Menu

Premium

Terugkijken en vooruitkijken

9e zondag van de herfst (Ezechiël 34,11-17, Psalm 90 en Matteüs 25,31-46)

Op de negende zondag van de herfst naderen we het eind van het kerkelijk jaar. Een nieuw kerkelijk jaar is in aantocht. In die wisseling van de tijden zoeken we het Licht dat ons draagt, het Licht dat ons hier heeft gebracht en dat ons verwachtingsvol doet uitkijken naar dat wat komen gaat. Bij die wisseling van tijden past de ‘oudejaarspsalm’ 90, het gebed van Mozes met de woorden ‘Laat ons uw genade zien’.

‘Terugkijken en vooruitkijken’ karakteriseert de teksten van deze zondag. De profeet Ezechiël blikt in een duistere periode van het volk vanuit de Babylonische ballingschap terug op de geschiedenis van Israël. Ezechiëls naam betekent ‘God zal sterk maken’. Hij is van oorsprong een priester en is met andere leidslieden rond het begin van de zesde eeuw voor Christus naar Babel weggevoerd. Wanneer Ezechiël zijn oordeelsprofetie aanheft, zou je misschien verwachten dat deze tegen Babylon is gericht en dat hij Babylon zal vervloeken. Maar niets van dat alles.

Snijdend klinkt het in het begin van hoofdstuk 34 tegen de leidslieden van Israël zelf: ‘Wee jullie, herders van Israël, want jullie hebben alleen jezelf geweid!’ Ezechiël breekt zichzelf en de andere leidslieden af, om zichzelf en de anderen daarna weer te kunnen opbouwen, zodat ze zich herinneren waar ze vandaan komen en waar ze heen gaan, en om zich door God sterk te laten maken.

Oordeel en belofte

De ballingschap is voor Ezechiël, evenals voor andere profeten in Israël, de aanleiding om zich af te vragen: ‘Wat hebben wij gedaan, dat ons dit overkomt?’ Inkeer en boetedoening scheppen ruimte voor een nieuw perspectief. En zo klinken in vers 11, aan het begin van de lezing, de woorden van God zelf uit de mond van Ezechiël: ‘Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en zelf voor ze zorgen.’ God zal zijn verstrooide schapen verzamelen en oprapen, God kondigt ook aan te zullen rechtspreken tussen de schapen en de bokken, wat in de daarop volgende verzen wordt uitgewerkt met het te hulp komen van de magere en de zwakke dieren.

God treedt niet alleen in de plaats van de leidslieden van het volk omdat ze het hebben laten afweten, God is ook hun voorganger. Ezechiël bepaalt de leidslieden bij hun afkomst én hun toekomst. Zijn profetie bestaat uit oordeel, maar impliceert ook belofte.

De Mensenzoon

Wanneer je het gedeelte uit Matteüs hier direct na leest, valt je onmiddellijk op dat ook daar weer wordt gesproken over schapen en bokken. Voor de hoorders van Jezus, die de verhalen van Mozes en de Profeten goed kenden, zeker de schriftgeleerden, moet dit een signaal geweest zijn: hier voltrekt zich de belofte van Ezechiël.De tekst van Matteüs begint met de mysterieuze figuur van de Mensenzoon. Het is een voorstelling uit oud-joodse geschriften van een hemelse verlosser, de koninklijke mens, die aan het eind van de tijd zal komen om de heerschappij op zich te nemen.

Je zou dit verhaal de climax van de verkondiging van Jezus kunnen noemen. Matteüs laat Jezus nog één keer zeggen waar het in de kern om gaat. En dat is niet de rituele dienst in de tempel en het is niet het tot op de letter naleven van de Wet van Mozes, maar het is wat de dienst in de tempel en de Wet van Mozes op het oog hebben: ‘de dienst aan de geringsten van mijn broeders en zusters,’ zegt Jezus. Jezus slaat met deze woorden het machtsfundament onder de leidslieden – de priesters en schriftgeleerden – vandaan.

Oordeel

Als we hiervandaan terugkijken naar de direct aan dit gedeelte voorafgaande gelijkenis van de talenten, dan krijgen we ineens ook de sleutel aangereikt om daarvan de betekenis te achterhalen. In de gelijkenis krijgen drie knechten een aantal talenten, en aan het eind worden ze afgerekend op wat ze met de bezittingen van hun heer hebben gedaan. Waar gaat het die heer daarbij om? Vanuit het verhaal van het oordeel zien we het: de hongerigen voeden, de dorstigen te drinken geven, de vreemdelingen opnemen, de naakten kleden, de zieken verzorgen en de gevangenen bezoeken. Opvallend is dat degenen die deze dienst aan de geringsten verrichten ‘rechtvaardigen’ worden genoemd. Met andere woorden, zij doen waar het in de Wet van Mozes om gaat.

In de gelijkenis komt ook de gestalte voor van de knecht die met zijn ene talent niets heeft gedaan. Met die gestalte lijkt Jezus de leidslieden van het volk op het oog te hebben. Zij doen namelijk wat volgens de letter van de wet geboden was, het toevertrouwde bezit bewaren en ongeschonden teruggeven. Wanneer evenwel de rituele dienst in de tempel en het naleven van de wet niet leiden tot de dienst aan de geringsten, dan leidt het tot niets. Dat is het harde oordeel dat Jezus hier velt over de leidslieden van het volk.

Na deze laatste rede van Jezus lezen we vanaf 26,3 dat de leidslieden van het volk een plan beraamden om Jezus uit de weg te ruimen. Anders dan de leidslieden in de tijd van de profeet Ezechiël laten deze leidslieden zich niet afbreken en weer opbouwen. Zij zien alleen dreigende afbraak van het instituut dat hun macht verschaft en breken vervolgens Jezus af.

Terug naar de plek van deze zondag in het kerkelijk jaar zou je kunnen zeggen dat de cirkel bijna weer rond is. Jezus openbaart zich in dit verhaal als de koninklijke mens, de koning die de magiërs in Matteüs 2 komen zoeken en aanbidden. De koning die wij straks ook weer zoeken in het holst van de nacht van het jaar.

Deze exegese is opgesteld door Trinus Hoekstra.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken