Eerste zondag van de Advent
OT: Jesaja 63,19b-64,8 Psalm: Psalm 85 Epistel: 1 Korintiërs 1,1-9 Overig: EV: Marcus 13,24-37 Alternatieven:
OT: Jesaja 63,19b-64,8 Psalm: Psalm 85 Epistel: 1 Korintiërs 1,1-9 Overig: EV: Marcus 13,24-37 Alternatieven:
Jezus zal, als het vleesgeworden Woord van God, een begin maken met de nieuwe schepping. Hij zal de mens vanuit de duisternis opnieuw tot leven wekken. De adventsperiode leent zich ervoor om het verlangen naar het nieuwe leven aan te wakkeren.
Van oudsher leest de kerk in Adventstijd niet alleen de verhalen van de verwachting van Jezus’ geboorte, maar ook het verhaal dat meer dan dertig jaar later speelt: van Johannes in de gevangenis. Advent is immers de tijd van verwachting en daarover gaat de vraag van de Doper: teleurgestelde verwachtingen.
OT: Jesaja 2,1 -5 Psalm: Psalm 122 EV: Matteüs 24,32 -44 Epistel: Romeinen 13,8 -14 Overig: Jesaja 2,1 -5 Alternatieven:
Gevangenisbrieven (en gedichten!) zijn vaak indringend. Er is een sterk besef van de positie waarin men verkeert. Er spreekt een roep om verbinding uit met degenen die buiten zijn, familie, geliefden, de groep waartoe men behoort. Ook een roep om aandacht? Voor de zaak waarvoor men is gevangengezet? Wanneer men vermoedt geen bevrijding tegemoet te kunnen zien, kan zo’n brief ook het opmaken van een balans zijn, zoekend naar de kern van waarvoor je hebt geleefd.
Met Psalm 85 opent de periode van Advent met een psalm van inkeer. In de eerste verzen wordt de Heer herinnerd aan zijn genadige omgang met het volk. Vervolgens klinkt in vers 5 een bede tot de Heer om terugkeer. Een bede die in vers 7 klinkt als de roep vanuit een ultieme diepte: ‘Breng ons weer tot leven.’ In vers 9 onderbreekt de psalmist zichzelf en schept hij ruimte voor woorden van vrede van de Heer zelf. Het is een vrede die samenhangt met recht doen. Die samenhang baant voor God de weg.
De samenstellers van het Oecumenisch Leesrooster hebben voor de vijf zondagen van Advent en Kerstmis 2022 gekozen voor een alternatief spoor van voormoeders van Jezus, en daarbij de chronologische volgorde van de eerste vier lezingen omgedraaid (vgl. Mat. 1,3.5.5.6). Voor de eerste Adventszondag staat daarom 2 Samuel 11,14-27, over David en Batseba, op het rooster. Daarin baart Batseba David wel een zoon, maar nog niet de in Matteüs 1,6 genoemde Salomo.
Het gezamenlijke thema van alle drie de teksten van deze eerste zondag van de Advent is ‘tijd’. En dan niet tijd om de duur van iets te meten, maar tijd in de zin van ‘tijdvak’ of ‘tijdperk’, telkens met bepaalde kenmerken en een specifieke waarde en betekenis. De twee nieuwtestamentische teksten getuigen van de christelijke overtuiging in een bijzondere tijd te leven; de oudtestamentische tekst geeft uitdrukking aan de hoop die verbonden is met de ‘laatste’ tijd, een tijd waarin de Eeuwige alleen het voor het zeggen heeft.
Vier moeders uit het Oude Testament, Bathseba, Ruth, Rachab en Tamar en één uit het Nieuwe Testament, Maria, komen in het licht te staan. Alle vier hebben ze een bijzonder levensverhaal en worden ‘(overgroot)moeder’ van Jezus!