Tegen Lafhartigheid
Inleiding
Søren Kierkegaard (1813-1815) lezen is niet altijd makkelijk, maar zelden saai. Zelfs als je wat gewend raakt aan zijn dialectische stijl, waarbij de tegenstellingen je om de oren vliegen, weet hij toch telkens weer te verrassen met een onverwachte wending.
Dat doet hij ook in een als toespraak geschreven tekst (een stijlvorm die hij vaak gebruikt, en waarbij hij ‘hardop aan jezelf voorlezen’ suggereert) uit 1844: Over Lafhartigheid.
Wat volgt is een hele beknopte en hertaalde weergave van die toespraak (overgenomen uit: Geert Jan Blanken, Kierkegaard in gewone taal, KokBoekencentrum, 2020). De cursieve gedeelten zijn letterlijke citaten van Kierkegaard. In deze toespraak wijst Kierkegaard er onder andere op dat lafhartigheid en trots nauw samenhangen: het zijn twee manieren om eraan te ontkomen om vanuit ‘het besluit’ te leven. Dat ‘besluit’ komt in veel van zijn teksten terug. Kierkegaard duidt ermee aan wat de gepaste reactie zou zijn op wat ‘de eeuwigheid’ van ons vraagt. ‘Het besluit’ komt dicht in de buurt van ‘overgave’: uit je eigen midden durven stappen en vanuit vertrouwen gaan leven. Trotse pogingen om het liever allemaal zelf te doen, laffe manieren om daarvoor weg te duiken – ze lijken meer op elkaar dan de grote verschillen aan de oppervlakte vaak doen vermoeden. Maar in deze toespraak moet vooral de lafhartigheid het dus ontgelden.
Wat daar tegenover staat, de moed om vanuit het besluit te leven, kan vervolgens op net zoveel manieren vorm krijgen als er mensen zijn. Maar het staat voor Kierkegaard vast dat het altijd in het persoonlijke, concrete en (dus) kleine begint. Als je daar de strijd met jezelf durft aan te gaan, zou je zomaar eens moediger kunnen zijn dan wanneer je demonstratief vooral externe vijanden en wereldproblemen bestormt.
Toespraak
2 Tim 1:7. Want God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht en van liefde en van bezonnenheid.
Er is iets in het leven dat ons vandaan probeert te trekken bij het eeuwige, dat ons weg wil hebben bij dat wat er werkelijk toe doet. Als we dat eenmaal beseffen is het belangrijk om te weten dat er ook middelen zijn om die wegtrekkende beweging tegen te gaan.
Zo’n middel is het besluit.
“Want het besluit verbindt een mens juist met het eeuwige, brengt voor hem het eeuwige in de tijd, schrikt hem op uit het dommelen van de eenvormigheid, verbreekt de betovering van de gewoonte, breekt de eindeloze meningsverschillen van het moeizame denken af en geeft zijn zegen aan zelfs het zwakste begin, als het al een begin is. Want het besluit is wakker worden voor het eeuwige.”
We gaan het dus hebben over het besluit, maar niet – zoals dat nogal eens gebeurt – door het besluit af te schilderen als een stoere beslissing om het gevaar op te zoeken. Alsof een mens die een besluit neemt lijkt op een zwemmer die dapper vanaf een rots de schuimende golven in duikt. Toespraken die dat doen roepen op tot een soort heldendom. Dat soort taal maakt best indruk op mensen. Als je thuiskomt na zo’n opzwepend verhaal, ben je even vol van zo’n oproep. Je bewondert de geestdrift van de spreker en je gaat er eens even lekker voor zitten om je af te vragen wat jij eens zult besluiten en op welke held je het liefst zou lijken. Maar dat zijn allemaal grote woorden en grootse gebaren waarvoor waarderend geapplaudisseerd wordt. Gedoe voor de bühne. Laat dat dan ook maar blijven waar het thuishoort: in het theater. En als je als spreker mensen zo wilt beïnvloeden moet je goed weten wat je eigenlijk doet: je maakt je schuldig aan uitlokking tot verstrooiing. Want dat is het, niets meer.
Om te beginnen moeten we namelijk goed beseffen dat een echt besluit niet te maken heeft met het je in een gevaar durven begeven. We zijn al in gevaar; het probleem is dat we daaruit gered moeten worden! We bevinden ons, en dat weet iedereen donders goed, te midden van allerlei gevaren. Het gevaar geluk en welvaart te kunnen verliezen, het gevaar je ziel te verliezen in zwaarmoedigheid, het gevaar van de zonde, het gevaar van de dood. We zijn gevangenen, ook al is onze gevangenis zo ruim als de wijde wereld.
Dat weten we allemaal, en toch willen we er niet aan. We voelen ons liever trots in een heroïsch gevecht met grote gevaren die we opzoeken, dan dat we moeten erkennen dat we een moeizame gang maken door het dagelijks bestaan. We hebben een dagelijkse strijd te leveren, die er vaak helemaal niet spectaculair uitziet. Toch komt het eropaan om juist in het gedoe van alledag te gaan leven vanuit het besluit. En als er iets is dat dat in de weg zit, dan is het wel lafhartigheid.
Over lafhartigheid moesten we dan ook maar eens gaan hebben!
Blijkbaar is deze tijd zo verfijnd dat ze zoiets als zonde bij voorkeur wat verontschuldigend beschrijft. Liever dan lafhartigheid bij de naam te noemen gaat het dan nogal eens over trots. In het woord trots zit iets vleiends verstopt. Als een spreker zijn publiek waarschuwt tegen trots dan durven mensen zich dat wel aan te trekken, want dat klinkt een stuk beter dan voor lafaard te worden uitgemaakt. Toch is veel van wat we trots noemen precies hetzelfde als lafhartigheid.
Deze onechte trots wil altijd het juiste doen, maar dan wel op eigen kracht. Dat leidt tot een behoorlijk rusteloos bestaan. Als pogingen om het juiste te doen mislukken, wat natuurlijk gebeurt, dan zie je trotse mensen nogal eens elkaar opzoeken en lafhartig schuilen bij elkaar. Terwijl falen nu juist zou moeten leiden tot het vinden van God. Het komt erop aan God als medeweter bij alles toe te laten. Als je dat niet durft, als je daar te trots voor bent, ben je eigenlijk lafhartig. Dan beeld je je in eenzaam te zijn, dan koester je dat zelfs, omdat het je altijd nog beter lijkt dan voor God te komen te staan.
“Want als het de wereld en alle verschrikkingen die het leven op aarde en het leven van een mens verbergen, niet gelukt is hem erop te wijzen dat zijn eenzaamheid een begoocheling is, dan zal de Almachtige hem dat onmiddellijk duidelijk maken, maar dat kan hij niet uithouden, en dus is hij lafhartig.”
We moeten lafhartigheid goed in beeld zien te krijgen. We moeten haar dus niet verwarren met trots, maar bijvoorbeeld ook niet met scherpzinnigheid: allerlei verstandig geredeneer dat ertoe leidt om maar geen besluit te nemen.
Het is best lastig om grip te krijgen op lafhartigheid, omdat het zo’n soepele, aardige eigenschap is. Niet schreeuwerig en luidruchtig, maar stil en zwoel. En zo pakt ze ons, heel innemend, steeds meer in. Ze kan het heel goed vinden met de tijd, want zowel de tijd als de lafhartigheid vinden dat er geen enkele reden is om je te overhaasten. Terwijl God en de eeuwigheid zeggen: vandaag nog.
Hoe gaat lafhartigheid te werk?
- Ze houdt de mens ervan af te erkennen wat het goede is.
- Ze verhindert de mens om het goede te doen.
- Ze weerhoudt de mens ervan om zich te bekennen tot het goede dat hij doet.
Lafhartigheid houdt de mens ervan af te erkennen wat het goede is
Wat het goede is laat zich niet eenvoudig definiëren, maar wat zeker is, is dat het concreet is en voor iedereen die een besluit durft te nemen binnen handbereik ligt. De lafhartigheid probeert het op afstand te houden. Door het te moeilijk te maken en de mens wijs te maken dat het zo ver weg ligt dat voortdurend streven het meest haalbare is. Of door het zo simpel voor te stellen dat je zou kunnen denken: ‘Dat is me niet uitdagend genoeg, ik wacht nog wel even’. Waar het op aankomt, het besluit, speelt zich onopvallend af. In de stilte, en dat vinden we niet aantrekkelijk, dat ervaren we als vernederend. Het goede kenmerkt zich erdoor dat je, als je het doet, geen held wordt, maar gewoon iemand die gedaan heeft wat hij moest doen. Een ‘onnutte dienaar’.
Wat goed is kan voor iedereen verschillend zijn, maar wat eronder ligt is voor iedereen hetzelfde en voor iedereen bereikbaar: je moet doen wat je kunt. Of je nu duizenden mensen bevrijdt of jezelf uit een innerlijke strijd, het maakt ten diepste niet uit. Het wordt pas kwalijk als je jezelf niet overgeeft aan het besluit, en het is helemaal verkeerd om anderen of de omstandigheden daar de schuld van te geven. Of als je jezelf wijsmaakt dat jij niets over te geven hebt, of als je blijft steken in vage dromen, terwijl het goede zo dichtbij is.
Lafhartigheid verhindert de mens om het goede te doen
Het besluit geeft het bestaan de glans van de eeuwigheid, maar wil zich voortdurend met het meest alledaagse bezighouden. En al ziet dat er in onze ogen niet zo goddelijk uit, het gaat om het kleine: iets sparen terwijl dat niet voor de hand ligt, die boze opmerking niet maken, je aan iets onbehagelijks onderwerpen, je werk wat langer volhouden, een kleine belediging vergeten. Het besluit zorgt ervoor dat je het kleine niet veracht, en dat je je er ook niet in verliest. Besluiten zorgen ervoor dat het leven voortgaat, zich voortdurend verfrist en verkwikt. Lafhartigheid probeert je bij het kleine vandaan te houden. Het is nou eenmaal meer vlijend om iets groots aan te pakken, en daar eventueel in te mislukken. Nee, dan noemen we iets liever onbeduidend, en laten we vervolgens na om het te doen. Natuurlijk mislukken er voortdurend dingen, zeker ook kleine, en dan is het zaak om gewoon weer te beginnen waar je gestopt bent. Tijdens dat hele proces leer je een ding, en dat is precies datgene wat de lafhartige trots niet tot zich door wil laten dringen: dat je niets bent. Juist in je zwakheid leer je dat je alles, ook die zwakheid, bij God moet durven laten.
“Het is toch zeker dat het enige en het grootste wat de grootste en de geringste mens voor God vermag te doen zich helemaal overgeven is, dus ook met zijn zwakheid.”
Lafhartigheid weerhoudt de mens ervan om zich te bekennen tot het goede dat hij doet
We hebben gezien dat het er bij het doen van het goede om gaat het kleine te doen, datgene te doen wat op jouw weg ligt, en dat te doen in het besef dat het niet jouw prestaties zijn die het goede goed maken. Je doet gewoon wat je moet doen, en laat de rest over aan God. Dat betekent dus dat je niet opschepperig of opvallend verkondigt dat je bezig bent het goede te verrichten. (Denk aan de Bijbeltekst die zegt: ‘Als je vast, zalf dan je hoofd en was je gezicht, opdat niet de mensen zien dat je vast, maar je Vader die in het verborgene is’.)
Maar je kunt ook de omgekeerde fout maken. Het kan verleidelijk zijn je onbegrepen en je misschien zelfs wat superieur voelend op te sluiten in jezelf en de gelegenheden voorbij te laten gaan waarop je, terughoudend en beschroomd,moet bekennen tot waar je mee bezig bent. Als je je in je hart tot het goede bekent, doe dat dan ook voor de ogen van de mensen. Ook als je daarbij telkens faalt, laat dat je niet beschaamd maken, maar laat je vernieuwen door het besluit.
“Waag het daarom, jij die besloot tot het goede en die je besluit trouw bleef, vat moed (want je weet toch dat de toespraak tegen lafhartigheid is en niet tegen trots) om het kleinere te wagen, als je wilt dat jouw bekennen tot het goede zo genoemd gaat worden, wanneer je er niet mee pronkt!”
Je kunt het boek Kierkegaard in gewone taal van Geert Jan Blanken hier bestellen.
Geert Jan Blanken werd ten tijde van zijn studie pedagogiek aan de Vrije Universiteit gegrepen door het werk van de Deense filosoof Kierkegaard. Het liet hem niet meer los.