Zevende zondag van Pasen
OT: Ezechiël 39,21 -29 Psalm: Psalm 126 EV: Johannes 17,1 -13 Epistel: 1 Petrus 4,12 -19 Overig: Alternatieven: Hebreeën 10,32 -11,1, Habakuk 2,2 -11(12-18)19 -20, Psalm 11
OT: Ezechiël 39,21 -29 Psalm: Psalm 126 EV: Johannes 17,1 -13 Epistel: 1 Petrus 4,12 -19 Overig: Alternatieven: Hebreeën 10,32 -11,1, Habakuk 2,2 -11(12-18)19 -20, Psalm 11
In Exodus 19,1-11 klinken woorden die te maken hebben enerzijds met Gods heilsdaden, anderzijds met het antwoord van mensen op die heilsdaden. ‘Met eigen ogen hebt gij gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte’ (19,4). Eerst wordt gesproken over Gods handelen in de geschiedenis, hoe Hij zijn oog heeft laten vallen op dat ene volk. Maar tegelijk wordt ook van dat volk iets gevraagd. Niet ‘teruggevraagd’. Dat zou inhouden dat we werken met het principe: voor wat hoort wat. Neen, van de mens, van het volk wordt gevraagd dat men het verbond zal onderhouden.
In Exodus 19 lezen we hoe de Israëlieten zich moeten heiligen om de Eeuwige te ontmoeten bij de heilige berg. Psalm 68,1-14 bezingt hoe de Eeuwige in al zijn macht en grootheid zijn vijanden verplettert, maar met een milde regen nieuwe kracht schenkt aan zwakken. Wie uit die kracht put is als een boom aan stromend water, zegt Psalm 1. In twaalf woorden vat 1 Johannes 5,11 het evangelie samen: ‘God heeft ons eeuwig leven geschonken en dat leven is in zijn Zoon.’
Het is nogal wat: je laten leiden door Gods wil, een houding die Petrus in zijn eerste brief (4,2) aanbeveelt. Het zou niet vreemd moeten zijn voor christenen, maar toch, het is nogal wat. En zeker wanneer je ook lichamelijk lijden ondergaat. Dat ‘lichamelijk’ staat er niet bij, dus het lijden kan ook mentaal zijn. Geestelijk lijden. Aan deze wereld bijvoorbeeld. Maar het einde van alles is nabij. Dus ook van deze wereld. En van de Paastijd. Of niet? Petrus schrijft op het scherp van de snede.
Johannes 17 is de afsluiting van het gedeelte dat begint met hoofdstuk 13: het verhaal van de voetwassing. Jezus is met zijn leerlingen bijeen. Zij houden een maaltijd. Dé maaltijd? Vieren zij het Pascha, het feest van de bevrijding uit alle vormen van slavernij en horigheid? Een bevrijding die gestalte krijgt waar de ene mens de ander dient en liefheeft? Een bevrijding die haaks staat op wat de wereld leert: opkomen voor jezelf, het recht van de sterkste?
Het boek Ruth oogt idyllisch en romantisch, als een liefdesnovelle tegen een pastorale achtergrond. Er staat echter heel wat meer op het spel. Het verhaal over trouw die leven mogelijk maakt, speelt zich af in de spanningsboog tussen de rechters (Ruth 1,1) en het koningschap van David (Ruth 4,22).
Op de twee laatste zondagen in de Paastijd is nog iets van het liturgische spel herkenbaar dat de kerk ons heeft aangereikt in het aloude hoor-, lees- en overwegingsschema, ook wel lectionarium genoemd. Teksten uit het Johannesevangelie brengen ons terug naar de situatie van voor Pasen. We horen ze achterstevoren, alsof Pasen nog moet geschieden. We worden teruggeplaatst in de tijd. Doel: ons geheugen opfrissen. ‘Weet je nog…? Zie, Ik heb het jullie gezegd!’