Spanningen in de gemeente
Gemeente en/of kerkenraad enerzijds en de predikant anderzijds kunnen zozeer uiteengroeien dat hierdoor spanningen ontstaan waardoor vruchtbaar werken voor de predikant moeilijk of onmogelijk wordt. Spanningen kunnen ontstaan door machtsmisbruik of ander tuchtwaardig gedrag van de predikant of van (leden van) de kerkenraad. In dat geval is er sprake van schuld en zal het gedrag beoordeeld moeten worden door de colleges voor het opzicht. Maar spanningen kunnen ook ontstaan zonder dat er een schuldige kan worden aangewezen. Een gemeente kan – al of niet door instroom van buiten – toegroeien naar een spiritualiteit die niet past bij die van de predikant, zoals ook de predikant een ontwikkeling kan doormaken die niet langer aansluit bij de verwachtingen van de gemeente. Ook botsende karakters kunnen zozeer spanningen brengen in een kerkenraad dat er iets moet gebeuren.
Allereerst zal moeten worden geprobeerd met behulp van de classispredikant en visitatoren en eventueel door mediation of er een oplossing kan worden gevonden waardoor de spanningen worden opgelost. Maar als dat niet lukt, zal een andere weg moeten worden bewandeld.
15.1 Vrijstelling van de predikant
Als de spanningen te groot zijn, kan het breed moderamen van de classicale vergadering de predikant geheel of gedeeltelijke vrijstelling van werkzaamheden geven (ord. 3-19). Indien snel optreden gewenst is, kan de classispredikant dit namens het breed moderamen doen, waarbij het breed moderamen achteraf het besluit van de classispredikant goedkeurt of een nieuw besluit neemt (ord. 4-16-5). Uiteraard kan een dergelijk besluit alleen genomen worden als vooraf de kerkenraad en de predikant zijn gehoord en – als het gaat om een predikant van een evangelisch-lutherse gemeente – ook de president van de evangelisch-lutherse synode.
Omdat het om een afkoelingsperiode gaat, is de periode van vrijstelling beperkt
De vrijstelling is bedoeld als afkoelingsperiode. Er wordt niet mee gezegd dat de predikant schuldig is aan de spanningen. De spanningen kunnen te maken hebben met ontwikkelingen in de gemeente of het functioneren van de predikant. Maar ook met dat laatste (het functioneren van de predikant) is niet gezegd dat de predikant schuldig is aan de spanningen.
Ook als de spanningen ontstaan doordat er vragen rijzen rond de leer van de predikant, of doordat een onderzoek naar het leven van de predikant wordt gedaan, grijpt de vrijstelling niet vooruit op de eventuele vaststelling van schuld door een college van het opzicht of (bij een leertuchtprocedure) door de generale synode. Dat geldt ook wanneer in het kader van het onderzoek naar het leven van een predikant een opzichtcollege besluit tot vrijstelling van werkzaamheden (bepalen dat betrokkene de vervulling van het ambt voorlopig dient op te schorten; ord. 10-9-4). Nadrukkelijk wordt daarbij gezegd dat het om een voorlopige maatregel gaat die niet het karakter heeft van tucht (zie § 21.4.3).
Vrijstelling klinkt wellicht vrijblijvend maar is verplichtend: de predikant moet zich van de werkzaamheden waarvoor deze is vrijgesteld, volledig onthouden. In de regel, wanneer het niet gaat om vrijstelling in het kader van een onderzoek naar leer of leven, zal de vrijstelling beperkt zijn tot ambtswerkzaamheden in de gemeente. Maar er kunnen redenen zijn om volledige vrijstelling ook buiten de eigen gemeente te geven.
Omdat het om een afkoelingsperiode gaat, is de periode van vrijstelling beperkt. Dat betekent concreet dat altijd een inschatting van de minimaal benodigde tijd moet worden gemaakt, en dat op basis daarvan een eindtijd moet worden genoemd. Wel kan deze zo nodig voor een beperkte tijd worden verlengd. De kerkorde geeft niet aan hoe lang die beperkte periode is. Dat hangt te veel af van de omstandigheden. Maar duidelijk is dat de periode zo kort mogelijk moet zijn.
Wanneer een onderzoek wordt ingesteld naar leer of leven van de predikant, of naar de vraag of de predikant moet worden losgemaakt van de gemeente, kan de vrijstelling voortduren tot de procedure beëindigd is.
15.2 Vrijstelling van andere ambtsdragers
Daarnaast of in plaats daarvan kan het breed moderamen ook besluiten een of meer ouderlingen of diakenen voor een bepaalde tijd geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van het werk (ord. 4-11). Vrijstelling betekent dat de vrijgestelde het werk niet mag doen. Het besluit hiertoe moet wel concreet zijn, wat betreft de duur van de afkoelingsperiode en de vraag wat de betreffende ambtsdrager(s) nog wel of niet meer mag/mogen doen. Het is immers best denkbaar dat het voldoende is als iemand bijvoorbeeld alleen voorlopig de kerkenraadsvergaderingen niet mag bijwonen – of dat juist alleen nog wel mag doen.
Het breed moderamen neemt een dergelijk besluit eerst nadat het overlegd heeft met de kerkenraad en de ambtsdrager(s) die het betreft. In een evangelisch-lutherse gemeente overlegt het breed moderamen ook met de president van de evangelisch-lutherse synode. Uiteindelijk is het het breed moderamen dat het besluit neemt. In spoedeisende gevallen kan het besluit ook voorlopig worden genomen door de classispredikant (ord. 4-16-5).
15.3 Losmaking van de predikant
15.3.1 Het verzoek tot losmaking
Als de spanningen voortduren, zal het breed moderamen van de classicale vergadering het classicale college voor de visitatie vragen – na overleg met de classispredikant – om een nader onderzoek te doen en zo mogelijk te bemiddelen (ord. 10-4-1 en 10-5-2). Wanneer het classicale college voor de visitatie tot de conclusie komt dat er maatregelen nodig zijn, kan de predikant worden losgemaakt van de gemeente.
Kerkenraad en predikant kunnen niet zelf om losmaking vragen
Dat is een zaak van het generale college voor de ambtsontheffing (ord. 3-20). Het breed moderamen vraagt dit college om zijn oordeel, uiteraard ook nu weer gehoord de predikant en de kerkenraad. Kerkenraad en predikant kunnen niet zelf om het oordeel van het generale college vragen. Wel kunnen ze aan het breed moderamen verzoeken de vraag voor te leggen aan het generale college. Maar het blijft dan een besluit van het breed moderamen.
Tegen dit besluit kan geen bezwaar gemaakt worden bij het classicale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen, maar alleen bij het generale college voor de ambtsontheffing. Bij de behandeling van het verzoek tot losmaking worden ingediende bezwaren meegewogen.
15.3.2 Het generale college voor de ambtsontheffing
Op het generale college voor de ambtsontheffing zijn alleen de algemene bepalingen voor de samenstelling van generale colleges van toepassing (ord. 4-28-2). De generale synode bepaalt zelf het aantal leden. Zij benoemt de leden voor een periode van vier jaar en herbenoemt voor een termijn van ten minste twee en ten hoogste vier jaar, met dien verstande dat de leden maximaal twaalf jaar aaneengesloten lid van het college zijn. De synode wijst de voorzitter van het college aan. Indien een zaak een predikant betreft die verbonden is aan de evangelisch-lutherse gemeente, wordt het college uitgebreid met twee leden aangewezen door de evangelisch-lutherse synode (GR 11-10-4; vgl. ord. 3-20-1; 30-21-1).
15.3.3 De behandeling van het verzoek
Het college heeft te oordelen over de vraag of een predikant een gemeente nog langer met stichting kan dienen. Dit behoort tot de kerkelijke rechtspraak. Daarop zijn dus ook de algemene bepalingen met betrekking tot de kerkelijke rechtspraak van toepassing (zie § 20.3).
Hoe gaat het verder? Als tegen de predikant tevens een onderzoek in het kader van het opzicht gaande is, kan het college voor de ambtsontheffing de behandeling van de zaak uitstellen totdat de opzichtzaak afgerond is (GR 11-10-5).
Predikant en kerkenraad worden in elkaars aanwezigheid gehoord
De gang van zaken heeft veel weg van die bij opzicht en bezwaren en geschillen. Partijen worden ten minste veertien dagen voor de behandeling op de hoogte gesteld van het verzoek van het breed moderamen (GR 11-9-2). Zij krijgen inzage in de stukken en ontvangen op verzoek een afschrift (GR 11-9-3). Het desbetreffende classicale college voor de visitatie wordt uitgenodigd op de stukken te reageren (GR 11-9-4). Het college voor de ambtsontheffing moet een zitting houden, waarop in elkaars aanwezigheid predikant en kerkenraad gehoord worden, desgewenst bijgestaan door een raadsman of -vrouw (GR 11-10-1). Het eventueel horen van het classicale college voor de visitatie vindt onder dezelfde voorwaarden plaats (GR 11-10-2). Ook afzonderlijk horen behoort onder voorwaarden tot de mogelijkheden (GR 11-10-3). Het college kan onderzoeken of het visitatierapport naar totstandkoming en inhoud ten grondslag kan liggen aan de beoordeling van het voorliggende verzoek (GCBG 2013/29). Het kan gebruikmaken van de diensten van een deskundige (GCBG 2010/13). Indien het college van oordeel is dat nader onderzoek nodig is, kan het de zaak aanhouden tot een volgende vergadering (GCBG 2011/06).
15.3.4 De uitspraak
Het generale college voor de ambtsontheffing doet een uitspraak over het verzoek tot losmaking. Het kan eventueel ook een tussenuitspraak doen en daarin nader onderzoek gelasten (GCBG 2011/06). Als het college van oordeel is dat er een grond is om dit verzoek in te willigen, bepaalt het een termijn van ten minste drie en ten hoogste twaalf maanden (ord. 3-20-2; GR 11-11-1). In die tijd blijft de predikant aan de gemeente verbonden. Deze heeft dan verschillende opties. Als hij of zij een beroep als gemeentepredikant ontvangt, kan betrokkene dat aanvaarden. Men kan ander werk gaan doen als predikant, bijvoorbeeld in een instelling. Maar ook kan men bij zichzelf te rade gaan en ontheffing uit het ambt vragen (ord. 3-26-1), al brengt dat betrokkene wel in een slechtere rechtspositie. Gebeurt dit alles niet, dan is de predikant na afloop van de termijn losgemaakt (ord. 3-20-4). Deze is vanaf dat moment predikant buiten vaste bediening en in beginsel beroepbaar voor een periode van vier jaar (zie verder ord. 3-15-4).
Het college kan zich bij een besluit tot losmaking ambtshalve de vraag stellen of niet ook ord. 3-21 moet worden toegepast en tot het oordeel moet worden gekomen dat de predikant niet in staat is ‘enige gemeente met stichting te dienen of in een andere functie met vrucht als predikant werkzaam te zijn’ (ord. 3-21-1).
In feite velt het college in het kader van ord. 3-21 een oordeel over de geschiktheid van de predikant
Voor een oordeel op dit punt hoeft geen apart verzoek te zijn gedaan (GCBG 2009/24). Evenmin is overigens het college verplicht toepassing van deze ordinantiebepaling in zijn overwegingen op te nemen. Waar het in ord. 3-20 gaat om het incidenteel functioneren van een predikant in relatie tot een specifieke gemeente, gaat het in ord. 3-21 om diens structureel functioneren in – naar verwachting – welke gemeente dan ook. In feite velt het college in het kader van ord. 3-21 een oordeel over de geschiktheid van de predikant.
Voor een besluit tot toepassing van ord. 3-21 is in afwijking met de gewone besluitvormingsregels een meerderheid van ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen vereist. Als het college een predikant ongeschikt acht, verliest die zijn ambtelijke bevoegdheden met onmiddellijke ingang.
Het generale college voor de ambtsontheffing dient in zijn uitspraak te blijven binnen de kerkordelijke kaders. Voor een schadevergoeding is bijvoorbeeld geen plaats (GCBG 2015/07).
De kerkorde geeft nauwkeurig aan, aan wie het besluit in afschrift dient te worden gezonden (GR 11-11-2). Als ten gevolge van de uitspraak recht op wachtgeld ontstaat, dan dient dit aan de Beheercommissie centrale kas predikantstraktementen te worden gemeld (GR 11-6-5; GR 5-29).
15.3.5 Procedure in beroep
Uitsluitend de predikant en de betrokken kerkenraad kunnen bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen in beroep gaan tegen het oordeel van het college, en dan nog alleen in bepaalde gevallen (GR 11-12-1,2). Beroep is dus niet mogelijk voor degene die het verzoek bij het college voor de ambtsontheffing heeft aangebracht, het breed moderamen van de classicale vergadering (GCBG 2014/27), of voor gemeenteleden (GCBG 2017/09). In de praktijk laat echter het generale college wel een verweer of een toelichting van een breed moderamen toe. Kerkenraad en predikant kunnen bezwaar maken tegen de in de artikelen van de generale regeling genoemde aspecten van de uitspraak. De gemeente kan onder meer wijzen op de kosten die voor haar rekening komen. In het verleden betrof dat ook de doorbelasting van de wachtgeldkosten. Die komen sinds enkele jaren in de regel voor de centrale kas predikantstraktementen, al kunnen het college voor de ambtsontheffing en de beheercommissie van de centrale kas in overleg anders besluiten.
De procedure is die van het generale college voor bezwaren en geschillen. De eerdergenoemde termijn van ord. 3-20-2 begint te lopen op de dag dat het generale college een einduitspraak doet (GR 11-12-5). Het college mag ook een nieuwe termijn stellen, daarbij rekening houdend met de duur en de behandeling van het beroep (GR 11-12-6). Het college kan de zaak zelf afhandelen, hetgeen wenselijk is om de procedure niet te lang te laten duren. Ook kan het terugverwijzen naar het college voor de ambtsontheffing, bijvoorbeeld voor nader onderzoek.
15.4 Kerkenraad onder curatele
Zoals bij spanningen de predikant kan worden losgemaakt, kan er ook een situatie ontstaan dat het functioneren in de kerkenraad door spanningen of conflicten dusdanig verstoord is, dat deze geen leiding meer kan geven aan de gemeente. Uiteraard zal, als een dergelijke situatie dreigt, alles moeten worden ingezet om dit te voorkomen. De classispredikant, visitatoren en eventueel mediation kunnen daarvoor worden ingezet. Ook kan het breed moderamen een of meer ambtsdragers vrijstellen van werkzaamheden (ord. 4-11; zie hierboven).
Als zulke maatregelen niet het gewenste resultaat opleveren, kan het breed moderamen van de classicale vergadering aan de generale synode vragen om (voormalige) ambtsdragers uit andere gemeenten als gedelegeerden aan te wijzen (ord. 4-12).
Bij het aanwijzen wordt vastgelegd welke taken van de kerkenraad door de gedelegeerden worden overgenomen. Dat kunnen alle taken zijn. Gedelegeerden zijn daarin wel terughoudend: het gaat om taken die niet achterwege kunnen blijven. Bovendien overleggen zij met de nog functionerende leden van de kerkenraad. Maar uiteindelijk beslissen de gedelegeerden.
Een verzoek om de kerkenraad ‘onder curatele te stellen’, moet vanuit de gemeente of de kerkenraad aan de orde gesteld zijn
Het breed moderamen kan het verzoek om gedelegeerden aan te wijzen niet zomaar doen: het moet vanuit de gemeente of de kerkenraad aan de orde gesteld zijn. Ook moet het breed moderamen overleggen met het classicale college voor de visitatie. Dat college moet de gemeente en de kerkenraad horen. Dat kan eventueel in de vorm van een visitatie naar ord. 10-5. En als het om een evangelisch-lutherse gemeente gaat, moet het breed moderamen ook de evangelisch-lutherse synodale commissie horen. Alles overwegend besluit het breed moderamen of het inderdaad de generale synode om gedelegeerden vraagt.
Uit de tekst van ord. 4-12 zou kunnen worden gelezen dat de generale synode alvorens het besluit genomen wordt, het college voor de visitatie en eventueel de evangelisch-lutherse synodale commissie hoort. Maar dat is niet de bedoeling. Het is uiteraard het breed moderamen dat het classicale college voor de visitatie hoort, en niet de generale synode.
Gedelegeerden worden voor telkens ten hoogste twee jaar aangewezen. De bedoeling is dat de kerkenraad zo snel mogelijk zelf weer de leiding van de gemeente ter hand neemt. Maar als het nodig is, kan de periode telkens worden verlengd.