Vijfde zondag van de herfst
OT: Jesaja 45,1 -7 Psalm: Psalm 96 EV: Matteüs 22,15 -22 Epistel: 1 Tessalonicenzen 1 Overig: Alternatieven: 1 Tessalonicenzen 1
OT: Jesaja 45,1 -7 Psalm: Psalm 96 EV: Matteüs 22,15 -22 Epistel: 1 Tessalonicenzen 1 Overig: Alternatieven: 1 Tessalonicenzen 1
Psalm 124 eindigt met de bekende woorden die we in de liturgie geplaatst hebben: ‘Onze hulp…’ Woorden vol vertrouwen, afsluiting van een lied waar zwart-wit de overwonnen moeilijkheden worden geschetst. Als God maar vóór je is, wie is dan nog tegen je? Zo vertrouwen op Gods macht kan je overmoedig maken. Is dat ook wat er gebeurt met Jakobus en Johannes in Marcus 10?
Stel even: de gemeente is nog niet georganiseerd. Er zijn nog geen ambtsdragers. Verschillende groepen van de samenleving zijn vertegenwoordigd: mannelijke en vrouwelijke senioren, een jongere generatie, beide leeftijdsgroepen uit het midden van de samenleving. Daarnaast zijn er gemeenteleden uit een bevolkingslaag met weinig tot geen invloed en vaak benadeeld, die bij tijd en wijle op verschillende manieren uiting geven aan de ontevredenheid met hun positie.
Het thema van de lezingen van deze zondag is het koningschap. Hoe moeten we het koningschap plaatsen in de heilsgeschiedenis? Aan de ene kant zien we Cyrus, koning van Babylon, aan de andere kant Herodes en zijn partijleden. Vanuit joods perspectief zijn het allemaal onderdrukkers. Toch wordt Cyrus door Jesaja de ‘gezalfde van de Heer’ genoemd.
Het blijft een ongemakkelijk gegeven in Tora en profeten dat er niet alleen over de zegen van genezing wordt gesproken, maar ook over de dood door vervloeking. De Tora behandelt beide, bijvoorbeeld in Deuteronomium 27-30. Eerder in 2 Koningen hebben we gehoord hoe Elia tweemaal vijftig mannen met hemels vuur laat verteren (1,9-12). Na zijn hemelvaart zal Elisa hem in alle opzichten opvolgen als profeet. Niet alleen ‘geneest’ (Hebr.: rafa’) hij water (2,21.22), maar meteen daarna ‘vervloekt’ (Hebr.: qalal) hij tweeënveertig jonge mannen (2,23).
In Lucas 18 vertelt Jezus de parabel van de onrechtvaardige rechter, zeggen wij. Beter kun je spreken van de parabel van de vasthoudende weduwe. Om recht tegen onrecht roept zij. Om de toekomst van God. Je zou haar stem kunnen horen in de woorden van Psalm 4, in de vrije bewerking van Huub Oosterhuis: ‘Hoor mij, wees niet doodse stilte. Geef mij antwoord als ik roep… Niet om ’t een of ander roep ik. Om een nieuwe aarde schreeuw ik. Hoor mij. Wees niet doodse stilte.’