Een gezonde gemeente
Alternatief bij 5de zondag van de herfst (Titus 2,1-10)
Stel even: de gemeente is nog niet georganiseerd. Er zijn nog geen ambtsdragers. Verschillende groepen van de samenleving zijn vertegenwoordigd: mannelijke en vrouwelijke senioren, een jongere generatie, beide leeftijdsgroepen uit het midden van de samenleving. Daarnaast zijn er gemeenteleden uit een bevolkingslaag met weinig tot geen invloed en vaak benadeeld, die bij tijd en wijle op verschillende manieren uiting geven aan de ontevredenheid met hun positie.
Jij, alleen als pastorale juniormedewerker, hebt de taak deze groep gelovigen in staat te stellen hun christelijk geloof als gemeente vorm te geven. Je leermeester die ervaring heeft met gemeenteopbouw is ver weg en kan alleen schriftelijk advies en instructies geven. Dan ben je ongeveer in de situatie van Titus in onze tekst.
Sociale deugden en een gezond geloofsleven
‘Nuchter, waardig, bezonnen’ – sociale deugden, niet geloof als hoofdkenmerk van oudere mannen in de gemeente? Eigenlijk doen wij het net zo. Wanneer wij op zoek gaan naar potentiële ambtsdragers (en de oudere mannen hier vormen de groep waaruit Titus oudsten gaat kiezen), kloppen wij ook niet aan bij mensen met een alcoholprobleem, mensen zonder fatsoen en driftkikkers. Juist iemand die beheerst, in zich rustend en weloverwogen over de vaardigheid beschikt mensen bij elkaar te brengen, die gerespecteerd is in de samenleving, dient zich aan als geschikte kandidaat. Dat die persoon ook de drie kardinale christelijke deugden geloof, liefde en een (op hoop gebaseerde) houding van geduldige verwachting1 belichaamt, lijkt bijna vanzelfsprekend.
Voor vrouwen geldt expliciet hetzelfde (Tit. 2,3), ook al kiest de schrijver gedeeltelijk andere woorden. Hun hele gedragswijze moet uitstralen dat zij zich volledig in dienst hebben gesteld van een godheid, zoals een priester doet – en daarbij past noch kwaadsprekerij noch het bovenmatige genot van wijn.
De brieven aan Timoteüs en Titus wordt vaak verweten dat zij vooral aanpassing preken, een brave burgerlijkheid die weinig te maken heeft met de explosieve kracht van Jezus’ woorden, een rolmodel waarbij Paulus’ doopformule ‘noch slaaf noch vrije, niet man of vrouw’ in vergetelheid geraakt schijnt. Onze passage biedt de perfecte illustratie hiervan: het leven van jonge vrouwen lijkt uitsluitend te bestaan uit hun echtgenoten, hun kinderen, het huishouden en goed gedrag (2,4-5), en slaven dienen vooral nederig en onderdanig te zijn (2,9-10).
Inderdaad, dit alles zit in onze tekst. En toch heeft deze passage meer te bieden voor de gemeenteopbouw dan het advies van braafheid. Het idee dat het in Christus niet uitmaakt of je man of vrouw bent, is er wel: Titus moet de vrouwelijke senioren ‘net zo’ leren als de mannelijke, een detail dat moderne vertalingen afzwakken wanneer zij vertalen met ‘ook’ oudere vrouwen (2,2). En hoezeer de opdrachten per groep ook verschillen: telkens gaat het om het vormgeven van het leven vanuit het geloof. Op één punt wordt expliciet dat de adviezen richtlijnen zijn waaraan dezelfde principes ten grondslag liggen: bezonnenheid wordt in verband met bijna elke groep genoemd (2,2.4.5.6).
Medewerksters
De gezonde leer, dus onderwijs in een gedrag dat past bij het christelijk geloof, is Titus’ taak. Zo ontvangt Titus instructies voor oudere mannen, oudere vrouwen, jongeren en slaven. Alleen één groep krijgt een andere leraar toegewezen: de jonge vrouwen. Zij worden in goed gedrag onderwezen door de oudere vrouwen. Reden hiervoor zijn mogelijk de sociale verhoudingen van de oudheid. Volgens deze zou het ‘volstrekt ongepast zijn wanneer Titus – een man alleen – met zijn onderricht op Kreta jonge vrouwen aansprak, zeker in het geval van joodse vrouwen.’2
Gemeenteopbouw volgens de Titusbrief respecteert dus aan de ene kant de gebruikelijke normen van wat als gepast beschouwd wordt, waardoor aan de andere kant bepaalde groepen binnen de gemeente juist een bijzondere status krijgen die zij mogelijk in andere opzichten in de samenleving niet hebben: de leer wordt, behalve aan Titus (2,1.7), verder alleen aan de oudere vrouwen toevertrouwd (2,3). Meer dan de oudere mannen uit wier kring toch de ambtsdragers moeten komen, staan dus de oudere vrouwen aan Titus’ zijde bij de gemeenteopbouw door verkondiging en het goede voorbeeld van wat gepast is en overeenkomt met de gezonde leer.
Gezond is volgens de brieven aan Timoteüs en Titus niet alleen de goede leer, ook over gelovigen kan gezegd worden dat zij gezond zijn wat betreft geloof, liefde en geduldige verwachting (2,2). De gezonde of heilzame leer kan ertoe leiden dat een mens gezond wordt, dat verhoudingen tussen mensen genezen. Helaas biedt onze tekst weinig achtergrondinformatie waarom de jonge vrouwen tot liefde voor hun mannen en hun kinderen moeten worden aangespoord (2,4); maar het is duidelijk dat de schrijver van de christelijke leer een stabiliserend, genezend effect verwacht in de verhouding met man en kinderen. Ook wat karaktereigenschappen en slechte levensgewoontes betreft geneest de juiste leer (1,13). Een andere leer daarentegen maakt ziek door geredetwist en ruzie (1 Tim. 6,4).
Nabije toekomst?
Stel even: de structuur van de gemeente is afgebrokkeld. Ambtsdragers zijn ver te zoeken, een dominee behoort allang niet meer tot de financiële mogelijkheden. De gemeente bestaat uit mannelijke en vrouwelijke senioren en enkele leden van een jongere generatie, allen uit het midden van de samenleving. Daarnaast zijn er gelovigen met weinig tot geen invloed, die het gevoel hebben de last van een veranderende samenleving alleen te dragen en die hun ontevredenheid meenemen in de gemeente. Jij bent alleen als pastorale juniormedewerker – of nog erger: je bent er niet. De gemeente moet zichzelf redden. Misschien met ideeën uit Titus 2.
Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.