Menu

Basis

Slaafgemaakten in de Kolossenzenbrief

Een onoplosbare tegenspraak?

metalen instrumenten die gebruikt werden om mensen vast te binden
Bijbelteksten zijn vaak misbruikt om slaafgemaakten te onderwerpen. (beeld: cineuno, via iStock)

In de brief aan de Kolossenzen gaat het tweemaal over slaafgemaakten, in 3:11 en in 3:22-4:1. Alhoewel de twee passages dicht bij elkaar in de buurt staan, lijkt er sprake te zijn van een stevige tegenspraak tussen deze twee teksten. De eerste stelt dat er geen onderscheid meer bestaat tussen slaafgemaakten en vrije mensen, terwijl de tweede tekst stelt dat slaafgemaakten hun eigenaren in alles moeten gehoorzamen. In dit artikel bespreek ik deze tegenstelling en een aantal mogelijke oplossingen. Ten slotte stel ik een alternatieve interpretatie van Kolossenzen 3:11 voor die de tegenspraak tussen de twee teksten opheft.

De eerste keer dat slaafgemaakten aan bod komen in de Kolossenzenbrief lijkt de tekst een zeer progressieve, egalitaire positie in te nemen:

9 Bedrieg elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt…10 en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt. 11 Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen (Kolossenzen 3:9-11).

Het onderscheid tussen slaafgemaakten en vrije mensen lijkt hier opgeheven te worden. De tweede keer dat deze groepen aan bod komen in de brief lijkt het perspectief echter heel anders:

22 Slaven, gehoorzaam uw aardse meester in alles, niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar oprecht en met ontzag voor de Heer. 23Wat u ook doet, doe het van harte, alsof het voor de Heer is en niet voor de mensen, 24want u weet dat u van de Heer een erfenis als beloning zult ontvangen. Dien Christus: Hij is uw meester! 25Iedereen die onrecht doet zal daarvoor boeten, en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt. 1Meesters, geef uw slaven waar ze recht op hebben en wat redelijk is, want u weet dat ook u een meester hebt, in de hemel (Kolossenzen 3:22-4:1).

Het is duidelijk dat in deze passage het onderscheid tussen slaafgemaakten en hun eigenaren nog altijd van kracht is. Hun rollen en de daarbij behorende rechten en plichten blijven onveranderd. De ‘meesters’ worden weliswaar opgeroepen om slaafgemaakten te geven ‘waar ze recht op hebben en wat redelijk is’, maar dit betekent niet dat ze in vrijheid gesteld worden. De slaafgemaakten moeten hun werk doen voor hun ware ‘meeste’, Christus, en niet voor andere mensen, maar daaruit volgt niet dat ze hun aardse meesters niet meer hoeven te gehoorzamen. In tegendeel: ‘gehoorzaam uw aardse meester in alles’ (3:22). Slaafgemaakten blijven dus in dezelfde juridisch-economische positie. Ook in praktische zin verandert er weinig tot niets aan de traditionele rolverdeling tussen meester en slaaf.

Oplossingen voor de tegenstelling?

Valt de tegenstelling tussen deze twee teksten op te lossen? Een vaak geopperde mogelijkheid is om de spanning tussen de twee teksten te zien als een spanning tussen ideaal en werkelijkheid: Kolossenzen 3:11 schetst het ideaal, terwijl Kolossenzen 3:22-4:1 een tegemoetkoming is aan de weerbarstige praktijk. Christenen waren in deze periode gewoonweg niet in een positie om de status van slaafgemaakten te veranderen, dus ook al was dat een ideaal waarnaar ze streefden, de realiteit vereiste een andere benadering. Probleem bij deze interpretatie is dat niets in Kolossenzen 3:22-4:1 erop wijst dat slavernij een noodzakelijk kwaad was dat tijdelijk, tandenknarsend geaccepteerd moest worden. De tekst schetst de hiërarchische verhouding tussen slaafgemaakten en hun eigenaren eerder als een ideaal en draagt ook een theologische motivatie aan door te wijzen op de verhouding met Christus, de meester van beide partijen.

Een tweede mogelijkheid die soms geopperd wordt is dat Kolossenzen 3:11 betrekking heeft op de situatie binnen de christelijke gemeente en Kolossenzen 3:22-4:1 op de situatie daarbuiten. De moeilijkheid die zich hierbij voordoet is dat zowel de slaafgemaakten als hun eigenaars in Kolossenzen 3:22-4:1 als gelovigen worden aangesproken. Voor allebei geldt dat ze Christus erkennen als hun meester (3:24; 4:1).

Het idee dat het onderscheid tíjdelijk wordt opgeheven wanneer de gemeente bij elkaar is (3:11) om vervolgens thuis weer van kracht te worden (3:22-4:1) is ook weinig overtuigend. Daarvoor zijn in de tekst geen aanwijzingen te vinden. Het is ook de vraag of dit überhaupt uitvoerbaar was, niet in de laatste plaats omdat vroegchristelijke gemeenten vaak in de ruimere huizen van de rijkere leden (dat wil zeggen de meesters) samenkwamen. Hoefden de gelovige slaafgemaakten in dat huis op dat moment hun eigenaar tijdelijk niet meer te gehoorzamen? Dat is niet aannemelijk. Het lijkt in Kolossenzen 3:11 over iets anders te gaan dan een korte onderbreking in de hiërarchische verhouding tussen eigenaars en slaafgemaakten.

Waar gaat de tekst over?

Dat brengt ons tot de hamvraag: waar gaat het precies over in Kolossenzen 3:11? De tekst (‘dan is er geen sprake meer van … sláven of vríjen, maar dan is Christus alles in allen’) stelt dat er geen onderscheid meer tussen deze twee groepen is. Maar in welke zinis er geen onderscheid meer? Op welke context heeft dit gebrek aan onderscheid betrekking? De zojuist besproken pogingen om Kolossenzen 3:11 en Kolossenzen 3:22-4:1 met elkaar in overeenstemming te brengen veronderstellen dat er geen onderscheid meer is in socíálezin. Op het niveau van de sociale verhoudingen, of dat nu binnen of buiten de christelijke gemeenschap is, valt het onderscheid tussen meesters en slaafgemaakten weg. Althans, dat is wat er in de regel verondersteld wordt.

Op basis van de literaire context van Kolossenzen 3:11 zou ik een andere interpretatie willen voorstellen, die in oudere (met name in negentiende-eeuwse literatuur) terug te vinden is, maar in het recente onderzoek uit beeld is geraakt. In de literaire context van Kol 3:11 gaat het niet primair over socíále verhoudingen, maar over moréle transformatie. Aan het begin van dit deel van de brief worden de lezers opgeroepen om alles ‘wat aards is in u’ te laten afsterven: ‘ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht – hebzucht is afgoderij’ (3:5). Ze moeten ‘alles wat slecht is opgeven’ (3:8) en in plaats daarvan, zo volgt iets later, zich ‘kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld’ (3:12). Dit zijn slechts enkele voorbeelden, maar in dit hele tekstgedeelte (3:5-17) ligt de nadruk op het vermijden van zonden en het leiden van een deugdzaam leven. Het ligt daarom voor de hand om ook Kolossenzen 3:11 in dat kader te interpreteren. De strekking van de tekst is in dat geval dat iedereen, ongeacht etnische achtergrond en juridisch-economische status (slaaf of vrij), in staat is om een deugdzaam leven te leiden.

Deugdzaam leven

Het idee dat iedereen een deugdzaam leven kan leiden klinkt in onze oren zo evident dat het onwaarschijnlijk lijkt dat dit de boodschap van Kolossenzen 3:11 is. In de oudheid was er echter serieuze twijfel over de morele capaciteiten van diverse groepen mensen. Dat gold zeker voor de ‘barbaren’ en ‘Skythen’, die in de oudheid vaak werden gezien als bijzonder immoreel. De historicus Josephus beschreef de Skythen bijvoorbeeld als ‘net iets beter dan beesten’ en als mensen die ‘genoegen scheppen in moorden’ (Tegen Apion 2.269).

In de literaire context van Kolossenzen 3:11 gaat het niet primair over socíále verhoudingen, maar over moréle transformatie.

Wat betreft ‘Grieken’ en ‘onbesnedenen’ was het vanuit joods perspectief ook maar zeer de vraag of zij tot dezelfde morele hoogte konden stijgen als besneden Joden. Het idee dat een niet-joodse achtergrond hand in hand ging met een zondig bestaan vinden we ook eerder in de Kolossenzenbrief. Zo wordt in Kolossenzen 2:13 gesteld dat de niet-Joodse lezers van de brief ‘dood [waren] door uw zonden en door uw onbesneden staat’. De zonden die genoemd werden in 3:5 (hierboven geciteerd) werden in joodse teksten uit deze periode vaak gezien als typisch voor ‘Grieken’, dat wil zeggen niet-Joden. De Kolossenzenbrief lijkt die gedachtegang te bevestigen wanneer in 3:7 gezegd wordt tot de niet-Joodse en onbesneden lezers van de brief: ‘vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo geleefd.’

‘Alles in allen’

De strekking van Kolossenzen 3:11 volgens de interpretatie die ik hier voorstel is dat dit onderscheid tussen Joden en Grieken/besnedenen en onbesnedenen dankzij Christus niet meer relevant is: beide groepen kunnen een deugdzaam leven leiden. Dat geldt ook voor barbaren en Skythen: ook zij kunnen tot grote morele hoogten stijgen en het punt bereiken waarop hun achtergrond er niet meer toe doet aangezien Christus ‘alles in allen’ is geworden (3:11).

Maar hoe zit het dan met slaafgemaakten en vrijen? In de oudheid was het onderwerp van discussie of slaafgemaakten net zo moreel konden zijn als vrije mensen. Aristoteles meende van niet en werd daarin gevolgd door velen, waaronder ook joodse en christelijke auteurs. Zo schreef de kerkvader Johannes Chrysostomus in de vierde eeuw: ‘overal wordt erkend dat de klasse van de slaven … niet erg geschikt is om deugden te leren … het is moeilijk voor een slaaf om goed te worden’ (Preken over Titus 4.3). Anderen waren optimistischer over het moreel vermogen van slaafgemaakten. Met name stoïsche filosofen verzetten zich tegen het idee dat slaafgemaakten wat betreft deugdzaamheid minder capabel zouden zijn. Paulus’ tijdgenoot Seneca stelde kortweg ‘een slaaf kan rechtvaardig zijn’ (Over de gunsten 3.18.4). In zijn optiek was het zo dat ‘alhoewel in andere opzichten er grote verschillen zijn in status en afkomst, deugdzaamheid voor iedereen toegankelijk is; ze acht niemand onwaardig’ (Troostschrift voor Polybius 17.2). Elders formuleert Seneca het op een manier die wel wat weg heeft van Kolossenzen 3:11: ‘deugdzaamheid sluit voor niemand de deur, maar is voor iedereen geopend, laat iedereen toe, nodigt iedereen binnen, vrijgeborenen en vrijgemaakten en slaafgemaakten en koningen en bannelingen’ (Over de gunsten 3.18.2). Net als in Kolossenzen 3:11 worden hier heel verschillende groepen genoemd die ondanks hun uiteenlopende sociale status gelijk zijn wat betreft hun capaciteit voor deugdzaamheid.

Geen verschillen

Kolossenzen 3:11 past dus in een debat in de oudheid over de mate waarin mensen met verschillende achtergronden en identiteiten in staat waren om een moreel hoogstaand leven te leiden. Volgens velen was dat voor barbaren (en zeker voor de extreem barbaarse Skythen) niet echt een haalbare kaart. Uit joodse optiek was het ook maar zeer de vraag of niet-Joden/onbesnedenen met ware deugdzaamheid voor de dag konden komen. Er werd in brede kring aan de morele capaciteiten van slaafgemaakten getwijfeld. In dit licht moet Kolossenzen 3:11 gelezen worden. Midden in een verhandeling over deugden en ondeugden stelt de tekst dat er geen onderscheid meer is tussen al deze verschillende groepen. Het is dus niet een socíáálmaar een moréélonderscheid dat wegvalt: al deze mensen, ongeacht status of afkomst, zijn door Christus in staat om een deugdzaam leven te leiden.

Als we de tekst zo lezen is er niet langer sprake van een directe tegenspraak tussen Kolossenzen 3:11 en de instructies voor slaafgemaakten en hun meesters in Kolossenzen 3:22-4:1. De bewering dat er geen onderscheid bestaat tussen mensen wat betreft morele capaciteiten vereist immers niet per se de afschaffing van slavernij (ook al zouden wij vanuit ons 21e-eeuwse perspectief wensen dat deze link gelegd zou zijn door vroege christenen). Ook Seneca en andere stoïsche filosofen waren ervan overtuigd dat slaafgemaakten deugdzaam konden leven, maar vonden niet dat slavernij daarom moest worden afgeschaft. Zowel in de Kolossenzenbrief als in de stoïsche filosofie ligt de focus op het innerlijke leven en in het bijzonder op de morele ontwikkeling van mensen, niet op het aanpassen of afschaffen van slavernij en andere vormen van sociale ongelijkheid. 

Matthijs den Dulk is gespecialiseerd in de interpretatie van het Nieuwe Testament en vroegchristelijke literatuur en is als wetenschappelijk directeur werkzaam bij de Nederlandse onderzoeksschool voor Theologie en Religiewetenschap.


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken