Menu

Premium

Het begin vóór het begin

Kerstdag (Johannes 1,1-14)

Het kind in de kribbe, Jozef en Maria ernaast, de herders met een paar schaapjes en de wijzen in de verte: dat is waar de meesten van ons toch op de eerste plaats aan zullen denken met Kerst. Dat is het beeld dat ons rond deze tijd van het jaar in de kerk en op straat van alle kanten tegemoet komt. De meeste mensen, kerkelijk of niet, weten ook wel waar dat verhaal op uit zal lopen: het kruis en de opstanding.

Het evangelie van Johannes begint echter op een andere manier. Voordat hij het historische verhaal van Jezus gaat vertellen, schildert Johannes eerst het veel grotere kader waarin dat verhaal staat. Hij vertelt het begin vóór het begin. Over de woorden en beelden die Johannes daarbij gebruikt zijn bibliotheken vol geschreven. Genesis 1 klinkt erin door, het woord waarmee God de aarde tot leven riep. Maar ook teksten over de Wijsheid klinken mee, zoals Spreuken 8,22-31. Daar lezen we dat de Wijsheid (Gr.: sophia) al vóór de schepping met God samen was.

Door in plaats van het woord sophia de term logos te gebruiken, legt Johannes met een paar pennenstreken een verbinding met de hellenistische denkwereld van zijn dagen. Hij verbindt de vrouwelijke sophia, de grondslag van de Tora waarmee zijn joodse lezers vertrouwd waren, met de mannelijke logos waarmee zijn niet-joodse lezers mogelijk meer vertrouwd waren. Zo roept hij de Wijsheid op in al haar manifestaties. Het Woord is de Schrift. Het is de grondslag, het is de Wijsheid, het is het ordenend beginsel en de basis. Het is, kortom, wat in den beginne de schepping tevoorschijn roept uit de chaos van de oervloed.

Tabernakelen

Dat Woord nu, dat van vóór het begin al deel van God was, dát, zegt Johannes, is vlees geworden. Geboren in dit sterfelijk bestaan (Gr.: sarx – 1,14) heeft het Woord gestalte aangenomen in de mens Jezus en is het bij ons komen wonen (Gr.: eskènoosen – 1,14). Door hier een verwijzing naar de tabernakel in te voegen (het werkwoord skènoo, ‘tabernakelen’, komt van skènè, ‘tent’ of ‘hut’) weet Johannes opnieuw, met een enkel woord slechts, een wereld van betekenissen op te roepen. De tabernakel is in het Eerste Testament de plaats waar God in een tastbare, zichtbare en kenbare locatie tussen de mensen wil wonen. Het is een tent die met de mensen meereist en waar de stenen tafelen bewaard worden, onder de vleugels van Gods heerlijkheid die boven de ark zweeft.

Die stenen tafelen geven aan hoe een leven met God handen en voeten kan krijgen in de wereld. In Jezus, zegt Johannes, komt God ons nu heel nabij, meer nog dan toen, in Hem wordt God mens, in Hem krijgen Gods wet en wijsheid handen en voeten en komen ze wonen – tabernakelen – onder de mensen.

In Jezus wordt openbaar wie en wat God is. Hoe dat eruitziet, zal duidelijk worden in het verhaal dat Johannes gaat vertellen over deze mens. Zeven keer zal Jezus in het evangelie de woorden ‘Ik ben’ gebruiken om de kern van zijn wezen weer te geven: brood, licht, deur en herder, opstaan en leven, weg, waarheid en leven, wijnstok. Hier in de eerste verzen van het evangelie horen we al over licht, leven en waarheid. Begrippen die in de traditie reeds nauw met Gods wet, wijsheid en werken in de wereld verbonden waren.

Zo wordt God zichtbaar in deze mens, in een historische gestalte die door anderen herkend en benoemd kan worden. Het is deze mens van wie de kerk, waarvoor Johannes schrijft, gelooft dat God in Hem vlees is geworden. Deze mens leeft een verhaal in de wereld: Hij zal brood breken en wijn drinken met zijn vrienden, een mensenherder zijn naar Gods beeld, iemand in wie God tot leven komt op een manier die zelfs door de dood niet tenietgedaan kan worden.

Als God vlees en bloed wordt, krijgt liefde een concrete gestalte. Jesaja 52,7-10 jubelde daar al over, evenals Psalm 98, twee teksten die voor de viering van Kerst mede als lezing zijn aangegeven. Waar we God te zien en te kennen krijgen, verandert de wereld. Gerechtigheid en vrede beginnen zich te verspreiden. Een nieuw lied vindt stem en zingt van de Eeuwige, die het maar niet kan laten om licht en leven tevoorschijn te roepen waar duisternis en chaos heersten. In deze ene mens gaan God en mens in elkaar over. Hij is een mens, een God, die dorst naar gerechtigheid en vrede.

Gespiegeld

Het eerste hoofdstuk wordt gespiegeld in de laatste hoofdstukken van het evangelie. De schepping waarnaar het eerste hoofdstuk verwijst, wordt gespiegeld in de herschepping waarover het slot spreekt. Zowel aan het begin als aan het einde van het evangelieverhaal wordt uit chaos en dood eeuwigheidsleven tevoorschijn geroepen. Het water en bloed dat na de kruisiging uit Jezus’ zijde stroomt, zijn niet een teken dat het nu echt afgelopen is, maar teken van hergeboorte. De discipelen worden getuigen in de wereld en nemen het stokje over: voortaan leven zij de Levende in hun eigen leven. Zo beschouwd begint Kerst voor Johannes al vóór de tijd begonnen is, wanneer God en Jezus samen de beginselen van een wereld tot leven roepen, waar liefde heerst en gerechtigheid zegeviert.

Het verhaal van God in Jezus begint ver voor Jezus geboren wordt, zegt Johannes, en het verhaal gaat door tot ver voorbij de tijd waarin wij het in onze historische en ecclesiologische context kunnen kennen en aannemen. God blijft geboren worden, blijft water in wijn veranderen, blijft brood uitdelen, blijft de deur openen naar een beter en dieper leven, blijft ons voorgaan, als een herder, als Woord dat richting geeft.

Deze exegese is opgesteld door Anneke Oppewal.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken