Tiende zondag van de zomer
OT: Jesaja 51,1 -6 Psalm: Psalm 138 EV: Matteüs 16,21 -27 Epistel: Romeinen 11,25 -36 Overig: Alternatieven:
OT: Jesaja 51,1 -6 Psalm: Psalm 138 EV: Matteüs 16,21 -27 Epistel: Romeinen 11,25 -36 Overig: Alternatieven:
‘Brood’, gebrek aan brood en toch een royale overdaad voor honderden, ja, duizenden: dat is wat de lezingen van deze zondag (met uitzondering van Efeziërs 6) verbindt. Hier richten we ons op Marcus 8, over de spijziging van de vierduizend en het ene brood in de boot.
Mensen (en dieren) staan bloot aan trauma. Leven is breekbaar en wij krijgen allemaal te maken met ervaringen die ons welzijn en soms zelfs ons leven bedreigen. Wanneer dat gebeurt, zijn we erop ingericht om te reageren met een heel arsenaal aan reacties die ons leven en welzijn beschermen. Eén van die automatische reacties is dat horen en zien ons, letterlijk, vergaan.
Jesaja profeteert wanneer Juda in Egypte een sterke bondgenoot zoekt in de strijd tegen Assyrië, en niet vertrouwt op bescherming door de Eeuwige. Die moet wachten tot Hij hun weer genadig kan zijn en ze zich weer door Hem de weg laten wijzen. De psalm, een acrostichon, bezingt het ABC van gezegende rechtvaardigen en knarsetandende goddelozen buiten. Hebreeën 12,22-29 wijst de gemeente op haar eerstgeboorterecht bij de Eeuwige door het evangelie. Als ze daaraan vasthoudt, verdwijnt ze niet wanneer Hij de aarde en de hemel laat beven.