dat God hen overgaf (aan), hen verliet. In vss 24-27 noemt de apostel als symptoom daarvan de ho-mosexuele praktijken. Wie God verliest houdt niet de schepping en zichzelf over, maar verliest zelfs de natuur. Men is alle stuur kwijt en in een (mn. sexuele) chaos beland. Aan het vervangen, verwisselen komt geen eind. De apostel vat een moment homosexualiteit op als manifestatie bij uitstek van het wezen van alle heidendom. Maar het gaat de apostel niet om de homosexualiteit, maar om het heidendom, om de degeneratie van deze chaotische, losgeslagen, van alle remmingen ontdane mens. In joodse ogen belichtte de kleinere dwaasheid (Ri. 19:23v; 20:6) de grotere. De apostel beschouwt hier homosexuele praktijken eigenlijk als een soort tegen-cul-tus, orgiastische cultus, waarin de mens zijn geperverteerde afgodendienst beleeft, en dat als vrije keus, als levensontwerp. De apostel wil tot uitdrukking brengen, dat het meest onnatuurlijke, dat hij op dat moment bedenken kan, symptoom is van de verwordenheid van deze mens. Het gekste is hem nog niet gek genoeg, en het leven een pervers spel zonder grenzen. In vss 28-32 schildert de apostel nog een aantal verwerpelijke eigenschappen en ondeugden, die de keerzijde vormen van het verwerpelijk achten van God. Op zich had homosexualiteit gewoon in de rij kunnen staan. Beschouwde de apostel homosexualiteit als karakteristieker voor het heidendom of raken sexuele handelingen en relaties de mens het meest (1 Kor. 6:18) of ging het hem om de demonstratie van de term vervangen!
Het oordeel Gods over de Joden 2:1 – 3:20
Gods onpartijdig oordeel 2:1-11
Na slechte mensen komen de goede mensen aan de beurt. De wereld is altijd verdeeld in goede en slechte mensen. De goede mensen breken altijd de staf over de slechte mensen. Er is ook verschil. Maar van de ‘goede’ mens wordt meer gevraagd (Mat. 6:12!). Zelfkennis! En de goede mens vergeet zo licht de regel van Mat. 7:1-6 en Jak. 2:10. De goede mensen zijn in dit historische geval de Joden. Dezen plaatsten zich vaak verre boven de heidenen, maar deden, vgl. ook teksten als Mat. 5:28, in principe dezelfde of dergelijke dingen. Maar God oordeelt onpartijdig en zakelijk. Vs 4-5 heeft een parallel in Luc. 13:1-9 (vgl. ook Amos 5:18-20; 6:1). De Joden dachten vaak bij God werkelijk een streepje voor te hebben als verbondsvolk.
God oordeelt zakelijk en kan dat ook, want er is geen onderscheid 2:12-16
De apostel gaat ervan uit dat alle mensen zondaars zijn en geoordeeld zullen worden. Daarbij heeft de een gezondigd onder de wet, de ander zonder de wet van Mozes te kennen. Maar ook dat laatste verandert de situatie niet, want alle mensen hebben zedelijke beseffen (vgl. 1: 20), aan de hand waarvan, zo is de bedoeling van de apostel, ze verantwoordelijk zijn. Het geweten is een getuige van God, is de plaats, waar Gods wil zich in de mens manifesteert. Dit wil niet zeggen, dat de apostel hier de mogelijkheid onderstelt van een natuurlijke godsdienst en de natuurlijke goedheid van de mens en van een mogelijke zaligheid buiten Christus om. Hier is niet bedoeld, wat in Jer. 31:31-34 staat en het gaat hier niet over de heiden-christenen. Er staat alleen, dat de daders der wet rechtvaardig zijn en dat elk mens of de wet of wets-besef heeft en dus toerekeningsvatbaar is. Mensen weten dat van zichzelf. En op de jongste dag komt dat alles eens onmiskenbaar aan het licht. Alleen God weet (1 Kor. 4:5), wie de mens werkelijk was en is. Vs 16 is algemeen geformuleerd en met de term het in de mensen verborgene wordt met name op Joden (vgl. vs 29) gedoeld, want schijn bedriegt. Maar in vs 16 schuilt nog een andere suggestie. Waar naar de wet geoordeeld wordt, wordt veroordeeld. Waar naar het evangelie geoordeeld wordt, wordt vrijgesproken. Paulus spant zich in heel de wereld met het evangelie te bereiken. De suggestie van vs 16 is, dat eigenlijk alleen de mens van 8:1-2 niet veroordeeld worden zal. Dit is voor de mensen een reden om het evangelie te geloven. Zo lopen twee gedachten dooreen: vs 15 (vgl. vs 10) en Jer. 31:31-34. Door het evangelie verandert het gericht. Maar heeft het evangelie ooit eens alle mensen bereikt? Zijn er twee soorten van gericht? Hier ligt een probleem en een motief tot haast. Het probleem is Gods zaak. De haast is voor Paulus.
De aanklacht tegen de Joden 2:17-29
Nog scherper dan in het voorafgaande klaagt de apostel hier zijn volksgenoten aan, wier voorrechten en pretenties niet in overeenstemming zijn met hun levenspraktijk. Met name beschouwden de Joden zichzelf als leidslieden voor blinde heidenen en als opvoeders van hen, die als proselieten (bekeerlingen) aansluiting zochten aan het jodendom. Wat met tempelroof (vs 22) bedoeld is, is niet geheel duidelijk. Misschien gaat het de kant op van het geld stinkt niet, en was het de Jood soms onverschillig waaraan hij geld verdiende. Sommigen denken aan heling van gestolen tempelgoed. De apostel drukt zich in deze verzen wel algemeen en radikaal uit. Ook de rabbijnen wisten wel, dat niet alles goud was, wat er blonk. Maar de apostel heeft een ander oogmerk dan de rabbijnen. Dezen drongen aan op betere wetsonderhouding, terwijl Paulus het erom gaat een principieel andere weg te wijzen. Hetzelfde betoogt de apostel in vss 25-29, maar dan nu aan de hand van het besneden zijn. De besnijdenis is maar een teken en heeft geen kracht tot behoud in zichzelf. Reeds in het O.T. wordt besnijdenis des harten geëist (Deut. 10:16). Het gaat om de realiteit van de levensopenbaring en wat heeft de Jood in te brengen als daar soms onbesneden heidenen zijn die Joden beschaamd maken in het doen van wat de wet vraagt? Precies datzelfde wordt bedoeld in vss 28-29, waar de tegenstelling bestaat uit schijn enerzijds en realiteit anderzijds. Hier wordt dus niet het innerlijke tegenover het uitwendige gesteld, maar gezegd, dat men niet maar wat moet hebben en heten om Jood, om volk van God te wezen, maar dat men persoonlijk iets moet zijn, en wel een nieuw, een ander, een geestelijk mens. Het Jood zijn is maar niet een zaak van de buitenkant en ook eigenlijk niet iets wat mensen aan de hand van letters, van voorschriften kunnen bewerkstelligen. De apostel stelt letter en Geest tegenover elkaar en ook (de lof van) mensen en (de lof van) God. Hij sluit zich hiermee aan bij de profetische traditie en het profetische inzicht (Jer. 31:31-34) en verlaat hiermee de grenzen van het O.T., en confronteert de oude met de nieuwe bedeling, de werkelijkheid met de belofte. De mens wiens heil enkel van God, van Gods Geest komt, en wie dat weet en belijdt, neemt ook een onafhankelijke positie in onder zijn medemensen en is niet gebonden aan hun oordeel. Hij zal ook vrijer staan tov. zichzelf en kritischer, vgl. 1 Kor. 4:5. Maar eigenlijk zijn de twee niveaus, letter en Geest, niet te vergelijken, vgl. Gal. 4:21-31. Het is geen verschil in graad, maar het betreft een fundamenteel andere instelling, die niet eens onder woorden gebracht kan worden in menselijke categorieën als vrij en kritisch, vgl. 1 Kor. 2:6-16. Het is een verschil als tussen hemel en aarde. Maar wij moeten nu eenmaal het hemelse en wonderlijke in aardse termen aangeven, vgl. Joh. 3:3-10.
Joodse tegenwerpingen beantwoord 3:1-20
Het nu volgende betoog is niet zo gemakkelijk te volgen. Duidelijk is, dat vs 9 de vraagstelling van vs 1 weer opneemt. Dat wijst erop, dat de vraag nog niet voldoende beantwoord was. En dat komt daarvan, dat Paulus in vs 4 uitweidt en zakelijk vooruitgrijpt op wat later (hstt. 5,7,9-11) uitvoerig aan de orde komt. De vraag van vs 1 is die naar de positie van de Joden. Zij hebben, vs 2, voorrechten, de plaats van de oudste zoon (Luc. 15). Hun zijn Gods woorden, beloften toevertrouwd. Zij zijn Gods vertrouwden. God blijft de Vader. Want wat, vs 3, is het geval? Zelfs ontrouw van hun kant doet Gods trouw niet teniet. Integendeel, zegt vs 4. En hier steekt de apostel af naar de diepte en geeft hij alvast een kleine, materiële, heilshistorische excurs. Want Gods waarachtigheid, dat is materieel zijn trouw – zo is Hij! – moet (heilshistorisch) openbaar worden. Door menselijke ontrouw profileert zich juist God in zijn trouw, in zijn God-zijn. In die zin moet de mens ook leugenachtig en onbetrouwbaar blijken, als donkere achtergrond. En zo staat het ook geschreven: Gods woorden (vs 2 en vs 4) komen uit, werden waar gemaakt. Men moet achteraf God gelijk geven. Hij komt gerechtvaardigd uit elk rechtsgeding. Tegen zijn oordelen valt niets in te brengen. En men moet eigen ongelijk en schuld bekennen en God de ere geven. De apostel doelt bij dit alles wezenlijk op wat in Christus’ kruis openbaar werd: Daar werd God gerechtvaardigd in zijn woorden di. daar bleek God zijn woorden mn. zijn beloften na te komen. Men moet deze God voor rechtvaardig verklaren. En daar oordeelde Hij de zonde en bleek overwinnaar. Men moet Hem daarom loven.
Maar, vs 5, nu mag de mens, die van zijn kant onbedoeld bijdroeg aan Gods trouw, waarachtigheid, gerechtigheid en ere, niet zeggen, dat nu God in zijn toom onbillijk is. Moge God deze betoogtrant vergeven, voegt de apostel eraan toe. Uiteraard, vs 6, is God wereldrechter. Vs 7 herhaalt toegespitst de tegenwerping van vs 5: als wij bijdragen, door onze ontrouw en onbestendigheid aan de openbaring van Gods waarachtigheid en trouw, en dus aan Gods lof, hoe kan ik dan nog om mijn zonde veroordeeld worden? In vs 8 distantieert de apostel zich dan van de aantijging, dat het de christelijke leer zou zijn dat het doel aldus de middelen zou heiligen. Het slot van vs 8 is eigenlijk een vervloeking. Wat de apostel bedoelt is, dat dät pas zonde is, als men zich aldus uitlaat over zijn evangelie, over de Geest. In 6:1,15 komt Paulus hierop terug. Na deze uitweiding komt de apostel in 9 weer terug op de vraag van vs 1. Maar nu is, na het voorafgaande, de teneur een andere. Het voorafgaande stelde, dat er een voorrecht gelegen lag in Gods beloften en in Gods trouw. Maar vs 9 stelt dan de vraag, of Joden op grond van hun Jood-zijn absoluut voorgetrokken zullen worden, wat neerkomt op een niet werkelijk onder het oordeel vallen. En het antwoord (9-20) is een radicaal neen. De apostel had al, zegt vs 9, betoogd, dat Jood en Griek beide onder de zonde als in een gevangenis (vgl. Gal. 3: 22) zijn. Hij heeft het hier over de zonde in het enkelvoud, waarmee hij de zonde als macht, als heer bedoelt, als een sfeer, een koninkrijk, waaraan Christus een einde heeft gemaakt (vgl. 6:16,17,20). Dat is karakteristiek voor Paulus, die de term bijna nooit in het meervoud gebruikt. Daarna (10-18) bewijst hij dat aan de hand van een samengesteld citaat uit de psalmen en Jes. 59. Het is haast een klaaglied, waarin misschien al wel (vss 13-14) de haat van de Joden tegen de jonge, christelijke tak verdisconteerd is (vgl. ook vs 5 en vss 7-8). En vs 19 zegt dat bij deze citaten hier nu juist de Joden eens goed naar hun eigen wet moeten luisteren, wanneer die alle mensen en dus juist ook hen, de bezitters en lezers van de wet veroordeelt (vgl. Joh. 5:45-46). Van de apostel immers willen ze het niet aannemen. Met vs 20 voegt de apostel daaraan een eigen oordeel toe over de wet. Dat staat ook in Filp. 3:8, en in Rom. 7:7-25 komt hij erop terug. Maar hier in 3:20 staat dan alvast, dat geen vlees, di. geen zondig mens ooit door de wet behouden zal worden. Want de wet brengt in die situatie alleen maar zonden aan dedag di. bevordert zondigen, prikkelt tot zondigen. En dat in tweeërlei opzicht. De wet lokt uit tot gewone overtredingen. De wet provoceert er ook mensen, vrome mensen toe om de wet te gebruiken als heilsweg. Het kennen wat hier staat is dus niet maar verstandelijk. Bedoeld is, dat de wet de ware aard van de mensen openbaart. In de wet is aldus geen enkel heil meer gelegen. Dit vers wordt nog vaak misverstaan.
Hoe rechtvaardiging tot stand komt 3:21-31
Ging het in 1:16-17 om de tegenwoordige onthulling van de gerechtigheid Gods in de prediking en werd daarna de noodzakelijkheid beschreven van het evangelie, dan wordt nu de historische komst van Gods gerechtigheid zelf aangegeven, waarbij voor openbaren ook een ander woord gebruikt wordt (verschijnen), dat overigens in zwang is voor heerlijke verschijningen van God en van Godswege. In vs 21 is sprake van een nieuwe tijd, thans, waarin buiten de wet, die naar vs 20 geen gerechtigheid vermag te geven, Gods gerechtigheid verschenen is, waarbij te denken valt aan Jezus Christus in zijn betekenis, vgl. Tit. 3:4-7, betuigd, beloofd en gewaarborgd door de wet en de profeten, waarbij mn. te denken is aan Ps. 72, 85, 96 en Jes. 40-66. Is deze gerechtigheid nu een gave Gods of een macht Gods of een eigenschap Gods, -een zaak waar veel kwestie over is – dan blijkt uit de volgende vss, en mn. uit vs 26c, dat het een eigenschap Gods is en daarna een handeling, een machtige handeling (hier en in vs 24 wordt het werkwoord gebruikt), terwijl het gevolg ervan is, dat de mens gerechtvaardigd wordt, di. weer in de rechte verbondsverhouding met God wordt her-steld, waarvoor elders, bv. Filp. 3:9, deze gerechtigheid als gave wordt omschreven, vgl. ook 2 Kor. 5:21, terwijl in Rom. 9:30 en 10:3-4 het woordgebruik weer ietwat varieert. Dat heeft ook daarmee te maken, dat de gerechtigheid die anderen in de wet zochten, die nagestreefde statische gerechtigheid als eigenschap des mensen, in werkelijkheid aan de mensen veel dynamischer en relationeler en levender van Godswege gewordt. De mens ontvangt haar, maar ze blijft tevens van God. De mens heeft haar, maar ze blijft tegelijk een macht van God, Godzelf in zijn macht, die men moet dienen (Rom. 6) of aan wie men zich moet onderwerpen (Rom. 10:4). Vs 22 zegt dan, dat deze gerechtigheid aangelegd is op geloof, om in geloof in Christus te worden aangenomen en dan ook praktisch bestemd is voor allen die maar geloven, want, zoals in de vorige hoofdstukken al betoogd, van alle mensen geldt dat ze zondaren (23) zijn met alle ellende vandien, men derft nl. de hemelse heerlijkheid. In vs 24 is Gods genade een parallel van Gods rechtvaardigende gerechtigheid, en dat weer door de loskoping, bevrijding in Christus. In vs 25 wordt Christus dan nader zoenmiddel of zoendeksel genoemd, waarbij het duidelijk is, dat het daarbij gaat om zijn bloed, al staat er weer uitdrukkelijk bij, als om elk automatisme tegen te gaan: door het geloof. En daarmee wordt gesuggereerd, dat de verzoening een relationele zaak is, die gave en werk van de Heilige Geest insluit. Over wat nu volgt bestaat verschil van opvatting, wat men duidelijk zien kan, wanneer men SV (vergeving) naast NBG (laten geworden) legt. Misschien is wat volgt nog het beste duidelijk te maken aan 2 Kor. 5:21. Daar staat eerst, dat Christus voor ons tot zonde gemaakt is. Datzelfde staat hier in vs 25. Om de zonden onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd werkelijk te kunnen vergeven, moest Christus tot zoenoffer worden. In zoverre is de blik van vs 25 naar achteren gericht. Er lag ahw. nog een verplichting Gods. Door Christus voorzag Hij daarin, zodat Hij nu rechtvaardig is. Dan staat in 2 Kor. 5:21: opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem. En dat nu is de inhoud van vs 26: tot een zodanige betoning van zijn gerechtigheid in de tegenwoordige tijd (vgl. vs 21), dat Hij zelf met het oog op het verleden rechtvaardig is en de God is, die rechtvaardigt wie uit het geloof in Jezus is. Dan slaat vs 25 meer op de delging der schuld en de vergeving der zonden in het verleden, maar vs 26 meer op de rechtvaardiging, di. op de vervulling van de belofte van het herstel van het verbond. Dan is ahw. vs 25 wat meer traditioneel. En de werkelijkheid van vs 26 gaat uit boven die van vs zoverre het hier meer gaat om iets als de komst van God als Koning, om het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid. Zo vormen vss 25 en 26 een parallellisme, maar dan niet in de zin van een zuivere herhaling, maar meer in de vorm van een precisering. Het Koninkrijk Gods is meer dan de vergeving der zonden. God heeft Zich tot beide verplicht, is dus bij de vervulling in tweeërlei zin rechtvaardig. Het is de moeilijkheid voor de uitlegger, dat de apostel in kort bestek aan allerlei motieven recht wil doen en zich daarbij zeer gedrongen en geladen uitdrukt.
27- deze verzen wordt nader de plaats van de mens aangegeven. Men kan het begin van vs 27 aldus omschrijven: Waar is dan nu de plaats van de mens? Deze wordt gerechtvaardigd uit geloof, of zoals Luther vs 28 vertaalde: alleen door het geloof. Als levenshouding betekent dat dat deze mens niet roemt. Alle roem is uitgesloten. Het is bij Paulus de karakteristiek van de mens, die het in de weg van de wet zoekt, dat deze mens zelfvertrouwen bezit (vgl. Filp. 3:3-7). Bij de apostel heet dat roem. Het geloof is nu het tegendeel van deze roem vgl. Jer. 9:24; 1 Kor. 1:31. Vs 29 stelt dan, dat de Joden belijden, dat er maar één God is. Hoe kan men aan deze éne, universele God ooit het recht ontzeggen om in zijn genade ook de heidenen uit zijn schepping in het heil te betrekken? Hij geeft aan de besnedene een andere oorsprong: uit geloof. Hij geeft aan de heiden een andere weg: door geloof. De éne God is per definitie niet alleen de God der Joden.
3:31. Dit vers heeft een centrale en programmatische functie in de brief. Als er één God is en God ook de God der Joden is, is het niet mogelijk, dat de wet di. dat het O.T. vervallen is. Integendeel. En in het vervolg zal de apostel telkens dan ook het O.T. dienovereenkomstig opvoeren en uitleggen.
Geloofsgerechtigheid van Abraham 4:1-25
Met dit hoofdstuk wil de apostel bewijzen dat het geloof het O.T. niet buiten spel zet (vgl. 3:31). Integendeel. Zo oud Israel is, is de verhouding met God altijd al een zaak geweest van geloof. Vs 1 is pas goed te begrijpen als mendenkt aan Gen. 18:3 waar Abraham genade gevonden heeft in Gods ogen (SV). Bedoeld is dus in vs 1 genade. De apostel wil zo in vss 2-5 zeggen, dat de gerechtigheid van Abraham genade was, en gegeven, toegerekend werd en wel in de weg van het geloof. Deze weg is tegengesteld aan die der werken. De roem die de tegenstanders van de apostel, de Joden, bezitten, was dus niet het deel van Abraham (vgl. 3:27-28). Anders dan de Joden waardeert Paulus het geloof niet als werk, maar als antwoord op Gods woord en indruk van dat woord, als reactie op Gods beloften. In die zin is er wel enig verschil met Gen. 15:6, waarop vs 3 doelt, want Gen. 15:6 kan men omschrijven als: En God waardeerde het als vroomheid. De apostel legt een eenzijdig accent. De toerekening der gerechtigheid is echter tevens wel effectief in dier voege, dat wie zo door Gods woord geraakt is, niet meer dezelfde is. In die zin schept God ook geloof. In vs 5 wordt de afhankelijkheid van Abraham eigenlijk gelijk gesteld met de afhankelijkheid, het geloof van de zondaar, de goddeloze (vgl. 1:18!), die het geheel en al van Gods genade moet hebben (vgl. ook Joh. 8:56). Dat is ook het onderwerp van de apostel. En de tweede getuige (vgl. Deut. 19:15), uit de psalmen,David, maakt dat helemaal duidelijk. In vs 6-8 bestaat de toegerekende gerechtigheid uit vergeving, bedekking en niet-toerekening der zonden. Men kan de twee zaligsprekingen hier vergelijken met het begin van de Bergrede. In beide gevallen gaat het om het ingaan in het Koninkrijk der hemelen. 9-12. Geldt deze zaligspreking, dwz. de vergeving alleen Israel, zoals de rabbijnen wel beweerden? Het antwoord is ontkennend. De joodse theologen namen zelfs aan, dat Gen. 17:10-11 29 jaar later viel dan Gen. 15:6. Abrahams gerechtigheid dateerde dus uit diens heidense (onbesneden) tijd. De besnijdenis heeft geen zelfstandige betekenis. Abraham is de vader der gelovigen, niet der besnede-nen. Er is hier sprake van de navolging van Abraham, en wel door alle mensen.
13-25. Wat in vs 11 al begon, wordt het thema van de rest van het hoofdstuk: Wat van Abraham geldt, geldt voor al zijn kinderen, geldt voor allen die geloven. De beloften aan Abraham gedaan, gelden heel de wereld (Gen. 12:3; Gal. 3:6). Men moet dus de eenheid met Abraham bewaren, door ook te geloven, zij het dan, dat wij geloven in Christus (23-25). Maar het is in wezen hetzelfde afhankelijke geloof in God, die doden levend maakt en het niet-zijnde tot aanzijn roept. En telkens weer wordt in deze vss de aard van Abrahams geloof omschreven, om toch maar duidelijk te maken, dat (vs 16) het heil anders niet universeel is, en dus onmogelijk op de wet en op de eigen gerechtigheid kan berusten. Het moet een zaak zijn van geloof en genade (belofte). Trouwens (vs 15), waar wet is, is overtreding en dus veroordeling, nog afgezien van het feit, dat de wet er toen nog niet was (vgl. Gal. 3:17-19). De hele sfeer was toen heel anders. In vs 25 wordt tenslotte nog het werk van Christus omschreven. Opmerkelijk is hier, dat de rechtvaardiging van de mens gekoppeld wordt aan de opwekking van Christus door God. Hiermee wordt aan de opstanding elke zelfstandigheid ontnomen, en wordt ze verbonden met het kruis. De opstanding is een hoofdstuk in de kruistheolo-gie. Hier betekent de opstanding zoveel als de effectiviteit van het kruis. In de lijn van Filp. 3:10-11 zal de apostel straks in Rom. 6 ook alle nadruk leggen op de eenheid van dood en opstanding, waarbij de dood eerst (vgl. ook 8:17) komt. Er komt bekering aan te pas! In elk geval is er geen sprake van een plaats voor een apart op-standingsgeloof als wondergeloof.
Onze geloofsgerechtigheid 5:1-21
Na aldus in hst. 4 de legitimiteit van het geloof te hebben bewezen aan de hand van Abraham, neemt nu de apostel de andere helft van het tweelingthema uit het slot van hst. 3 op: de rechtvaardiging. Aan het eind van hst. 4 werd al duidelijk, dat wij verschillen van Abraham. Ons geloof is nl. gericht op Christus.
5:1-11 behandelt dan de inhoud van de universele rechtvaardiging.
5:12-21 behandelt de legitimiteit van de universele rechtvaardiging, wat weer neerkomt op een uitleg van het O.T.
1-11. De gevolgen van onze rechtvaardiging bestaan uit de vrede met God. Hiermee is bedoeld verzoening di. beëindiging van de staat van oorlog, die met name van de kant van God bestond. Hij beschouwde ons als zijn vijanden. Wij hebben nu weer de vrije toegang tot God, want wij hebben weer genade gevonden in zijn ogen. Dit is de sfeer van een koninklijk hof. Ook is er sprake van roem, di. persoonlijk vertrouwen voor de toekomst en zelfvertrouwen in het heden. En tegenover de toorn, het laatste gericht, waarop met name de vrede betrekking heeft, staat de daadwerkelijke liefde Gods, gemanifesteerd in Christus’ dood. En door de uitstorting van de Heilige Geest is de wetenschap dat God liefde is voor tijd en eeuwigheid, vast verankerd in onze harten. Wij zullen eenmaal (voor Gods rechterstoel) niet beschaamd uitkomen. De eerste en laatste verzen van deze perikoop slaan met name op onze situatie in de jongste dag en corresponderen met Christus’ opstanding, terwijl, analoog aan hst. 8, de vss 3-10 betrekking hebben op onze aardse tijd vol zinvolle aanvechtingen, corresponderend met Jezus’ lijden en sterven. In die zin is de opstanding meer dan het kruis nl. gevolg en toekomst.
12-21. Adam en Christus. Deze feiten geven een heilshistorische samenvatting van de zin der beide testamenten, en dan mn. een uitleg van het O.T. Nu Christus gekomen is, en met Hem de genade en de gerechtigheid en het leven, wordt in dat licht heel de oude bedeling gekarakteriseerd als een bedeling van de heerschappij van de zonde en de dood. Ook de wet staat, in deze verbanden en zingeving, onder dat negatieve voorteken. Zij vermeerderde enkel de zonde (vgl. 3:4-8,20 en hst. 7). De wet heeft immers niet bijgedragen tot de rechtvaardiging maar veeleer geprikkeld tot overtreding en geleid tot verblinding, veruitwendiging en verbrokkeling. De wet heeft de Godsverhouding verduisterd en verbroken. Dit is de perikoop van de erfzonde. Maar deze wordt eerder bepaald door het oordeel Gods dan door de feitelijke toestand der mensen. Anders kon ze ook wel afgeleid uit Gen. 3. Joodse theologen doen dat dan ook niet. Dat correspondeert uiteraard met hun wetsopvatting. Gods oordeel is duidelijk in Gal. 2:21; 3:22 vgl. ook Filp. 3:7. Nu het God behaagd heeft alle mensen opnieuw samen te vattenin Christus als tweede Adam, is dus per conclusie de oude samenvatting in de eerste Adam zonder meer die der zonde. Het is alsof oude muntbiljetten ongeldig worden (verklaard) ter gelegenheid van de invoering van nieuwe. Erfzonde is dus niet allereerst een naturalistisch begrip, maar een theologisch begrip, een oordeel, een inschatting Gods. Rom. 5:12-21 heeft dan ook geen zelfstandige betekenis, maar een bijvoegelijke betekenis bij Christus en bij de rechtvaardiging alleen door het geloof. Pas Christus maakte Adam tot (eerste) Adam. Dat wil niet zeggen, dat deze vss niet veel losmaken en in detail verschillend uitgelegd worden. Vooral van de laatste vier woorden van vs 12 en van vs 19a geldt dat. Wij kiezen voor de uitleg, dat alle mensen naar Gods oordeel in Adam gezondigd hebben, de status van zondaar hebben, met alle gevolgen van dien. Want anders vervalt heel de vergelijking tussen Adam en Christus, waarvan de pointe juist dat corporatieve (allen in één) is. En anders is er geen verklaring voor de dood van de mensen tussen Adam en Mozes, en trouwens ook niet van de anderen, want dezen zondigden wel onder de wet, maar deze wet brengt slechts aan het licht en registreert in onderdelen wie de mens in wezen al was. Wat vooral uit deze perikoop blijkt is de overmacht van Gods genade, is de universaliteit van het heil, maar ook, dat over de wereld niet beslist wordt door de verantwoordelijkheid van de enkele mens, maar door machten en heerschappijen, invloedssferen. Er zit iets onontkoombaars in. Een mens staat altijd onder invloed van één van beiden. En door welke machtssfeer, welk koningschap zal de mens zich laten bepalen? Voor veler gevoel past de apostel hier (en zometeen in hst. 7) een geweldige reductie toe op het O.T. Op deze manier gaat het in heel de Bijbel, in beide testamenten enkel maar meer om zonde en genade. Op deze manier hebben er eigenlijk ooit maar twee mensen bestaan: Adam en Christus, elk met hun aanhang, hun inhoud. Paulus hanteert hier het schema van de twee wereldtijdperken, de zgn. aeonen nl. de oude en de nieuwe bedeling. Dat is eigenlijk een apokalyptisch schema en wel dat van de oude wereld èn de toekomende eeuw. ln Christus is de toekomende eeuw goeddeels heden geworden en het eschaton, het laatste en het einde is in de Geest heden geworden: de nieuwe, de eschatologische mens, die Christus heeft aangedaan vgl. 2 Kor. 5:15-17; Kol. 3:9-10; Ef. 4:22-24.
De twee rijken in de praktijk 6:1-23
Het is een al oud verwijt (vgl. 3:5-8), mn. van de kant van het jodendom, dat het christelijk geloof verstandelijk is, en bestaat uit het aanhangen en nazeggen van een theorie, maar dat er niets verandert en dat zij niet veranderen. Het raakt dan de lijfelijke existentie niet. Het blijft bij het aanvaarden van een leer, en het eigenlijke leven bestaat uit kennis, met een vreemd woord gnosis. Kennis is dan voldoende. Het andere, het lichamelijke, materiële, kortom heel de ethiek doet er in wezen niet toe en speelt geen rol. Hier beneden is er niets te zien van het Koninkrijk Gods. Wordt niet alles verschoven naar de (irreële) hemel? En draait niet alles om een individueel onsterfelijkheidsgeloof? Bovendien is in hst. 4:23-25 gebleken, dat bij alle overeenstemming met Abraham toch het geloof van de christen anders is en gericht op Christus. In hst. 5 heeft de apostel oa. uitgelegd, wat dat inhoudt met betrekking tot de gerechtigheid. Het is niet vreemd, dat datzelfde nu gebeurt met betrekking tot de implicaties van het geloof. Wat nu hst. details betreft, is het opvallend, dat zowel vs 1 als vs 15 nagenoeg dezelfde vraag stellen, terwijl onzeker is, waar men vss 12-14 bij moet nemen. Wij stellen de volgende oplossing voor. Vss 12-14 vormen een afgerond geheel. Vs 12 sluit qua woordkeus direct aan aan 5:21, terwijl de inhoud van vss 12-14 een weergave is van heel hst. 6. Want wat in vss 2-11 staat, vindt haar samenvatting in de woorden van vs 13: als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven. En wat in vss 15-23 staat, staat in het kort ook in vss 13-14. Op zichzelf was vss 12-14 voldoende geweest als toepassing en conclusie na 5:21. Er waren twee conclusies mogelijk uit 5:12-21 wat betreft de consequenties voor de praktijk van het christelijk leven. Men kan de corporatieve lijn doortrekken van dat allen in Christus begrepen zijn, en nu dus andere mensen geworden op wie het oude niet meer van toepassing is, vgl. 2 Kor. 5:15-17. De andere lijn is die, dat men de werkelijkheid van de twee rijken, die met elkaar in staat van oorlog zijn serieus neemt, en dan met name dat het rijk van Gods gerechtigheid zich hier op aarde door wil zetten. En met deze twee mogelijkheden van toepassing corresponderen twee mogelijkheden om concrete toepassing in de praktijk van het leven te ontlopen. De eerste is: bij de zonde blijven opdat de genade toeneme, een menselijke perversie van wat de apostel in 5:20 stelde. Dat is de zgn. lakse houding, in de oudste kerkgeschiedenis niet onbekend. De tweede is principiëler en heet in later tijden anti-no-misme. Men heeft hier de helè wet (nomos) achter zich gelaten, een menselijk onbegrip van bv. 3:21 en 6:14! Omdat beide richtingen voorkwamen in de dagen van de apostel, de a-ethische en de anti-ethische, gaat hij er uitdrukkelijk op in. Tegenover de tegenwerping van lakse zijde, 6:1 vgl. 3:8, houdt de apostel de betrokkenen de zin van hun doop voor. In de doop heeft de dood een oude relatie beëindigd. Het blijven bij de zonde, het volharden daarin, is er dus niet meer bij, is ongerijmd en onmogelijk. Men moet zijn doop reëel nemen. Tegenover de tegenwerping van anti-nomistische zijde, vgl. 1 Kor. 3:10-23; 6:12; 10:23, waarbij men de formulering van vs 15 voor Paulus’ rekening moet laten, stelt de apostel, dat men de twee rijken serieus moet nemen. Wie zich weer open stelt voor de zonde, zich in dienst stelt van de zonde, wordt ook weer het eigendom van de zonde en ontvangt ook het loon, de soldij van de zonde. Ook hier kan men geen twee heren dienen. De structuur van Rom. 6 is dan deze: De hoofdzaak staat in vss 12-14, maar de apostel laat deze voorafgaan door een tegenwerping en haar behandeling én volgen door een tegenwerping en haar behandeling.
6:2-11. Hier geeft de apostel een theologische verklaring achteraf van de christelijke doop. De doop duidt hetzelfde aan als de christelijke prediking. Wordt er gepredikt, dat, nu één gestorven is, dus allen gestorven zijn (2 Kor. 5:15-17), dan is dat ook de inhoud van de doop. Dat correspondeert ook met de Christusfiguur van Rom. 5:1221, die daar fungeert als tweede Adam, in wie allen begrepen zijn, een collectieve, corporatieve figuur dus. Christus stierf maar zo niet voor de zonde, maar ook on/-stierf Hij aan de zonde. Men kan hier al wel dat beeld van Rom. 7:1-6 gebruiken, alwaar voor de dood oude banden verbroken en relaties beëindigd worden. De doop is dus wezenlijk een dood, een scheiding, een verbreking der banden met en de verplichtingen aan de oude wettische bedeling, de zonde, de oude mens en de dood. Vandaar ook in vs 6 de term slaven en in vs 7 de term rechtens vrij van. Maar het in Christus begrepen zijn betekent nu wel een nieuwe relatie en uitsluiting van elke neutraliteit. Want Christus leeft voor God. En dat moet nu ook gelden voor allen die in Hem (gedoopt) zijn (vgl. 2 Kor. 5:15). Dat is de voorlopige maar wezenlijke vorm van de opstanding, die ooit eens letterlijk voltooid zal zijn, (vgl. Rom. 8:11).
16-23. Hier heeft de apostel dus de mens op het oog, die de hele wet voor zich verleden tijd acht, aan de wet ontgroeid. (Typisch komt in vs 19 tweemaal de term wetteloosheid voor). Hier werkt de apostel nader het beeld uit van het in iemands dienst treden. Zondigen is geen vrijblijvende zaak. In 1 Kor. 6:12-20 probeert de apostel iets dergelijks duidelijk te maken. Wie zondigt, treedt in dienst van, wordt eigendom van (de apostel gebruikt het woord slaaf) en ontvangt ook het daaraan verbonden lot, loon of soldij, als aandeelhouder. De zonde heeft haar gevolgen. Misschien denkt Paulus bij vs 16 aan mensen in zijn dagen, die om verzorgd te zijn zichzelf wel eens als slaaf verkochten. Letterlijk staat er in vs 16, dat wie zich als slaaf ter beschikking stelt, dan ook slaaf is van die instantie, wat in het geval van de zonde tot de dood leidt, want dat zit eraan vast. Daarachter speelt nog weer de gedachte, dat het de wet is, die de soldij vaststelt. Daarom staat in vs 14: de zonde zal niet uw rechtmatige heer(ser) zijn. Met dat woordje zal is een gebod, verbod bedoeld vgl. het gij zult niet in de tien geboden. En voor rechtmatige heer(ser) staat in het oorspronkelijke een ander woord dan voor het heersen van vs 12, dat daadwerkelijk heersen betekent. Bedoeld is dus, dat wie zich uidevert aan de zonde als heer, zich weer uitlevert aan de wet en haar sancties. Het is door de wet, dat de zonde rechtens heer van de mens wordt en rechtens de mens de dood injaagt. En het is de dood van Christus, die de mens rechtens (vs 7) vrij maakt van de zonde. Zoals in vss 3-11 het sacrament fungeerde, fungeert in vss 16-18 de prediking. Deze riep op tot gehoorzaamheid (vs 16). Men heeft zich onderworpen (vgl. 10:3) aan de christelijke prediking (vs 17). En dat leverde hen de vrijheid op (vs 18). Maar deze vrijheid is niet los-bandig, is niet neutraal, maar leidt tot een nieuwe slavernij, en wel aan de nieuwe gerechtigheid, aan God. De apostel betreurt het, dat hij zo’n fors beeld (slavernij) moet gebruiken, maar anders dringt het niet tot hen door, en denken ze dat alles mag (vgl. 1 Kor. 6:12; 10:23). Daarom staat er in vs 19: Ik gebruik dit menselijk voorbeeld vanwege de zwakheid van uw vlees.
Heel Rom. 6 bedoelt dus de blijvende lichamelijke (het gaat telkens over lichaam en leden, waarmee de concrete mens en diens mogelijkheden bedoeld zijn) heiliging van de mens. Hij is Gods eigendom geworden, en in dienst getreden en gekomen van de gerechtigheid. Deze gerechtigheid is dezelfde als de gerechtigheid Gods en het Koninkrijk Gods, met insluiting van de gerechtigheid in zedelijke zin, van waarden en normen. Wel is Gods gerechtigheid, Gods heerschappij meer dan neutrale normativiteit. In zekere zin kan men zeggen, dat Rom. 6 het leven van de kerk op aarde omschrijft. Dan is het in vss 2-11 meer de kerk als (lichaam van) Christus, uit de doop. En dan is het in vss 16-23 meer de kerk als volk van God, uit de prediking. En dan nog dit: Mogen er joodse verwijten meespelen (vgl. 3:5-8) en mogen joodse verwijten mee aanleiding zijn geweest tot deze uitvoerige formuleringen van de apostel in Rom. 6, de spits echter van de betogen is zeer duidelijk direct gericht tegen christenen, die in hun opvattingen en levensstijl voet gaven aan dergelijke verwijten. Dacht de apostel met name aan Korinthe?
Principieel betoog over de wet 7:1-25
De apostel wil in dit hoofdstuk nog nader iets zeggen over de wet, over de mens en de oude bedeling. En daarmee geeft hij tevens weer een uitleg van het O.T. in zijn geheel. Er was al vaker doch terloops over de functie van de wet als wet gesproken (3:20; 4:15; 5:13,20; 6:14), en telkens was gesuggereerd, dat de wet als wet een heel aparte, heilshistorische functie heeft (gehad), heel anders dan men zich in de regel onder de functie van de wet voorstelt. Zo nu en dan bleek ook, dat de wet als wet thuishoort in de oude bedeling, en tenslotte in 6:14 was het onder de wet zijn ongeveer gelijk aan een onder (het regiem van) de zonde zijn (vgl. 6:12; 5:21). Een vreemde gedachte. Wat bedoelt Paulus? Dit onderwerp is zo belangrijk, zo omstreden en voor misverstand vatbaar -het jodendom heeft een heel andere wetsopvatting en nog altijd wijzen de luthersen, anders dan de calvinisten de term ‘wet’ voor de regel der dankbaarheid (usus norma-tivus) af! – dat de apostel er een heel hoofdstuk aan wijdt. Maar nogmaals moet men bedenken, dat het er de apostel alles aan gelegen is om, behalve een onderwerp materieel te behandelen, Schriftbewijs te leveren of iets als een theologie, theologische hermeneuse (vertolking) van het O.T.
Ontslagen van de wet 7:1-6
Vs 1 sluit direct aan op 6:14 (waardoor nogmaals 6:15-23 als een aparte episode uitkomt). Rom. 6:14 is een bevreemdende tekst. Daarom zet de apostel eerst (vss 1-6) uiteen, dat en waardoor de christen niet meer onder de wet is, en daarna (vss 7-25) waarom men zo nodig onder de wet vandaan moest en waarom wet en zonde soms haast vereenzelvigd worden. Want waarom is het onder de wet zijn zo erg en uitzichtsloos, dat de apostel in vs 24 zo’n luide verzuchting slaakt? Waarom is de wet een gevangenis (vgl. Gal. 3:23; Rom. 7:6)?
1.Paulus spreekt mensen aan die weten hoe het met wetten toegaat. Deze hebben zeggenschap (de rechtmatige heerschappij in 6:14 gaat terug op hetzelfde grondwoord) over een mens zolang deze leeft. De dood maakt daar een eind aan, brengt scheiding teweeg.
2-5. Met een formeel-logisch niet al te juist maar wel duidelijk voorbeeld illustreert de apostel wat hij bedoelt. Zoals een weduwe gerust hertrouwen mag en niets meer te maken heeft met haar eerste man, heeft een ahw. ineen tweede huwelijk met Christus verbonden christen in het geheel geen boodschap meer aan de wet. Ondersteld is het met Christus gestorven (vs 4: door het lichaam van Christus) en begraven zijn van 6:3- de doop. ‘Gij zijt gedood’ zegt vs 4 letterlijk.
5.Hier wordt alvast – vss 7-26 werkt dat uit – de ellende van dat eerste huwelijk aangegeven. Vs 5 is ahw. opschrift boven en samenvatting van vss 7-26 (zie verder voor vs 5 bij vs 7).
6.Hier wordt alvast – hst. 8 (: 1-11) zal dat uitwerken – de weldaad van het tweede huwelijk aangegeven. Vs 6 is ahw. opschrift boven 8:1-11. Door deze constellatie van vs 5 en 6 wordt tevens de aard van het verband tussen hst. 7 en hst. 8 aangegeven. Rom. 7:7-26 is een samenvatting van de oude bedeling, zo men wil van het O.T., terwijl Rom. 8:1-39 een samenvatting is van de nieuwe bedeling, zo men wil van het N.T. (zie verder voor vs 6 bij vs 7).
De bedeling van ‘het vlees’ 7:7-26
Wat in de vss 7-26 uitvoerig beschreven wordt, staat in het kort in vs 5 en ten dele ook nog in vs 6. Eigenlijk wreekt zich hier het gebrekkige van het voorbeeld. In het voorbeeld sterft de vrouw niet, maar de man (= de wet?), en de vrouw gaat een tweede huwelijk aan. In werkelijkheid echter is het de vrouw (de christen), die sterft. Het leven na deze dood heet Geest, in de Geest zijn, een soort opstandingsleven, waarin de mens voor God leeft, en ahw. met Christus, de Opgestane, gehuwd is. Daartegenover heet het leven vóór deze (dood en) opstanding vlees of lichaam des doods (vs 24) of oude mens. Toen men dus nog leefde, leefde men in het vlees, in het lichaam des doods of doodsbestaan. Bedoeld is, dat deze mens niet in (goede) relatie met God leefde, maar aan zichzelf overgelaten was (vgl. 1:21,24). Deze mens is op zichzelf aangewezen en wil en moet zichzelf handhaven. Gaat men er nu vanuit, dat een goede Godsrelatie het normale is en dat zo’n mens ook goed en gewoon di. relationeel, in liefde reageert, dan is de aan zichzelf overgelaten mens een mens, die in alles abnormaal en pervers reageert. Voor hem, die zichzelf poneren moet, is dan ook de wet een bedreiging, een vijandelijke instantie. Deze wet werkt alleen maar goed binnen een goede relatie, maar is dan ook niet zozeer wet te noemen als veeleer tora, aanwijzing. De mens echter, die enkel zichzelf is, een geamputeerd en geïsoleerd zelf, heet vlees en is ook niet meer dan een losgeslagen verwrongen schepsel, die de wet niet kan of wil volbrengen, maar zich of niets van haar geboden aantrekt, of ze gedwongen en uiterlijk enigszins houdt, of geprovoceerd nog meer overtredingen produceert, of in een soort vermeende vroomheid alle geboden houdt en zich als rechtvaardige voor God op eigen gelegenheid presenteert. Dit is een uitzichtsloze situatie, wat echter grotendeels of geheel aan deze mens ontgaat. Dit leven is niet te corrigeren. Men moet eruit. Alleen een dood en een opstanding, een nieuw leven en een herschepping kunnen hier verandering in brengen. Dat nu heeft plaats gevonden in Christus’ dood en opstanding en suo modo (in zekere zin) in de christelijke doop. En van daaruit nu blijkt dat oude leven een gestage dood te zijn, de wet een gevangenis, de mens vlees, een bundel zondige driften. En wat de wet dan doet is dat enkel openbaren, vastnagelen, provoceren, verblinden. Het enige wat gebeuren moest en kon is, dat de mens van plaats veranderde. De wet blijft dezelfde. De mens is verplaatst, overgezet. Dit is reëel voor God. Hij, di. Hij in zijn gerechtigheid, plaatst de mens in een andere situatie, een ander krachtenveld, in de nieuwe sfeer van Woord en Geest, in de goede Godsrelatie. Voor de mens is dat een zaak van geloofsoordeel (6: 11), wat dan ook consequenties heeft en hebben moet en hebben kan (6:12-14). Als dan vs 6 eindigt met de oude staat der letter is daarmee bedoeld dat de wet de oude mens niet baat. Illustratief is dan een tekst als Jer. 31:3134, aangehaald in 2 Kor. 3:1-3, waarin duidelijk het kwalitatieve verschil tussen letter (inkt, steen), en Geest (wet in het hart) uitkomt. De wet herschept niet, schept geen relatie. Waar wet heerst, is geen innerlijke relatie (liefde), waar relatie prevaleert, is geen wet.
Nu volgen vss 7-26, waarbij vss 7-13 handelen over wat de wet in de oude bedeling aan de oude mens deed (verleden tijd) en vss 13-26 over wie de oude mens in de oude bedeling is (tegenwoordige tijd). De apostel hanteert dan de stijl van de /A:-vorm. Wie is die ik! Het is de mens van de oude bedeling, onder de wet, zoals de apostel deze thans ziet met de ogen van het geloof, terwijl hijzelf die tijd (ten dele) nog heeft meegemaakt (vgl. Filp. 3:3-9). Hij vereenzelvigt zichzelf dan met de oude mens. Tegenover Christus, tegenover de nieuwe mens staat de ene oude mens. Diens leven begon met Adams ervaring in Gen. 3. Daar doelt vss 7-11 op. Het proefgebod wekte de begeerte van de mens op. De voorstelling is dat de (gepersonifieerde) zonde door middel van de wet de begeerte van de mens opwekte, en aldus haar intocht deed in de mens en deze geheel in beslag nam. Wat in Gen. 3 van de slang gezegd wordt, wordt hier van de zonde gezegd: ze bedroog de mens en bracht de mens onder het bewind van de dood. De mens, eens zonder wet di. de tijd van voor het proefgebod, stelde zich voor gelukkig te worden, het leven te bereiken (in Gen. 3 voorgesteld als: het als God zijn), maar het pakte anders uit. Maar dat lag dus niet aan de wet, maar aan de (natuur van de) mens. En, vs dat samenspel tussen zonde en wet is de zonde in haar ware gedaante openbaar geworden. De wet heeft de zonde ontmaskerd. Men moet dat wel in zijn bedoelde diepte verstaan. Er zit ahw. een soort van dubbele bodem in. In de gedachte van het allerlei begeerlijkheid (vs 8), en in het gebod dat ten leven moest leiden (vs 10) en in het misleid (vs 11) zit de achtergrondgedachte, dat de (oude) mens, naderhand en zo vaak nog, met de voorstelling geleefd heeft, dat het doen der geboden het leven zou geven en zeker niet de dood! Het is Paulus’ bedoeling om aan te geven, dat de wet niet maar overtredingen uitlokt en registreert en straft, maar dat ook de vrome onderhouding der geboden niet dat brengt, wat men ervan verwachtte en waarom (in allerlei begeerlijkheid!) men het dan ook deed. Vroomheid is nog geen Uefde (vgl. 1 Kor. 13:1-3!). Uiteraard ging de apostel daarover pas het licht op in zijn christeUjke periode (Filp. 3:7).
14- deze verzen geeft de apostel in dramatische stijl en tijdloos de anthropologie (menskunde) van de oude mens, onder de wet, gevangene der wet. Deze schildering is niet gemakkelijk te verstaan. Men moet vorm (beeldspraak) en bedoeUng uit elkaar houden. Wat de apostel,zelf ooit wetgeleerde der farizeeën, eigenlijk bedoelt, is dit: Het staat met de zonde anders dan de gangbare opinie is. De gangbare opinie is, dat met de losse geboden zonden corresponderen en met de losse zonden geboden, en dat dat alles voor de individuele mens te overzien is en te doen, zij het onder vele bezwaren en opofferingen. Paulus stemt toe, dat de individuele mens, vgl. ook 1:19; 2:15, enig idee heeft van het verschil tussen goed en kwaad, een geweten heeft, het leven zoekt – anders zou immers de mens ook niet verantwoordelijk en aanspreekbaar zijn -, er zijn in zekere zin goede beseffen in de mens. Wat nu de apostel ontkent is, dat men daarmee uitkomt. Hij is er achter gekomen, dat hij als wetgeleerde en farizeeër eens dacht de weg klaar voor zich te zien, totdat hem in Christus de andere weg gewezen werd. De wegen zijn zo verschillend, dat Jezus gekruisigd is. Het is een dwaze weg, voor wijzen en verstandigen verborgen. De zonde is namelijk nog iets anders dan bestaande uit de optelsom van losse gebodsovertredingen. Paulus spreekt bijna uitsluitend over de zonde in het enkelvoud. En de mens als zelfstandig, persoonlijk individu bestaat niet als onderwerp van eigen leven. Dat is een illusie! Paulus kan daarom de zonde ook aanduiden met de term vlees. Daarmee bedoelt hij het hele bestaan en de hele mens. De mens is deel van een geheel. De werkelijkheid is trans-subjectief (boven-persoonlijk). Zonde, erfzonde overschrijdt namelijk de maat van het persoonlijke en individuele. Men is bezit, bezeten, men wordt gebruikt. Zonde is een sfeer, een bovenpersoonlijke macht. Straks, 14:23, zal hij zeggen: ‘alles wat niet uit het (nieuwe) geloof is, is zonde’. Daarbuiten is alles zonde, en de wet accentueert dat slechts. Ook gewone vroomheid is zonde, is vlees, is hebzucht, ambitie, is miskenning van Christus, en leidt slechts tot de dood. Zo begint de apostel in vs 14 te zeggen, dat de wet een instrument is in Gods hand, ze is geestelijk, maar de mens is vlees, is een slaaf, want hij is verkocht en overgeleverd aan de zonde, ingekapseld en willoos, wezenloos zelfs. Vs 15 (= vs 19) legt dat uit als daar staat, dat het goedwillende ik zozeer verblind is door de door hem niet te overziene zondemacht en zondesfeer, dat hij geen idee heeft, waar hij uitkomt. Hij dacht namelijk uit te komen bij het gewilde leven, maar hij blijkt uit te komen bij de gehate dood. Bedoeling en doel kloppen niet op elkaar. Vs 16 stelt dan dat deze mens in principe wilde wat de wet wilde: het goede, het leven. In de algebra kan een complexe positieve term tussen haakjes staan. Komt er nu een minteken voor, dan krijgt de hele term een negatieve waarde. Zo ook de wet, ingebed in het vlees (zonde).
In zekere zin, zegt vs 17, is de individuele mens ook geen auteur van zijn daden, maar de in hem wonende (dit is demonische terminologie!) en hem overheersende zonde. De mens is een bezeten mens. Want, stelt vs 18, eigenlijk stelt dat formele willen van het goede ook niets voor. Er komt van alles niets terecht. Er is een mate van bewustheid, en dat is alles. Want, luidt vs 19, uiteindelijk bewerk ik eigen dood en ondergang, en wat ik eigenlijk wil, daar kom ik niet aan toe (vgl. vs 15). Vs 20 herhaalt vs 17. En vss 21-26 geven een samenvatting van het voorafgaande. Er is een algemene regel. De inwendige mens, het verstand, wil goed, vindt ook de wet goed, maar in de praktijk komt het anders uit. Ik ben mijzelve niet. Ik ben een krijgsgevangene. Er is een macht, die met mij doet, wat zij wil. Nogmaals: Het is de christelijke Paulus, die dit alles zegt van de mens buiten Christus. Hij kent het zichzelf van toen nu beter dan toen. Hij evalueert. En daarom kan hij ook in vs 24 en vs 25 de geschiede verlossing door Christus aanwijzen en prijzen, terwijl vs 26 nogmaals de eerder beschreven gespletenheid van de onverloste mens memoreert: aanspreekbaar, doch praktisch altijd falend. Augustinus zal later de deugden der heidenen schitterende ondeugden (splendida vitia) noemen. Want: ‘al wat niet uit geloof is, is zonde’. Maar dat, die eenheid des levens ook, is de wijzen en verstandigen verborgen.
De bedeling van de Geest 8:1-39
Rom. 8 is de noodzakelijke tegenhanger van Rom. 7. Want men mag dan bevrijd zijn uit het diensthuis der wet, maar wat komt er dan? Reeds 7:6 stelde de aanwezigheid vast van een nieuw diensthuis (vgl. 6:19) des Geestes. Bovendien had de apostel herhaaldelijk gezegd, dat de wet goed was en geestelijk, zij het dan, dat ze in de oude bedeling niet goed functioneren kon. Rom. 8 valt in twee’delen uiteen: 8:1-17 beschrijft het regiem van de Geest en 8:18-39 het leven in de hoop onder de Geest.
Het regiem van de Geest 8:1-17
1.Het is een populaire gedachte geworden, dat er geen veroordeling is voor wie in Christus Jezus zijn (vgl. 6:3). Minder populair is wat volgt in vss 2- deze vss wordt vgl. 7:6 het ‘in Christus’ zeer nauw verbonden en zelfs gelijk gesteld met een ‘in de Geest’ zijn (vs 2, vs 9). Het ‘in Christus’ zijn is geen automatisme, geen neutrale, lege toestand, is niet ook slechts een theorie, maar bestaat uit een levende geestelijke band en dienstbaarheid aan God. Opvallend is in vs 2 het gebruik van de term wet, in de zin van wetmatigheid. Het heeft iets van een woordspeling, maar met de bedoeling de wetsgedachte, de realiteit des levens, de ethiek, vast te houden. Men moge dan bevrijd zijn van het regiem der wet der zonde en des doods, di. de wet, die zonde uitlokt en de mens vèroordeelt (vs 1) en beloont met de dood, maar men is niet ontslagen van wat de wet vraagt, van de vervulling (vgl. ook 13:8,10) der wet. De apostel wil met vs 2 toch suggereren, dat ook in het rijk van de Geest zoiets als een regiem, beleid, een wet is, en zo stelt vs 4 het ook. Bedoeld is met de wet van de Geest des levens dat christenen andere mensen zijn geworden, die, nu bezet door Geest en liefde, de dingen der wet doen. Zo stelt hij in vs 3 dat de zonde veroordeeld is in het vlees, dwz. vernietigend veroordeeld, waarmee gezegd wil zijn dat onze zondige natuur aan het kruis geslagen is. En nu is de zonde, eens ons vlees en bloed, afgelost door de Geest, en niet maar door een nominale belijdenis. De apostel is hier een onverbiddelijke realist. Vss 5-8 lichten vs 4 toe en vs 9 sluit weer aan aan vs 2. Het ‘in Christus’ zijn is niet maar een zaak van woorden, maar van geest en kracht. Rechtvaardiging en vrijspraak is meer dan alleen een spreuk of een leus. Christus is een levende werkelijkheid en daarom kan het ‘in Christus’ afgewisseld worden door een in de Geest of de Geest in u. Het is geen vrijblijvende zaak (vgl. Rom. 6), en wij hebben maar nietChristus of de Geest, maar Christus en de Geest moeten ons bezitten en beheersen. Vs 10 formuleert dat moeilijk doch treffend: Indien aldus, op de wijze van de Geest, Christus in ons is, heeft het oude leven in de zonde afgedaan, maar de Geest (in ons) betekent dat leven voor God in de weg der gerechtigheid (vgl. 6:12-13). En, stelt vs 11 dan, indien de christen nu al innerlijk zo door de Geest beheerst wordt, zal de Geest (der opstanding) eens ook de sterfelijke lichamen beheersen di. opwekken. Met vs 11 is de grens van het leven bereikt (vgl. vs 17, vs 30 en vs 39).
12-17 voegt aan de beschrijving van vss 1-11 een vermaning toe. De christen is verschuldigd voortaan niet meer naar het vlees, naar zijn oude natuur en natuurwetten te leven, maar moet door de wetten van de Geest de praktijken van het lichaam (der zonde) di. van de oude mens doden di. geen kans meer geven. Dit loopt uit op het leven. Want de Geest der goede werken, is ook de Geest van het zoonschap, en deze gaat niet gepaard met de angst van de slaaf, maar met de vrijmoedigheid en zekerheid der kinderen Gods, gepraktiseerd en beleefd in de eredienst, waarin men, al of niet in extase, God als Vader uit- en aanroept.
In vs 16 klopt ook het hart der Reformatie: het persoonlijk getuigenis des Geestes in de harten, of met de be’ roemde latijnse woorden: het testimonium spiritus sanc-ti. Deze kinderen Gods zijn uiteraard ook erfgenamen, een andere term voor het leven van vs 13. Wel staat dat nog uit en moet men, als Jezus, eerst een tijd van lijden door. Er bestaat een zekere gelijkvormigheid met Christus, met de weg van Christus.
18-30. Al deze verzen zijn een uitwerking van dat slot van vs 17, waar het ging over lijden en verheerlijking in hun onderling verband. In het geloof nu, en dat heeft alles te maken met genoemde gelijkvormigheid met Christus, is de apostel van bordeel, trekt hij de conclusie, dat het lijden van de tegenwoordige tijd geen overgewicht heeft en dus ook niet teveel aandacht hebben mag. Wat heel deze perikoop beheerst is de zekerheid. Dan is het verder zo, dat het de mens betreft, om wie de hele schepping aan de vruchteloosheid, aan de zinloosheid onderworpen is, maar dan ook, dat de uiteindelijke verlossing van de mens ook de bevrijding van de hele schepping met zich meebrengt. Wat met de ijdelheid (SV) der schepping bedoeld is heeft de Prediker ooit indrukwekkend verwoord. Voor de apostel is de wereld de wereld van de mens. Het is ook in de hele geschiedenis duidelijk, en vooral in de moderne tijd, dat het de cultuur van de mens is, die de hele natuur bepaalt en meesleept. Een verloste mens betekent dan ook een van de oude mens verloste natuur. De schepping zucht, de mens, die alleen nog maar de Geest ontvangen heeft, zucht, en ook de Geest zucht. Het is juist de Geest die bewust maakt, de hoop wekt, de verwachting verhevigt. Er is immers meer. Gods weg eindigt pas met de nieuwe lichamelijkheid. De christelijke hoop is niet maar een wens of utopie, maar een hoop die gegrond is. De gave van de Geest is als zodanig die grond en ze getuigt ervan in zoverre ze van God getuigt. Deze Geest komt ook in het geding bij het bidden der mensen, die, staat er, niet weten te bidden naar behoren. Net als in vs 16 is hier sprake van een nauw op elkaar betrokken zijn van Gods Geest en des mensen geest. Bedoeld is, dat de Geest aan het menselijk gebed een geestelijke en christelijke kwaliteit verleent. Mensen kunnen ervan verdacht worden te bidden uit egoïsme, louter uit eigenbelang. Als echter de Geest in het geding is, komt zo’n gebed anders bij God over. Nu is Gods eer en heilsraad erbij betrokken. In Gods oog verleent de Geest aan het christelijk gebed een zekere echtheid, authenticiteit, objectiviteit. Nu wordt bedoeld wat gezegd wordt. De apostel noemt dan de Geest een gebedsmiddelaar, voorspreker bij God, wat echter niet betekent dat de Geest apart bidt, los van de menselijk-christelijke gebeden. Maar zonder de Geest zouden we in het vlees leven en naar het vlees bidden, dus niet naar behoren. Zoals in 5:3 verdrukkingen een plaats krijgen, wordt hier in vs 28 al het kwaad hier beneden zijn plaats toegewezen vgl. Gen. 50:20. Daarna besluit de apostel dit gedeelte met de plechtige belijdenis aangaande Gods weg met een mens. Misschien werden zulke dingen zo gezegd ter gelegenheid van de bediening van de doop. Tevoren kennen betekent de verkiezing en toeëigening van de persoon van een mens. Tevoren bestemmen is, dat God aan deze mens een doel stelt en een weg daartoe geeft. Het gaat in vs 29 om een vervulling van Gen. 1:27. Men deelt eenmaal in christelijke heerlijkheid vgl. vs 17 en 1 Kor. 15: 49; Filp. 3:21; Kol. 3:4. Vs 30 beschrijft dan nader de vaste orde Gods daartoe.
31-39. De apostel besluit met een rhetorisch-hymnische lofrede, waarin hij alles nog eens samenvat. Centraal staat het kruis van Christus als kengrond van de wil en voorzienigheid Gods. Geen omstandigheden, noch de schuld van de mens bepalen de uitkomst. In vs 35 worden machten genoemd van historische orde. Het zijn mensen, het is de tijd, het zijn vervolgingen met name. In vs 38 zijn het kosmisch-apokalyptische machten, is het de natuur, de ruimte, de schepping. Maar hoe vreselijk ook, het is alles slechts schepsel. En achter de historische liefde van Christus staat de eeuwige liefde van God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Een goede belijdenis ook voor de moderne tijd, waarin het historische en het apokalyptisch-kosmische ineen dreigen te zullen vloeien. Met deze belijdenis had het ‘dogmatische deel’ van de brief kunnen eindigen.
Israel, de oudste 9:1 – 11:36
Rom. 9-11 is een afgerond en relatief zelfstandig stuk, dat nader in gaat op het in hoofdstuk 2 en 3, en eigenlijk ook 4, aangehaalde probleem van de plaats van Israel en de trouw van God. Alleen in deze drie hoofdstukken wordt de naam en titelIsrael geregeld gebruikt. Ook een persoonlijke interesse drijft de apostel aan. Hij wil in geen geval in Rome te boek staan als een rancuneuze renegaat, die nu met voeten treedt, wat hij eens aanbad. Paulus doet alles om de universele heilswil en gerechtigheid van God aan de dag te brengen, maar ook alles om persoonlijk een universeel apostel te zijn. Eerst de Jood, maar ook de Griek. Maar ook omgekeerd: wel de Griek, maar eerst toch de Jood. De apostel laat merken van de warmste gevoelens ten opzichte van zijn volk vervuld te zijn. Heel de oudtestamentische geschiedenis passeert weer de revue, maar nu onder het gezichtspunt van desouvereiniteit van Gods overmachtige gerechtigheid. Deze roept, maar riep ook altijd al een geschiedenis op van geloof, maar ook van ongeloof. Deze drie hoofdstukken hebben formeel iets van een excurs, een aanhangsel, maar ook van een apologie, en ook van een soort theologie van het O.T., waarin de apostel als een soort ziener en ook middelaar optreedt. De laatste verzen van hoofdstuk 11 zijn visionair, en een parallel van de laatste verzen van hoofdstuk 8. Daar was de geschiedenis ten einde. De verloren zoon, alles wat verloren was, is thuis. Maar existentieel brandt daar die vraag naar de ander, naar de oudste, nog aan gene zijde van de drempel van het ouderlijk huis. Hoe staat het nu met het Vaderschap Gods? Het draait alles om de eigenaardigheid van het verbond van God. Gezien de historische achtergronden van deze brief zou men deze historische concrete hoofdstukken met dit onderwerp het hoogtepunt van de brief kunnen noemen. Existentialistisch georiënteerde theologie vermag hier echter maar weinig mee aan te vangen, daar een en ander (van deze geladen profetie) maar moeilijk in de moderne persoonlijke geloofscatego-rieën te vatten en te vertalen is.
Men kan Rom. 9- grote lijnen aldus indelen: 9:1-29 handelt vooral over de aard van Israels verkiezing en over Gods souvereiniteit; 9:30 – 10:21 gaan vooral in op Israels verantwoordelijkheid, terwijl hoofdstuk 11 Israels plaats en functie in de heilsgeschiedenis aangeeft.
De aard van Israels verkiezing en Gods souvereiniteit 9:1-29
1-5. De persoonlijke inzet van de apostel. Paulus spreekt in het geheel niet afstandelijk over Israel. Hij doet hier denken aan Mozes, de knecht Gods, die in Ex. 32:32 zegt: ‘Delg mij dan uit Uw boek’. Over vs 5b is verschil. Slaat de lofprijzing op Christus of op God? Men zou echter nl. achter Christus een punt kunnen plaatsen en dan verder lezen: ‘Geloofd zij God de Almachtige in eeuwigheid, amen’. Onder de vele argumenten pro en contra telt oi. met name deze, dat hier de godheid van Christus niet het onderwerp is (vgl. Filp. 2:6-11), maar de souvereiniteit van God, die aldus beschikt heeft. Een lofverheffing in zo’n geval is niet ongewoon.
Het eigenlijke Israel 9:6-13
Het is nog nooit anders geweest, of het historische Israel was altijd al gedeeld. En dat lag niet aan Gods trouw, maar wel aan de aard van Gods Woord, dat om geloof vraagt. Gods Woord was aldus altijd alleen maar bestemd en geldig voor het gelovige, geestelijke Israel. Nooit besliste feitelijke komaf, maar altijd het woord Gods. God verkoos Izaük en de weg, waarlangs Izaäk ter wereld kwam. En later verkoos God weer ahw. binnen de lijn van Izaäk,Jakob. Dit betekent op zich niet de verdoemenis van Ismaël en Ezau, maar bepaalt wel hun plaats en geschiedenis. En ook zijzelf bepalen deze plaats en hun geschiedenis. Zij hadden ook Gods Woord kunnen eerbiedigen, erkennen in zijn eigen aard en zich onderwerpen di. geloven. Vooral naar aanleiding van vs 13 moet gezegd, dat men niet (direct) aan het persoonlijk eeuwig lot van mensen denken moet, dat door God naar willekeur zou worden vastgesteld. Gods verkiezing is altijd verbonden met Gods Woord vgl. 1 Kor. 1:18-25. Als daar dan staat – en de apostel citeert tijdloos en plaatst een citaat uit Mal. naast een uit Gen.! –Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat, en dat redegevend voor dat eerdere citaat, dan moet men eigenlijk begrijpen en lezen, dat God hier zijn eigen Woord liefheeft, dat een Jakob – niet naar verdienste – creëert en verheft en een Ezau, een eerstgeborene, creëert en als zodanig verwerpt, en daarmee de aard van zijn Woord en daarmee van zijn eigen wezen aangeeft en liefheeft. Hij is immers de genadige God, die roept uit het niets wie Hij wil en Hij wil niet wie de eerste is. God haat het type Ezau, omdat Hij anders de berekenbare en aan menselijke posities en verdiensten gebondene en daarmee manipuleerbare zou zijn. Dat zou dan nooit kunnen leiden tot enig evangelie.
Gods vrijmacht 9:14-29
Om het voorgaande te bewijzen en te staven haalt de apostel eerst Mozes aan (14-18) en dan de profeten (1923), waarmee hij dan heel het O.T. erin betrokken heeft, waarna dan, weer met citaten, de conclusie volgt (24-29). 14-18. Uit wat nu volgt blijkt overduidelijk, dat Gods ‘willekeur’ enkel eenzijdig is. God is louter ontferming. Daar valt alle accent op. Daar wil Hij vrij in zijn, vgl. vs 11: opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven. Gods ontferming gaat zover, dat Hij terwille van die ontferming farao gebruikt en verhardt én (vs 22!) hem nog lang spaart en kansen geeft. Daarna volgt pas vs 18, waarin ook dat tweede staat: en Hij verhardt wien Hij wil. Maar Gods wil is gebonden aan zijn Naam, en zijn naam (Jhwh) is gebonden aan Israel.Farao is ook in zijn uiteindelijke en definitieve verharding dienstbaar aan het evangelie van de Naam (vgl. ook Gen. 12:1-3!).
19-23. Men moet primair in rekening brengen, dat de tegenwerpingen van ongelovige kant komen. Jakob zal nooit God beschuldigen van willekeur, noch de werkers van het elfde uur, de laatsten, maar altijd de eersten, de mensen van verdienste en positie (Mat. 20:1-16). Alleen voor die mensen geldt het algemene betoog van vss vss 22-23 wordt de apostel weer concreet. Hij grijpt terug op vs 17 en bedoelt met de voorwerpen des tooms de vijanden van Israel en de tegenstanders der heilsgeschiedenis. Hen heeft God zelfs buitengewoon lang verdragen. In wier ogen nu is dat willekeur? Wie maakt hier bezwaar? Hier ligt de wieg van Israel. Het zullen altijd de vijanden van Israel zijn, de tegenstanders van Gods genadige verkiezing, die hier God beschuldigen van onrechtvaardigheid. Israel zelf maakt geen bezwaar zolang het (de verwerping) Ezau of farao betreft. Maar wat, zoals de apostel suggereert, als de meerderheid van Israel intreedt in de rol van de belagers en vervolgers van het ware Israel, van het overblijfsel naar de verkiezing (11:5)? In wezen miskent en verloochent dit Israel zijn eigen afkomst en wortel. Het zijn dan ditmaal zij, die nog vallen onder Gods sparende lankmoedigheid (vgl. Mat. 21:33-46).
24-29. Concreet doelt Paulus op de jonge christelijke gemeente, de geroepen heiligen, en bevestigt dat met aanhalingen uit de profeten. Hij laat Hosea, anders dan oorspronkelijk, profeteren over de heidenen, die Gods volk worden en geliefden en met twee citaten uit Jesaja laat de apostel zien, dat de huidige weinige Jodenchristenen nogeen wonder zijn van Gods genadige verkiezing. De toon van vss 27-29 is negatief, zoals ook de ervaringen van de jonge kerk in dit opzicht negatief waren, zoals met name ook uit het Evangelie naar Matteüs blijkt. De lankmoedigheid Gods is dus dezelfde tav. Joden en heidenen. Paulus zal met name hopen, datIsrael zichzelf herkent in de spiegel van deze historie en alle inbeelding verliest.
Israels verantwoordelijkheid 9:30-10:21
9:30-33. De apostel vat samen en geeft daarmee tegelijk het thema aan voor 10:1-21: Wie zich niet inspande, de heiden, werd het heil in de schoot geworpen, en wie zich inspande en kon inspannen bereikte niets. Maar dat lag ook aan de aard van het heil, dat op geloof was aangelegd en zo was het ook voorzegd!Israel deed met zijn wetsopvatting geen recht aan wat wet en verbond en O.T. beoogden. En de steen, di. Christus, het kruis, is voor de een een aanstoot om te vallen, maar voor de ander een rots om op te bouwen (vgl. Luc. 2:34).
Het ware volk Gods 10:1-21
1-3. Als de apostel fatalistisch zou denken over verkiezing en verwerping zou hij nooit zo kunnen spreken en bidden als in vs 1. Overigens verwijt hij de Joden, dat zij met hun agressieve ijver meer God benaderen, dus van zich uit de relatie tot God bepalen en ahw. uitgaan van een gesneden beeld van God, dan dat zij God voor hen laten ijveren. Ze laten God niet aan het woord komen. Ze hebben, staat er, geen begrip voor God en diens openbaring. Ze miskennen het gebaar dat God maakte met de openbaring van Zijn gerechtigheid. Maw. verwijt Paulus hen gebrek aan onderworpenheid, aan gezeggelijkheid. 4-13. Voor iemand die zelf het heil wil bewerken en de gerechtigheid bereiken ligt de vervulling van die wens en dat streven eindeloos ver weg. Men is er nooit! Maar, zegt hier de apostel, met een variatie op Deut. 30:11-15, wat mensen zoeken is al aanwezig! Wat men via de wet trachtte te behalen, is in Christus gegeven! Hij is daarom (vs 4) de aflossing der wet, haar opheffing! En de zin en het wezen van Christus wordt aangereikt en gegeven (vs 8) in de prediking. En in de doop (vss 9-10) wordt dat een gedramatiseerde werkelijkheid. Daarin komt het heil aan en antwoordt en belijdt en gelooft de mens. Met de mond belijdt men, roept men de persoon aan. Het hart gelooft, di. eigent zich de weldaden, de gerechtigheid van Christus toe. Met twee citaten (vss 11-13) bewijst de apostel, dat geloven en aanroepen, di. belijden, voldoende is, en wel voor ieder. En de ene Heer maakt geen onderscheid. Tenslotte nog dit: In vs 5 staat, dat Mozes schrijft. Dat betekent, dat de mens moet lezen. De actie gaat van de mens uit. Maar dat is bij de wet altijd het geval. Maar, vs 6, de gerechtigheid des geloofs spreekt. Dat houdt in, dat de mens luistert. De actie gaat van God uit. De God der vervulling spreekt, of Christus, of de Geest of het N.T. Dat is bedoeld met het spreken van de gerechtigheid des geloofs. Tegenover het oude lezen staat de nieuwe prediking. Tegenover het oude doen staat het nieuwe horen, ontvangen, belijden en geloven. Tegenover de oude wet, tegenover steen en papier, staat het nieuwe evangelie en de mondelinge prediking. Niet de mens benadert God. God heeft de mens benaderd.
Israels schuld 10:14-21
Maar… Israel heeft zeker niet kunnen belijden en geloven, omdat ze nooit van Christus gehoord hebben, omdat Hij er niet gepredikt is, omdat er ook nooit apostelen uitgezonden zijn, hoewel dat wel voorzegd was (citaat)!? De suggestie is natuurlijk, dat het zo niet gegaan is. Maar, vs 16, bijna niemand heeft het evangelie willen gehoorzamen. Jesaja beklaagde zich daar al over. En duidelijk wordt dan in vs 17 positief gezegd, dat het geloof komt uit de tijding en de tijding uit de apostolische prediking. Er zit in al deze citaten een zekere orde. Het citaat van vs 15 sloeg op de (ïï)zending, dat van vs 16 op het geloof, dat van vs 18 slaat dan op het horen, en die van vss 19-21 op het verstaan en begrijpen. Paulus wil hier alles met citaten di. uit Gods woord, bewijzen. En de laatste citaten bestaan uit directe woorden, klachten Gods. Sterker kan het niet. Israel is, vs 19, nog onhandelbaarder dan de heidenen, die onverstandig zijn, maar het desondanks toch aangenomen hebben. Maar hun naijver bewijst weer, dat ze wel weer begrepen waar het om ging. God wendde Zich tot de heidenen, vs 20, hoewel Hij, vs 21, (nog altijd) dingt naar hart en hand van Israel. Maar Israel verstaat nog steeds de eschatologische tijd niet, het laatste der dagen.
Israels plaats en functie in de heilsgeschiedenis 11:1-36
1-10. De heilige rest. Na 9:6,24,27-29 gaat de apostel nu expliciet in op Gods verkiezing van (het ware) Israel. Er is een overblijfsel, een rest, en wel naar de verkiezing der genade. In de praktijk zijn verkiezing en genade één. God verkiest zijn genade. En daarbij gaat het om geloof. En Gods genade en het geloof maken de verkiezing openbaar. Niet God heeft Israel verstoten, maar Israel heeft deze God verstoten. Paulus verwijst dan naarElia en de zevenduizend. Het is altijd zo geweest. Het zijn niet de mensen van geweld, maar van het suizen van een zachte koelte, di. het geheim van woord en geest. Aan de zevenduizend kan men zien, wat iemand tot een echte Israëliet maakt. Er is overeenkomst tussen het buigen voor Baäl en de keuze voor de weg der werken. De apostel laat dan de term verharding vallen, als voor de farao (9:18). Deze is een gave Gods, zegt vs 1:24,26 en 28 waren het de heidenen, die God overgaf aan… Een verharding is dus een consequentie, een voortgaan op de weg met allerlei gevolgen. Met citaten onderbouwt de apostel zijn betoog. De verharding is voorzegd en een gericht. Het tweede citaat is een vloek, waarvan men de delen niet pressen moet, noch aan de apostel rancune toeschrijven. Het is bedoeld als een pastorale waarschuwing in een nog open situatie aan hen, die het oude woord kennen, dat men namelijk niet moet intreden in de rol van vijand Gods. Want dan haalt men alle mogelijke ellende over zich, vgl. Gal. 6:7.
De voorlopige zin van Israels val 11:11-24
Hoe open de situatie wel niet is, leert vs 11. Het is nog maar struikelen. En het is geen struikelen met als opzet en doel hen definitief te laten vallen. Hun misstap betekent echter wel, dat het heil naar de heidenen gegaan is. In zoverre zit er zin in en een doelgerichtheid achter. En het heil moest ook niet verzanden in Israel, niet opgesloten blijven in provincialisme en particularisme. En depraktijk der geschiedenis heeft wel uitgewezen dat dit gevaar niet denkbeeldig was. Vormen en tradities zouden de inhoud en dus ook de hoop van het universeel bedoelde evangelie Gods kunnen verduisteren. Israels verharding leidde dus ook tot de mogelijkheid van het paulinische evangelie, vgl. 1 Kor. 9:19-23! Maar, begint nu vs 12, de kans bestaat dat nu ook Israel in zijn volheid, de ontgrenzing en de heerlijkheid der nieuwe bedeling ziet. Wat zou de apostel gaarne daaraan meewerken! Hun aanneming zou zich verhouden tot de verwerping, als de opstanding tot het kruis (vgl. 5:10). Het zal het einde der dagen met zich meebrengen (vgl. vss 25-26), want meer dan de volheid van vs 12 en die van vs 25 is er niet. In de nu volgende vss wordt aan het beeld van eerstelingen en deeg, wortel en takken de verhouding van Israel en de heidenen duidelijk gemaakt. Het heil is blijvend uit de Joden, vgl. Joh. 4:22. Heel Israel is qua afkomst heilig. De heidenen moeten zich niets verbeelden. Indien er al takken uit weggebroken werden, kwam dat door ongeloof. Wie staat ziet toe dat hij niet valle! En als Israel zich bekeert, kan God berouw hebben, en op oud ijs vriest het licht. Paulus allegoriseert hier. In werkelijkheid gaat het in olijfgaarden niet geheel zo toe.
Israels behoud 11:25-36
Wat de apostel in vs 12 als reële mogelijkheid oppert, wordt nu als geheimenis Gods verkondigd. Met zo’n geheimenis, letterlijk mysterie, wordt bedoeld, dat iets in Gods Raad vaststaat, nu nog verborgen is, een geheimenis, maar dat het als zodanig zeker (tot openbaring) zal komen. Het is dan Gods plan, dat de volheid van de heidenen de volheid (vs 12) van Israel met zich mee zal brengen. Onder gans Israel zal de apostel verstaan, dat, naar Gods Raad, uit een praktisch onaanzienlijke rest van Israel, onder de indruk van Gods werk onder de heidenen, nog een groot volk zal groeien en toegebracht worden. Dat laatste is ook voorzegd. Vs 28 stelt dan nogmaals, dat God Israel een moment verworpen heeft om de evangelie-verkondiging naar de heidenen mogelijk te maken, maar ze blijven Gods geliefden vanwege de verkiezing der vaderen, vgl. 9:4-5. De wegen Gods zijn zo door God besteld, dat Hij eenmaal aller God zal zijn. Er zit een zekere logica in de geschiedenis, een zekere dialectiek. De twee zonen Gods horen onlosmakelijk bij elkaar en moeten zich daar rekenschap van geven ook. Met een grote lofverheffing, vss 33-36, eindigt de apostel. Hij spreekt daarin zijn vertrouwen uit op een ondoorgrondelijke en souvereine Here God.
Christendom in de praktijk 12:1-15:13
Nu volgt, wat men wel noemt het paraenetische deel van de brief. Paraenese betekent vermaning. Beter nog is de term paraklese of aansporing. Want daaruit blijkt nog meer, dat het gebod voortvloeit uit de gave en ook daardoor concreet mogelijk wordt gemaakt. Het evangelie wil gestalte aannemen in de levens, lichamen zegt de apostel, der christenen. Niet op zijn plaats is hier de term wet zonder meer, vgl. 1 Kor. 9:21; Gal. 6:2,16. Teruggrijpend op Rom. 8:2 zou men misschien kunnen spreken van de wet van de Geest des levens. Duidelijk moet echter wel zijn dat het gaat om uit liefde het goede te werken. Ook moet men bedenken, dat niet eerst hier de heiliging ter sprake komt, vgl. Rom. 6 en 8:1-11, hooguit een concretiseren en vullen van de heiliging. Heiliging wil immers niets meer of minder aangeven, dan dat men hèt eigendom is van God in Christus door de Geest. Ze is de duur der rechtvaardiging, de rechtvaardiging op den duur. Men kan ook denken aan de gemeente als lichaam van Christus. Wat de apostel nu beoogt is, dat men moet willen worden, wat men is en openbaren wat men heeft. Zou men 12:1 – 15:13 willen samenvatten in één woord dan zou zich de term liefde aanbevelen. Zij is de meeste, naar 1 Kor. 13, en de verschijningsvorm van de Heilige Geest, en in Rom. 13 de essentie van wat de wet ooit bedoelde. En alle gaven (12:3-8), alle uitingen (12:9-21), de gevraagde publiek-rechterüjke loyaliteit (13:1-7), ja alle geboden (13:8-14) en tenslotte, naar Gal. 6:2, ook het dragen van elkanders lasten (14:1 – 15:13) zijn bedoeld als symptomen der liefde, en kunnen gevraagd en verwacht worden van geestelijke mensen (Gal. 6:1-2,8).
1-2 fungeert als opschrift. Heel het evangelie van het voorafgaande wordt samengevat met de term de barmhartigheden Gods, de gunstbewijzen des Herén aan Jood en heiden. Deze nu moeten het mogelijk maken om nu eigen leven Gode ter beschikking te stellen, ten offer te brengen in één grote eredienst. Daarin is men dan totaal verschillend van deze wereld. Men kan er niet genoeg de aandacht op vestigen, dat de apostel hier alle nadruk legt op de toeëigening van de hele persoon aan God. Het gaat om een: met geheel uw hart, ziel, verstand en alle krachten, terwijl deze mens dan zelf per situatie moet beoordelen, wat hij concreet moet doen (vgl. Filp. 1:9-10!). 3-8. Hier richt zich de apostel wel met name tot de zgn. pneumatici, de mensen van de Geest (pneuma), de cha-rismatici, de mensen van de geestesgaven (charismata). In 1 Kor. 12 en 14 worden ze heel aanschouwelijk beschreven. Hun verzoeking lag in zelfverheffing en individualisme, in een miskenning van het kruis en de daarbijbehorende theologie en zelfgevoel. Tegen en voor hen schreef Paulus, behalve 2 Kor. in zijn geheel, 1 Kor. 13, het hooglied der liefde, door iemand gekarakteriseerd als het hoofdstuk van de gekruiste christen. Hebben is nog geen zijn. Zo maant vs 3 tot bescheidenheid, vss 4-5 slaan op de kerk als lichaam van Christus, wat doelt op eenheid én onderlinge afhankelijkheid en dienst. Vss 6-8 noemen dan de gevarieerde gaven van de Geest, die uit diensten bestaan. Daarbij moet de profetie – wij zouden zeggen de preek – zich houden aan de belijdenis. Opvallend is het gewone van de gaven in deze reeks. Hoe anders 1 Kor. 12 en 14 waar het extatische en buitengewone zo’n grote rol speelt.
9-21. Deze verzen zijn een soort parallel van 1 Kor. 13, en misschien ook wel van stukken uit de Bergrede. Dat zou nog duidelijker zijn, als het beroemde Rom. 13:1-7 ‘Eert de Overheid’ niet hier stond. Want dan zou na 12: 21 direct 13:8 over de liefde als samenvatting der wet volgen. Stilistisch valt Rom. 13:1-7 uit verband en toon, is een stuk op zich en gemakkelijk te isoleren. De apostel moet wel een heel speciale reden gehad hebben om dit onderwerp hier in te lassen. Was de teneur van vss 3-8 ietwat negatief en intomend, de toon van vss 9-21 tendeert naar het passieve, deemoedige en verdraagzame.
Bijna constant gaat het dan over de menselijke relaties, en niet over zonden of deugden. Zo moet de onderlinge liefde, vs 9, eerlijk zijn en niet gespeeld en niet ergens om. En met het kwade is niet het kwade in het algemeen bedoeld maar, net als in het afsluitende vers 21, dat wat onderlinge verhoudingen schaadt zoals prestige, gelijkhebberigheid, lichtgeraaktheid, wraakzucht e.d. Kwaad is de tegenpool der liefde van 1 Kor. 13, en relationeel (vgl. Luc. 16:9). Het is dat wat het lichaam van Christus in ontbinding doet overgaan en doodt, de liefde doodt. Goed is, wat dient tot opbouw van datzelfde lichaam. Liefde is goed. In Rom. 14 en 15 zal Paulus dat thematisch behandelen. Het meeste spreekt dan voor zich. Met het eenvoudige van vs 16 is bedoeld, dat men de dag der kleine dingen niet verachten moet (vgl. Zach. 4:10). Het zijn de kleine dingen die het doen. Het zo mogelijk van vs 18 slaat op de omstandigheid, dat men van niet-chris-tenen niet altijd hetzelfde verwachten kan als van broeders. En met de toorn van vs 19 is het oordeel Gods bedoeld, dat de kleine mens niet aan zich mag trekken. De vurige kolen van vs 20 maken het noch de vijand noch de uitlegger gemakkelijk. Het kan iemand tot beschaming en inkeer brengen, maar oorspronkelijk is het wel een acte van gericht en misschien is de liefde dat ook wel. En vs 21 betekent: Wie zichzelf overwint is sterker dan die een stad inneemt (vgl. Spr. 16:32).
Eert de overheid 13:1-7
Waarom onderbrak de apostel zijn betoog over liefde en deemoed – 13:8 sluit direct aan op 12:21 – en brengt hij hier de instelling van de christen tov. de overheid ter sprake? Het antwoord zal wel zijn, dat de christen, de pneumatische mens (pneuma is Geest) de relatie tot de overheid, heidense overheid ook nog in dit geval (Nero!), principieel niet onder zijn relaties opnam. Men vermoedt wel, dat de apostel zich hier keert tegen een vorm van dweperij, tegen wat men later wel doperse tendenzen heeft genoemd. De Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft apart een art. 36 om aan te geven, dat men loyale burgers wezen wil en niet op een of andere, directe of indirecte wijze, staats-ondermijnend werken. Hierbij zal de liefde van de apostel voor de overheid wel niet de grootste rol gespeeld hebben, maar wel zijn vrees voor deformatie van het christelijk geloof. Waar het hem om ging was een universeel en katholiek christendom. Het leven van de christen bestaat niet alleen uit persoonlijke relaties en zelfs niet uit het samen kerk zijn, maar ook uit deelname aan het openbare leven. Men moet God geven wat God en de keizer wat de keizer toekomt. Er zijn twee rijken. Dit wil niet zeggen, dat men uit deze verzen meteen een complete staatsleer halen kan én ook niet dat hier een tijdloos gehoorzaamheidsgebod gegeven wordt. De spits van Paulus’ betoog is gericht tegen christenen die zich te goed, alreeds te hemels, te geestelijk waanden voor veel van het aardse. Dit kan ontaarden in libertinisme (losbandigheid) of leiden tot revolutie of ook tot ascese di. wereldmijding. Daartegenover ziet de apostel de christen bezig in het leven van alledag. De christen is nergens te goed voor. Hij is ook aan de gewone wetten onderworpen. Hij leeft niet voor zich, niet in een splendid isolation. Ook hij moet belasting betalen. Hij moet met beide benen op de begane grond staan. Elders zegt deze apostel: Wie niet werkt, zal ook niet eten en Wijst de on-geregelden terecht. Men zij dus uiterst voorzichtig met de toepassing. Een fraaie parallel en ook uitleg van onze verzen vindt men in 1 Petr. 2:13-17. Men wekt immers maar al te gauw de indruk, dat men voor zichzelf op pad is of dat de kerk voor zichzelf beginnen wil. Daartegen komt de apostel ook in het geweer in 1 Kor. 14:33-39 en in het meestal slecht begrepen 1 Kor. 7:17-24. Ook het lichaam van Christus is niet van deze wereld, hoewel wel in de wereld. Het christelijk geloof valt niet samen met enige vorm van idealisme, en moet daarvan principieel onderscheiden.
Wat dan de details van Rom. 13:1-7 betreft: Met het zwaard van vs 4 is de toenmalige bevoegdheid van de overheid tot de doodstraf bedoeld, wat niet moet opgevat als tijdloos pleidooi van de apostel voor de doodstraf. Met het geweten van vs 5 is bedoeld, dat men immers weet, dat het God is, die in principe elke overheid heeft gesteld. In vss 6-7 staat, dat men hier een en ander verschuldigd is, een woord dat veelzeggend in vs 8 terugkeert. Het is een parallel van Mar. 12:17: Geeft dan de keizer, wat des keizers is. Zelfs nog in Op. 13, waar het ook over de overheid gaat, kan men nog de principiële erkenning der overheid waarnemen. Veelal bestaat er echter als het om de toepassing van dit principe gaat enig verschil van inzicht tussen luthersen en calvinisten.
Samenvatting der aansporingen 13:8-14
In vs 8 wordt, als men het huidige verband met het voorafgaande honoreert, de term schuldig zijn van vs 7 herhaald. Bedoeld is dan dat de mens der liefde, di. de waarlijk pneumatische (geestelijke) mens, eigenlijk automatisch en spontaan in alle verhoudingen en relaties de juiste dingen doet, omdat hij de ware mens is, die niet meer voor zichzelf op pad is (vgl. 8:4-9). Zo moet men willen zijn. In 14:23 zal de apostel deze instelling uitdrukken als: En al wat niet uit geloof is, is zonde. Alle nadruk moet dan ook, als het gaat om het verstaan van vss 8-10, vallen. Niet op wat men de ander doet (want men heeft (vs 8) het al gedaan), want de liefde is niet een gebod onder de geboden (oa.), maar op wat en wie men is. Men moet de begrippen liefde en Geest dicht bij elkaar houden en met elkaar verbinden als twee naturen. De wet vervullen (vol maken) is ook nog wat anders en meer dan de geboden doenvgl. 8:4! Alleen daarom ook kan er gezegd in vs 9, dat de geboden kunnen en worden samengevat, onder één noemer gebracht. En treffend formuleert vs 10, dat de liefde de naaste geen kwaad doet, waarmee weer gezegd wil zijn, dat kwaad (evenals liefde) geen ding, geen substantie is, maar in relatie-zijn is en dan functioneert. Kwaad verbreekt alle verbonden en werpt de mens als eenzame willens en wetens terug op zichzelf. Uiteraard doet de liefde de naaste geen kwaad, want daar is men de mens niet meer naar. Goed en kwaad zijn begrippen en grootheden, die aan de wet der geboden voorafgaan, een apriori.
In vss 11-14 komen een aantal vermaningen voor, die ook elders bij Paulus wel te vinden zijn. Hier aan het einde van Rom. 13 hebben ze een heel speciale functie. De liefde is namelijk geen principe op zich, geen tijdloos axioma, en het christelijk geloof is meer dan een geloof. Deze verzen halen het christendom uit de sfeer van menselijke principes, en maken het historisch. Hier wordt namelijk de christen betrokken in de strijd tussen de twee rijken, en wel in de eindtijd. De christen is de eschatologische (di. de laatste en nieuwe) mens en hij is betrokken in de apokalyptische strijd der machten. De nacht, waarmee slaap correspondeert, staat met haar werken der duisternis tegenover de dag. En de christen moet Christus aandoen, werkelijk lichaam van Christus zijn, maw. het is in zekere zin werkelijk Christus, die in de eindstrijd gewikkeld is met de machten der duisternis, die tenslotte, op menselijk niveau, weer samenvattend vlees worden genoemd (vgl. 8:1-11). Men is dus niet christen uit vrije wil of eigenmachtigheid. Dat zou ook vlees zijn. Een mens is in dienst, en zijn levensopenbaring – slaat vs 13 op het beruchte romeinse nachtleven? – geeft aan in wiens dienst, en hoe men de tijd verstaat (vgl. 1 Joh. 2: 15-17). Men vertale vs 14 aldus: en geeft niet langer toe aan wat het vlees wil met al zijn begeerten di. leef en streef niet langer naar de oude mens, die alleen maar om zichzelf denkt.
En de meeste is de liefde 14:1-15:13
Hier nu komt thematisch aan de orde, dat goed is wat tot onderlinge opbouw dient; goed is liefde. Maar het is (weer) niet de menselijke liefde als deugd onder andere, want het betreft de opbouw van het lichaam van Christus. En de mensen zijn maar geen mensen, doch leden van dat lichaam, onderdanen van een Here. Deze liefde is een gestalte van de Geest. Concrete aanleiding is het onderling verschillende inzicht in wat mag of niet mag. De een was vegetariër en onderhield bepaalde heilige dagen, terwijl de ander dat principieel juist niet meende te moeten doen. Of dit te maken heeft met joodse achtergronden van sommigen? Dat kan, maar hoeft niet. In Korinthe had men ook dergelijke verschillen (vgl. 1 Kor. 8:7; 10:32). Maar nog meer dan daar legt hier de apostel nadruk op de kerk als kerk, en waar hij in 1 Kor. 8 en 10 met het begrip geweten werkt, gebruikt hij hier de term geloof. Het verschil is, dat geloof objectiever wil zijn en rationeler is, dan het meer op het individu betrokken geweten. Het geloof s betrokken op Christus (14:4) op het Koninkrijk Gods (14:17), op het werk Gods in deze wereld (14:20) en op de eer van God (15:6-13). Ook in de voorafgaande vermaningen had de apostel het toegespitst op de liefde, maar daar bestond de aanleiding toch meer in het zakelijke in de onderlinge verhoudingen; het ging om de besteding van ieders gaven en talenten in onderlinge dienst (12:3-8) of om de praktijk der liefde in de onderlinge verhoudingen. Het ging daar maw. meer om dingen, en de geboden van de apostel worden op stellige toon gegeven. Maar in 14:1-15:13 gaat het meer om het elkaar accepteren als mensen. Men kan hier spreken van verschil in ligging (pluraliteit), of ook van pluralisme of zelfs van polarisering. Het gaat hier eigenlijk om het verschil van kerk en secte. Het onderscheid kan men als volgt aangeven: Een kerk berust op de verkiezing van God. Haar eenheid ligt in Christus, in de ene Here, het ene geloof, de ene doop, vgl. Ef. 4:1-6. Dan is het God, die verschillende mensen in één lichaam voegt, in één kerk samenbrengt, in één bank plaatst. Een secte berust (meer) op een menselijke verkiezing van onderling gelijk gezinden en gelijk denkenden. De toon van de apostel is mild, op het hart aan. Hij wil overtuigen. Hij wil vón het geweten nóór het geloof. Zijn persoonlijke sympathie (Rom. 15.T) kon wel eens uitgaan naar de visie der sterken. Maar de apostel verloochent hier zichzelf (vgl. 1 Kor. 8:13; Rom. 14:21), want wat op zichzelf goed is, is niet goed meer, als het afbreuk doet aan de gemeente (14:22a!). Men kan dus niet licht teveel nadruk leggen op het relatieve en relationele van geloof, hoop en liefde. Zonder het aan de komende Here gebondene van de hoop en zonder het aan de naaste gebondene der liefde verwordt het geloof tot een eenzame, egoïstische, verschraalde, verstandelijke abstractie en verliezen de Schriften hun functie van vrijs te kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus (2 Tim. 3:15). Er zit enige orde in de opbouw van het betoog: 14:1-12 leggen de nadruk op de gebondenheid aan de ene Heer.
14:13-23 op de gebondenheid aan elkaar in één gemeente, waarin ieder tenslotte voor zich in het geloof absoluut gebonden is aan de ene Here, terwijl 15:1-13 het ware geloof (van 14:23) nader inkaderen.
De éne Here 14 :1-12
De inzet van vs 1 (vgl. 15:7!) is typisch verschillend van die in 1 Kor. 8:1 en 10:23. Hier echter is de mens, de gemeente hoofdzaak en de zaak is slechts aanleiding tot een principieel betoog van de apostel over wat een geméénte is. Daarom weten we ook weinig van de concrete achtergronden van het verschil in visie; we weten ook niet hoeveel de apostel wist van concrete omstandigheden van de romeinse christenen en hoeveel hij ahw. meebrengt van zijn opgedane ervaringen elders. Het is ook eigenlijk zo, dat deze problemen altijd voorkomen. Er zullen altijd verschillen van inzicht zijn. Er zal altijd sprake zijn van liefdeloze sterken en veroordelende zwakken. Niet ieder trekt uit zijn geloof dezelfde consequenties. Dat is ook niet zo belangrijk. Misschien mag men stellen dat hier zakelijk iets als saecularisatie (vs 2) in het geding is. Maar (zelfs) deze is ondergeschikt aan het Koninkrijk Gods (vs 17). Verder stelt vs 1, dat men eindeloze discussies vermijden moet en dat een mens het onderling beoordelen niet opgedragen is (vgl. 1 Kor. 4:4-5; Mat. 7:1-5), want de ene mens is niet heer over de andere (vs 4). Bekend doch misbruikt is vs 5: Ieder zij voor zijn eigen beseften volle overtuigd. Want de nadruk ligt niet op toegestane individualiteit, maar op de zekerheid (vgl. 14:23) in een en ander de Hére te dienen. Zo legt vs 6-9 vs 5 dan ook uit. Ook vs 8 wordt in de praktijk maar al te vaak los gezien van vs 9 en voor troost aangezien, wat als dienst bedoeld is.
De éne kerk 14:13-23
Paulus spreekt hier met name de sterken toe. Men kan van hen meer vragen. Het is voor hen geen gewetenszaak, zoals voor de anderen. Met het aanstoot of ergernis geven van vs 13 en met het gegriefd worden van vs 15, wordt bedoeld dat door het gedrag van de een de ander voorgoed ten val kan worden gebracht, waarover Mat. 18:1-11 een hard oordeel uitspreekt. Men moet geen levensstijl introduceren of etaleren, die een broeder of zuster overhaalt tot een manier van leven, die hun hun geloof, hun Here kost. Is spijs de kerk waard (vs 17)? In vs20-22 wordt afgerekend met elk abstract intellectualistisch individualisme. Goed is, wat christelijk (vs 15) is en redt (vs 21). Hier rechtvaardigt ahw. niet het geloof (vs 20b) doch de liefde (vs 18). In vs 22 wordt een bepaald persoonlijk vrijmoedig geloof naar de binnenkamer verwezen, vgl. ook 1 Kor. 14:2,4,28, al acht de apostel deze mens voor zich een gelukkig mens, terwijl het voor die ander vaak maar tobben blijft. In vs 23 gaat het tenslotte over een tweede verderfelijk pluralisme en wel in het hart van een en dezelfde gelovige, die twijfelt, die letterlijk, inwendig verdeeld is bij wat hij doet. Zo iemand verdeelt aandacht en dienst tussen twee heren, en heeft zichzelf daarmee reeds veroordeeld, want niemand kan twee heren dienen. En al wat niet uit geloof is, di. niet in directe exclusieve dienstbaarheid (vgl. vs 18) aan de ene Here gedaan wordt, is zonde. Sterker kan het relationele van geloven en zondigen moeilijk uitgedrukt. Hier mag een slaaf zich niet (willen) emanciperen, of hij is geen slaaf meer van Christus, maar bezig voor zichzelf te beginnen (vgl. 1 Kor. 7:17-24).
Het ware geloof 15:1-13
Het eerste woord van vs 1 is veelzeggend: Schuldig zijn we. We moeten (vgl. 13:7 en 81). Driemaal staat in vs 1 en 2 de term behagen. Vanaf vs 3 komt Christus als voorbeeld voor. Dat komt zelden voor. Bekend zijn Filp. 2:6 en 1 Petr. 2:21. Maar de navolging is nooit een zelfstandig onderwerp. Het is altijd in het grotere raam van het Christus-voor-ons, 1 Petr. 2:21,24, wij in Christus, Filp. 2:1. Dan pas is Christus ooit voorbeeld. Christus is voorbeeld voor wie al lichaam van Christus zijn. Niet zijn voorbeeld maakt Hem tot onze Here. Dat is ook de bedoeling hier van vs 5, waar eigenlijk staat: in overeenstemming met Christus Jezus, en vs 7, waar Christus’ werk eerst ons omvat heeft. Wat nu deze vss over het ware geloof willen zeggen is, dat het geloven van de mensen in hun kwaliteit als (of in het) lichaam van Christus, in overeenstemming moet zijn met (het lichaam van) Christus. Dat kan immers niet van elkaar verschillen! De Here heeft zich toch niet voor de slaaf gegeven, hem zich ten eigendom verworven, opdat deze eigen wegen zou gaan? In vs 1 worden met name de sterken als beeld van Christus gezien. En eigenlijk staat er ook niet dat de sterken de zwakken ver-dragen moeten, maar dragen! Vgl. Gal. 6:2. Dat is voor hen de draag-wijdte van het geloven in Christus. Bedoeld is dan dus, dat geloven niet iets neutraals is, maar dat al wie Christus hier niet gelijk wordt, zondigt, want hij plaatst zich buiten het lichaam van Christus, en opereert dus alleen en eenzaam. Wel wordt gesuggereerd, dat deze navolging van Christus een vernedering is en offers vraagt. Maar zo is de weg van de ware vrome naar de Schriften altijd al geweest. Hebben overigens de zwakken de sterken zo smadelijk veroordeeld! Maar dan wordt intussen aan de zwakken wel een spiegel voorgehouden! Nota bene de sterken in de rol van Christus! En wie de sterken, die juist hun vrijmoedigheid ontlenen aan het alomvattende werk van Christus (vgl. Kol. 1:20 een 2:16-23), smaadt, smaadt daarmee hun Verlosser. En Christus deed dat alles ter ere Gods! Dus…! Vs 7 vat samen en vss 8 en 9a wijzen op Christus’ werk, waarin Hij Gods trouw jegens Israel bevestigde en Gods barmhartigheid tov. de heidenen belichaamde, waardoor de goddeloze heidenen mede in Gods verbond werden opgenomen. Dit laatste, Gods barmhartigheid, is het grote wonder, waarom God te loven is, waarvan drie citaten. Moge dat alles, besluit dan vs 13, het leven der gemeente beheersen!
Slot van de brief 15:14-16:27
Zelfverantwoording van de apostel 15:14-21
Deze vss sluiten direct aan aan de inleiding in 1:8-15. Paulus honoreert de zelfstandigheid der gemeente, vs 14, doch had anderzijds, vss 15- het kader van zijn apostelschap onder (alle) de heidenen, toch ook een boodschap aan de gemeente te Rome. Hij had hen nodig in dat grote geheel, en zij hadden, naar de gedachte van Paulus, hem nodig, al was het alleen maar ter integratie van de romeinse gemeente(n) onderling en in wereldver-band. Paulus beschrijft dan zichzelf in vs 16 als priesterliturg, die, door middel van het evangelie, de heidenen God als offergave aanbiedt. Zo wordt de hele wereld weer Gods eigendom. Zakelijk bestaat dat uit degeAoor-zaamheid der heidenen, die daarmee Gods onderdanen willen zijn. Dat is een werk van de Geest, die innerlijk beslag legt. In wezen is de apostel een veldheer, vgl. Mat. 28:18-19, die steeds nieuwe gebieden aan het rijk toevoegt (vss 19-21), daarmee de Schrift vervullend.
Reisplan van de apostel 15:22-33
Op weg naar Spanje wil de apostel nu ook (eindelijk) Rome bezoeken en deze gemeente maken tot nieuwe basis voor het verdere zendingswerk. Daarbij zou hij een beroep willen doen op hen wat betreft geld en middelen en mensen. Maar eerst moet hij naar Jeruzalem, het oude thuisfront, want ook naar die kant moet de oecumene bewaard. Daarvan is de collecte het bewijs. Deze is een gave van de heidengemeenten als teken van dankbaarheid. Maar ze moet ook aanvaard als symptoom van solidariteit. Maar de apostel vreest het ergste. De Joden in Palestina zijn zijn doodsvijanden en de houding der joods-christelijke gemeente is onzeker. De apostel wordt niet begrepen of ook miskend. En een breuk in de universaliteit van die kant (vgl. 11:16) zou voor de kerk onoverzienbare gevolgen hebben. In Hand. 20:22; 21:1014; 21:17-36 en ook daarna staat een en ander over de toestand in Palestina en Paulus’ ervaringen aldaar. En de kerkgeschiedenis toont de breuk. De kerk is nooit geworden wat Paulus voor ogen stond: Kwantitatief en kwalitatief de wereldkerk.
Aanbeveling en groeten 16:1-16
De veelheid van groeten aan een de apostel persoonlijk onbekende gemeente wekt enige bevreemding, maar kan worden verklaard uit de omstandigheid, dat Paulus alle persoonlijke relaties, elders opgebouwd in de loop der jaren, noemt en benut. Waarschijnlijk is Fébe, vss 1-2, de overbrengster der brief. Ze wordt betiteld als diaken, waarmee hier wel eens het ambt, vgl. Filp. 1:1, kan worden bedoeld, hoewel anderen er niet meer in zien dan een algemene aanduiding: dienares. In vss 2-16 worden allerlei personen en groepen gegroet. De opsomming kan verband houden met het feit dat de gemeente bestond uit misschien wel dertien of veertien (huis-)gemeenten. Velenamen doen denken aan (vrijgelaten) slaven. Bij Rufus denkt men nogal eens aan Mar. 15:21. Vs 16 noemt de heilige kus, een liturgische handeling, (vgl. 1 Kor. 16:20; Kor. 13:12; 1 Thess. 5:26).
Een waarschuwing tegen verleiders 16:17-20
Waarschijnlijk eigenhandig, vgl. vs 22 en 1 Kor. 16:21-24 en Gal. 6:11-16, bezweert de apostel de broeders zich niet van de wijs te laten brengen door mensen die onder schone leuzen toch uiteindelijk zichzelf dienen (vgl. Gal. 6: 11-16). Van de gemeente wordt dus wel oordeel des onderscheids, vs 19, verwacht, vgl. 1 Tess. 5:19-21; 1 Joh. 4:11. Als men Filp. 3:18-19 en 2 Kor. 11:13-15 erbij betrekt, is men geneigd te denken aan agitatie van joodse zijde of misschien aan mensen van het slag, genoemd in 1 Kor. 6:12-20, de zgn. libertinisten (vrijgeesten). Het ligt er maar aan wat de apostel verstaat onder het dienen van eigen buik. Het is een uitdrukking, die in elk geval het uitermate vleselijke van iets of iemand onder woorden brengt, vgl. ook Kol. 2:18,23. Zowel ascese (wereldmij-ding) en spijsgeboden als ook libertinisme getuigen van een vleselijke instelling. Gezien de felheid van de apostel (vgl. Galaten) en de karakterisering van sommige christenen als argeloos ten opzichte van schoonklinkende en vrome taal zou men wellicht het best kunnen denken aan een zekere joodse propaganda.
Groeten van medewerkers 16:21-24
Net als 1 Kor. (vgl. 16:21) en Gal. (vgl. 6:11) is ook Rom. door Paulus aan een secretaris gedicteerd.
Een lofverheffing 16:25-27
Met een lofverheffing, ook wel doxologie genoemd, vgl. het slot van het Onze Vader (Mat. 6:13b), wordt de brief besloten. In deze brief is Gods heilsplan, voor alle volken, Gods geheimenis, als gekomen en gerealiseerd geëvangeliseerd: De gerechtigheid Gods (1:16-17).