Menu

Premium

Ruim denken – Gods wildoen

Alternatief bij 3e zondag van de Advent (Jozua (2,1-24;) 6,22-25 en Matteüs 12,46-50)

Wat mensen tot volk van God en verwanten van Jezus maakt is niet een eventuele bloedverwantschap, maar dat zij zich achter hetzelfde doel stellen. Doen wat God wil is de toetssteen van de onderlinge relaties en schept een verbondenheid die de bloedband te boven gaat. Zo ontstaat één volk van God in het Rijk van de Vader.

De geslachtslijst van Matteüs 1 benoemt enkele opmerkelijke vrouwen tot voormoeders van Jezus: Tamar, Rachab, Ruth en ‘die van Uria’ (Batseba). Elk van hen is een sociaal buitenbeentje: Tamar ziet zich genoodzaakt zich als hoer te gedragen om haar rechtmatige zoon te bekomen, de Moabitische Ruth kruipt onder de dekens bij Boaz, Batseba raakt zwanger van de koning die haar buitenlandse man in dienst heeft. En dan is er Rachab in het vijandelijke Jericho, die vreemden in haar huis ontvangt, verbergt en beschermt en zo haar volk verraadt, maar haar familie in veiligheid kan brengen.

Rachab, de ‘wijde’

Rachab, de ‘hoer’, vertaalt men doorgaans. Het Hebreeuwse werkwoord rachabh waarvan dit woord is afgeleid, verwijst naar niet aan geldende regels beantwoordend seksueel gedrag. Dat kan prostitutie zijn; maar ook het meisje dat niet kan bewijzen dat ze als maagd het huwelijk inging – dus mogelijk ongehuwd in het huis van haar vader seks heeft gehad – wordt als ‘hoer’ bestempeld (Deut. 22,20-21).

Of Rachab, wier naam de ‘wijde’ betekent, nu een prostituee is of niet, één ding is duidelijk: zij heeft brede opvattingen. Het is blijkbaar vrij natuurlijk dat Jozua’s verkenners bij haar terechtkunnen, en de koning van Jericho laat even vanzelfsprekend die spionnen bij haar zoeken. Heel overtuigend stuurt ze die mannen weg, zonder dat ze zelfs de tijd nemen om haar huis te doorzoeken (Joz. 2,4-5). Even welsprekend haalt ze de verkenners over tot het geven van hun woord dat zij en haar familie gespaard zullen worden. Ze blijkt goed op de hoogte van de politieke en theologische toestand van het volk Israël. Ze erkent dat JHWH hun het land gegeven heeft, en dat deze God macht heeft over hemel en aarde: een geloofsbelijdenis een Israëlitische waardig.

Bovendien geeft ze informatie die de verkenners nodig hebben: dat de inwoners van het land doodsbang en wanhopig zijn door wat ze gehoord hebben over de doortocht door de Rietzee en de strijd tegen de koningen Sichon en Og. Ze vraagt de verkenners als wederdienst wat ze zelf ook doet: redden van de dood. Ruimdenkend als ze is vraagt ze dit niet enkel voor zichzelf, maar ook voor haar familie – ouders, broers en zussen, neven en nichten.

Bij de verovering van Jericho doet Jozua de eed van zijn verkenners gestand: hij laat hen Rachab met heel haar familie in veiligheid brengen. Opmerkelijk genoeg wordt slechts één daad genoemd als reden voor deze uitzondering op de ban waarmee Jozua Jericho slaat: omdat zij de verkenners heeftverborgen (Joz. 6,17.25). Die éne daad waarborgt dat het volk zich aan de eed van de verkenners moet houden. De familie krijgt een plaats buiten het kamp, maar maakt door de generaties heen deel uit van het volk. Dat wordt ook gesuggereerd in de geslachtslijst van Matteüs 1, waar Rachab als vrouw van Salmon en moeder van Boaz tot voormoeder van Jezus wordt.

Jezus’ ware moeder, broers, zusters

Als Jezus tot de menigte spreekt, en iemand Hem vertelt dat zijn moeder en broers buiten staan en Hem willen spreken, grijpt Hij dit voorval aan om te onderrichten. Als antwoord vraagt Hij: Wie zijn mijn moeder en broers? Een vraag met een dubbele lading: wie zijn familie is, is de spreker immers bekend, aangezien deze hen identificeert als ‘jouw moeder en jouw broers’. Ook elders in Matteüs (13,55-56) blijkt de familie bekend. De vraag blijkt een symbolische betekenis te hebben, als Jezus wijzend naar zijn leerlingen zegt dat dit zijn moeder en broers zijn.

Hij verduidelijkt dat door te zeggen: wie Gods wil doen, dat zijn mijn moeder, broers en zusters. Het gaat er dus niet om dat zij degenen zijn die Hij zelf heeft uitgekozen, of degenen met wie Hij voortdurend optrekt omdat zij Hem volgen, of die naar Hem luisteren, en vragen over Hem moeten beantwoorden. Het criterium is anders: doen wat God wil.

God als Vader en het Rijk

Net als Johannes verzet Jezus zich tegen de idee dat een biologische afstamming mensen tot Gods volk maakt. Johannes wijst de farizeeën en sadduceeën scherp terecht: zich beroepen op verwantschap met Abraham beschermt niet tegen Gods oordeel, God kan zich immers uit stenen kinderen van Abraham maken (Mat. 3,7-9). Of zoals Jezus aangeeft: velen uit oost en west zullen met Abraham, Isaak en Jakob aanliggen in het Rijk, terwijl de erfgenamen naar de duisternis verbannen worden (8,11-12). Er is inkeer en het doen van gerechtigheid nodig om het Rijk van de hemel te kunnen binnengaan (4,17; 5,20). Gods wil doen is dan ook hét criterium om het Koninkrijk van de hemel binnen te gaan (Mat. 7,21). Niet ‘Heer, Heer’ roepen, maar handelen naar de wil van de Vader.

Hierover vertelt Jezus verderop in het Matteüsevangelie nog een parabel over een man met twee zonen. Hij vraagt aan beiden om in de wijngaard te werken. De ene weigert, krijgt spijt en gaat toch. De andere zegt ja, maar gaat niet. Wie heeft dan de wil van zijn vader gedaan? Zo is het ook met de leiders van het volk en de toehoorders van Jezus op wie ze neerkijken: de tollenaars en hoeren gaan hen voor in het Rijk van de hemel (Mat. 21,28-32). Wie Gods wil doen, dat zijn bij uitstek de broers, zussen, moeder van Jezus. Zij hebben God als Vader en toegang tot diens Rijk.

Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.

Wellicht ook interessant

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken