Menu

None

Predikanten van de kerk

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

16.1    De weg naar het predikantsambt

16.1.1   De normale weg

Net als voor ouderlingen en diakenen geldt dat iemand pas in het predikantsambt staat, wanneer hij of zij door een ambtelijke vergadering geroepen is en bevestigd is. Maar waar voor ouderlingen en diakenen alleen de eis geldt dat zij belijdend lid zijn van de kerk, gelden voor de toelating tot het ambt van predikant extra eisen.

De normale weg is dat iemand aan de Protestantse Theologische Universiteit wordt opgeleid tot predikant. De PThU is een door de kerk gestichte instelling (ord. 13-2-3). De hoofdlijnen liggen daarom vast in de kerkorde (ord. 13 en GR 14; zie verder § 18.6). De kerk is dus voluit betrokken bij deze universiteit.

Een student die zich wil voorbereiden op het predikantschap laat zich aan het begin van de studie inschrijven in het zogeheten album van de kerk, volgt de vereiste vakken en verleent gaandeweg de studie ook medewerking aan het onderzoek naar de geschiktheid voor het ambt van predikant (ord. 13-10). De generale synode heeft hiertoe een geschiktheidscommissie ingesteld die met de studenten in de loop van de studie ten minste drie gesprekken voert. Om een verzoek in te kunnen dienen om toegelaten te worden tot het ambt, is een geschiktheidsverklaring van deze commissie vereist.

Het niet toekennen van de geschiktheidsverklaring wordt slechts marginaal getoetst

De generale synode heeft ingevolge ord. 13-10-4 in haar regeling bepaald dat tegen het besluit van de geschiktheidscommissie om geen geschiktheidsverklaring af te geven, bezwaar kan worden gemaakt bij de kleine synode, en dat tegen de beslissing van de kleine synode in beroep kan worden gegaan bij het generale college voor bezwaren en geschillen. Bij de beoordeling van het bezwaar en het beroep zullen de kleine synode en het generale college een en ander ‘marginaal toetsen’, dat wil zeggen dat zij niet hebben te oordelen over de geschiktheid maar over de vraag of de geschiktheidscommissie in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat betrokkene niet geschikt is (GCBG 2009/17).

Na voltooide studie en met geschiktheidsverklaring kan om toelating tot het ambt worden gevraagd bij het generale college voor de toelating tot het ambt.

16.1.2   Andere wegen tot het ambt

Na de reguliere weg worden in ord. 13 drie andere wegen beschreven die kunnen worden gevolgd.

De eerste is dat de opleiding deels elders (in binnen- of buitenland) is gevolgd. Het gaat dan om studenten die eerst nadat ze de studie elders begonnen zijn, tot het verlangen gekomen zijn om predikant in de kerk te worden. In de regel zullen deze studenten ten minste drie jaar aan de PThU moeten studeren en ingeschreven zijn in het album (ord. 13-12). ‘In de regel’ impliceert dat hierop gemotiveerd een uitzondering kan worden gemaakt.

De tweede mogelijkheid geldt voor degenen die in een andere kerkgemeenschap als predikant of geestelijke werkzaam zijn geweest of in die kerkgemeenschap tot het ambt van predikant of geestelijke zijn toegelaten. Als betrokkene in de Protestantse Kerk in Nederland om toelating tot het ambt van predikant verzoekt, kan de kleine synode de weg naar het colloquium openen. Deze formulering is zo gekozen, omdat de kleine synode niet beslist over de toelating (dat doet het generale college voor de toelating tot het ambt).

In de praktijk betekent dit dat allereerst een gesprek met het moderamen van de synode wordt gevoerd. Aan de eis dat men drie jaar ingeschreven moet zijn in het album van de kerk (ord. 13-10-1), behoeft iemand in dit geval uiteraard niet te voldoen. Ook zal de kleine synode in dit geval niet de eis stellen dat iemand twee jaar lid moet zijn van een gemeente van de kerk (ord. 13-17-2 sub a). Zie verder § 16.1.6.

Alvorens de kleine synode het besluit neemt, laat zij zich door de geschiktheidscommissie adviseren over de geschiktheid van betrokkene, en door het college van bestuur van de PThU over de kwaliteit van de opleiding. Daarbij kan de eis worden gesteld dat betrokkene eerst het masterexamen aan de PThU moet afleggen, of dat in bepaalde vakken een aanvullende opleiding moet worden gevolgd (ord. 13-13).

In bijzondere omstandigheden kan de kleine synode besluiten dat een student die een volledige theologische studie elders heeft gevolgd maar nog niet in een andere kerk tot het ambt is toegelaten, via de weg van ord. 13-13 tot het colloquium wordt toegelaten (ord. 13-14).

Wat singuliere gaven zijn, wordt niet nader omschreven

Ten slotte kan de kleine synode de weg tot het colloquium openen voor een belijdend lid van de kerk aan wie singuliere gaven geschonken zijn voor het ambt van predikant. Wat deze gaven zijn, wordt niet nader omschreven. Helder is dat niet de wens van betrokkene centraal staat. De gaven moeten zo overduidelijk zijn dat de kerk (door of vanwege de kleine synode) van oordeel is dat de kerk niet anders kan dan de weg naar het ambt openen. Ook in dat geval kan de kleine synode aanvullende opleidingseisen stellen (ord. 13-15).

16.1.3   Terugkeer tot het ambt

Ook iemand die eerder het ambt van predikant in de kerk heeft gedragen maar daarvan ontheven is, kan om (hernieuwde) toelating tot het ambt vragen. Het gaat daarbij om personen die op eigen verzoek eervol van het ambt zijn ontheven (ord. 3-26-2). Het kan ook gaan om iemand die door het generale college voor de ambtsontheffing ontheven is van het ambt omdat hij of zij (op dat moment) niet geschikt was voor enig predikantswerk (ord. 3-21). Zelfs iemand die uit het ambt is ontzet wegens tuchtwaardig gedrag zou deze weg kunnen gaan indien het betreffende college heeft verklaard dat de gronden voor de ontzetting uit het ambt niet langer aanwezig zijn (ord. 10-9-7).

De kleine synode laat bij een dergelijk verzoek allereerst de geschiktheid onderzoeken zoals ook tijdens de studie gebeurt. In de gevallen van ontheffing op grond van ord. 3-21 en van ontzetting uit het ambt zal de kans op een positief resultaat uiterst gering zijn.

Ook als de beoordeling naar de geschiktheid positief uitvalt, kan de kleine synode nadere voorwaarden stellen aan de toelating tot het colloquium.

Ook al wordt dat verder niet genoemd, naar analogie kan worden gesteld dat dezelfde procedure moet worden gevolgd als een emerituspredikant die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, om opheffing van het emeritaat vraagt. Dit geldt zeker als aan de bevoegdheid van de emerituspredikant beperkende voorwaarden zijn gesteld (ord. 3-28-1).

16.1.4   Het colloquium

Met allen die toelating verzoeken tot het ambt wordt een gesprek (colloquium) gevoerd. De aanvraag, de vereisten en de gang van zaken worden nader beschreven in ord. 13-17,18.

Het gaat bij het colloquium niet om een examen, maar om een ontmoeting en nadere kennismaking met degene die om toelating tot het ambt verzoekt, waarin wordt gesproken over de verwachtingen en intenties van de betrokkene. Het gesprek wordt gevoerd door een delegatie van het generale college voor de toelating tot het ambt. In de regel zal het gesprek erop uitlopen dat de delegatie aan de betrokkene vraagt de proponentsbelofte af te leggen (de tekst staat in ord. 13-18-7), waarna betrokkene voor vier jaar de bevoegdheid krijgt om als proponent te staan naar het ambt van predikant (ord. 13-18-4). De proponent ontvangt daarbij een testimonium (getuigschrift) waarin vermeld staat of deze beroepbaar is als gemeentepredikant dan wel als predikant-geestelijk verzorger.

Elke proponent is in heel de kerk beroepbaar

De kandidaat kan bij de proponentsbelofte aangeven dat zij of hij zich binnen het geheel van het belijden van de kerk in het bijzonder verbonden weet met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde traditie dan wel van de lutherse traditie (ord. 13-18-7). Hiermee geeft de proponent aan in welke traditie zij of hij zich het meest thuis voelt. Dat kan ook van belang zijn in het opzicht (vgl. ord. 10-1-4). Maar dit betekent niet dat hij of zij alleen beroepbaar is in een gemeente die zich in het bijzonder met die traditie verbonden weet. Elke proponent is in heel de kerk beroepbaar (ord. 3-15-2).

Binnen de opleiding wordt onderscheiden tussen de opleiding tot predikant en tot predikant-geestelijk verzorger. Wie de laatste opleiding gevolgd heeft, is alleen beroepbaar als predikant-geestelijk verzorger, en wie de eerste opleiding gevolgd heeft, is niet beroepbaar tot predikant-geestelijk verzorger (ord. 3-3-2 en 23-3). Het is uiteraard mogelijk beide opleidingen af te ronden.

Hoewel het colloquium geen examen is, kan het voorkomen dat de delegatie twijfelt of betrokkene wel kan worden toegelaten. Het colloquium kan dan worden onderbroken voor overleg met de geschiktheidscommissie. Na dit overleg wordt het colloquium voortgezet. Houdt de delegatie onoverkomelijke bezwaren, dan wordt dit schriftelijk omkleed met redenen aan betrokkene meegedeeld. Betrokkene kan dan nog binnen drie maanden aan het moderamen van de synode om voortzetting van het colloquium vragen. De beslissing ligt dan bij het moderamen (ord. 13-18-5,6).

16.1.5   Bevestiging in het ambt

Toelating tot het ambt betekent dus niet dat de proponent in het ambt staat. Daarvoor is nog een beroeping door een ambtelijke vergadering nodig. Eerst nadat deze beroeping is aanvaard, wordt de proponent bevestigd in het ambt van predikant (in andere kerken spreekt men wel van de ordinatie). Op deze regel is één uitzondering. Als iemand in een andere kerk in het ambt bevestigd is en door de kleine synode tot het colloquium is toegelaten, kan de delegatie besluiten betrokkene aan de kerk te verbinden als beroepbaar predikant. Een hernieuwde bevestiging in het ambt is dan niet nodig (ord. 13-18-4).

Indien de proponent de beroeping heeft aanvaard, wordt zij of hij bevestigd in het ambt in een kerkdienst. Voor degene die als gemeentepredikant of predikant-geestelijk verzorger aan een gemeente wordt verbonden, is dat uiteraard een kerkdienst in die gemeente. Voor een predikant in algemene dienst of een predikant-geestelijk verzorger die aan een classis of aan de kerk verbonden wordt, wordt de kerkdienst gehouden in een gemeente binnen het gebied waarin de predikant werkzaam zal zijn.

Alle aanwezige predikanten kunnen deelnemen aan de handoplegging

De bevestiging geschiedt met handoplegging door de predikant die de bevestigingsdienst leidt, met de bede dat God zelf door zijn Geest de predikant zal leiden. Ook andere predikanten die in de dienst aanwezig zijn, kunnen de handen opleggen, mede als teken van de collegialiteit in het ambt.

Alle predikanten worden na hun bevestiging in het ambt het eerste jaar in hun werk begeleid door een mentor van de kerk, en zijn verplicht in het tweede tot en met het vierde jaar de primaire nascholing te volgen (ord. 13-19; zie § 11.4.2). Wie dat niet doet, kan niet in een tweede gemeente beroepen worden (GR 15-3-3). Een en ander wordt nader geregeld in GR 15.

16.1.6   Overkomst als predikant

Eerder (zie § 16.1.2) is aangegeven dat iemand die in een andere kerkgemeenschap als predikant of als geestelijke gewerkt heeft, via het colloquium beroepbaar kan worden gesteld (ord. 13-13-1). Betrokkene moet dan voor het colloquium overkomen naar de kerk. Zij of hij verliest daarmee de ambtsbevoegdheid in de oude kerkgemeenschap. Betrokkene kan door het generale college voor de toelating tot het ambt als predikant beroepbaar worden gesteld. Hij of zij zet dan het ambt voort in de Protestantse Kerk in Nederland. Het gaat om een kan-bepaling: het college is er niet toe verplicht. Alleen voor predikanten uit (het Nederlandse deel van) de Presbyterian Church of Ghana en de Gereja Kristen Indonesia Nederland is in de associatieovereenkomsten vastgelegd dat zij na toelating via het colloquium beroepbaar predikant zijn.

Een andere mogelijkheid geldt predikanten van kerkgemeenschappen waarmee de kerk nauwe banden onderhoudt, voor zover dat nader is overeengekomen (ord. 14-4). Dezen kunnen door het moderamen van de synode, terwijl zij nog predikant zijn in de eigen kerk, beroepbaar worden gesteld. Zij leggen de ‘proponentsbelofte’ af voor het moderamen en kunnen uiterlijk de dag voor de bevestiging overkomen naar de kerk. Op die manier kan het werk in de eigen kerkgemeenschap en het werk in de Protestantse Kerk in Nederland naadloos op elkaar aansluiten. Deze regeling heeft de kerk overgenomen van de Nederlandse Hervormde Kerk en betreft predikanten van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten (1979; dit is inmiddels ook vastgelegd in de associatieovereenkomst), de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (1977) en de Remonstrantse Broederschap (1966) en verder enkele buitenlandse kerken: de Reformed Church in Africa (1979), de Verenigde Protestantse Gemeente van Curaçao (1987) en de Verenigde Protestantse Kerk in België (1987). Voor zover predikanten van laatstgenoemde kerk vóór 2004 al proponent of predikant in de Gereformeerde Kerken in Nederland waren, zijn zij overigens zonder meer beroepbaar, dus zonder dat zij apart beroepbaar worden gesteld (ovb. 14). Dat geldt ook voor de predikanten van de Evangelisch-altreformierte Kirche in Niedersachsen, voor zover zij de ambtsopleiding van de Protestantse Kerk in Nederland of haar rechtsvoorgangers hebben gevolgd (aldus de associatieovereenkomst).

16.2    Predikanten in soorten

Degenen die als predikant bevestigd zijn, zijn voor heel het leven geroepen tot het ambt en dragen het ambt dan ook heel het leven. Ook als de ambtsverplichtingen wegvallen, blijft de predikant behoren tot de ‘predikanten van de kerk’ (ord. 3-15).

De kerkorde onderscheidt drie categorieën van predikanten van de kerk

De kerkorde onderscheidt daarbinnen:

  • dienstdoende predikanten: predikanten met een ambtelijke opdracht van een ambtelijke vergadering,
  • predikanten buiten vaste bediening: predikanten die geen vaste opdracht van een ambtelijke vergadering hebben; dezen behouden de predikantsbevoegdheid en zijn beroepbaar of kunnen beroepbaar worden gesteld,
  • emerituspredikanten: predikanten die vanwege hun leeftijd of vanwege arbeidsongeschiktheid buiten vaste bediening staan; dezen behouden de predikantsbevoegdheid en zijn niet meer beroepbaar.

De predikantsbevoegdheid wordt omschreven als de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten (ord. 3-28). Dat is immers het centrale in het predikantswerk. Maar ook ander predikantswerk valt eronder, bijvoorbeeld het werk van de consulent (ord. 4-10-1) of het verrichten van hulpdiensten. De kleine synode kan beperkende voorwaarden stellen of de bevoegdheid zelfs intrekken, indien het belang van de kerk dit vereist. Hiervoor is instemming van het generale college voor de ambtsontheffing nodig (ord. 3-28-1). Het gaat daarbij om uitzonderlijke situaties, vergelijkbaar met een uitspraak dat een dienstdoend predikant niet langer geschikt is om enige functie als predikant uit te oefenen. Het GCBG heeft daarbij uitgesproken dat de kleine synode niet de bevoegdheid kan intrekken ‘vanwege het belang van de kerk’ als een college voor het opzicht heeft volstaan met een schorsing voor bepaalde tijd, omdat een college voor het opzicht in zijn uitspraak ook rekening houdt met het belang van de kerk (GCBG 2010/19).

Bij volledige intrekking van de bevoegdheid is betrokkene feitelijk ontheven van het ambt en niet langer predikant van de kerk. Een beperkende voorwaarde kan zijn dat een deel van het ambtswerk niet meer mag worden uitgeoefend, of dat een bepaalde begeleiding of nascholing nodig is.

16.2.1   Dienstdoende predikanten

Dienstdoende predikanten worden onderscheiden in predikanten voor gewone werkzaamheden (gemeentepredikanten), predikanten met bijzondere opdracht (geestelijk verzorgers) en predikanten in algemene dienst (ord. 3-15-3).

Het onderscheid, naast het onderscheid in werk, is de rechtspositie.

De gemeentepredikant is aan de gemeente verbonden en heeft de rechtspositie van predikant, zoals neergelegd in GR 5 (ord. 3-16-4).

Een predikant met bijzondere opdracht is in dienst van een instelling en heeft zijn rechtspositie bij de instelling (ord. 3-23-2). Overigens, een predikant met bepaalde opdracht (ord. 3-4-9; zie § 11.1.8) is als gemeentepredikant aan de gemeente verbonden en heeft dus de rechtspositie van een gemeentepredikant.

Een predikant in algemene dienst heeft de rechtspositie van een kerkelijk medewerker, zoals neergelegd in GR 6 (ord. 3-22-6).

16.2.2   Predikanten buiten vaste bediening

Wanneer de kerkelijke opdracht eindigt, wordt de predikant losgemaakt van de gemeente, de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen of de kerk, en wordt deze – als er geen nieuwe verbintenis is – predikant buiten vaste bediening. Bij een predikant met bijzondere opdracht en een predikant in algemene dienst gebeurt dat automatisch op het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt (ord. 3-22-2 en 23-5). Bij een gemeentepredikant is hier alleen sprake van als deze – bij uitzondering – beroepen is in tijdelijke dienst (ord. 3-18-4).

Een predikant buiten vaste bediening blijft bevoegd tot de bediening van Woord en sacramenten en is automatisch voor vier jaar beroepbaar, tenzij de predikant aangeeft niet beroepbaar te kunnen zijn (ord. 3-15-4). Het heeft immers geen zin om iemand op te nemen onder de beroepbare predikanten als de omstandigheden het aanvaarden van een beroep onmogelijk maken. Op verzoek kan deze periode voor telkens vier jaar worden verlengd. De kleine synode kan daarbij voorwaarden stellen met betrekking tot de nascholing (GR 15-9).

Een predikant buiten vaste bediening die niet beroepbaar is – omdat deze eerder niet beroepbaar wilde zijn, of omdat deze verzuimd heeft verlenging aan te vragen – kan verzoeken om opnieuw beroepbaar gesteld te worden. De kleine synode doet dat ‘tenzij het belang van de kerk zich daartegen verzet’  (ord. 3-15-5). De kleine synode moet dus goede gronden hebben om de predikant niet opnieuw beroepbaar te stellen. Bij het opnieuw beroepbaar stellen kan de kleine synode, net als bij een verzoek om verlenging, voorwaarden stellen met betrekking tot de nascholing (GR 15-9).

16.2.3   Emerituspredikanten

Het kenmerkende onderscheid tussen emerituspredikanten en predikanten buiten vaste bediening is dat emerituspredikanten niet langer beroepbaar zijn en ook niet meer beroepbaar gesteld kunnen worden. Voor het overige hebben emerituspredikanten dezelfde bevoegdheid als predikanten buiten vaste bediening (ord. 3-25-1 en 3-15-4). Bovendien mag van predikanten buiten vaste bediening worden verwacht dat zij naar vermogen de kerk met hun bevoegdheid dienen. Op emerituspredikanten ligt die morele verplichting niet meer.

Na de AOW-datum is de predikant niet langer beroepbaar voor ander werk

In principe valt de datum van emeritering samen met de datum waarop de predikant recht krijgt op AOW (ord. 3-25-1). De datum kan worden opgeschoven als de werkzaamheden van de dienstdoende predikant nog niet zijn beëindigd. De emeritering valt dan samen met het einde van de werkzaamheden die de predikant op de AOW-datum verrichtte. Na de AOW-datum is de predikant niet langer beroepbaar voor ander werk. Zodra de bestaande verbintenis eindigt, is de predikant emerituspredikant.

Emeritering geschiedt op verzoek of ambtshalve door de kleine synode. De datum van het emeritaat wordt dus niet opgeschoven omdat een verzoek ontbreekt.

Een gemeentepredikant kan die datum met instemming van de kerkenraad van de gemeente waaraan deze verbonden is, uitstellen tot maximaal de verplichte pensioendatum. Bij het pensioenfonds Zorg en Welzijn, waarbij de pensioenverzekering is ondergebracht, is dat – op dit moment – vijf jaar na de AOW-leeftijd. De predikant kan in die periode geen nieuwe verbintenis aangaan. Zodra de verbintenis eindigt, is de predikant emeritus. Als de predikant verbonden is aan een gemeente met wijkgemeenten, moet zowel de wijkkerkenraad als de algemene kerkenraad instemmen met het verzoek. Het verzoek tot (uitstel van) emeritering kan zowel door de predikant als door de kerkenraad worden ingediend.

De datum kan niet alleen worden opgeschoven maar – uitsluitend op verzoek van de predikant zelf – ook worden vervroegd. Dit kan wanneer de predikant recht heeft op volledige pensionering. Voor gemeentepredikanten geboren vóór 1965, is dat 60 jaar, voor andere gemeentepredikanten is dat vijf jaar voor de AOW-datum. Het is een mogelijkheid, geen verplichting. Ook als een predikant ervoor kiest om het pensioen voor de AOW-datum te laten ingaan, behoeft hij of zij geen emeritaat aan te vragen.

Hetzelfde geldt bij volledige arbeidsongeschiktheid. Alleen wanneer geen zicht is op (gedeeltelijk) herstel en een beroeping uitgesloten is, kan een verzoek zinvol zijn. Maar zolang dat niet het geval is, is het beter om het verzoek niet in te dienen.

Een predikant die met functioneel leeftijdsontslag gaat, zoals een krijgsmachtpredikant, kan op dat moment nog geen emeritaat aanvragen. De predikant krijgt immers geen pensioen maar een uitkering. Deze predikant wordt bij ontslag predikant buiten vaste bediening.

16.2.4   Nevenwerkzaamheden

Een (dienstdoende) predikant kan naast zijn ambtelijke taak nevenwerkzaamheden aanvaarden. In alle gevallen is daarvoor toestemming nodig van de ambtelijke vergadering die beroept of beriep. Het gaat daarbij om toetsing of het werk verenigbaar is met het ambt van predikant en niet strijdig is met het belang van de gemeente of van de kerk (ord. 3-24-1). Uiteraard gaat het hier om nevenwerkzaamheden die niet predikantswerkzaamheden zijn. Voor het verrichten van hulpdiensten en voor ander werk binnen de kerk hoeft geen toestemming te worden gevraagd. Zie echter voor gemeentepredikanten ook § 11.2.

Welk werk niet verenigbaar is met het ambt van predikant en/of strijdig met het belang van de gemeente of de kerk, wordt verder niet gezegd. Dat zal per geval moeten worden bepaald. Een ambtelijke vergadering zal hierbij met de nodige terughoudendheid moeten oordelen.

16.3    Predikanten in algemene dienst

Naast de gemeentepredikanten kent de kerk ook predikanten in algemene dienst. Deze zijn beroepen door de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode of de generale synode en daarmee verbonden aan de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen of de kerk.

Deze predikanten doen werk dat in rechtstreeks verband staat met de vervulling van het werk van predikant. Of dit het geval is, wordt getoetst door de kleine synode (ord. 3-22-1). Op hen is de rechtspositieregeling voor kerkelijk medewerkers van toepassing (ord. 3-22-6; GR 6).

Interim-predikanten hebben een speciale opleiding gevolgd om gemeenten te begeleiden in overgangssituaties

Onder de predikanten in algemene dienst vallen onder meer de scriba van de generale synode, de classispredikanten en predikanten voor het landelijk uitgevoerd predikantswerk (categoriaal pastoraat), bijvoorbeeld onder studenten. Verder behoren tot de predikanten in algemene dienst ook de predikanten die beschikbaar zijn voor tijdelijk werk in de gemeente (ord. 3-22-1 en 3-18-6). Op dit moment gaat het om zogeheten interim-predikanten, die een speciale opleiding hebben gevolgd om gemeenten te begeleiden in overgangssituaties. Zij kunnen worden gedetacheerd in een gemeente en verrichten dan hulpdiensten (zie § 11.3.1).

Het ligt in de bedoeling dat ook ambulante predikanten in algemene dienst worden aangesteld, die in vacaturetijd in de gemeente hulpdiensten kunnen verrichten. Deze ambulante predikanten zijn er voor het gewone werk. Ze hebben – anders dan de interim-predikanten – geen specifieke opleiding voor het begeleiden in overgangssituaties.

Predikanten in algemene dienst worden aan de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen of de kerk verbonden in een kerkdienst in een gemeente binnen het ressort waarin ze werkzaam zullen zijn (ord. 3-22-4). Zij worden begeleid door een daarvoor ingestelde commissie (ord. 3-22-5), zodat ze een klankbord hebben. In de praktijk geldt dit alleen voor de predikanten die werkzaam zijn in het categoriaal pastoraat. De scriba van de synode en de classispredikanten maken immers deel uit van een ambtelijke vergadering, en de predikanten die hulpdiensten verrichten, hebben in hun werk overleg met een kerkenraad.

Predikanten in algemene dienst kunnen worden beroepen in deeltijd en in tijdelijke dienst (ord. 3-22-7). Voor classispredikanten en de scriba van de synode is in de kerkorde een termijn van vijf jaar vastgelegd met de mogelijkheid om eenmaal herbenoemd te worden. Daarna eindigt de taak en daarmee de verbintenis aan de kerk of de classis.

De kerkorde kent de mogelijkheid dat een predikant-geestelijk verzorger als predikant in algemene dienst beroepen wordt (ord. 3-22-2). Het gaat hier om een theoretische mogelijkheid. Er zijn geen predikanten-geestelijk verzorger in algemene dienst.

16.4    Predikanten met bijzondere opdracht

Predikanten en proponenten die werkzaam (willen) zijn buiten de kerk kunnen door een ambtelijke vergadering beroepen worden tot predikant met bijzondere opdracht voor de duur van de werkzaamheden (ord. 3-23-2,4). Ook hier is het criterium – net als bij de predikant in algemene dienst – dat het werk in rechtstreeks verband staat met de vervulling van het ambt van predikant. De kleine synode moet dit toetsen (ord. 3-23-1). Dat is zonder meer duidelijk bij de predikant-geestelijk verzorger, de grootste groep van predikanten met bijzondere opdracht. Bij ander werk is dat niet zonder meer duidelijk. Bij een godsdienstleraar zal de aard van de werkzaamheden de doorslag geven bij de vraag of hier sprake is van werk dat rechtstreeks in verband staat met het ambt van predikant. Als een godsdienstleraar bijvoorbeeld later deel gaat uitmaken van het management van de school, zou deze strikt genomen opnieuw moeten laten toetsen of de aard van de werkzaamheden het voortduren van het predikantschap rechtvaardigt.

Een predikant met bijzondere opdracht kan worden beroepen door een kerkenraad, een classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode of de generale synode, en is daarmee verbonden met de gemeente, de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en de kerk.

Kortheidshalve wordt in het vervolg alleen gesproken over kerkenraad en gemeente.

Alleen predikanten die de verplichte opleiding tot geestelijk verzorger hebben gevolgd, zijn beroepbaar als predikant-geestelijk verzorger (ord. 13-17-2 sub b). Voor zover predikanten al langere tijd als predikant-geestelijk verzorger werkzaam zijn, zonder de sinds 2008 verplichte daarop gerichte opleiding te hebben doorlopen, zullen zij om een beroep naar een andere gemeente te kunnen aanvaarden, aan de kleine synode moeten vragen om ontheffing van de verplichting alsnog een aanvullende opleiding te volgen (ord. 3-23-3).

Predikanten met bijzondere opdracht hebben hun rechtspositie bij de instelling die hen aanstelt. De kerkenraad sluit een overeenkomst met de instelling waarin wordt vastgelegd:

  • dat de kerkenraad verantwoordelijk is voor het werk dat de predikant ambtelijk doet, en
  • dat de gemeente niet aansprakelijk is voor de financiële gevolgen van ontheffing van of ontzetting uit het ambt of ontslag van de dienstbetrekking (ord. 3-23-5).

Het eerstgenoemde aspect impliceert dat deze predikanten ook vallen onder het opzicht van de kerk: in voorkomende gevallen zal de kerkenraad daarover uiteraard contact zoeken met de betrokken instelling (zie § 21.4). Dat de gemeente niet aansprakelijk is bij ontslag, hoeft eigenlijk niet genoemd te worden: er is immers geen rechtspositionele verbintenis tussen de predikant en de gemeente. Het is wel van belang dat vastgelegd wordt dat de gemeente ook niet aansprakelijk is voor de financiële gevolgen van ontheffing van of ontzetting uit het ambt. In dat geval is dus de cao waaronder de predikant valt, van toepassing. Als de instelling dan de gewezen predikant ontslaat, kan de instelling geen schadevergoeding bij de gemeente vragen. Dat een instelling dat zou vragen, is overigens een theoretische mogelijkheid. Het is niet goed denkbaar dat een instelling een predikant die zich dusdanig gedraagt dat de kerk hem schorst of uit het ambt ontzet, als geestelijk verzorger zal willen handhaven. Gezien de duur van een tuchtprocedure ligt een eerder ontslag meer voor de hand. Overigens is een instelling niet verplicht een predikant-geestelijk verzorger die van het ambt wordt ontheven, te ontslaan.

Predikanten met bijzondere opdracht worden begeleid door een commissie die wordt ingesteld door de kerkenraad (ord. 3-23-8). In de praktijk geldt dit alleen voor predikanten-geestelijk verzorger. Een commissie ter begeleiding van het werk van een godsdienstleraar is niet goed denkbaar. Wel zal de kerkenraad in dat geval met betrokkene moeten spreken over het werk dat ambtelijk wordt verricht.

Begeleidingscommissies voor predikanten-geestelijk verzorger worden vaak interkerkelijk samengesteld, maar de eindverantwoordelijkheid blijft liggen bij de kerkenraad die heeft beroepen.

16.5    Ontheffing op verzoek

Zoals boven gezegd, een predikant wordt voor het leven geroepen tot het ambt en draagt het ambt dan ook heel het leven.

Een predikant mag niet eigenmachtig het ambt neerleggen

Ook als de ambtsverplichtingen wegvallen, blijft de predikant predikant van de kerk. Het ambt kan alleen door de kerk worden afgenomen, in het kader van de tucht (ontzetting uit het ambt) of omdat de predikant niet langer geschikt is het ambt uit te oefenen (ontheffing uit het ambt). Een predikant mag niet eigenmachtig het ambt neerleggen. Wel kan de kleine synode op verzoek van de predikant deze eervol van het ambt ontheffen (ord. 3-26-1). Het woord ‘eervol’ voegt op zich niets toe. De toevoeging stamt uit de tijd dat het mogelijk was dat iemand die eervol ontheven was van het ambt, de predikantsbevoegdheid kon behouden. Dit is niet langer mogelijk. Degene die ontheffing krijgt, is niet langer predikant van de kerk en kan dus ook niet de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten behouden. Een predikant die andere werkzaamheden aanvaardt, hoeft ook niet (meer) ontheffing te vragen maar kan als predikant buiten vaste bediening de predikantsbevoegdheden behouden.

Ondanks het verbod kan een predikant zich in de praktijk onttrekken aan het ambt, bijvoorbeeld door zich te onttrekken aan de Protestantse Kerk in Nederland. De kleine synode kan in dat geval niet anders doen dan constateren dat betrokkene het ambt in de kerk heeft neergelegd, zoals inmiddels enkele malen is gebleken.

16.6    Ongeschiktheid als predikant

Kan een predikant nog wel langer vruchtbaar als predikant functioneren, hetzij in een gemeente, hetzij in een andere functie? Bij een gemeentepredikant kan die vraag door het breed moderamen van de classicale vergadering worden voorgelegd aan het generale college voor de ambtsontheffing. Het generale college kan ook zelf, in het kader van de vraag of de predikant moet worden losgemaakt van de gemeente, deze vraag aan de orde stellen.

Als aan een predikant conform de kerkordelijke bepalingen supervisie is opgelegd zonder dat dit het beoogde resultaat heeft gehad, kan de kleine synode dezelfde vraag aan het generale college voorleggen (ord. 3-21-1). Zie verder § 15.3.

Er is geen regel waardoor dezelfde vraag formeel bij het generale college voor de ambtsontheffing aan de orde gesteld kan worden bij predikanten buiten vaste bediening. Wel kan er reden zijn om de bevoegdheid van een predikant buiten vaste bediening in te trekken dan wel daaraan beperkende voorwaarden te stellen. Wat de redenen kunnen zijn, wordt verder niet aangegeven. Bij intrekking van de bevoegdheid zal het gaan om algehele ongeschiktheid voor het ambt, als bedoeld in ord. 3-21 (GCBG 10/19). In dit geval is het de kleine synode die dit besluit neemt. Daarbij heeft zij wel de instemming van het college voor de ambtsontheffing nodig (ord. 3-28-1). Het ligt voor de hand dat het college bij de beoordeling een vergelijkbare procedure hanteert als bij andere zaken. Hoewel de tekst van ord. 3-28-1 een twee derde meerderheid binnen het college – als in ord. 3-21-1 – niet vereist, ligt het voor de hand ook in dit geval van dat vereiste uit te gaan.

Het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen heeft geoordeeld dat de kleine synode een dergelijk besluit niet kan nemen om een in haar ogen te licht oordeel van het generale college voor het opzicht terzijde te stellen (GCBG 10/19).


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken