Onze hulp
5e zondag van de herfst ( Psalm 124, Marcus 10,32-45 en Hebreeën 4,12-16)
Psalm 124 eindigt met de bekende woorden die we in de liturgie geplaatst hebben: ‘Onze hulp…’ Woorden vol vertrouwen, afsluiting van een lied waar zwart-wit de overwonnen moeilijkheden worden geschetst. Als God maar vóór je is, wie is dan nog tegen je? Zo vertrouwen op Gods macht kan je overmoedig maken. Is dat ook wat er gebeurt met Jakobus en Johannes in Marcus 10?
Je zou het bijna denken als je Marcus 10,32-35 leest. Maar context is ook hier belangrijk. De passage begint met een ongerustheid die zijn reden blijkt te hebben. Jezus en de leerlingen ‘gaan op’ (Gr.: anabainontes) naar Jeruzalem. Dat is niet gewoon ‘ernaartoe gaan’: het draagt het karakter van een processie. Opgaan naar Jeruzalem betekent gaan naar de centrale tempel en dus ook naar de centrale plaats voor de offers. Op weg daarnaartoe komt de derde lijdensaankondiging (10,33-34), waarin alle stadia van het lijden aan bod komen. Er staat wat te gebeuren. En in die context plaatst Marcus de vraag van Jakobus en Johannes (vgl. Mat. 20,20-21).
Deze vraag is een logisch vervolg op de eerdere vraag van Petrus, hoe het zit met het binnengaan van het Koninkrijk (Marc. 10,28-31). Jakobus en Johannes zijn er blijkbaar van overtuigd dat Jezus de macht heeft om te doen wat ze vragen, en nog belangrijker: ze geloven dat Hij zal gaan heersen in glorie. Ze nemen dus serieus waar de lijdensaankondiging van zojuist hen zal brengen. Zo bezien getuigt hun vraag niet van overmoed, maar van geloofsvertrouwen.
Lijden en dienen
Jakobus en Johannes vragen om de ereplaatsen (vgl. Ps. 110,1; 1 Kon. 2,19). Jezus wijst ze terecht. Hun fout is niet dat ze om deze plaatsen vragen of zich het Koninkrijk van God te werelds voorstellen. Wat wel misgaat is dat ze zich niet lijken te realiseren dat Jezus’ weg naar de hemelse heerschappij dóór het lijden heen gaat. Dat het lijden toch ook onderdeel is van Jezus’ weg, maakt Hij duidelijk in twee beelden: de beker (vgl. Ps. 11,6; Jes. 51,17) en de doop door het bedreigende water (vgl. Ps. 42,8; 46,4). Maar dan nog, stel dat Johannes en Jakobus dat meemaken, dan nog is het aan God de Vader wie de ereplaatsen mag bekleden. God beslist uiteindelijk.
De andere leerlingen vinden er wat van, dat Jakobus en Johannes hun vraag gesteld hebben. Getuige hun reactie vinden zij het wél overmoedig of ongepast. Jezus heeft Jakobus en Johannes niet veroordeeld om hun vraag, maar deze gebruikt om nog eens duidelijk te maken wat de weg is die voor Hem ligt. Zo antwoordt Hij nu ook op de reactie van de leerlingen: Hij is een dienaar, en zo moeten de leerlingen elkaar dienen in plaats van boven elkaar staan in hun oordeel (vgl. Luc. 22,24-27). Het lijden van Jezus is niet na te volgen, en dat vraagt Hij ook niet van Jakobus en Johannes. Maar het dienen is wel een duidelijke opdracht die Jezus geeft aan deze twee en de andere leerlingen.
Leiderschap
Dat het volgen van Jezus niet eenvoudig is, maken de beelden uit de brief aan de Hebreeën ook duidelijk. Deze brief – die waarschijnlijk niet van Paulus is, en geschreven werd eind jaren 60, begin jaren 70 – is gericht aan de joden-christenen in Rome. Hun gemeenschap is na de dood van hun leiders Petrus en Paulus een nieuw leiderschap aan het vormen, tijdens de laatste jaren van de (wrede) keizer Nero. Het is dus een stevige uitdaging om goed met elkaar een gemeenschap te vormen, en daarop haakt de brief in met nadruk op toewijding aan Christus en op een leiderschap dat niet hiërarchisch bepaald wordt door geslacht, etniciteit of sociale status.
Hogepriester
In die context van een gemeenschap in een spannende sociale situatie en uitdagingen voor de interne organisatie, is het belangrijk om scherp te houden waarom het gaat: het vertrouwen in de levende God (3,12-14). God raakt de diepste lagen van de mens, en niets is voor Hem verborgen (4,12-13). Door een subtiel verschil van woordgebruik switcht de auteur van Gods woord (Gr.: logos) naar een menselijk ant-woord, ‘rekenschap’ (ook logos). Net als in Marcus 10 wordt er dus een reactie, een handelen verwacht op de opdracht en de aanwezigheid van God in het leven. Die reactie wordt uitgewerkt in het vervolg, en heeft alles te maken met aanvaarden en tegelijk ook mogen weten dat Jezus de hooggeplaatste hogepriester is. Dat dit idee van Jezus als hogepriester niet vanzelfsprekend was, blijkt uit het vervolg van de passage waarin het hogepriesterschap verder wordt uitgewerkt, uitlopend op de bijna gefrustreerde constatering in 5,11 ‘dat het moeilijk uit te leggen is aan u’.
Uit 1 Makkabeeën 13,42 en de Griekse Septuagintvertaling van Leviticus 21,10 was wel een grote hogepriester bekend, maar Jezus te omschrijven als de ultieme vorm van hogepriester is niet vanzelfsprekend. De toevoeging dat Hij dit is ‘zonder te zondigen’ (4,15) betekende voor de bijbelse auteur echt ‘zonder zonde’. Het is een modern idee om te denken dat Jezus wel gezondigd heeft – omdat nu eenmaal elk mens dat doet, en Jezus was mens – en dat deze zonde ongedaan is gemaakt. Jezus heeft niet gezondigd, maar heeft wel de verzoekingen van de mensen doorleefd, en weet daardoor wat mensen meemaken. Daaruit spreekt een enorme bemoediging, die 4,16 dan ook zo verwoordt. Doordat Jezus dat heeft meegemaakt en is wie Hij is, mogen wij als mensen tot God naderen.
Het is andere taal dan in Marcus 10 en in Psalm 124. Maar de kern is steeds hetzelfde: onze hulp is in de naam van de Heer.
Deze exegese is opgesteld door Marieke den Braber.