Preekschets Lucas 24:52 – Weeszondag, Zevende zondag na Pasen
Zevende zondag na Pasen, weeszondag
Ze brachten Hem hulde en keerden in grote vreugde terug naar Jeruzalem, waar ze voortdurend in de tempel waren en God loofden.
Schriftlezing: Efeziërs 1:1-23 en Lucas 24:52-53; Lied 661, 662, 663.
Het eigene van de zondag
De zondagen tussen Hemelvaartsdag en Pinksteren heeft een eigen kleur. De naam ‘Weeszondag’ bedoelt niet een gevoel van ‘verweesdheid’ uit te drukken, maar wil gezien worden in het licht van Jezus’ belofte dat Hij de zijnen niet als wezen zal achterlaten, maar tot hen komen zal (Johannes 14:18).
Uitleg
Tussen de verzen 50v en 52v vindt er een complete wisseling van subject plaats. In vers 50v is Jezus de handelende, die de leerlingen naar buiten leidt, zegent en naar de hemel gaat, in vers 52v horen we alleen over wat de leerlingen doen en wordt met geen woord verwezen naar wat Jezus doet. Toch is er een ‘accolade’ die deze verschillen bijeenhoudt: in vers 53 lezen we dat de leerlingen ‘zegenen’. Daarmee is hun rol aangeduid, niet van mensen die nu het initiatief overnemen, maar van gezegenden die de zegen beantwoorden met hun leven. Efeziërs 1 laat dat ook zien: in vers 3 lezen we van de ‘zegen in de hemelse gewesten’, maar de inzet van dit vers luidt: ‘gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus’. De zegen van Abraham is in Christus Jezus tot de heidenen gekomen, schrijft Paulus in Galaten 3:14. Die zegen is een en al genade en vraagt om het antwoord van geloof en lofprijzing.
Er is nog een verbinding van de verzen 52v met het voorgaande, namelijk vers 49. Daar draagt Jezus hen op in Jeruzalem te blijven totdat Hij hun de belofte van zijn Vader – de Geest – zendt en zij met kracht uit de hoogte – de hemel waar Jezus nu is – bekleed zullen zijn. Dat doen ze ook, en daarmee is duidelijk dat ze niet als ‘kleine zelfstandigen’ verder gaan en eigen initiatieven ontplooien. Ze gaan spoorslags naar Jeruzalem om er de Heer te zegenen – en te bidden om en te wachten op de gave van de Geest.
Er staat ook dat de leerlingen Jezus aanbidden. In het Evangelie naar Lucas is lezen we op verschillende plaatsen dat mensen God loven en aanbidden om de redding die zij door Jezus ondervinden (5:26, 7:16, 13:13, 17:15, 18:43, zie Green, 862). Hier aanbidden zij Christus, de in de hemel verhoogde, en belijden daarmee niet alleen dat zijn opname in de hemel een heilsgebeuren is, maar ze erkennen ook dat Hem goddelijke eer toekomst, omdat Hij de Zoon van God is.
Deze aanbidding geschiedt in uitbundige vreugde. In het Evangelie naar Lucas lezen we telkens weer van vreugde over het heil van God (1:44, 10:17, 15:5.7.10, 19:6), als ‘the sort of exhilaration generally associated with disclosures of divine redemption’ (Green, 863). Slechts één keer eerder horen we van ‘grote vreugde’ (2:10), in de beloftevolle boodschap uit de hemel voor de dodelijk verschrikte herders in de Kerstnacht. Ze gaan op weg naar Bethlehem, naar het Woord dat geschied is, en vinden het kind in de kribbe. Anders dan de wijzen of koningen uit het Oosten staat er van hen echter niet dat ze zich nu ook daadwerkelijk met ‘grote vreugde’ verheugden (Matteüs 2:10) en evenmin dat ze Jezus ‘aanbidden’ (2:11). We horen alleen dat ze overal het Woord bekend maken dat hun over Hem verteld was (2:17). De herders ‘zien het Woord dat geschied is’, en dat het Woord is dat geschied is impliceert dat het ook het karakter van een belofte heeft. In Lucas 2 komt zodoende al meteen tot uitdrukking dat er niet een harmonieuze ontwikkeling te verwachten valt. Jezus is bestemd tot val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken dat tegenspraak zal oproepen (2:34). Zelfs door de ziel van Maria zal een zwaard gaan (2:35). Het verbaast tegen deze achtergrond niet dat de herders niet aanbidden en dat we niet horen dat ze ‘grote vreugde’ ervaren.
Aan het eind van het Evangelie horen we nu wel van aanbidding en van ‘grote blijdschap’, wanneer de leerlingen Jezus erkennen en aanbidden als degene die het heil tot stand gebracht heeft. Löning (46): ‘Das so gerahmte Ereignis der Aufnahme Jesu in den Himmel ist also, obwohl eine Art Trennung, vor allem ein Ereignis, das eine segensvolle Verbindung zwischen Himmel und Tempel begründet. Als Nebenzug der Handlung, durch das participium coniunctum “vor ihm niederfallend” (προσκυνὴσαντες), deutet der Erzähler an, worin diese Verbindung besteht, daß nämlich die Aufnahme des scheidenden Jesus in den Himmel seine Inthronisation als messianischer Herrscher zur Rechten Gottes ist, dem die Jünger mit ihrer Proskynese huldigen.’ Nu is er ‘eer voor God in de hoge is en vrede op aarde bij mensen van Gods welbehagen’ (Luc. 2:14) en ‘vrede in de hemel en heerlijkheid in de hoogste hemelen’ (Luc. 19:38).
De leerlingen zijn net als Anna in hoofdstuk 2:37 voortdurend in de tempel (Green, 863). Daar zien zij uit naar de belofte van de Heilige Geest. Maar ook de vervulling van die belofte brengt hen er niet toe afstand te nemen tot de tempel. Handelingen 3:1 laat zien dat de leerlingen op de gebedstijden naar de tempel blijven gaan. En vers 26 spreekt ook duidelijke taal als Petrus daar tot zijn mede-joden zegt: ‘U bent de erfgenamen van de profeten; met uw voorouders heeft God zijn verbond gesloten toen hij tegen Abraham zei: “In jouw nageslacht zullen alle volken op aarde gezegend worden.”’
Aanwijzingen voor de prediking
De tekst, vers 52v, schetst met enkele woorden de contouren van wat het leven als christen inhoudt. Het is ten eerste Jezus aanbidden die het heil heeft volbracht. Aanbidden staat niet op zichzelf, het wil zeggen dat de prangende vraag hoe mens te worden naar Gods bedoeling en echte vreugde te vinden in Hem beantwoord is. De ‘grote blijdschap’ is bij wijze van spreken de toonsoort van de brieven van het Nieuwe Testament: het is vreugde over en in het heil die in alle moeite die ons overkomt ons wil vervullen en erdoorheen dragen.
Het houdt ook in, in gemeenschap en verbondenheid te leven. Jezus’ volgelingen leven onder zijn zegenende handen en geven die zegen ook terug. Pas de laatste tijd is er in protestantse kring echt aandacht voor de zegen, voor wat het leven glans en richting en vreugde geeft.
Het laatste kernaspect van het christelijk bestaan is ‘bij de tempel blijven’. Dat houdt in, bij de plaats van de verzoening blijven, waar de Psalmen worden gezongen en het leven in het teken van het dankoffer staat. Het is bij Israël blijven, en bij de gemeente. In een versplinterde kerkelijke wereld houdt het in, tot het uiterste de ander te zoeken, bruggen te slaan, samen de vreugde hervinden in Hem die ons leven is.
Misschien is het goed om in te zetten bij de aäronitische zegen van Numeri 6, en met name te wijzen op het aangezicht of gelaat. Dat God zich in Jezus Christus blijvend over ons heen buigt en het licht laat worden, heeft als connotatie gezien worden en weg komen en blijven uit het duister van zonde en dood, van de verbroken gemeenschap met Hem die licht en leven is.
Ideeën voor kinderen en tieners
Voor kinderen en tieners zal zegenen geen aansprekend begrip zijn. Het kan misschien uitgelegd worden als elkaar zien, begroeten en dan ook aanraken; jongeren begrijpen best dat een vluchtig hoi iets anders is dan een knuffel of een high five. Als illustratie kan gedacht worden aan de joodse zegen bij het weerzien van een familielid of een bekende. Als vanuit Rome Paulus broeders tegemoet komen spreekt hij een beracha uit, dankt God en grijpt moed.
Liturgische aanwijzingen
Schriftlezing Handelingen 1:1-12 en Lucas 24:50-51; NLB 665, 666, 667
Geraadpleegd
-
C. Böttrich, ‘Lukas in neuer Perspektive’, Evangelische Theologie 79 (2019) 114-129
-
F. Bovon, Das Evangelium nach Lukas III/4 (Lukas 19,28-24,53), Neukirchen-Vluyn 2009
-
J.B. Green, The Gospel of Luke, The New International Commentary on the New Testament, Grand Rapids (Mi) / Cambridge (UK) 1997
-
K. Löning, Das Geschichtswerk des Lukas. Band 1. Israels Hoffnung und Gottes Geheimnisse, Stuttgart / Berlin / Köln 1997
-
M. Wolter, Das Lukasevangelium, Handbuch zum Neuen Testament Bd. 5, Tübingen 2008