Stil
Bij Johannes 2:12-22(25)(de tempelreiniging)
Op een dag had vuurvliegje er genoeg van. Ze glom van kwaadheid, maar niemand die er aandacht aan besteedde. Ze hadden het allemaal druk met zichzelf. De olifant probeerde met de giraf te praten aan de andere kant van het open veld in het bos. Zijn getrompetter was oorverdovend. Maar het leek of niemand daar last van had. De kikker stond luid te kwaken tegen de slak en de nachtegaal deed wedstrijdje met de merel wie het mooiste kon zingen. De eekhoorn prees luidkeels zijn beukennootjestaart aan. De mol had zich teruggetrokken in zijn hol. Hij had pijn in zijn oren. Kortom, het leek wel een marktplaats daar in het bos.
Vuurvliegje landde op de kop van de olifant en schreeuwde in zijn oor: ‘Ophouden!’ ‘Wie zegt daar iets?’ vroeg de olifant. ‘Wil je nu ophouden met dat getetter?’ brulde vuurvliegje rood van woede. Olifant keek stomverbaasd om zich heen en hield verschrikt op. Verbaasd hielden de anderen ook hun mond en keken naar vuurvliegje die nog steeds rood zag van kwaadheid. ‘Waarom ben je zo kwaad?’ vroeg de kikker, ‘er is toch niets aan de hand?’ ‘Jawel,’ zei vuurvliegje, ‘als jullie zo’n lawaai maken, kun je het suizen van de wind niet meer horen en het gekabbel van de golfjes niet en het varen van de wolken niet en het geluid van vallende sterren niet. Je hoort de roep van de mier niet en je merkt niet dat de mol niet meekan. En dat is zonde…’ Beschaamd keken de dieren elkaar aan. Een voor een dropen ze af. Mol stak zijn kop boven de grond. ‘Wat is het heerlijk stil,’ zuchtte hij. Zachtjes hoorde hij de slak zeggen: ‘Stil, wees stil, op zilveren voeten schrijdt de stilte door de nacht…’ ‘Waar komt die zin opeens vandaan?’ vroeg slak zich verbaasd af.