Menu

Premium

Ruth

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Het boek Ruth kenmerkt zich door een duidelijke eenheid van plaats, tijd en personages. Na de inleidende sequentie die zich in afspeelt, is de plaats van handeling de stad Betlehem met de korenvelden rondom, een beperkt gebied. Het verhaal wordt in een breder verband geplaatst door de tijdsaanduiding aan het begin: de dagen dat de richters richtten (1:1), en aan het eind: de verwekking van koning David (4:22). Binnen deze relatief grote tijdsspanne speelt het eigenlijke verhaal zich af in een korte periode, namelijk tussen het begin en het einde van de graanoogst. De naam van de stad, Betlehem, ‘broodhuis’, is in dit verband betekenisvol.

Er zijn drie hoofdpersonen: Ruth (12 keer genoemd), die zorgend omringd wordt door de beide andere hoofdpersonen die tezamen veertig keer genoemd worden (Noömi 21 keer en Boaz 19 keer). Daarnaast klinkt herhaaldelijk de naam van JHWH(18 keer).

Opbouw en indeling van de tekst

Naar zijn inhoud is het boek te verdelen in vier leeseenheden die overeenkomen met de indeling in vier hoofdstukken zoals de bijbeltekst die biedt:

1.

Noömi’s terugkeer naar Betlehem

(1:1-22)

2.

Ruth op de akker van Boaz; overdag

(2:1-23)

3.

Ruth en Boaz op de dorsvloer; ‘s nachts

(3:1-18)

4.

Boaz verwerft Ruth; geboorte van de zoon

(4:1-22)

Deze vier hoofddelen kunnen als volgt worden onderverdeeld:

1.

NOÖMI’S TERUGKEER NAAR BETLEHEM (1:1-22)

– inleiding

(1-5)

– de schoondochters

(6-18)

– aankomst in Betlehem

(19-22)

De eerste sequentie vertelt hoe het gezin naar is vertrokken, waar de man en de zonen zijn gestorven (1:1-5). De tweede sequentie beschrijft Noömi’s terugkeer naar Betlehem. In een uitvoerige discussie tracht zij haar beide schoondochters, Orpa en Ruth, te bewegen haar niet verder te vergezellen, maar naar hun eigen land terug te keren. Orpa geeft daaraan gehoor, Ruth niet (1:6-18). In de derde sequentie komen Noömi en Ruth in Betlehem aan bij

het begin van de gerstenoogst (1:19-22). Het werkwoord ‘terugkeren’ is hier een motiefwoord; het komt twaalf keer voor. Ook ‘gaan’ is van belang; het komt tien keer voor.

2.

RUTH OP DE AKKER VAN BOAZ (2:1-23)

– Boaz, de bloedverwant

(1)

– Ruth op het land van Boaz

(2-7)

– Boaz is Ruth welgezind

(8-17)

– Boaz, de losser

(18-23)

In de eerste sequentie wordt Boaz geïntroduceerd, waarbij vooral zijn familierelatie tot Noömi aandacht krijgt (2:1). De tweede sequentie vertelt hoe Ruth het initiatief neemt korenaren te gaan zoeken op de oogstvelden en hoe zij ‘toevallig’ terechtkomt op het land van Boaz (2:2-7). In de derde sequentie toont Boaz zich uitermate gastvrij. Ruth mag zich aansluiten bij zijn arbeidsters en hij geeft zijn knechten opdracht extra halmen voor haar achter te laten. Hij nodigt haar uit te eten en te drinken met zijn arbeiders en hij prijst haar om wat zij voor Noömi heeft gedaan. Met graan overladen komt Ruth bij haar schoonmoeder terug (2:8-17). In de slotscène (2:18-23) komt de verwantschap met Boaz opnieuw naar voren. Noömi onthult dat hij een ‘losser’ is, hetgeen betekent dat hij de voormalige akkers van haar man Elimelek zou kunnen terugkopen (zie Lev. 25:23-25). Zij dringt er bij Ruth op aan bij Boaz te blijven tot het einde van de oogst.

3.

RUTH OP DE DORSVLOER (3:1-18)

– Noömi’s plan

(1-5)

– De uitvoering ervan

(6-9)

– Boaz belooft als losser op te treden

(10-14)

– Noömi ontvangt Ruth

(15-18)

In de eerste sequentie (3:1-5) ontwerpt Noömi een gewaagd plan om weer een eigen akker te verwerven en tevens een definitieve bestemming voor Ruth te zoeken. De oogsttijd loopt immers ten einde en daarmee de mogelijkheid om aren te zoeken. In de tweede sequentie (3:6-9) brengt Ruth het plan ten uitvoer; zij gaat in de nacht naar Boaz en vraagt hem zich over haar te ontfermen. In de derde sequentie (3 uo-14) stemt Boaz erin toe de losser te zijn. In de vierde sequentie komt Ruth opnieuw rijk beladen bij Noömi terug (3 U5-18).

4.

BOAZ VERWERFT RUTH, GEBOORTE VAN DE ZOON (4:1-22)

– Boaz verwerft het recht tot lossen

(1-8)

– De getuigen

(9-12)

– Een zoon voor Noömi

(13-16)

– Epiloog

(17-22)

In de eerste sequentie (4:1-8) gaat Boaz naar de poort om zich beschikbaar te stellen als losser, maar er is een andere bloedverwant die eerder in aanmerking komt. Wanneer deze echter verneemt dat het niet alleen om de lossing van een stuk land gaat maar ook om een huwelijk met Ruth, trekt hij zich terug. In de tweede sequentie (4:9-12) roept Boaz de oudsten van de stad tot getuigen dat hij het land koopt voor Noömi en dat hij Ruth tot vrouw neemt om de naam van de gestorvene in stand te houden. In de derde sequentie (4:13-16) wordt het huwelijk voltrokken; Ruth wordt zwanger en baart een zoon. De vrouwen van destad beschouwen het kind als de zoon van Noömi en noemen hem Obed, ‘dienaar’. De laatste afsluitende sequentie (4:17-22) bestaat uit een geslachtslijst waarin deze zoon een plaats krijgt als de grootvader van koning David.

Literaire architectuur van het boek als geheel

De literaire compositie van het boek vertoont een evenwichtige structuur. Begin en einde hangen nauw met elkaar samen doordat in de openingsverzen verteld wordt hoe de geschiedenis van de familie dood loopt, terwijl in de slotverzen de rij der geslachten toch verder gaat. Boaz, de ‘losser’, vervult daarbij een sleutelrol, hij vormt de brug tussen begin en einde.

Het verhaal begint bij Elimelek die met zijn gezin is weggegaan uit Juda en zich heeft gevestigd in , alwaar hij is gestorven evenals zijn beide zonen. Er lijkt geen toekomst meer voor Noömi, zoals zij ook zelf duidelijk aangeeft (1:11). Aan het slot van het boek is er echter een nieuwe zoon, de geslachtslijn wordt voortgezet, dankzij Boaz. Hij wordt als ‘losser’ aangekondigd in een kleine scène waarin Ruth rijk beladen terugkeert van de akker (2:19-20). Noömi vraagt: ‘Waar heb je vandaag aren gezocht?’ En zonder het antwoord af te wachten, vervolgt zij: ‘Gezegend zij hij!’ Als zij hoort dat het om Boaz gaat, spreekt zij nogmaals een zegenwens uit, ditmaal uitvoeriger: ‘Gezegend is hij bij JHWH, omdat Hij zijn trouw (chèsèd) aan de levenden en de doden niet heeft verlaten’ (2:20).

De ‘trouw van JHWHjegens de doden’ was al eerder door Noömi ter sprake gebracht, namelijk toen zij haar beide schoondochters terugstuurde naar het huis van hun moeder. Zij wenste hun toe dat de trouw van JHWHdie zij aan haar en haar zonen hadden bewezen, ook aan henzelf geschonken zou worden (1:8). In 2:20, waar Noömi over Boaz spreekt, noemt zij niet alleen de doden, maar ook de levenden, waarmee zij ongetwijfeld zichzelf en Ruth bedoelt. Boaz zal de trouw van JHWHniet onthouden aan de doden, voor hen zal hij nakomelingschap verwekken, maar evenmin zal hij de trouw van JHWHlaten ontbreken aan de levenden, hij zal Ruth en Noömi een plaats geven binnen de gemeenschap (vgl. 3:1 en 3:18). Dit alles blijkt vervuld in de laatste verzen van het boek waar verteld wordt hoe de zonen nieuwe zonen verwekken, van Peres tot David.

Noömi’s zegenwens over de losser in het centrum van het verhaal (2:20) wijst al vooruit naar het vreugdevolle slot. Daarmee ontstaat een literaire samenhang tussen begin, midden en slot:

sterven; de geslachtslijn loopt dood

(1:1-6)

Boaz is de losser

(2:19-20)

geboren worden; de geslachtslijn gaat verder

(4:17-22)

In de structuur van dit verhaal staat de problematiek van het nakomelingschap van de man die met zijn gezin wegtrok uit Juda centraal. Ook de twee tussenliggende clusters zijn met dit thema verbonden. Het eerste cluster (1:7-2:18) beschrijft Ruths verbintenis met Noömi en haar zoeken naar graan op de akker van Boaz. Het tweede cluster (3:1-4:16) beschrijft Ruths gang naar de dorsvloer en haar verbintenis met Boaz. Zowel op de akker als op de dorsvloer schenkt Boaz haar een overvloed aan graan, een beeld dat een dubbelzinnige betekenis van de graankorrels doet vermoeden. Graan is immers méér dan ‘voedsel’; het is ook ‘zaad’ en symboliseert vruchtbaarheid.

Ruths actie op de akker (overdag) is gericht op voedsel, graan/brood, haar actie op de dorsvloer (in de nacht) is gericht op nakomelingschap, graan/zaad. Zowel haar liefdevolle relatie tot Boaz als tot Noömi spelen daarbij een cruciale rol: voorafgaand aan de scène op de akker verbindt Ruth zich met Noömi; volgend op de scène op de dorsvloer verbindt Boaz zich met Ruth. De chiastische structuur onderstreept de samenhang:

Ruths verbintenis met Noömi

(1:6-22)

graan van de akker

(2:1-18)

graan van de dorsvloer

(3:1-18)

Ruths verbintenis met Boaz

(4:1-17)

De opmerkelijke parallellie tussen de relatie Noömi-Ruth enerzijds en Boaz-Ruth anderzijds wordt nog versterkt door de scène waarin Noömi er bij Ruth op aandringt met Orpa terug te gaan (1:14-15). Orpa kust haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth weigert haar te verlaten, zij ‘klemt’ zich aan Noömi vast. Het Hebreeuwse werkwoord ‘vastkleven, aanhangen’ is bekend uit Genesis 2:24 (daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn). Ruth verbindt zich onlosmakelijk met Noömi. In krachtige poëtische taal verklaart zij bij haar te zullen blijven ‘tot de dood hen scheidt’:

Waar u gaat, zal ik gaan
waar u vernacht, zal ik vernachten
uw volk is mijn volk
uw God is mijn God
waar u sterft zal ik sterven
daar zal ik begraven worden (1:16-17).

Vanaf dit moment treden de beide vrouwen op als een hechte eenheid; als personages vallen zij in zekere zin samen. Dit wordt het meest duidelijk aan het eind van het verhaal als Ruth haar zoon heeft gebaard. Dan roepen de vrouwen: ‘Aan Noömi is een zoon geboren!’ (4:17). Zij kunnen dat zeggen omdat de vader van het kind als losser heeft gehandeld; hij heeft voor Noömi de nakomelingschap van haar gestorven man en zonen veiliggesteld. Maar dit was slechts mogelijk doordat Ruth aan haar ‘kleefde’ (1:17), Noömi zelf had immers geen ‘zonen meer in haar schoot’ (1:11).

Eerder al, bij de scène op de dorsvloer, gaf de tekst een aanwijzing dat Ruth haar zwangerschap in feite beschouwde als Noömi’s zwangerschap. Nadat Boaz had toegezegd te zullen lossen (3:11-13), stortte hij Ruths omslagdoek vol met graan, zes maten gerst (3:15). Deze seksueel geladen scène roept duidelijk de suggestie op van het uitstorten van zaad in de schoot van Ruth, hoewel pas in hoofdstuk 4 wordt gemeld dat Boaz haar tot vrouw nam en ‘tot haar kwam’ (4:13).

Wat is de bedoeling van de gerst die Boaz aan Ruth schonk, waartoe is dit ‘zaad’ bestemd? Boaz zelf gaf geen commentaar, maar Ruth suggereert, als zij terugkomt bijNoömi, dat Boaz het bedoeld heeft als een gave voor Noömi: ‘Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven, want, zei hij: Je mag niet leeg terugkeren naar je schoonmoeder’ (3:17). Waarom legt zij Boaz deze woorden in de mond? Wat is haar boodschap? De sleutel ligt in het woordje reqam, ‘leeg’. Dat klonk namelijk al eerder, toen Noömi verbitterd van verdriet naar Betlehem terugkeerde. Tot de vrouwen die zij ontmoette, zei ze: ‘Vol ben ik weggegaan, maar leeg heeft JHWHmij doen terugkeren’ (1:21).

Met het woord vol verwees zij naar haar man en haar zonen, mèt hen was zij uit Betlehem weggetrokken, zonder hen is zij teruggekeerd: leeg. Zij heeft zelfs ‘geen zonen meer in haar schoot’ (1:11). Maar nu Boaz heeft toegezegd als losser op te treden, zal Noömi opnieuw nakomelingschap krijgen. Ruth zal niet leeg bij haar terugkeren, maar met ‘zaad’ voor Noömi, een belofte voor nageslacht. Noömi zal weer vol worden.

In dit verband moet gewezen worden op de omlijstende functie die de vrouwen van Betlehem hebben in de literaire structuur van het verhaal. Bij Noömi’s binnenkomst in Betlehem hoorden zij haar bittere woorden: ‘Leeg ben ik teruggekeerd’. Aan het slot echter, als de zoon geboren is, roepen zij de naam van het kind en zeggen: ‘Hij zal voor jou zijn tot terugkeer van je ziel’ (nefesj) en tot vol worden van je oude dag’ (4:14). Zij wijzen daarbij op de rol van Ruth: ‘Je schoondochter, die jou liefheeft, die méér voor jou is dan zeven zonen’ (4:15). Dankzij Ruth is Noömi weer vol.

Dat het in het boek Ruth niet zozeer gaat om een individuele ‘familiegeschiedenis’, blijkt ook uit de geslachtslijst aan het slot, die – anders dan sommige commentaren suggereren -een zinvol en onmisbaar onderdeel is van de literaire structuur van dit bijbelboek.

Intertekstuele relaties met Genesis 38

Nadat Boaz het losserschap heeft verworven en Ruth tot vrouw zal nemen, wensen de oudsten van de stad hem toe dat zijn huis moge worden ‘als het huis van Peres die Tamar aan Juda baarde’ (4:12). Het opmerkelijke van deze uitspraak is dat zij een drievoudige verwijzing bevat naar het verhaal van Juda en Tamar (Gen. 38): Boaz wordt vergeleken met Juda, Ruth met Tamar, de te verwachten zoon met Peres.

Deze intertekstuele relatie is van belang, te meer daar er ook op andere punten een treffende overeenkomst is tussen beide verhalen. De parallellie komt het sterkst naar voren in de beschrijving van de vrouwelijke hoofdfiguren, Ruth en Tamar. Beiden worden na het overlijden van hun man teruggestuurd naar hun ouderlijk huis (38:11; 1:8), maar geen van beiden neemt daar genoegen mee. Beide weduwen komen in actie en verleiden op slimme wijze degene die hun nakomelingschap geven.

De omstandigheden waaronder zij hun doel trachten te bereiken zijn vergelijkbaar: zij gaan naar een openbare plek, respectievelijk de dorsvloer en de ingang van de weg naar het schaapscheerderfeest. Zij nemen daar een positie in – Tamar zet zich neer, Ruth gaat liggen – en wachten tot de man hen opmerkt. Zij hebben zich zorgvuldig voorbereid, zich voor de gelegenheid gekleed en opgemaakt om elk op eigen wijze aantrekkelijk te zijn voor de betreffende man.

Het is opvallend dat zij zich niet vooraf aan de man bekendmaken en dat deze er naderhand de voorkeur aan geeft de ontmoeting geheim te houden. Toch spreekt elk van hen vol respect over de betreffende vrouw. Juda oordeelt over Tamar: ‘Zij staat in haar recht, ik niet'(38:26). En Boaz zegt: ‘Een ieder in de poort weet dat je een deugdzame vrouw bent’ (3:11; vgl. Spr. 31:10).

Merkwaardig is ook dat de twee vrouwen ‘outsiders’ zijn. Ruth is een Moabitische en ook Tamar is naar men aanneemt van buitenlandse afkomst. Zij hebben echter hetzelfde doel, namelijk een mannelijke nakomeling te verkrijgen om daarmee de naam van hun overleden echtgenoot in stand te houden. Het middel om dat doel te bereiken is hetzelfde: een seksuele relatie aangaan met een oudere verwant van de gestorvene. Beiden slagen zij in hun opzet, zij worden zwanger en baren een zoon, Tamar zelfs twee.

Het verwekken van een zoon voor de gestorven echtgenoot, het zogenaamde leviraats-huwelijk, is een bekend wetsvoorschrift in het boek Deuteronomium. Een man moet dit ‘zwagerhuwelijk’ voor zijn broer voltrekken, wanneer deze komt te overlijden zonder kinderen na te laten (Deut. 25:5-6). Echter, Boaz is geen broer van de gestorvene, maar een oudere verwant. Hetzelfde geldt voor Juda, hij is de vader van de gestorvene. Zij kunnen dus eigenlijk niet verantwoordelijk worden gesteld voor het vervullen van de leviraatswet.

Bovendien is in beide verhalen wel een jongere verwant aanwezig, maar deze stelt zich niet beschikbaar. In het verhaal van Juda is er Onan, de broer van de overleden echtgenoot van Tamar, die weigert nageslacht voor zijn broer te verwekken. Hij wordt daarvoor met de dood bestraft.

In het verhaal van Ruth is er de anonieme bloedverwant, die als losser in aanmerking komt, maar die zich terugtrekt als hij hoort dat aan het losserschap een huwelijk met Ruth is verbonden. Hij wordt niet met de dood bestraft, maar trekt zijn schoen uit. Een handeling die in Ruth 4:7 wordt uitgelegd als het bekrachtigen van de overeenkomst. In Deuteronomium echter wordt het uittrekken van de schoen beschouwd als een diepe vernedering voor de man die weigert nakomelingschap voor zijn broer te verwekken (Deut. 25:7-10).

Deze kleine details versterken de thematiek van de beide verhalen, namelijk het voortzetten van de lijn der geslachten. Zowel in Genesis 38 als in Ruth lijkt deze lijn dood te lopen, maar het zijn de vrouwen die het initiatief nemen tot het verwekken van nageslacht. Zij wenden zich tot de oudere generatie omdat de jongere mannen zich niet beschikbaar stellen. Nadat hun actie is geslaagd en zij het kind hebben gebaard, verdwijnen zij van het toneel. Over hen wordt dan niet meer gesproken. Ook de naam van de overledene wordt niet meer genoemd, het gaat om de zoon, hij krijgt een plaats in de geslachtslijn.

Dat de voortgaande genealogie van de stam van Juda uitloopt naar koning David, is bepalend voor de structuur van het boek Ruth. De reeks van tien geslachten waarmee het boek afsluit, begint met Peres, de ‘krachtig doorgebroken’ zoon van Tamar (Gen. 38:29), en komt via Obed, de ‘dienaar’, uit bij David, de Messiaanse koning. Het zijn de vrouwen, Tamar en Ruth, die deze lijn mogelijk maken.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken