Menu

Premium

Naar u gaat mijn verlangen uit

Alternatief bij de 1e zondag van de Advent (Filippenzen 1,1-11)

Gevangenisbrieven (en gedichten!) zijn vaak indringend. Er is een sterk besef van de positie waarin men verkeert. Er spreekt een roep om verbinding uit met degenen die buiten zijn, familie, geliefden, de groep waartoe men behoort. Ook een roep om aandacht? Voor de zaak waarvoor men is gevangengezet? Wanneer men vermoedt geen bevrijding tegemoet te kunnen zien, kan zo’n brief ook het opmaken van een balans zijn, zoekend naar de kern van waarvoor je hebt geleefd.

In onze tijd zijn vooral de gevangenisbrieven van D. Bonhoeffer, T. Brandsma en E. Hillesum bekend. Dergelijke brieven of dagboeknotities worden vaak ook gekenmerkt door het feit dat de auteur, wie dan ook, zijn of haar geliefden wil bemoedigen. Zij hebben meer steun nodig dan degene die gevangen zit, zo lijkt het. Ze moeten de moed niet verliezen. We kunnen ons intussen nauwelijks een voorstelling maken van Paulus’ moed en onverschrokkenheid. Meerdere keren is hij gevangengenomen, of als gevangene op transport gezet. Ook de brieven aan de Efeziërs, aan de Kolossenzen en aan Filemon zijn geschreven vanuit een hechtenissituatie.

Dankzegging en gebed

Wat opvalt, is dat Paulus niet begint met de schildering van zijn eigen situatie of die van Timoteüs, zijn medegevangene. Hij opent formeel, volgens de briefstijl van zijn tijd, door eerst de afzender te noemen, dan de geadresseerde en vervolgens een vredegroet uit te spreken, gevolgd door een dankzegging. Wel vermeldt hij bij het noemen van zijn eigen naam en die van Timoteüs direct de kern van hun bestaan, hun roeping, hun missie: ze zijn ‘dienaren van Christus Jezus’. Er is geen zelfbeklag, maar alleen een getuigenis aangaande de vervulling van hun leven.

Het adres is inclusief. Niet alleen de gemeenteleden worden genoemd (‘alle heiligen in Filippi’), maar ook hun leidinggevenden, de ambtsdragers, de ‘opzieners’ en ‘dienaren’ (Gr.: episkopoi en diakonoi, wat ook goed te vertalen valt met ‘bisschoppen’ en ‘diakenen’). Ze vormen samen de gemeente die Paulus zelf heeft gesticht in de Romeinse provincie Macedonië, een gemeente bestaande uit Macedoniërs en Romeinen die hij graag nog een keer wil bezoeken. Hij is haar dankbaar voor haar geloofshouding en onderlinge verbondenheid (2,1-4), en ook voor haar materiële ondersteuning (4,10-20). Al in de eerste regels van de brief spreekt hij zijn liefde voor deze gemeente uit : ‘U ligt me na aan het hart – het spreekt vanzelf dat ik zo over u denk.’

Mooi is dat Paulus aan hen denkt tijdens zijn gebed voor hen. Het bidden, waarmee hij begint, opent zijn hart voor hen opnieuw. Dat is ook onze ervaring. Wanneer we in ons gebed deze en gene opdragen, voor Gods aangezicht brengen, gebeurt het vanzelf dat we tijdens ons gebed en daarna doordenken
en ons afvragen hoe het met hen zou gaan. Je denkt bij jezelf: het wordt tijd dat ik weer eens een brief schrijf, kan ik mooi antwoorden op kwesties die ze me laatst hebben voorgelegd, of die ik over hen heb horen vertellen. Maar voorop staat de dankbaarheid: ‘Telkens als ik voor u allen bid, en wanneer ik aan u denk, dank ik mijn God’ (1,3-4). Opvallend is de persoonlijke toon: ‘mijn God’.

Vol vreugde

Dat bidden doet Paulus ‘vol vreugde’ (1,4). De woorden ‘vreugde’ en ‘zich verheugen’ gebruikt hij graag in deze brief (‘vreugde’: 1,25; 2,2.29; 4,1; ‘zich verheugen’: 1,18; 2,17-18.28; 3,1; 4,4). Hij typeert zijn gevangenschap ook als een bijdrage aan de verspreiding van het vreugdevolle evangelie (‘goede, blijde boodschap’).

Ook de gemeenteleden zelf dragen aan die vreugdevolle verspreiding bij, vanaf de eerste dag dat zij elkaar hebben leren kennen (1,5). Hij zal in het vervolg van de brief nog wel een paar noten (moeten) kraken, maar uit deze eerste verzen spreekt een warme genegenheid jegens de kring van mensen, van wie hij een aantal natuurlijk persoonlijk kent. In zijn oprechte verlangen hen opnieuw te bezoeken neemt hij ‘God als getuige’ (1,8).

Hij verlangt naar hen, hij distantieert zich op geen enkele manier, ze liggen hem na aan het hart. De genade die hemzelf geschonken is – doordat hij de weg van Christus mocht gaan verkondigen – rust ook op hen. En wellicht ligt ‘de genegenheid van Christus’ (1,8) waarmee hij naar hen verlangt wel in dezelfde sfeer als ‘de gezindheid van Christus’, die hun onderlinge eensgezindheid al kenmerkt (2,2.5). Maar daar laat hij het niet bij, want hij bidt voor hen ook ‘dat hun liefde’ – die hij aanwezig weet – ‘blijft groeien’ (1,9).

Waar het op uitloopt

Paulus is ervan overtuigd dat God in de gemeente van Filippi dit goede werk dat Hij begonnen is ‘zal voortzetten tot het voltooid is op de dag van Christus Jezus’ (1,6 – NBV21). Dan zal de gemeente vol zijn van de ‘vrucht van gerechtigheid’, die de gemeente niet aan eigen verdienste zal danken, maar ‘die u dankt aan Jezus Christus’ (1,11).

Vanouds heeft de brief aan de Filippenzen een plaats op de derde zondag van de Advent: het ‘Verheugt u’ van 4,4 klinkt zowel in de introïtus als in de epistellezing (Lat.: Gaudete). Ook verwachting en verlangen spelen een grote rol, zoals we gezien hebben in de lezing van vandaag, als Paulus schrijft over ‘de dag van Christus’ (1,6.10; 2,16), waarop voltooid zal worden wat al begonnen is. Die dag komt, want de nacht loopt ten einde (aldus Paulus in de klassieke epistellezing van deze dag, Rom. 13,11-14). Dat is ook de nacht waarin Paulus zich bevindt, die van de gevangenis.

‘Ik ben er helemaal thuis, in dat kleine celletje,’ schreef Titus Brandsma in de strafgevangenis van Scheveningen (1942). Hij had dan ook geleerd zijn eigen (klooster-)cel als de hemel te zien. Voor vele anderen was en is de cel de hel. Voor Paulus staat daarin Christus centraal: zevenmaal klinkt die naam in de eerste elf verzen.

Deze exegese is opgesteld door Nico Vlaming.

Wellicht ook interessant

None

Een therapeutische staatsreligie?

In de nieuwe serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. Op eerste oogopslag lijken geloof en therapie twee verschillende invloedsferen te zijn. Maar Katie laat zien dat ze veel meer met elkaar gemeen hebben dan we wellicht denken en dat het van groot belang is om de overeenkomsten en verschillen scherp te krijgen. In dit eerste artikel onderzoekt ze de gevolgen van de verandering van therapie in een potentiële staatsreligie, en daarmee in een autoriteit op het gebied van levensvragen. 

Nieuwe boeken