Kerstdag
OT: Jesaja 52,7 -10 Psalm: Psalm 98 EV: Johannes 1,1 -14 Epistel: Hebreeën 1,1 -12 Overig: Jesaja 8,23b -9,6 Alternatieven:
OT: Jesaja 52,7 -10 Psalm: Psalm 98 EV: Johannes 1,1 -14 Epistel: Hebreeën 1,1 -12 Overig: Jesaja 8,23b -9,6 Alternatieven:
Van Filippenzen 2,5-11 wordt vermoed dat het een bestaande belijdenisformule is die Paulus opneemt in zijn brief. Het is een tekst in gebonden, lyrische, misschien liturgische taal. Zoals in de eerste brief aan de Korintiërs opeens dat lied over de liefde klinkt (1 Kor. 13), zo hebben we hier opeens een Christushymne. Daarin wordt Christus Jezus gepresenteerd of geproclameerd als de incarnatiebeweging van God.
Het kind in de kribbe, Jozef en Maria ernaast, de herders met een paar schaapjes en de wijzen in de verte: dat is waar de meesten van ons toch op de eerste plaats aan zullen denken met Kerst. Dat is het beeld dat ons rond deze tijd van het jaar in de kerk en op straat van alle kanten tegemoet komt. De meeste mensen, kerkelijk of niet, weten ook wel waar dat verhaal op uit zal lopen: het kruis en de opstanding.
In het Alternatieve Spoor lezen we op de Eerste Kerstdag Matteüs 1,18-25. Deze keuze vraagt enige toelichting, omdat Matteüs de geboorte van Jezus slechts terloops noemt. De traditionele plaats van de lezing uit Matteüs is eigenlijk de Kerstavond, voorafgaande aan het feest. In het Gemeenschappelijk Leesrooster staat deze tekst dan ook op de vierde zondag van de Advent. Wat kan de betekenis zijn van deze tekst als hij klinkt op de Kerstochtend?
Het eerste vers van het tekstgedeelte uit Jesaja klinkt als een verzuchting: ‘Hoe welkom is de vreugdebode.’ Jeruzalem ligt al vijftig jaar in puin, en nu met het uitzicht op het einde van de Babylonische ballingschap roept de profeet de ruïnes op om te jubelen. De oproep komt bij wijze van spreken uit de tenen. Een voor het berooide en beroofde volk ongekend nieuw begin is ophanden. Het eerste vers van Psalm 98, ‘Zing voor de Heer een nieuw lied’, sluit hier als lofpsalm naadloos op aan.