Rug
schouder, nek (hardnekkigheid), hals (halsstarrigheid)
Af en toe gebeurt het dat een menigte bewust met de rug naar iemand toe gaat staan. Vaak is die iemand een leider met wie deze mensen grondig van mening verschillen. Zij drukken met dat gebaar hun groot ongenoegen uit over het beleid van die persoon. Sterker, in dit gebaar uiten zij hun verachting voor hem of haar. Het innerlijk verzet wordt zichtbaar in het uiterlijk gebaar van de toegekeerde rug. Ziehier een van de vele voorbeelden van de rug- en schoudersymboliek. Verweven daarmee is de symboliek van nek en hals, zoals die schuil gaat achter de woorden hardnekkigheid en halsstarrigheid.
Deze symboliek is, zo zullen we zien, de bijbel niet vreemd. Meestal verkeert zij in de context van onderdrukking en heerschappij, met de tegenovergestelde begrippen bevrijding en dienstbaarheid.
Grondtekst
Voor ‘rug’ kent het Oude Testament meerdere woorden. Het belangrijkste is katef (67x); het kan zowel ‘rug, schouder’ (1 Sam. 17:6, mens; Jes. 30:6, dier) als ‘zijkant, bergwand’ betekenen (Ez. 25:9; 47:1-2). Daarnaast zien we gav (Ez. 10:12; Ps. 129:3; Dan. 7:6, dier); mogelijk is er een verband met gbb, ‘oprapen, dragen’; gaw (1 Kon. 14:9; Ex. 23:35; Neh. 9:26); gew(ah) (Jes. 50:6; Job 20:25; 41:7; Spr. 14:3 onzeker); met jarkah is primair ‘achterzijde, achterste deel’ van iets bedoeld, in Genesis 49:13 duidt het de achterzijde van de stam Zebulon. Het Hebreeuwse sjekèm (22x) geeft het bovenste gedeelte van de rug aan en kan zowel met ‘schouder’ als met ‘rug’ vertaald worden; toentertijd bestond er nauwelijks onderscheid tussen beide (zie Joz. 4:5; Ps. 21:13). Het verwante werkwoord houdt in: ‘vroeg iets doen, vroeg opstaan’, wat duidtop het zadelen van de (last)dieren. Ook kan sjekèm op een bergrug doelen (Gen. 48:22). De uitdrukking sjekèm ‘èchad, ‘één (van) schouder’, verschijnt alleen in Sefanja 3:9, wat eendracht aangeeft (vgl. ‘één mond’ en één hart in respectievelijk 1 Kon. 22:13 en Jer. 32:39). De overgang van schouder en rug naar hals en nek is vloeiend. Het Hebreeuws heeft drie woorden voor de laatste lichaamsdelen: ‘orèf (33x), van dier (Ex. 13:13) en mens (Jer. 2:27), soms als deel van het woord voor ‘hardnekkigheid, halsstarrigheid’ (Ex. 32:9; 2 Kon. 17:14-15); tsaw-war (41x), ook van dier (Richt. 8:21, 26) en mens (Gen. 27:16), vaak verbonden met ‘juk’ (zie de aparte bespreking daarvan elders). Het woord gargarot, aanvankelijk meer het ‘keelgebied’, komen we alleen in Spreuken tegen (1:9; 3:3,22; 6:21), steeds in relatie met sieraad als metafoor voor Tora en wijsheid.
Het Nieuwe Testament geeft een beperkter beeld van het gebruik van rug, schouder, hals en nek. Slechts lx verschijnt nootos, ‘rug’ (Rom. 11:10, een citaat uit Ps. 69). Eveneens komt het voor in het Testament van Issakar (5:3) en in Josefus’ Joodse Geschiedenis (XII, 338, 424) en in het latere geschrift Barnabas (5:14, citaat uit Jes. 50:6-7). Van de ‘schouder’, hoomos, spreekt Matteüs 23:4 (van het volk) en Lucas 15:5 (van de herder). De trachèlos is de ‘hals, nek’ (Mat. 18:6 en de parallelteksten Mar. 9:42 en Lucas 15:20; Hand. 15:10; 20:37; Rom. 16:4). Daarnaast in Barnabas 3:2 (citaat uit Jes. 58:45) en 9:5 (citaat uit Deut. 10:16). Zie voorts sklè-rotrachèlos, ‘hardnekkigheid’, in Handelingen 7:51 (vgl. 1 Clemens 53:3).
Letterlijk en concreet
a.Rug en schouders zijn in het dagelijkse leven bovenal de lichaamsdelen die iets dragen of verplaatsen: wapens (1 Sam. 17:6), brood en water (Gen. 21:14), gereedschap (Ex. 12:34), kruiken (Gen. 24:15), hout (Gen. 22:6) en zoveel andere voorwerpen. Heilige voorwerpen, ook de zwaardere, neemt men op de schouders uit eerbied voor het bijzondere dat erdoor wordt uitgebeeld (Num. 7:9; 1 Kron. 15:15). Ook het dragen van mensen door mensen, wat op sommige plekken in de wereld nog plaatsvindt, is een uiting van respect voor de gedragen persoon (Jes. 49:22). Dieren, vooral ezels en kamelen, dienen als lastdier van de mens, zodat deze zich gemakkelijker kan verplaatsen (Jes. 30:6).
b.Een van de straffen in het oude Nabije Oosten is de geseling, waarvan de rug het object is. Zij bezorgt de rug wonden en striemen, wat heel pijnlijk is (Spr. 10:13; Jes. 51:23). Mensen met een gebochelde of verkromde rug gelden als minderwaardig en zelfs verachtelijk (Ps. 38:7; Luc. 13:11). Zo komen mannen met misvormde rug niet in aanmerking voor het priesterschap.
c.Wanneer twee mensen elkaar intiem willen begroeten, vallen ze elkaar om de hals (Gen. 45:14; Luc. 15:20). Aan de hals dragen vrouwen sieraden, wat hen nog aantrekkelijker maakt (Hoogl. 1:10). Ook de hals van dieren bevat soms versierselen (Richt. 8:21-26), vaak uit religieuze motieven. Bijvoorbeeld om lawaai voort te brengen waardoor kwade geesten op de vlucht slaan. Gevangenen worden wel door middel van een band aan de nek weggevoerd (Jes. 52:2).
Beeldspraak en symboliek
a.In de bijbelse verhalen wordt meer dan eens de tegenstelling gebogen-opgericht, krom-rechtop verwerkt. Telkens gebeurt het weer dat mensen dusdanig geknecht en gekneveld worden dat zij krom groeien. In letterlijke, maar vooral ook in psychische zin. De gekromde rug symboliseert de mens of groep die niet langer staande kan blijven; zijn of haar macht is geknakt. Soms spreken gelovigen de wens uit dat iemands rug krom zal groeien, opdat aan zijn heerschappij een einde komt (vgl. Ps. 69:24; Rom. 11:10). De dichter van Psalm 38 roept wanhopig uit: ‘…ik ben gebogen, zeer diep gebukt, ik ga de gehele dag in het zwart’ (vs. 7). Zijn enige hoop is de Heer, die zijn leven kan helen, dat wil zeggen, die hem kan bevrijden van zijn vijanden. Met dit beeld drukt hij zijn hevig lijden uit. Onze gedachten gaan ook uit naar de verkromde vrouw in de synagoge (Luc. 13:10-17). Achttien jaar lijdt zij. Achttien jaar? Werd Israël niet in het achttiende jaar verlost van het juk der volkeren en vierde het in het achttiende jaar van Josia niet opnieuw het paasfeest (Richt. 3:4; 10:8; 2 Kon. 23:23)? Dat zou kunnen inhouden dat deze vrouw, die dochter van Abraham wordt genoemd, beeld van Israël is! Wie richt deze vrouw op? Wie doet Israël opstaan? Jezus spreekt een woord van bevrijding en legt haar de handen op, en terstond richt zij zich op (vs. 13). De vrouw staat zelf op, na Jezus’ spreken en aanraking. Met deze daad zet Jezus het werk van de Heer voort, want, zo bezingen de dichters van weleer, de Heer richt de gebogenen op (Ps. 145:14; 146:8). Zie ook ‘vinger’, B-b.
b.Een van de sprekendste beelden is dat van de dragende rug en schouders. Overbekend maar altijd weer treffend is de herder die op zoek gaat naar het verloren schaap; nadat hij het heeft gevonden, neemt hij het op de schouders en brengt het terug naar veilige oorden (Luc. 15:5). De beeldspraak gaat terug op het Oude Testament, waar dragende schouders symbool zijn van God. Het verhaalt van de zorgzame, liefdevolle en krachtdadige – schouders verbeelden de kracht – kant van God. Indringend en tegelijkertijd humoristisch is de boodschap van Deuterojesaja, die vertelt hoe de Heer Israël van de moederschoot af heeft gedragen en het volk tot in zijn ouderdom zal dragen (Jes. 46:4-5; vgl. 63:9 en Deut. 1:31). We zien hier God voorgesteld als ouder en Israël als kind. Vroeger droeg Hij en vanaf nu draagt Hij; nooit zal Hij Israël uit het oog verliezen! Hoe anders zijn afgoden: deze dragen niet maar worden gedragen (vs. 1, 7). Dat houdt in dat zij in wezen machteloos zijn. Niet alleen God draagt de mens, ook mensen dragen elkaar. De aankondiging dat de volkeren de ballingen naar huis zullen dragen (Jes. 49:22), kondigt een totale omkeer van verhoudingen aan.
c.Mysterieus is Jezus’ buiging bij de discussie met de godsdienstige leiders over de overspelige vrouw (Joh. 8:1-11). Tot tweemaal toe bukt Jezus zich en schrijft met zijn vinger in het zand (vs. 6, 8). Wat wil Hij met deze houding toch uitbeelden? De Tora vermeldt dat de twee tafels van het getuigenis door Gods vinger zijn beschreven (Ex. 31:18). Zou Jezus met zijn schrijvende vinger zijn gesprekspartners, die zo prat gaan op het naleven van de Tora, willen terugbrengen naar dat prachtige moment waarop God woorden van bevrijding aan zijn volk gaf? Let wel, woorden van bevrijding, geen woorden van beknelling! Het heeft er inderdaad veel van weg dat Jezus hier dat goddelijk gebaar van genade op de Sinai uitbeeldt. En neemt Hij tegelijkertijd niet met zijn gebogen rug de last van de vrouw op zijn schouder, vrijwillig? Als dat juist is, past Hij de beschrijving van de lijdende Knecht concreet toe op zijn eigen situatie (Jes. 50:6; 53:4; vgl. Barnabas 5:14). Het vrijwillig dragen van de last van de ander is in de christelijke gemeenschap een essentieel thema geworden (vgl. Gal. 6:20). Het is lijden in het licht van bevrijding. Een andere vorm van het dragen van een last op de schouders, is het op zich nemen van een heersende positie. De last is gezag en autoriteit, niet om mensen te knechten maar om hen te laten leven in vrede (Jes. 9:5; 22:22; vgl. Gen. 41:42). Hoe anders is de last die de een de ander als ondraaglijk oplegt, zoals de last van geboden (Mat. 23:4). Soms heet de last geweld. Scherp vertelt de psalmdichter daarover (129:3). Met de metafoor van de ploeger die voren trekt in de aarde beschrijft hij het toegebrachte lijden dat hij ondergaat. Zijn rug hebben geweldenaars opengereten. Zijn leven is verwoest.
d.Het tafereel van twee personen die elkaar om de hals vallen heeft in sommige verhalen meer dan gewone betekenis. In de aartsvadervertellingen neemt dit tafereel een opvallende plaats. Hetbegint met de valse streek van Jakob, wanneer hij zijn handen en hals bekleedt met geitenvel-len en daarmee bij vader Isaak de indruk wekt dat hij de harige Esau is. Jakob zit hiermee zijn broer als een juk op de hals (Gen. 27:16, 40). De gevolgen laten zich raden: verdeeldheid in de tent van Isaak, vervreemding tussen de broers. Tegen deze achtergrond is de latere ontmoeting tussen de beide broers opmerkelijk: Esau – hij is subject – valt Jakob huilend om de hals (33:4). De eenheid is hersteld, de vervreemding opgeheven! Later wordt het gezin van Jakob uit elkaar getrokken. Jakobs oudste zonen ontdoen zich van hun jongere broer Jozef. Deze belandt in Egypte, waar hij opklimt van slaaf naar heerser. Op een dag komen de door honger gedreven broers oog in oog te staan met Jozef. De laatste, het slachtoffer, neemt het initiatief zijn broertje Benjamin om de hals te vallen; vervolgens doet hij hetzelfde bij zijn oude vader (Gen. 45:14; 46:29). Ook nu klinkt door dit gebaar heen de opheffing van de vervreemding. De schrijver gebruikt de omhelzing om duidelijk te maken, dat ommekeer van situaties mogelijk is. Nog sterker komt dit tot uitdrukking als we beseffen dat de slachtoffers (Esau, Jozef) het initiatief tot omhelzing nemen. Daarin geven zij de dader de kans anders te worden. Min of meer hetzelfde patroon schildert Lucas in de parabel van ‘de verloren zoon’ (of ‘de wachtende vader’). De zoon verlaat de vader. De vader laat hem los. De vader wacht. De vader kijkt naar hem uit. Op een goede dag keert de zoon terug. De vader gaat hem tegemoet en valt hem om de hals (Luc. 15:11-32). Met ander woorden, de vader aanvaardt en vergeeft hem; voor de zoon breekt een nieuw bestaan door.
e.Een geheel ander facet van de nek of hals ligt in de woorden halsstarrigheid en hardnekkigheid. De woorden roepen het beeld op van de os voor de ploeg die geen gehoor geeft aan de wil van de boer. Het dier houdt zijn nek stijf en reageert niet op de bevelen. Met deze woorden en het daar achterliggende beeld typeren de profeten Israël in relatie tot de Heer. Het volk leeft niet naar de geboden, het vraagt niet naar God, het trekt zich niets aan van de verbondsafspra-ken. Onbuigzaam, onwillig is het. Kortom, het hóórt niet (Jes. 48:4; Jer. 7:26; 17:23; 19:15; Zach. 7:11). Concreet blijkt dat uit het aanhangen van afgoden en het doen van ongerechtigheid. Niet alleen het volk wordt onwilligheid verweten, ook koningen (2 Kron. 36:13) en de individuele mens die zich niet buigt naar de Tora (Spr. 29:1). Dezelfde inhoud heeft de uitdrukking ‘met de schouders er dwars tegenin gaan’ (Neh. 9:29). Het gevolg van hardnekkigheid is vervreemding van de Heer. In zijn indrukwekkende toespraak, een samenvatting van Israëls relatie tot God, vergelijkt Stefanus het verzet van de godsdienstige leiders tegen de boodschap van Christus met de onverzettelijkheid van Israël indertijd (Hand. 7:51; vgl. Ez. 34:21 en 1 Clemens 53:3).
f.Daarentegen symboliseert het buigen van de nek – als keuze – het volgen van de Heer (1 Clemens 63:1). De nek is de zetel van kracht, symbool van sterkte en bezit. De mens die zijn nek buigt naar het programma van de levende Heer, laat zijn bestaan lopen naar de lijnen van dat programma. Iets dergelijks bedoelt de wijsheidsleraar door de goede raad van de moeder voor haar kind een prachtige snoer om de hals te noemen; je bent een dwaas als je dit snoer niet omhangt (Spr. 1:9).
g.Maar wanneer de nek door anderen wordt gebogen, dan geldt dat als een vernedering. Bijzonder sterk komt dat naar voren in het ritueel van de overwinnaar die zijn voet zet op de nek van de overwonnene (Joz. 10:24; Jes. 52:2; Neh. 3:5). Het demonstreert complete onderwerping en afhankelijkheid. Om aan te geven dat men op de vlucht slaat, gebruiken de bijbelschrijvers de uitdrukking ‘iemand de rug toekeren’. Wie wegvlucht, laat alleen zijn rug zien. (Jer. 48:39). Het vertrouwen dat God ervoor zal zorgen dat de vijand de hulpeloze de rug toekeert, is het vertrouwen dat de vijand niet langer zal heersen (Ex. 23:27; Ps. 18:41; 21:13). Ook Israël ontkomt er niet aan, bij aanhoudende goddeloosheid, dat het zijn rug laat zien aan oprukkende machten (Joz. 7:8). Wie iets achter de rug werpt, toont zijn minachting voor hetgeen hij wegwerpt. Zo keert Israël God de rug toe en laat het zijn aangezicht niet zien. Door andere goden achterna te lopen en zich niet te laten gezeggen door de Tora, vernedert het volk God en wijst het zijn liefde af (Jer. 2:27). Dezelfde bedoeling ligt in ‘Mij of de Tora achter je rug werpen’ (1 Kon. 14:9; Ez. 23:35). Als God echter de zonden van Hiskia achter zijn rug werpt, houdt dat vergeving in voor Hiskia. God kijkt er niet meer naar om.
h.De liefdespoëzie van Hooglied vergelijkt dehals van de bruid met een toren (4:4; 7:5[4]), wat op de fierheid en trots van het meisje duidt. Zij dwingt met haar verschijning, met haar zuiver zijn respect af. De uitbreiding ‘toren van David’, verwijzend naar de moeilijk inneembare stad, is metafoor voor het niet gemakkelijk te veroveren meisje. De met snoeren versierde hals is voor de zanger de ultieme verschijning van schoonheid, ja van koninklijke schoonheid.
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 7; 31; 43-44; 55; 69; 75; 81; 93; 109; 119:27; 146; Gezang 70; 97; 129; 153; 166; 179; 184; 200; 230; 371; 388; 486; Evangelie I: 15; 17; 45; 47; III: 31; Gezegend: 194; Land: 36; Liefde: 47; Zingend III: 11; 65; IV: 53; V: 34.
b.Poëzie:
Michel Coune, Bruidszang bij het Hooglied, Averbode/Kampen 1992, blz. 128: ‘Je gezicht, mijn lief, noem ik een stad’. Van der Graft, Mythologisch, Baarn 1997, blz. 140: ‘Uitvaart, 15 maart 1953’. Gabriël Smit, Gedichten, Bilthoven 1975, blz. 113-116: ‘Omschrijvingen van de liefste’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 50: ‘Visioen’; 112: ‘Van hoofd naar schouder…’.
c.Verwerking:
De sprong van de bijbelse rug-symboliek naar onze tijd is niet groot. We kunnen aansluiten bij of het uitgangspunt nemen in de hedendaagse rug-symboliek. De rug verbeeldt het verleden: we laten dingen achter ons. De rug is beeld van onderdrukking èn bevrijding: kromgegroeide mensen staan weer rechtop. De rug staat voor minachting en vernedering: we keren elkaar de rug toe, de ander doet er niet toe. De rug symboliseert achterbaksheid en gemeenheid: mensen vallen elkaar in de rug aan en doen van alles achter de rug van iemand om. De rug verbeeldt het moeitevolle leven: sommigen hebben een zware last te dragen. Bij elk van deze betekenissen vinden we parallellen in de bijbel.
Verwijzing
Er is verwantschap met ‘lichaam‘. Nauw verwant is rug (schouder) met ‘juk‘.