Straatfeest
Bij Lucas 4,21-30
In de straat van Jos en Janneke wonen veel kinderen. Er zal een groot kinderfeest worden gehouden. Zaterdag is het zover. Er komt een tent met muziek en een tent waar je kan smikkelen en smullen. Er zijn straatspelen bedacht en wedstrijden, een verkiezing van het mooiste meisje en van de sterkste jongen. Er komt aan het eind van de middag een goochelaar en er komt een clown. Het wordt fantastisch. Maar nu is er iets ergs gebeurd. In de straat wonen ook een heel oude opa en oma. Zo noemen ze die. Opa was al lang ziek en deze week is hij gestorven. Zaterdag wordt hij begraven en dat kan natuurlijk niet in een straat vol vlaggetjes en ballonnen en muziek. ‘We verplaatsen het naar maart,’ zegt mama, ‘dan is het lente en vast veel mooier weer.’ En wie moeten dat gaan zeggen bij alle kinderen? Jos en Janneke! ‘Dat durf ik niet,’ zegt Jos. ‘Ik ook niet,’ zegt Janneke. Maar het moet wel, want anders is iedereen al bezig. Jos en Janneke gaan toch maar langs de deuren. Wat een vervelend baantje. Iedereen is teleurgesteld en sommigen zijn kwaad. ‘Het is mijn opa toch niet,’ zegt een jongen. ‘Mijn opa ook niet,’ vindt Jos, ‘hij is van ons allemaal.’ Als ze langs het huis van opa komen, komt oma net naar buiten. Wat moeten ze zeggen? ‘We vinden het zo erg,’ zegt Jos, ‘we laten het kinderfeest niet doorgaan.’ ‘Ik vind het lief van jullie dat jullie aan mij denken,’ zegt oma. ‘Het is een heel offer voor jullie.’ ‘We doen het als het lente is,’ zegt Janneke. ‘Mag ik dan ook komen?’ vraagt oma. ‘Natuurlijk wel, als u zin hebt.’ ‘Anders maak ik wel zin,’ zegt oma.